|
|
|
| |
| | | |
Bert Schierbeek
Met een gekromde wijsvinger geeft Bert Schierbeek de situatie van het autoongeluk
aan waarbij zijn vrouw het leven verloor, 13 april van het vorige jaar.
‘Ik stond daar maar te vloeken aan de kant van de weg. Ze vroegen nog
of ik met de ziekenauto mee wilde. Of ik nog met haar geconfronteerd wilde
worden. Ik hoefde niet. Ik was toch al met haar geconfronteerd geweest. Midden
in een zin reed die auto met 120 kilometer op haar in. Die zin maak je dan nooit
af. En ik zal dan blijven leven al draai ik ook door alle banken heen. Ik ben de
zogenaamde overlevende.’
Van de maanden volgende op die catastrofe weet hij niet veel meer; toch voltooide
hij in die tijd zijn nieuwste boek, Inspraak. ‘Het
was geen kwestie van sentimentaliteit. Maar dat boek moest af. Ik had het haar
beloofd.’
‘Hij werkte,’ vertelt zijn buurvrouw en hartsvriendin Thea,
‘in een vreemde trance; ik bracht hem zijn eten en drinken, zat uren
naast hem in het werk-kamertje. Maar hij merkte er niets van.’
Bert Schierbeek en ik drinken pils, sherry, daarna jenever, hij zegt:
‘We versieren het langzaam in de hoogte’, hij loopt naar
de kleine kamer, laat me de ibm 72 zien, de schrijfmachine
met de bolletjes, elektrisch aangedreven, waarop hij zijn laatste werk op maat
schreef zodat het meteen in fotografische offset, zonder tussenkomst van de
zetter, door De Bezige Bij op de markt gebracht kon worden.
De middag na het boekenbal. Schierbeek praat veel, snel, half onverstaanbaar,
sterk associatief, tot het helemaal donker is geworden in het huis aan de
Amsterdamse Koninginneweg. We maken een afspraak voor de volgende dag.
Schierbeek moet die avond te Zeist uit eigen werk voorlezen. We gaan, samen met
Remco Campert, op weg in de Renault. Schierbeek rijdt zwijgend, gespannen door
het heilige landschap. Een hotellounge, stoelen rond tonnetjes waarop druipende
kaarsen in flessen, wijn en kaas, een gezelschapje mensen, zo weggerukt uit de
hippe afdeling van c&a.
| | | |
Campert zucht desolaat: ‘Christus, o god, en daar schrijf je dan een
heel mensenleven tegen.’
Schierbeek: ‘Slechts vitriool kan hier nog redding bieden.’
Tussen het optreden van de schrijvers speelt een driemansstrijkje à
la Frans Poptie en de aanwezigen dansen dan de foxtrot.
Na Jaap Harten, Campert, schrijfster Andreas Burnier (die het gehoor even
psychisch ontregelt door een gespierd en geil stukje proza voor te lezen, waarna
ze meteen bekent dat het zojuist gebodene van Jan Wolkers is) en de debutant
Sijtsma komt Schierbeek aan de beurt. Hij staat, goedmoedig, klein,
onverzettelijk, in een blauwe schipperstrui. Zijn teksten zaaien verwarring,
langzaamaan uitdijend tot hilariteit.
‘En dan te bedenken,’ zegt Schierbeek tot een paar door de
slappe lach bevangen toehoorsters, ‘dat u dit allemaal zelf bedacht
hebt.’
Een paar minuten later wennen we weer langzaam aan Amsterdam, in een
café in de Jordaan, belanden daarna op een feestje waar Schierbeek in
gesprek raakt met een Portugees en mij, heel zacht, de proeve van een fado
voorzingt. Dan weer de kamer aan de Koninginneweg - lamplicht, jenever en een
taperecorder tussen ons in.
Schierbeek: ‘Beerta is belangrijk geweest, heel belangrijk. Moeder
stierf bij mijn geboorte, ik werd bij mijn grootmoeder ondergebracht. Ik
herinner me nog heel goed het sterven van mijn grootvader - en de tram die van
Finsterwolde over Beerta naar Winschoten ging, die stopte en wachtte als
grootvader Cesar zich nog stond te scheren. Als je de tram wilde laten stoppen
dan zette je de Winschoter Courant voor het glas, voor de
ramen dus.
