Louis Paul Boon stond me in de late avond op te wachten in de uitgestorven Belgische straat die Erenbodegem heer. Kleiner dan je verwacht. Een gezicht dat constant op vriendelijk staat. Wat hij ook zegt.
Langzaam kuiert hij de smalle weg af die naar zijn huis voert. Een bungalow, verscholen in het land, uit wit, eerlijk baksteen opgetrokken. Wijst naar zijn auto (snelle racewagen) en zegt dat zijn vrouw die altijd bestuurt. Zijn echtgenote: mollig, vreselijk lief en waarschijnlijk immer als een warme deken beschermend om de dichter-schrijver-schilder aanwezig.
We praten over Elsschot. Boon zegt: ‘Elsschot en ik... We schoten moeilijk met elkander op. Waarom? Ik weer 't niet. Hij had zijn ideeën. Ik de mijne. Bijvoorbeeld: Elsschot had een gedicht gemaakt voor Borms. Borms was de Flamingant die tijdens de Eerste Wereldoorlog met de Duitsers gecollaboreerd had en ook tijdens de laatste oorlog. 't Was een voorvechter van de Flaminganten, een aanbeden man... Wellicht een soort Mussert...
Na de Tweede Wereldoorlog werd Borms gefusilleerd en de meeste Vlamingen waren daar ontzettend kwaad over. Elsschot ook. Hij schreef een gedicht voor Borms, uit protest, en droeg dat gedicht aan mij op. Hij stuurde 't me toe en vroeg of ik 't goedvond dat dat gedicht voor Louis Paul Boon was. Of dat mocht, hè. Nou eindigde dat gedicht met de regels: “...maar wij komen terug met Leeuwenvlag en slaande trom...”
Ik schreef Elsschot terug: “Ik ben blij dat u dat gedicht aan mij opdraagt, maar ik ben niet akkoord met de laatste regels, ik bedoel dat men zou terugkeren met Leeuwenvlag en slaande trom. Want ik houd niet van die mensen die almaar terugkeren met die dingen, niet...” Haha. Toen was Elsschot boos.’
Elsschot was gek op uw werk. Lees maar wat hij over De voorstad groeit heeft geschreven. Hij heeft u ook zo'n beetje ontdekt.
Boon: ‘De voorstad groeit werd in 1942 geschreven. Je moet weten, bij ons bestond niet zoiets als de cultuurkamer. De Duitsers hadden hier wel het vetorecht. Alvorens een boek uitkwam moesten ze er een nummer in stempelen.
Nou, ze sloegen die vetonummers er zo in, hè. Zonder de boeken te lezen. Het manuscript zag er raar uit. Inderdaad. Slecht getypt en zo. En het papier was van dat dunne oorlogsspul; je moest er een witte bladzijde onder leggen wilde je 't kunnen ontcijferen.
De ss'er schreef in een recensie: “Dit boek is te communistisch voor Vlaanderen.” De Gestapo kwam bij me aan huis om de boel ondersteboven te halen. Maar in hun drift om communistische pamfletten te vinden, zagen ze alle anti-Hitler-boeken die ik in de kast had over het hoofd, haha.’
U was tweeëndertig toen u in 1942 debuteerde. Laat debuut...
Boon: ‘Ik heb er nooit zo veel belangstelling in gehad, hè...’
Mevrouw Boon: ‘Hij zat almaar te schrijven...’
Boon: ‘Zij heeft me ontdekt, ze heeft het manuscript van De voorstad onder m'n handen weggetrokken...’
Mevrouw Boon: ‘Ik had van die prijsvraag gelezen en ge moet begrijpen dat... Awel, Louis zat almaar in een hoekje te schrijven niet, en alle familieleden bespotten 'm...’
Boon: ‘Ik had nooit zo veel belangstelling in publicaties en zo; ik tekende al van m'n vroegste jeugd af en schreef... Dat vond ik leuk, ik had er lust in, meer was 't niet...’
Mevrouw Boon: ‘Maar de familie die begreep dat niet, dat Louis weinig zei en tekende en schreef: ze bespotten 'm en noemden m'n Louis “Hendrik Conscience” en zo. Daarom nam ik dat manuscript en stuurde 't op met de post, hè... Ik wilde niet dat ze Louis een zot vonden, niet...’
