De interviewer en de schrijvers


auteur: Ischa Meijer


editeur: Connie Palmen


bron: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers (samenstelling Connie Palmen). Prometheus, Amsterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 90]

Simon Carmiggelt

Eind september van dit jaar schrijft Willem Wittkampf in een brief aan zijn vriend Simon Carmiggelt, die op dat moment in Zuid-Frankrijk vertoeft: ‘Beste Simon, welcome back to the chain gang. Je bent namelijk zo goed van start gegaan, dat ik zit te hopen op je eerste vervelende stukjes. Die lees ik namelijk goedkeurend knikkend uit, en dan denk ik ontroerd: “Knap gedaan van deze oude schavuit, die even geen zin had in de dagelijkse arbeid.”’

In juni bezoekt Carmiggelt de studio van Bert Haanstra om daar de dan nog onvoltooide film Bij de beesten af te bekijken: ‘Ik had wat aantekeningen gemaakt en tegen Bert gezegd dat ik er een stukkie over zou schrijven; dat vond ik wel leuk: niemand had die film nog gezien en Bert had me ook nog een paar dingetjes verteld. Dat is dus eenvoudig. Je hebt 't gezien, je hebt je notities, het is dus een kwestie van opschrijven. Thuis zat ik een paar uur aan m'n bureau. Het ging niet, ik kón 't niet opschrijven. Ik zeg tegen Tiny: “Ik bel de krant, ik neem vakantie.”’

Hij zit op zonovergoten terrassen in Zwitserland en voelt zich beroerd. Teruggekomen in Amsterdam weet hij zich ten prooi gevallen aan een algehele geestelijke en lichamelijke ineenstorting. In Het Parool verschijnt dan op de oude, vertrouwde plek (pagina 3, rechtsboven) 'n Kronkel met een soortement rouwrand eromheen, waarin gemeld wordt dat de lezers voorlopig genoegen zullen moeten nemen met oude (dat wil zeggen: reeds vroeger geplaatste) cursiefjes.

Carmiggelt maakt zich op om naar Zuid-Frankrijk te vertrekken; in die dagen spreek ik hem en vraag om een interview. Hij zegt: ‘Ach nee, Eduard Elias zei eens, dat je in ons vak niet over je kwalen moet schrijven.’ Vanuit de Côte d'Azur brengt hij voorzichtig-aan zijn productie weer op gang: in november is het voor de reguliere Kronkelconsument duidelijk dat Carmiggelt weer eens in een creatieve ‘up’ zit: elk stukje vormt een hoogtepunt op zichzelf. Ik schrijf hem een brief. Twee dagen later belt hij me op, zeer opgewekt; hij zit nu voor een paar dagen in Parijs - of het interview daar plaats kan grijpen.

[p. 91]

Een grijze, koude namiddag in Parijs. Het terras van Le Dôme aan de Boulevard du Montparnasse. Carmiggelt drinkt mineraalwater, kijkt om zich heen, zegt: ‘Vroeger was het hier nogal vervallen, hè. Duitse emigranten die op één kopje koffie de hele dag hier zaten te schrijven. En daar had je een tafel waar altijd een stuk of wat Amerikanen zaten. Ook een nogal dikke dame; wist ik veel dat dát Gertrude Stein was.’ We praten over een stukje dat hij, lang geleden, schreef naar aanleiding van zijn weerzien met Parijs, voor het eerst na de oorlog: ik zeg dat hij er toen al ‘zo oud uit kwam’. Hij zegt: ‘Vanaf het moment dat ik schreef, heb ik me stokoud gevoeld.’

 

Simon Johannes Carmiggelt werd op 7 oktober 1913 in Den Haag geboren. Zijn vader, Herman Carmiggelt, was vertegenwoordiger van een conserven-fabriek. De moeder, Jeanne Bik, dreef Het Nieuwe Hoeden en Petten Magazijn aan het Westeinde 172. Simon had een vier jaar oudere broer, Jan, die tijdens de oorlog in het concentratiekamp Vught om het leven is gekomen.

‘Mijn vader was een melancholische man. Maatschappelijk gezien was-ie helemaal niet mislukt, maar 't was een man die, als je hem diep in z'n hart keek, iets anders zou hebben gewild. Hij was dus - nou ja, god, hij was dat allemaal geworden zoals je dat nou eenmaal wordt en hij had 't een heel eind geschopt op maatschappelijk gebied. Maar in wezen was die man veel liever intellectueel geworden.