Die opvoeding was heel vrij. Ik leerde op m'n zevende de charleston, want als je
niet kon dansen kon je je niet goed in de maatschappij bewegen, vond mijn
grootmoeder. En als je voor je elfde geen sigaret gerookt had, was je een
klootzak. Dat was een liberaal milieu. Maar men ging wel naar de kerk, want de
kerk hoorde daar ook bij; maar je sprak er niet over Jezus, maar over het koren,
of dat er goed bij stond.
Mijn grootvader was een korte gedrongen en duidelijke kerel. Hij leverde
uitstekende rijtuigen. En grootmoeder was een geweldig mens, maar wel zo iemand
die d'r pantoffels los aan d'r voeten had zitten. Later werd oma te oud, ze had
toen gewoon niet meer de kracht voor het gezag over mij. Ik ging naar vader die
hertrouwd was. Naar Boekelo. Ik was toen elf, ik was anders geworden. Er heerste
tussen mijn vader, mijn tweede moeder en mij een soort
misverstand-met-de-beste-bedoelingen.
Mijn vader was hoofd der school. Maar toen-ie tachtig werd had-ie wel toevallig
zeshonderd man op z'n receptie! Welke man van tachtig heeft dat! Hij gaf les,
van zeven uur in de morgen af omdat-ie vond dat de openbare school moest winnen;
hij gaf jongens die geen poen hadden alle lessen die ze | | | | wilden
hebben zonder daar ooit geld voor te vragen - dan konden ze tóch
toelatingsexamen doen voor de hbs.
Ik had iets in m'n kop maar ik wist niet wat. En het kan ook niet duidelijk zijn.
Ik las Dostojevski en dan Nietzsche, en Nietzsche heeft mij min of meer
opgevoed. Dat had voor mij te maken met het morele postulaat voor een mens om
zichzelf te realiseren. Na de mulo ging ik naar het lyceum, waar W.M.L.E. van
Leeuwen lesgaf - die gooide de Middeleeuwen opzij als er een boek van Slauerhoff
was uitgekomen. Dat kocht ik dan - op een niet-bestaande rekening.
Mijn grootmoeder had toen ik bij haar wegging gezegd: ‘Ast ge wat
neudig hest, mien jong, moest moar zegg'n.’ Dus betaalde zij mijn
boekrekening, elke drie maanden als ik haar kwam bezoeken; ‘'t Zal
wel goed wezen voor je opvoeding,’ zei ze dan. Er heerste in dat
milieu waar ik opgroeide een soort rechtschapenheid waar je nu nog raar van kunt
staan kijken. Dat wás er gewoon.
In '41 kwam ik in Amsterdam en rolde in die verzetsgroep van Reina Prinsen
Geerligs, Hans Katan, Leo Frijda en anderen - helemaal niet om diepzinnige of
dikke redenen maar gewoon omdat een vriend van mij een melkfabriek in Boekelo
had, dus kon ik gemakkelijk aan bonkaarten komen. En zo kwam ik via een
nevenorganisatie met die verzetsjongens in aanraking.’
In die tijd (tussen '43 en '45) ontstond zijn eerste roman Terreur
tegen terreur, volgens Schierbeek ‘zo'n boek dat weer
teruggreep op de filosofie van La Condition Humaine. Het meest
bizarre uit die tijd was wel: je wist dat je bloed vergoot, maar je wist ook dat
het na die oorlog wel niet veranderen zou. En dat staat dan ook in dat boek. Ik
ben ook een van die weinige auteurs die indertijd niet in een soort
bevrijdingsroes leefde. Ik wist wel: als je dat nazi-spul wilde overwinnen,
moest je op zijn minst even slecht zijn als de lui die dat spul brachten. Toch
was die tijd erg leuk, erg leuk. Ik had nog nooit flikkers gezien, maar dat
waren verschrikkelijk áárdige mensen, daar heb ik avonden
mee zitten praten. Eigenlijk vond ik 't niks raar of zo, hoewel ik een gewone
boerenjongen was. En dat was dan toch de invloed van Beerta.
