terug  begin  verderprepost
[p. 78]

Günter Grass

De rode vw-bus draait het terrein op van de Saalbau, Mettlach. Hier, in het hart van Saarland, zal de schrijver Günter Grass onder auspiciën van de Sozial-demokratische Wählerinitiative een lokale verkiezingsbijeenkomst van de Es-Pe-De (Sozial-demokratische Partei Deutschland) met zijn aanwezigheid opluisteren.

‘Ich bin schon drei Monate unterwegs.’ Een man van 45, kleiner dan ik mij had voorgesteld, ondanks een zeker embonpoint een enigszins breekbare indruk makend, goedmoedige, walrusachtige snor in een doodvermoeid, grauw gezicht, kleine, snel onderzoekende ogen. Aan zijn zijde Friedhelm Drautzburg, tijdens deze afmattende verkiezingstournee zijn chauffeur, onafscheidelijke metgezel en beschermer.

 

Halfnegen in de avond. Een moderne dorpsgehoorzaal. Drautzburg bladert in een Quick (deze week o.a. met ‘Der Wahlkampf Entzweit Unsere Familien’) terwijl Günter Grass zijn massaal opgekomen publiek in ingewikkeld en niet zelden retorisch Duits toespreekt.

‘De schrijver weet dat grote, onoverzichtelijke veranderingen vanuit het detail zintuiglijk te vervatten zijn. Ik praat over die grote prestatie van de sociaal-liberale coalitie, die als nieuwe Ostpolitik de naam van vredespolitiek gekregen heeft. Niet in eerste instantie over het verdrag met de ussr, niet dat met Polen en ook niet over de overeenkomst over Berlijn zal hier in het begin gesproken worden, maar over dat veelbesproken detail dat eveneens de grootte van de vredespolitiek weerspiegelt.

Toen in 1961 de muur van Berlijn gebouwd werd en een Duitse separatistische politiek tweeledig in een middeleeuws bouwwerk werd uitgedrukt, werd aan de rand van West-Berlijn de enclave (exclave) Steinstücken met beton en prikkeldraad afgesloten. Tot voor kort bleven de honderd inwoners van die zo grotesk ingesloten plek geïsoleerd. Steinstücken werd symbool van een politieke absurditeit.

Indertijd woonde een mij bekende jonge schrijver in Steinstücken. Om

[p. 79]

hem te bezoeken moest ik ontzettend ingewikkelde formulieren invullen. Het duurde weken alvorens ik met mijn Passierschein, na penibele controle, de paar honderd meter te voet van Kohlhaxenbrück uit eerst West-Berlijn kon verlaten en vervolgens Steinstücken mocht betreden.

Als men in staat was de muur en het prikkeldraad weg te denken én tegelijkertijd de toenmalige primitieve wachttorens, dan was Steinstücken een idylle. Knusse huisjes, deels verwaarloosde, deels verzorgde tuintjes. In het midden van deze eilandachtige nederzetting het bureau van de Amerikaanse marechaussee en tussen huisjes, tuintjes en privé-weggetjes een wei die tot landingsbaan voor de helikopters van de Schutzmacht diende.

Af en toe dook Steinstücken in de kranten op. Een plaats zeer geschikt als eindpunt in een spionagefilm. Maar politiek gebeurde er niets om Steinstücken uit zijn Doornroosje-slaap te doen ontwaken. Nu plotseling liepen wij, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn vrienden zonder gecontroleerd te worden, over een vers geasfalteerde weg van Kohlhaxenbrück naar Steinstücken. De Berlijners hadden een nieuw uitstapje ontdekr. Steinstücken heeft nu toekomst, nu het met West-Berlijn verbonden is.

Mijn voorbeeld moet duidelijk maken hoe de vredespolitiek er in detail uitziet. Zou de vredespolitiek alleen maar uit dat ene resultaat bestaan, dan zou de vredespolitiek onder bondskanselier Brandt meer bereikt hebben dan de christen-democraten onder Adenauer, Erhard, Kiesinger, Rainer Barzel.’

Friedhelm Drautzburg leest nog steeds geïnteresseerd in zijn Quick; nu al drie maanden houdt Grass, waar hij ook komt, dezelfde toespraak. Vandaag wordt er een nieuwe alinea ingelast: Heinrich Böll heeft zojuist de Nobelprijs gekregen. Grass fulmineert tegen infame uitspraken van hem als zou de erkenning van die prijs een politieke zet geweest zijn. Bij het noemen van Bölls naam alleen al, breekt een daverende ovatie los. ‘En toch hebben we het maar weer eens gelapt,’ bromt een oude partijganger achter mij, innig vergenoegd.