Boon: ‘Ik had niet eens tijd om het boek af te maken. Daarom eindigt het ook met de woorden: “En ach... enzovoort enzovoort.” Gewoon omdat ik er de tijd niet voor had om 't af te maken, en ach, enzovoort, enzovoort... het maakte ook weinig uit.’
Waarom hebt u nu besloten op te houden met schrijven?
Boon: ‘Hoe komt een bokser erbij om niet meer te boksen? Hoe komt-ie ertoe? Hij hoort niet meer in de ring vindt hij.’
Is 't niet om de erkenning die u in Vlaanderen toch niet hebt gevonden, uit een soort teleurstelling?
Boon: ‘Dat zou je kunnen zeggen - maar ik heb gezegd wat ik te zeggen had. En in Nederland hebben ze me de Van der Hoogt-prijs gegeven. Wat wil je meer? Nu wil ik schilderen. Gewoon omdat ik nu picturaal zie, meer picturaal dan letterkundig. Wat niet wegneemt dat ik misschien over drie jaren...
In de tijd dat ik De voorstad schreef, leefde ik van gevels schilderen, en dakgoten verven, en auto's spuiten, en door vanwege bombardementen gesneuvelde ruiten te repareren.’
Het lijkt wel of u door het werk heen steeds onverzoenlijk bent gebleven tegenover een (sociaal) onrechtvaardige samenleving...
Boon: ‘Ja, ik ben onverzoenlijk. Nog steeds, en zal dat blijven. Wij enkelen die in de samenleving niet thuishoren moeten naar een reservaat, in godsnaam dan maar, en vanuit dat reservaat moeten wij ageren tegen de barbaren. Hier, in dit huis, ontvang ik mijn vrienden en wij zijn een samenleving in die samenleving. God, ik sympathiseer met de studenten, met degenen die met de protestborden lopen... Maar dat lopen met protestborden heeft geen zin. Je kunt de maatschappij toch niet veranderen. En het is goed zo... Dat er gedemonstreerd wordt, want de gezeten burger ziet dat er wat aan de hand is, dat er wat ontbreekt. Maar ikzelf geloof dat het nutteloos is, want als men de protestjongens nu eens op de stoel van Luns of zo zette. Maar zij die zich zoals ik enkeling noemen...’
En dat socialisme van u dan? U schrijft elke dag een stukje in een socialistische krant.
Boon: ‘Awel, aha, hahaha, dat dacht ik wel. Nou dat is gewoon waar. Ik ben ook socialist. Maar ik ben streng katholiek opgevoed, voortdurend met waarschuwingen tegen het communisme. En ik ben communist geworden. Maar het communisme, dat was hetzelfde als het katholicisme; het was niet de paus die onfeilbaar was, maar de partij. En wat is het verschil? Ik was even ongelukkig. Nu ben ik links. Ik ben linkshandig. En mijn hart zit ter linkerzijde van m'n lichaam...’
Hoe kunt u, die zich als superindividualist presenteert, lid zijn van een partij?
Boon: ‘Links verschuift zo dat we 't moeilijk kunnen volgen. Is links een partij? Ach, we moeten aan de hippies denken, die flowerpower hè? En aan provo, dát is links. De oude, gevestigde partij, dát is rechts.’
Die schrijvers hier in Vlaanderen voelen zich allemaal wat miskend in eigen kring, dacht ik zo.
Boon: ‘Ach, het is een scheve verhouding. Teleurgesteld? We zeggen: nee. Want we zijn hier thuis. Maar wij Vlamingen zijn een beetje kleintjes, we kijken in een klein kringetje rond; degene die erboven uitsteekt, doet de anderen kwaad, denken de gewone Vlamingen. De reus, de acteur, de schrijver, de filmspeler, het zijn giganten ten opzichte van die andere, brave, deugdzame burgers. Maar je staat hier ook als je erkend wordt tussen de nulliteiten. Vlaanderen... wat het sentiment betreft zijn ze Duits. En ik heb het gevoel dat de Nederlanders meer Engels zijn ingesteld. Die democratie van jullie, dat vrijmoedig spreken: over troebelen. In Holland, geloof ik, heerst een ware democratie.’