Het was in '29 en er waren stakingen in Beerta. Ik logeerde bij mijn oom Kees,
een rijke boer - de arbeiders hadden het werk neergelegd maar er waren van die
keuterboertjes die als onderkruipers bij oom werkten. En dan vroeg oom Koos mij:
“Kom, mien jong, speel es dat deuntje, die
internationale.” En dan speelde ik dat op de viool. Voor die
onderkruipers! Haha! Dat is wel belangrijk, jongen, dat mijn oom dan wel
zogenaamd van niets wist, maar dat hij nu de beste Mansholt-boerderij van
Nederland heeft - en ik kén dat boerenvak, hoewel ik nooit boer heb
willen worden. Zie jij dat zitten, een schrijvende boer? Ik niet. Het gaat bij
iedereen om dat vak op zich, het vak zelf, het enige | | | | wat we kunnen
en daar moet iedereen zich mee zien te redden. Daarom ben ik
vóór Mansholt en tegen de domme boeren. En er zijn
tenslotte maar een paar specialiteiten waar we 't op kunnen halen, ja of nee. In
mijn leven kan je geen enkele vorm van romantiek vinden.’
Hij trekt nu snel vergelijkingen tussen de agricultuur en de
‘schrijfcultuur’, imiteert brullend van de lach het
Groningse accent van Piet de Jong en wordt dan kwaad als hij het over de
miljoenen heeft die aan de klm gespendeerd worden en niet aan
de kunst: ‘Als die Drees jr. dan toch wil bezuinigen kan-ie beter
daarnaar kijken. Tenslotte wordt ons hele leven gesubsidieerd - vanaf '45 is het
de gewoonte dat de een voor de ander betaalt; alleen de kunst is niet echt
gesubsidieerd. Het kost ons de grootste moeite om er anderhalf miljoen uit te
slepen. Ik vind 't niks erg om belasting te betalen maar dan moeten ze ook niet
zeiken over 25 miljoen voor de hele kunst - en dan vind ik ook nog es dat die
hele kunst als zodanig niet mag bestaan. Die moet zich steeds meer integreren in
de samenleving. Omdat-ie er toch al in zit, eigenlijk. Je kan je Goed Wonen niet meer indenken zonder Mondriaan, en zonder de
Vijftigers was de hele benadering van de moderne reclame niet mogelijk
geweest.’
Hij stelt nu dat Terreur tegen terreur een antiklassieke roman
was: ‘Toch, toen ik dat boek geschreven had en Gebroken
horizon, kon ik vier jaar lang niet m'n vorm vinden. Tot Het Boek Ik eruit kwam.
Het ging erom de maatschappij in mijn boek te integreren en andersom. Tot ik erop
kwam dat je eigenlijk net moet doen als Dostojevski; die leefde ook in een
bepaalde structuur van maatschappij en hij heeft die ook exact weergegeven in
zijn boeken: de ene figuur spreekt heel anders dan de andere. En zo had ik mijn
informatie, uit die tijd waarin ik leefde en leef, ik heb mijn eigen informatie
die ik in mijn boeken stop. En dat was de oplossing.’
Deze oplossing resulteerde in de ongeveer vijftien non-conventionele werken die
Schierbeek, nu 52 jaar oud, op zijn naam heeft staan.
‘Ik zal je es wat vertellen, m'n jong, ik had ongelofelijk de pest in
toen die oorlog afgelopen was - die bevrijding stoorde me in m'n werk,
hè. Haha! Ik liep de straat op, en daar vlogen de kogels nog om m'n
oren! Ik was aan het schrijven. In Terreur tegen terreur en
Gebroken horizon kun je nog stukken vinden die regelrecht
te maken hebben met een heel raar werk dat ik toen aan 't maken was, Het Boek Lecoq, een vreemd, dik, met de hand geschreven werk.
Als het schrijven voor mij enige zin heeft dan is het wel dat ik al werkende
mezelf duidelijk wil maken voor mezelf. En aangezien ik niet zo heel veel
verschil van de andere mensen ben ik er altijd van uitgegaan dat er een basis
was van begrip tussen de mensen, hè.