 

Na ongeveer twintig minuten zet Grass zich neer achter de op het podium geplaatste tafel, tussen plaatselijke partijgenoten. Er kunnen vragen gesteld worden. Een bleke jongeman, wiens gezicht overdekt is met wonden van onduidelijke herkomst, begint te schreeuwen. Hij wil van Christus getuigen en van de cdu. Een norse dorpsidioot, naar weldra blijkt. Opwinding en gelach in de zaal. De jongen praat monotoon, door alles en iedereen heen, met starre ogen.

‘O god,’ sist Drautzburg, ‘als Günterchen nu maar niet autoritair gaat optreden!’ En even later, wanneer Grass zich werkelijk boos begint te maken: ‘Als ie 't niet meer redt, dan gaat-ie demagogisch tekeer, dan wordt-ie onzeker - zó uit zich dat.’

Na drie kwartier is de zaal onhoudbaar geworden. Drautzburg klapt zijn Quick dicht. Grass vertrekt met zijn gevolg. In de hal van de Saalbau zijn bad-

[p. 80]

ges te koop, bürger für brandt, wir wählen willy (afbeeldingen van de Es-Pe-De-haan, ontworpen door Grass); nummers van juso , het blad van de Jung-Sozialisten (vette kop: ‘Wenn Die Schwarzen Kommen, Gute Nacht’); stickers (Willy Brandt: ‘Wer morgen sicher leben will, muß heute für Reformen kämpfen’); een gestencilde open brief van Heinrich en Annemarie Böll: ‘Deshalb wählen wir Willy Brandt und unterstützen seinen Wahlkampf in jeder uns möglichen Form...’

 

In een dorpscafé beraadt de lokale spd zich over de tactiek van de komende dagen. Grass geeft korte aanwijzingen. Voor hem een stapel boeken die hij zorgvuldig signeert: oude en nieuwe uitgaven van Die Blechtrommel, Hundejahre, Katz und Maus. Veel partijgangers blijken zich ook zijn jongste te hebben aangeschaft, Aus dem Tagebuch einer Schnecke, een verslag van zijn in '68 gehouden verkiezingstrip, dagboekflarden waarin hij verantwoording poogt af te leggen tegenover zijn vrouw en kinderen, antwoord probeert te geven op vragen als:

- En waar ga je nou weer naartoe?
- En wat doe je nou eigenlijk?
- Voor wie sta je daar?
- En wat neem je mee?
- En waar ga je morgen nou weer naartoe?
- Naar Castrop Rauxel.
- En wat doe je daar dan?
- Pratenpraten.
- Steeds nog Espede?
- Begint pas.
- En wat bedoel je met slak?
- De slak, dat is de vooruitgang.
- En wat is de vooruitgang dan?
- Beetje sneller dan een slak.

De verkiezingsavond in Mettlach is laat afgelopen. De volgende morgen rijden we tegen elf uur naar een nabijgelegen plaatsje waar Grass in snerpende koude op het dorpsplein van zijn politieke geloof getuigt: ‘...En terwijl Barzel alleen maar “diepbezorgd” was ging de regering Brandt-Scheel aan de slag. En nu wil diezelfde Rainer Candidus Barzel die het “Wort-Gewissen” van de tong rolt zoals bij andere, minder veeleisende lieden de uitroep: “Ober, ein Helles”, ineens bondskanselier worden! Zoiets noem je: “den Bock zum Gärtner machen”. Dat betekent: de zojuist begonnen nieuwbouw aan een sloper overdragen! Brandt heeft meer gedaan dan tien Barzels bij elkaar gezwetst hebben. Wij burgers zijn voor Brandt, omdat we Barzel kennen!

[p. 81]

Zolang ik me als burger en schrijver ook openbaar verantwoordelijk gevoel, heb ik tegen rechts en links Radikalismus gefulmineerd, ben ik vaak genoeg tussen twee stoelen gevallen. En 't viel niet mee om fanatieke dogmatici politieke oplossingen aan te bevelen...’

Praktisch dezelfde formuleringen van gisteravond. Drautzburg klaagt dat er weer te weinig tegenstanders aanwezig zijn. Na enige tijd dient zich een man aan die glimlachend verwijten begint te neuzelen. Grass gaat in debat, vraagt de man naar zijn beroep.

‘Natúúrlijk, een leraar van het gymnasium,’ mompelt Drautzburg, roept vanachter het stuur van de vw-bus dat 't nou wel genoeg is geweest. Versteend klimt Grass in de auto, draait z'n zoveelste zware sjekkie. We rijden, luid toeterend, weg, richting Saarbrücken.