Hier dan niet?
Boon: ‘Nee. Als ze hier met borden op straat gaan, denken de mensen dat die jongens naar een gekkenhuis moeten. In Holland toont men er meer belangstelling voor. Dat dacht ik en jij kunt dat in twijfel trekken, hoor, maar ik geloof dat ik gelijk heb... Hier, die lichtzinnigheid en zo in de cafés, dan zeg ik tegen mijn vrouw als ik die Vrolijke Vlamingen zie: “Daar heb je weer dat Oberbayern.” Wij, mensen van links, vechten tegen die lui. We zijn een minderheid, maar een minderheid die bestaat.’
Vertel eens iets over het gezin waar u uit komt.
Boon: ‘Ik kom uit een heel vreemd gezin. Moeder was vrijzinnig, had thuis nooit iets van godsdienst gehoord. En vader was streng katholiek opgevoed. Er ontstond een dualiteit, een tweeslachtig huwelijk. Vader werd los van zijn geloof en moeder werd vroom en ik zat daartussen. Als vrucht. Als vreemde vrucht.’
Spreekt Cuba u aan?
Boon: ‘Zwijg mij van Cuba. Eenieder komt er enthousiast van terug, maar zwijg mij van dat eiland. God, ik kan er niet over oordelen.’
U kent Hugo Claus, niet?
Boon: ‘Ja.’
Heeft u nooit ruzie met hem?
Boon: ‘Ja. Hugo is een fijne jongen. Maar ik heb al zoveel over welvaartsstaten gehoord. Eerst de sovjetrepubliek met die lachende arbeiders. Later denk je dan: ach, dat lachje. Nu de Chinezen die almaar lachen. En de lachende sovjetarbeiders vechten nu tegen de lachende Chinezen.
Zij die de geluksstaat zoals Cuba willen... Paarden zijn het, met oogkleppen voor, die naar de hemel willen rennen. Ik? Ik ben een Hamlet, aarzelend, en achter duizend maskers. Wie van die paarden vraagt zich af: ben ik niet misschien verkeerd?’
Zegt dat de rechtse terreur in Frankrijk eerst links opjuint om daarna zelf (zogenaamd om de rust voor de kleine en brave burger te consolideren) aan de macht te komen. Roemt de Zweedse, Engelse en Hollandse democratie. Ik vraag of het mededogen dat uit al zijn boeken spreekt niet makkelijk om zou kunnen slaan in apathie of nihilisme.
Boon: ‘Ik weet 't niet. Ik stel 't vast allemaal. Zonder oogkleppen.’
Ik vraag of die uitspraak van die duizend maskers plus de constatering dat ‘niemand hem kent’ niet op een soort ijdele koketterie duidt.
Boon: ‘Ik kan me niet blootgeven.’
Dan praten we over schrijvers. Bewondert Wolkers, Van het Reve, Vinkenoog.
Boon: ‘Ik lees weinig, ik ken geen nieuwe buitenlandse namen. Jack Kerouac is de laatste die ik las... Awel, is dat reeds vijftien jaar geleden? Weet je dat men mij eens de tweede Multatuli genoemd heeft? Toen ben ik opgehouden met protest te schrijven...’
Droomt u veel?
Boon: ‘Haha, de ganse dag.’
Ik bedoel: 's nachts.
Boon: ‘Awel, jajaja.’
Wat?
Boon: ‘God, ik kan mijn dromen van 's nachts niet opschrijven. Ik droom hetzelfde als Kafka schreef, ja, dat droom ik. Laten we nu met dit interview ophouden. Het wordt gevaarlijk. Laten we kappen, hè, nu... ophouden... ik... ik droom 's nachts angstig... Als Kafka... Ik moet steeds maar weer die steile trappen op, die afschuwelijke trappen...’
Mevrouw Boon: ‘Dan begint hij zo te gillen in zijn slaap en grijpt me vast.’