De opening naar Het Boek Ik is wel geweest om alle andere te
sluiten: de hele wereld komt toch goddome bij je thuis, en daar moet je vorm aan
zien te geven.
| | | |
Ik ben een jongen die er ook is, toevallig, en daarmee moet je 't dan doen en
daarmee zál ik 't doen! Iedereen heeft talent en z'n eigen
geschiedenis. De ene dichter is bezig met diamant zoals ik met kolengruis aan de
gang ben - maar ik ben dan wel die dichter die weet hoeveel kolengruis met
diamant te maken heeft.’
Terugkijkend op de beweging van de Vijftigers zegt hij: ‘Er was maar
één ding: we wilden uiting geven aan het moment van na de
oorlog. Meer was er niet. De Avonden van Gerard van het Reve?
Maar Gerard is toch een op z'n kop gezette calvinist! Daar hadden wij geen last
van. Gerard zegt tegen mij: “Jij met je woordkak”, maar ik
antwoord hem: “Ik heb tenminste het voordeel dat ik jouw boeken
begrijpen kan.” Gerard en W.F. Hermans zijn goede schrijvers, maar
Nederlandse schrijvers. Ik ben totaal geen Nederlandse schrijver. Al die jongens
moeten zich zo nodig afzetten tegen iets terwijl je toch ook kunt uitgaan van de
mogelijkheden van iets. Dat is het verschil. En daarom ben ik ook geen
Nederlander. De gemiddelde Nederlandse literatuur gaat over jongens die 't
moeilijk gehad hebben met hun ouders tot ze zeventig zijn - en dat is een slecht
iets. Dat heeft niets te betekenen of je betere of slechtere ouders gehad hebt.
Dat is me wel duidelijk gemaakt in dat oude Beerta.’
We praten over on-nationale schrijvers als Beckett, daarna over Een
groot dood dier, toneelspel van Schierbeek: ‘Ik schreef het
koor van die kinderen toen The Beatles er nog niet waren. Na de enscenering van
Van Iersel heeft Van de Rest 't nog 'ns gedaan - toen waren The Beatles er wel.
En hij heeft die muziek toen voor dat koor gebruikt. Het had er allemaal
plotseling veel meer mee te maken.
Kijk, ik ben nooit gedachtig geweest aan een bepaalde naam of een bepaald milieu,
ben er altijd van uitgegaan dat je alle mogelijkheden open moet laten. Maar dan
moet je er wel van uitgaan dat je 't dan over je eigen mogelijkheden hebt die
ook ons aller mogelijkheden zouden moeten kunnen zijn. Dat zit er dik in. Er
zitten resten in al onze levens die verhard zijn, die nooit aan bod gekomen
zijn, die zijn niet geëxploiteerd om welke reden dan ook en dat is
niet nodig denk ik - maar je moet wel weten dat 't allemaal zou kunnen. En dat
is dan ook eigenlijk het uitgangspunt van de Vijftigers geweest destijds.
Er is geen dichter goed die 't niet waar kan maken in z'n vorm - daarom bewonder
ik Constant ook zo. Zijn vormen zijn toepasbaar. Mijn vormen ook, denk ik,
hoewel je als dichter daar voorzichtig mee moet zijn omdat je zo veel
irrealiteit toepasbaar kunt maken met woorden. Maar een boek als Inspraak vind ik persoonlijk een goed voorbeeld van toegepaste kunst.
Als Constant me z'n Labyrinth liet zien wees hij wel naar een
hoekje en dan fluisterde ie: “Daar kunnen jij en ik
wonen.” Haha! Geweldig.
| | | |
Zodra de maatschappij ervan uitgaat dat de kunstenaar, een auteur research doet
in de materie (en dat is hun materie, dat is jouw materie, dat is onze materie)
dan is-ie net zoveel als een uitstekende specialist. En van mij dus graag het
woord kunst: psjt! Weg!
Die spraak is de meest belaste materie. Ik was 'ns in Bergen om een lezing te
houden. Eerst draaiden ze muziek van Schönberg en daarna moest ik
vertellen waarom ik zo schrijf als ik doe. Ik zei: “Laat
Schönberg maar komen uitleggen waarom-ie zo componeert als-ie doet.
Maar dat doen jullie niet. Omdat jullie geen flikker van muziek weten. Maar
omdat jullie allemaal een brief kunnen schrijven denk je dat je verstand hebt
van mij”, en ik zei: “Daarom heb ik verstand van u, omdat
ik schrijf, maar niet omgekeerd!”