 

Grass informeert hoe zijn boeken in Nederland lopen (op het moment allemaal in herdruk). Hij moet vreselijk lachen om de titelvertaling van zijn roman Örtlich Betaubt, hier te lande Plaatselijk verdoofd geheten. Ik moet een paar keer ‘plaatselijk verdoofd’ zeggen. Hij vraagt waarom de Nederlandse letterkunde zo provincialistisch bepaald blijft. Van zijn Blechtrommel zijn er, alleen al in Duitsland, zo'n miljoen exemplaren verkocht.

Een persconferentie in Saarbrücken. Grass valt scherp uit tegen een redacteur van de Saarbrücker Zeitung; er wordt niet genoeg geschreven over zijn optreden in het kader van de ‘Wahlinitiative’.

Redacteur: ‘Elke partij krijgt evenveel aandacht in de krant. We kunnen de spd niet meer geven omdat nou toevallig de beroemde schrijver Günter Grass...’

Grass: ‘Ik ben schrijver van beroep; dat kun je van iets anders scheiden.’

Redacteur: ‘Elke partij wordt gelijk behandeld.’

Grass: ‘U liegt.’

Op de vraag (van een andere journalist) waarom hij nog steeds geen lid van de spd is: ‘In onze jonge democratie is “het meedoen aan de Wahlinitiative” van evenveel belang als het lidmaatschap van de spd.’ Meer niet: ‘Na '65 durfden de mensen hun mening niet openbaar te maken, pas in '69 durfden ze 't wél. Met dát Duitsland moeten we rekening houden.’

Lunch. Grass drinkt wat glaasjes Calvados, informeert naar de Saarlandse wijn. Bij ons voegt zich professor dr. Günter Slotta, Mitglied des deutschen Bundestages voor de spd - een sociaal-democratische held in deze contreien. Met hem vervolgen wij onze tocht, ditmaal naar een bejaardentehuis. Slotta beklaagt zich tijdens de korte rit over zijn beenprothese: zijn stomp doet weer zo'n pijn.

In het bejaardentehuis staan lange, gedekte tafels klaar: koffie en taart ter ere van Grass. De schrijver houdt een toespraak van anderhalve minuut, probeert zich onder de toeschouwers te mengen.

[p. 82]

Iedereen eet ijverig van de enorme punten. Drautzburg nipt van zijn koffie, kreunt: ‘Zwei Kaffeebonen mit Maschinepistole in's kochende Wasser geschossen!’

 

Zes, vijf minuten later op straat: ‘Zó, die stemmen ook weer allemaal spd.’ We hijsen professor Slotta in de wagen.

Volgende station: een bijeenkomst van de ig Metal. Knoestige werknemers achter pilsjes. Grass zegt dat hij genoeg heeft van dat praten, dat er nu maar eens daden moeten worden gesteld.

Een man staat op, begint te praten: eerlijk hoofd, grote gebarende handen. Hij is communist, hij roept alle arbeiders op tot samenwerking. Grass stelt bijtend dat hij en de spd niets van Duitse communisten moeten hebben zolang de dkp zich niet gedistantieerd heeft van de gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije. Instemmend gejoel. De man gaat weer zitten, blozend.

Een vrouw staat op. ‘Vrouwen verdienen maar de helft van het mannen-loon,’ zegt ze op een wat lijzige toon, ‘terwijl de vrouwen hetzelfde werk doen als de mannen. Daarover wordt niet gepraat of alleen maar wanneer ze onze stem moeten hebben.’

Slotta verheft zich: ‘Tja, als de vrouwen in Duitsland eertijds niet hadden gestemd, hadden we Hitler ook niet gehad,’ zegt hij als een komiek die weet dat déze grap er altijd in gaat. Moeizaam leunend op zijn stok neemt hij zijn lach in ontvangst.

We staan buiten in de donkere straat. Slotta zegt: ‘Tja, die communist van zo-even, dat is een tadellos mens...’

‘Ik houd niet van valse solidariteit,’ gromt Grass.

Er passeert ons een vrouw van tegen de vijftig, een beetje krom lopend; ze aarzelt, keert dan om, zegt tegen Grass en Slotta: ‘Dat had u nou niet moeten zeggen, dat had u nou niet moeten zeggen, van dat wij Hitler gekozen hebben, dat had u nou niet moeten zeggen.’

‘Een grapje, vrouwtje, een grapje,’ zegt Slotta.

‘Dat had u nou niet moeten zeggen.’

Verdomme,’ zegt Grass, en hij stampvoet wanneer de vrouw, zonder verder iets te zeggen, doorgelopen is. Drautzburg springt van achter zijn stuur vandaan, rent de vrouw achterna, smeekt haar, ze wil niet meer luisteren, en roept dat hij nu eindelijk wel eens weg wil.

We eten een boterhammetje bij Slotta thuis. Soms hebben we wel vijf ‘Veranstaltungen’ per dag. Dat is eigenlijk ‘te veel voor de Chef’, zegt Drautzburg en hij wijst in Grass' richting.

‘Noem jij 'm Chef?’ vraagt Slotta half geamuseerd, half verschrikt.

‘Ja,’ mompelt Drautzburg, ‘grapje. Omdat-ie zo autoritair is.’

[p. 83]

‘Misschien vindt u het burgerlijk,’ zegt Slotta verlegen, ‘maar ik zou zo graag willen dat Herr Grass iets in mijn gastenboek zou willen schrijven.’ Hij haalt een album uit een doos. Günter Grass tekent voor hem, met trage bewegingen, uiterst langzaam een grote slak.

's Avonds Veranstaltung in een gymnastieklokaal in Riegelsberg. Dezelfde sfeer als Mettlach. Alleen, hier delen leden van de Junge Union (jongerenorganisatie van de sdp) stencils uit waarin het televisiedebat Grass-Barzel tijdens de vorige verkiezingscampagne wordt gehekeld; voorts de vraag waarom Brandt nu niet met Barzel in openlijke discussie wil treden. ‘Willy Brandt weigert sich mit Rainer Barzel im Fernsehen - und zwar in Diskussion der beiden Kanzlerkandidaten ohne andere Helfer - über Sachfragen zu diskutieren. Offenbar fühlt er sich gewarnt durch das Fiasko seines Wahlhelfers Grass.’

 

Grass opent de bijeenkomst met voorlezing van zijn herinneringen aan de door de Junge Union gewraakte Keulse televisie-uitzending, zoals beschreven in zijn Aus dem Tagebuch einer Schnecke: ‘En in Keulen? Hoe was het in Keulen? Weet niet zo best. Had moeten weten dat hij en hoe hij, - plotseling begon ik te walgen, omdat-ie zo dichtbij zat. Daarbij weet ik toch al dat hij glad is, niet te pakken, kwikdruppels op tapijt. Of een snoepje dat niet kleiner wordt, ook al zuig je erop... geen weerstand. Alles glijdt erop af... Zelfs wanneer je hem denkt te kennen, ook wanneer je gelooft immuun te zijn, kleeft plotseling je hemd aan je lijf...’

Na applaus weer die standaardspeech: de cdu heeft het niet geschuwd om samen met de npd een ‘Onkel-Ehe’ aan te gaan, een zwart-bruine coalitie ‘nach Straussensemchen Rezept, denn schon seit langem ist der Strauss in den Barzel geschlüpft und hat ihn zum Franz Reiner Strauzel gemacht’.

‘Mijn kindertijd was getekend door de basis van de Weimar-Republik en door de tot nu toe reikende heerschappij van het nationaal-socialisme. Deze ervaringen hebben mijn werk als schrijver bepaald. Steeds weer zijn het de sociaal-democraten geweest die onze democratie tegen een dubbele aanval beschermd hebben. Tegen de aanval van de nazi's en die van de Duits-nationalisten, én tegen de aanval van de communisten.

Het valt historisch niet te ontkennen dat het tweespan Strauss-Barzel uit deze troebele bronnen put, waaruit hetzelfde gif komt waaraan de Weimar-Republik bezweken is. Een volk dat een Strauss en een Barzel aan de macht laat komen is bezeten van de drang om onder te gaan. En deze feiten zullen al die arbeiders ontnuchteren die uit familietraditie en lichtgelovigheid steeds weer tegen eigen belang instemmen, omdat ze het kindergeloof aanhangen dat Jezus Christus de Bergrede heeft gehouden om het grootgrondbezit te zegenen.’

[p. 84]

Discussie na afloop, met als hilarisch hoogtepunt de dikke man die Grass vraagt of hij werkelijk voor legalisering van abortus is. Grass antwoordt bevestigend. De dikke man vraagt dan of Grass ook voor de verhoging van de aow is; weer antwoordt Grass bevestigend, waarop de dikke man, de armpjes ten hemel geheven: ‘Maar als er dan geen kinderen meer komen, wie moet dan die hogere aow betalen?’

Grass zit bekaf in het restaurant van zijn hotel. Hij bestelt slakken. We besluiten het interview dat hij mij nu eenmaal beloofd heeft de volgende morgen te houden; in de vw-bus, op weg van Saarbrücken naar Frankfurt - ruim twee uur rijden.