En zo kom ik dan de mensen tegemoet, want anders is het niet. Doordat ik mijn
boeken zo fragmentarisch schrijf en die vreemde letters gebruik, maak ik 't
juist gemakkelijk. Net als Cage die een piano openrukt en er een snaar uit haalt
en zegt: “Dat is de e.” M'n dochter
schreef me: “Jouw boeken zijn audiovisueel.” En zo is
't.’
Deelt de literatuur dan gemakshalve in leesboeken en gebruiksboeken in. Rekent
z'n eigen werk tot gebruiksvoorwerpen: ‘Met die moeilijkheid voor de
mensen dat ze nooit geleerd hebben dat het leven géén
verhaal is.
En als je dan vraagt: hoe sta je tegenover de leus: kunst-voor-het-volk, dan ben
ik daar gewoon voor. Maar wie heeft het volk ooit voorbereid voor die kunst?
Da's een politiek probleem. En dat volk manifesteert zich helemaal niet. Ze zijn
er altijd van uitgegaan dat ze de underdog waren, ze hebben zichzelf de
informatie onthouden om zichzelf te kunnen zijn. Domheid is geen excuus, luiheid
is geen excuus. Iedereen kan tegenwoordig alles te weten komen als-ie
wil.’
Als hij een boek gaat schrijven ‘zoekt hij eerst alle gegevens bij
elkaar om zo naar de mogelijkheid van een vorm te vinden’. Vervolgens
‘komen er dan nog een zooitje vormen bij waar je ook niet op gerekend
had’. Ik zeg dat hij net zo over schrijven praat als bepaalde
schilders. Hij knikt. Vertelt dan hoe Het Boek Ik werd
ontvangen (‘Ze konden er niet omheen. Een pietsie radio en wat
krantenartikeltjes en je was in die tijd beroemd hè’) en
hoe het daaropvolgende De andere namen gekraakt werd
(‘Ze ontdekten plotseling dat ik niet kon schrijven, hè,
dat ik fouten maakte. Maar De andere namen was al voor Het Boek Ik geschreven, en dat wisten ze niet.
Haha!’). Over de literaire kritiek: ‘Inderdaad zeer slecht
geinformeerd. Het was zo van: “Wanneer Komt Eigenlijk Het Nieuwe
Proza? Wanneer Komt Eigenlijk De Nieuwe Poëzie?” Toen het
kwam waren ze ertegen. Carmiggelt, als-ie ooit 'ns een zinnig ding meende te
schrijven, was tegen ons. En dan die jongen van Gomperts. Klootzakken! Er komen
nu studenten van Gomperts bij me thuis die zeggen: “Voor Gomperts
hoort u er helemaal niet bij.” Dat haalt je donder. Dan moet | | | | ik het ze vertellen. En die studenten komen toch op eigen
initiatief bij me.
En dan die linkse bladen. Ik abonneer me erop. Maar die jongens vinden elk
pamflet belangrijker dan het hele werk van Joyce of Faulkner. Zo is 't toch! En
dit vind ik ook de tekortkoming in die jongens als Donner die 't altijd maar
over die revolutie hebben. Donner heeft bij me thuis gelogeerd, bij me geslapen.
Later negeert-ie me, praat laatdunkend over m'n werk. Maar ze kunnen mijn blik
niet verdragen - in het grote verband kunnen ze mooi lullen, maar als je 't in
het eenvoudige niet klaar kunt spelen is dat een ontkenning van datgene waar je
zelf voor staat. Ze lijken meer op Biesheuvel dan ze zelf willen.
En dan zo'n criticus als Fens, die over een boek van me schrijft dat zo'n ding
eigenlijk niet mag bestaan. Die plant daar bestaat toch ook, leeft toch ook, ik
geef 'm toch water, ook als ik 'm niet mooi vind.’ Nogmaals over de
oorlog, waarin hij zijn eerste werk schreef: ‘Ik hoorde niet bij die
mensen die juichend aan de kant stonden toen 't afgelopen was. 't Begon toen
pas. En dat kan je weten, als je maar de goede informatie hebt.’
|
|
|