Die morgen ontbijt Grass met een paar redacteuren van het tv-actualiteitenprogramma. Tegen negen uur lopen we gehaast naar de bus; Grass moet op tijd in Frankfurt zijn om het vliegtuig naar Berlijn (waar hij woont) te halen.

Nadat hij de ochtendbladen gelezen heeft, wenkt hij me dat ik mag beginnen. Ik vraag hem naar zijn jeugd in Dantzig.

‘Mijn god, zo vroeg op de morgen! Nou, tot m'n dertiende was 't eigenlijk heel normaal. Een heel normale jeugd. Op m'n twaalfde echter begon de oorlog.

Het was een kleinburgerlijk milieu. Mijn ouders hadden een middenstandszaakje. Mijn vader heeft nooit begrip gehad voor mij - dat ik wilde tekenen, dat ik boeken wilde lezen -, hij had er niets voor over. Moeder wel; die heeft er altijd naar gestreefd een soort evenwicht tussen mij en vader te bewerkstelligen, maar dat heeft niet veel uitgehaald. Mijn moeder had zeer veel humor, zeer veel gevoel, vooral wanneer ze opera-aria's hoorde.

Gek, maar ik sta inderdaad bijna nooit met m'n moeder op één foto als kind. Vader had het idee dat ik bruggenbouwer moest worden, idee-fixe, ik heb 'm proberen uit te leggen dat als ik bruggen zou bouwen, die meteen in elkaar zouden storten, ook wanneer ik ze mooi getekend had. Tussen vader en mij waren weinig mogelijkheden tot verstandhouding.

 

Het eerste beeld van de oorlog? Onweer in de late zomer. Het eerst: dat kanongedonder op de Westerplatte, lijndiensten begonnen de Westerplatte te bombarderen, later kwamen de Sturzfliegzeuge. Wij, jongens, hebben toen bomscherven verzameld en granaatsplinters. Jongensvermaak; soms gebeurde er wel eens iets. Het eigenlijke begin lag voor mij trouwens veel vroeger; alleen al door de aanraking met de Hitlerjugend, mijn wehr-politische Erziehung en de vormilitärische Ausbildung. Op m'n vijftiende was ik al bij de Luftwaffehelfer en droeg ik een uniform.

Mijn vader was in '36 al lid geworden van de nsdap, een typische meeloper van het regime, half uit opportunisme, half uit goedgelovigheid.

Mijn moeder stond er sceptischer tegenover, alleen al door haar Kaschu-

[p. 85]

bische afkomst; ze had gezien tot welke moeilijkheden die Kaschubische achtergrond kon leiden. Een neef van haar was ambtenaar bij de Poolse post, neergeschoten door de Duitsers. De geschiedenis van die oom heb ik in Die Blechtrommel proberen te beschrijven. De Kaschuben, dat is een oude Slavische stam. Een groot deel van de Kaschuben is rond de eeuwwisseling Duitsland binnengetrokken, onder wie mijn grootmoeder. Mijn familiebanden met de Kaschuben heb ik nooit afgebroken. Als ik in Dantzig, Gdansk, kom zoek ik altijd de overgebleven Kaschuben op het land op. Natuurlijk ben ik deels ook persoonlijk in die Ostpolitik betrokken, omdat ik een levendig contact met de Kaschuben onderhoud.

Op m'n zestiende kwam ik in de Arbeitsdienst, Pruisisch-Duitse Ausbildung, verschrikkelijk. De Wehrmacht. Onder een gasmasker huilden we, wanneer ze ons weer te pakken hadden genomen, omdat ze mannen van ons wilden maken.’

 

Angst: ‘Dat is een allesoverheersend gevoel, dat bij al het andere vraagtekens zet, dat me voor altijd de ogen heeft geopend. We hadden 'ns een artillerieaanval van Russische zijde, “der Stalin-Orgel” noemden we dat, en ik sprong onder een tank voor dekking; is er ook plotseling een andere man onder die tank gesprongen. Ik weet niet hoe lang 't geduurd heeft, maar 't leek me een eeuwigheid, terwijl dat stalinorgel over ons heen donderde en ik alleen maar ontploffingen hoorde. We hebben daar samen alleen maar liggen beven, zijn alleen maar bang geweest. Toen de aanval voorbij was, zijn we te voorschijn gekropen. Toen zag ik dat die andere man een majoor was met het Erekruis en Eikenloof. Een held! Dat heeft me gerustgesteld. Dat heeft me de ogen geopend voor de angst. En voor de angst der helden. Zonder deze basisbelevenis had ik Katz und Maus trouwens nooit kunnen schrijven.

Een ander voorval. Ik kan niet fietsen en zal 't ook nooit kunnen leren omdat 't me het leven heeft gered, dat niet-kunnen-fietsen. Zoals dat toen gebruikelijk was, aan de orde van de dag, bij de opmars van de Russen en de ongecontroleerde terugtocht van de Duitsers, waren we afgesneden van de linies. Een groep van tien, twaalf man, onder aanvoering van een Oberfeldwebel. We waren in een plaats die half door de Russen bezet was en wij veronderstelden dat de Duitsers al aan de andere kant zouden zijn. We beslopen een fietsenwinkel aan de achterzijde. Zegt de Oberfeldwebel: “Los, iedereen pakt een fiets en dan met karacho over het plein.”

Ik heb gezegd: “Herr Oberfeldwebel, ik kan niet fietsen.”

“Geen geintjes hier.”

“Spijt me, maar ik kan niet fietsen.”

“Neem dan tenminste een machinegeweer en geef dekkingsvuur!”

Nou, die anderen op de fiets en inderdaad met karacho over dat plein, op de fiets. En voor ik dat machinegeweer (dat ik überhaupt niet kon bedienen)

[p. 86]

aangeraakt had, lagen ze allemaal voor lijk. Ik te voet door een paar volkstuintjes op een spoorbaantje beland, door de bossen gelopen, richting west, en maar lopen zonder een mens tegen te komen - na vijf kilometer was ik alweer achter de Duitse linies.’

De dood: ‘Een gewenningsproces. In deze tijd waarin je de hele dag bang was, had ik ook de zorg om op tijd bij de etensvoorziening te zijn; de zorg om een lik marmelade te krijgen en een fünftel zwart brood was net zo groot als de angst om voor het eten een buikschot op te lopen - hoe absurd dat ook mag lijken.’

De bevrijding: ‘Ik was gewond, maar er was geen plaats in het lazaret. Ik kreeg een marsroute mee van Karlsbad naar Marinbad. Ik heb geen idee hoe ik het gebergte over ben gekomen. Ik had hoge koorts. Een motorrijder van de Wehrmacht nam me mee, vastgebonden op zijn bagagedrager. Ik had wondkoorts, geen tetanusinjectie gehad. Op het laatste moment is dat verholpen. En daar, in het lazaret van Mariënbad, heb ik de intocht van de Amerikanen meegemaakt, vanuit het venster op de hoofdstraat, een geruisloze binnentocht, die Amerikanen hadden gummizolen, ze kwamen regelrecht aangeslopen.

Ik was ook geïmponeerd door de laksheid waarmee de Amerikanen met hun officieren omsprongen, het ongecompliceerde van hun gedrag. En later, in het kamp, werden ook de eerste conflicten tussen blanke en zwarte Amerikanen duidelijk. Bij de arbeidscommando's stelden de zwarten zich aan onze kant op. Ze zeiden tegen ons: zoals jullie door de blanke Amerikanen behandeld worden, zo worden wij ook door hen behandeld.

Tijdens dat verblijf in het lazaret ben ik ook geconfronteerd met de misdaden van de nazi's. En ik heb niet kunnen geloven dat de Duitsers dat gedaan hadden. We zijn naar Dachau gebracht, ze hebben ons dat getoond en toch hebben we 't niet willen geloven eerst. Pas in het begin van de Neurenberger processen, toen we dan de uitspraken van onze eigen mensen gehoord hebben en de cijfers op tafel kwamen, stortte bij ons, vooral bij ons jongeren, een wereld ineen.

Weet je, daar kwam ook bij dat onze officieren die daarvóór de Untadelligen gespeeld hadden, nauwelijks in gevangenschap aangekomen, hun krijgsorde voor sigaretten ruilden, op iedere peuk doken, andere mensen van brood beroofden. Een wereld van gezag stortte ineen die het andere proces (van schaamte en tot inzicht komen) versterkt heeft. Bij mij begon een ongekend gevoel van wantrouwen jegens alle volwassenen post te vatten.

Daar moet ik trouwens nog even iets belangrijks aan toevoegen. Tegen het einde van de oorlog was er geen militaire eenheid in klassieke zin. Onder de mensen die daar waren, ook van de Waffen-ss, zaten vrijwilligers en gedwongenen. En dat moet ook maar eens gezegd worden: dat het begrip ss tot een demon gemaakt is, terwijl er een aantal jongens is geweest die er met de bes-

[p. 87]

te bedoelingen in zijn gegaan en die daar bitter voor betaald hebben: iedereen die van de ss was, werd gelijk tegen de muur gezet.’

Of het wantrouwen gebleven is: ‘Natuurlijk; maar nu veel gemotiveerder. Ik heb een afgronddiepe scepsis tegenover alles wat ideologie is, tegenover iedere ideologie die een absolute eis stelt, in welke richting ook. Een deel van de Hitlerjugend voelde zich eens links tegenover de problemen van de Duitse maatschappij. In het Horst Wessellied heet 't: “Kameraden, die Rote Front und Reaktion erschossen!” Ze waren tegen adel en grootgrondbezit. Een deel van de nazi-propaganda was tegen het grootgrondbezit gericht en tegen de adel. Dat waren de adagia die men in het vulgair materialisme van links nu nog net zo kan horen. En daarmee zijn eens jonge mensen verleid.’

 

Grass ging in een kalimijn werken. Hij tekende, hij las, luisterde naar gesprekken tussen arbeiders van de mijn: ‘Nog eenmaal laaide de twist op tussen communisten, sociaal-democraten en nazi's - ik luisterde, ik kon nog niet praten.’ Twee jaar na de oorlog ontmoette hij weer zijn ouders en zuster. Hij trok naar Düsseldorf om beeldhouwer te worden, ging ook poëzie schrijven en toneel, kwam in '55 in aanraking met de legendarische Gruppe '47.

‘Dat was voor mij zeer komisch. Ik kende alleen maar wat schilders en grafici. Bij toeval kreeg ik toen die poëzieprijs. Ik kreeg ook een uitnodiging voor de Gruppe '47, maar ik kende deze mensen eigenlijk helemaal niet. Dus dat parmantige gelul van die literatoren kwam mij vreemd voor. Hans Werner Richter had die slechte gewoonte niet, hij berustte in zichzelf.’

Böll: ‘Ik had het heel moeilijk met die generatie, kon moeilijk echt in contact komen met mensen als Böll en Andersch. Bij dat soort humanistische pathos van die generatie kon ik me moeilijk aansluiten - daarvoor was mijn scepsis te groot - en dat altijd in protesthouding berustende resoluties opstellen was me gewoon te vrijblijvend. Vanuit deze tegenstelling, geloof ik, heeft zich ook mijn latere politieke activiteit ontwikkeld. Ik heb nooit zo gehouden van dat grote protest tegen en die morele verontrusting over de atoomwapens (hoe juist 't in beginsel ook was); in de politieke werking ervan heb ik nooit geloofd. En toen 't dan over de antiatoombewapening ging, zijn de communisten die groep snel geïnfiltreerd. Die politieke naïveteit werkte op m'n zenuwen. Ik geloof dat Böll, op zijn manier, in de loop van de jaren zijn ervaring opgedaan heeft en 't is interessant dat we nu, in een later stadium, samenwerken in die Wählerinitiative van Bürger für Brandt. Maar in het eerste begin was 't heel moeilijk.’

We praten wat over z'n boeken, over Askar, Die Blechtrommel, de dwerg, het wantrouwen jegens de volwassenen (‘Eerst zou de hoofdpersoon een zuilen-heilige worden, maar dat bleek te statisch’), de grondvormen van zijn werk die volgens hem nog recht uit die van het korte theaterstuk voortkomen, steeds weer. Tijdens zijn verblijf in Parijs schrijft hij Die Blechtrommel, Hunde-

[p. 88]

jahre, Katz und Maus, tussen 1956 en 1963. Direct na het verschijnen van Die Blechtrommel leert hij Willy Brandt kennen.

 

Over die eerste ontmoeting met Brandt: ‘Er was wel onmiddellijk contact. Willy Brandt is een zeer... hoe moet je dat zeggen... iemand die geen moeite heeft, ook omdat hij journalist is geweest, om met schrijvers om te gaan, om de juiste toon te vinden; en toch zijn wij, Willy Brandt en ik, natuurlijk in de grond van de zaak totaal verschillend, en we hebben ook nog steeds geruime tijd nodig voordat we tot persoonlijk contact, een persoonlijke toon kunnen komen. We moeten altijd eerst een tijd lang over een onderwerp praten - iets wat in de politiek ligt. Een wederzijdse schuwheid om elkaar te dicht te benaderen wanneer dat niet nodig is. Daaruit heeft zich heel langzaam onze vriendschap ontwikkeld.’

Of Willy Brandt hem verzocht heeft deel te nemen aan deze Wählerinitiative: ‘Nee, nee, hoor. Het kwam voor Willy Brandt als een volledige verrassing. Ik geloof dat Brandt die initiatieven eerder van een andere soort van schrijvers verwacht heeft; bijvoorbeeld van Heinrich Böll - en als je dan nagaat wat voor moeite 't ons gekost heeft om Böll in te schakelen...

Im deutschen Wesen, in positieve zin dan, zijn Böll en Brandt altijd in wezen meer verwant dan Brandt en ik. Mijn aard om sceptisch te zijn, mijn wantrouwen jegens het Duitse idealisme, mijn grenzen-aan-Duitsland-ervaring (door mijn Kaschubische achtergrond misschien) hebben mij zo gevormd dat ik mij ondanks alle relaties met de Duitse taal en het gevoel dat ik tot dit land behoor, op exotische gevoelens moet betrappen wanneer het gaat om dat sehr deutsche Verhalten van Böll en Brandt; deze houding van: hier sta ik, god helpe mij, ik kan niet anders - die Luther-geest heb ik niet, hè. Ik bewonder die soms wel, hoor, ik bewonder die en maak er grappen over... Ik ben er bang voor dat 't star wordt.’

 

Op welk moment hij besloten heeft om aan politiek te gaan doen: ‘Ik kan die zin van wanneer heb ik besloten eigenlijk niet meer horen. In Hitlers biografie stond immers: “Damals beschloss ich Politiker zu werden.” Dat is een alberner Satz, zoiets kan je toch niet besluiten.

In '65 kwamen er studenten van de Sociaal-democratische Hochschul-bund bij mij thuis in Berlijn. Ik heb een grote pot linzen gekookt en we hebben wel zes uur met elkaar gepraat, onderhandeld. Toen heb ik ook de Es-Pe-De-haan ontworpen en het plan om met dit busje te gaan reizen. Interessant is dat deze mensen van de shb en ook leden van de Liberale Studentenbond toen voor het eerst begonnen samen te werken. Nu zijn beide bonden stuk.’

Over het studentenprotest: ‘In beginsel, ten opzichte van hervormingen aan de universiteit, juist, maar toen hebben zich splintergroeperingen... In feite heeft de sds, die zich als Führungselite van het studentenprotest heeft opge-

[p. 89]

worpen, dat protest kapotgemaakt door overtrokken doelstellingen: het denek-willen-omdraaien van de maatschappij... revolutie... zonder dat daar een basis voor aanwezig was. Het volledige misverstand ten opzichte van de arbeiders; de taal van het studentenprotest moest de arbeider wel vreemd, blijven. En toen zakte het studentenprotest in elkaar als de slotfase van de Grote Coalitie. Dat heb ik nog tijdens de verkiezingen van '69 meegemaakt, dat verflauwde steeds meer en leidde tot solidarisering met Reformwillige van de apo. En de apo was de reflex op de Grote Coalitie: het uitblijven van oppositie in het parlement. Nu merkt men van de apo niets meer; of dit: dat de politiek productieve mensen binnen de juso's en de Jung Demokratische Bewegung verder hebben gewerkt - ook binnen de Wählerinitiative zijn er veel van die mensen.’

juso's: ‘Ik zei 't al, een deel van het studentenprotest is overgegaan in de juso's en dat heeft dit verbond nieuwe gestalte gegeven... voor een deel topzwaar met studenten bezet, wat bij veel van de jonge deelnemers in de juso als overdreven overkomt; daar begint zich iets ten gunste van die jonge werknemers te ontwikkelen. In 't begin zeer veel Verbalismus, bij de juso's, een compensatiebehoefte om de verloren tijd van het studentenprotest in te halen maar in de loop van de jaren hebben zij zich meer op politieke themata gericht, op milieupolitiek, en ondanks alles hebben ze vertrouwen in Willy Brandt.’

 

De vw-bus nadert nu Frankfurt. Günter Grass roept plotseling: ‘en nu! genoeg!

Friedhelm Drautzburg, aan het stuur: ‘ja! genoeg!

Ik vraag toch nog wat over Böll en zijn affaire met de Baader-Meinhof-mensen. Grass: ‘Dat Heinrich Böll die vrijgeleide heeft... Quatsch, nee! Die Baader-Meinhof-mensen zijn misdadigers. Van politieke motivatie kan geen sprake zijn. Politieke motivatie als gratie-element komt bij mij nicht im Frage. Wat zich onder de dekmantel van de arbeidersklasse heeft afgespeeld, heeft zich ten nadele van de arbeiders gekeerd. De Baader-Meinhof-mensen hebben hun eigen mogelijkheden overschat. Dat was duidelijk te herkennen.’

Hij wil nu absoluut niet meer praten. Ik vraag botweg door: Heeft het nu werkelijk nut om als schrijver aan deze Wählerinitiative enzovoort. Grass antwoordt botweg niet meer en begint zacht voor zich heen brommend een liedje te zingen: ‘...Der Mond ist aufgegangen...’

prepostterug  begin  verder