Mijn moeder was een zeer daadkrachtige vrouw, een zeer sterke persoonlijkheid. En mijn vader was dan wel een melancholicus - je moest hem voortdurend uit de put halen - maar als 't erop aankwam was hij de baas. Hij komt inderdaad niet zoveel in mijn werk voor - behalve dan in dat langere verhaal, “Het Panorama”. Daarin is-ie die sombere realist die van die oom van mij, waar mijn moeder zich zo aan ergerde, zegt: “Ik kan 'm toch niet op straat zetten...” En dat wás ook zo: die man woonde nu eenmaal bij ons in huis. Zolang mijn moeder met mijn vader getrouwd was, heeft ze haar zwager in huis gehad. Dat moet je je even voorstellen! Dat heeft ze allemaal gepikt. Totdat mijn vader dood was. Toen heeft ze hem weggestuurd.

Ja, dat gevoel dat ik een heel stuk van mijn vader heb meegenomen, dat heb ik wel. 't Is ook zo gek, dat ik uiterlijk steeds meer op hem ben gaan lijken - meer dan toen ik jong was. Hij had iets, ja... hij had iets wat ik zelf ook wel voel. Dat beetje sombere realisme dat-ie had, zo van: het is nu eenmaal zo.

Ik heb geen enkel vaderprotest gekend. Wat dat betreft ben ik een unicum in de Nederlandse schrijverswereld. Weet je, ik ben vrij lang thuis blijven wonen, bij mijn ouders, ook toen ik al journalist, verslaggever was. Ik had een aparte kamer in dat huis. Nou, en als ik dan wel eens een meisje op bezoek had, en het was 's middags, dan werd er op de deur geklopt op een gegeven moment en dan deed ik die deur open en dan stond daar mijn vader, met een

[p. 92]

blad met thee en koekjes. Hij bracht dat, maar de manier waaróp-ie dat bracht, dat was van een zelfparodie, hè. Van een grote genegenheid, ja, maar ook van een ironie die ik geweldig kon waarderen. En als ik 's avonds laat thuiskwam, omdat ik me tot moest werken voor die krant kwam ik nooit voor halftwee thuis, dan zar mijn vader altijd nog te lezen in een van die duizend kranten die-die las. Dan praatten we samen, maar er was, eh, het was een heel... laten we zeggen: het was een heel belééfd contact - op geen enkele wijze van: ik ben je vader en jij bent mijn zoon.

Mijn broer was een geheel ander wezen dan ik. Het was een zeer veelzijdige jongen. Ik weet niet of ik jaloers op hem geweest ben, of je dat woord kunt gebruiken. Ja, toen we nog jong waren, gaf die tegenstelling tussen ons beiden wel aanleiding tot conflicten. Hij zat me toen geweldig op m'n kop. Ik ergerde hem, omdat ik een volkomen andere manier van doen had dan hij.

Hij was een doener. Nou ja, ik deed óók wel wat, maar ik deed 't heel anders; ik deed 't op een, naar zijn mening, nogal slome wijze. Hij gebruikte iedere minuut van z'n leven. Ik had daardoor wel de neiging om me wat terug te trekken. Hij was geslaagd, hij was veel meer geslaagd dan ik: z'n school had-ie spelenderwijs even gedaan, hij was toen gaan studeren. Dat speelde natuurlijk ook wel een rol: dat ik een beetje een zorgenkind was en hij niet, hè. Natúúrlijk is dat underdog-achtige van me dat ik in m'n stukjes leg voor een groot deel bepaald door mijn techniek - maar aanvankelijk zit dat ook in m'n wezen, dus.

Mijn broer had alles waargemaakt wat mijn vader wou, ik begrijp ook wel die reactie van mijn vader toen hij hoorde dat Jan dood was... Mijn schoonzusje werd toen ontboden bij de Sicherheitsdienst. Ze was zeer zwanger en toen zei ik: “Nou, ik ga wel met je mee.” En toen kwamen we daar op het Binnenhof en er was een vent, een portier, en die zei: “O, ja, gaat u maar naar dat gebouw.” Ik zeg tegen mijn schoonzusje: “Ga daar maar zitten.” Dus ze bleef op de gang en ik ging die kamer binnen. God, wij dachten, we krijgen een mededeling dat-ie naar een ander kamp is, hè. En daar zat dus een vent en die zat achter een bureau, en d'r liepen daar van die goedkope meissies die bij de sd werkten, weet je wel, en een van die juffrouwen komt naar mij toe met een papier in d'r hand en die las mij voor dat hij dus dood was, terwijl mijn schoonzusje op de gang stond. Die las het gewoon voor. Nou, toen moest ik her dus aan haar vertellen, daar op die gang. En toen moest ik naar huis en moest het aan mijn vader vertellen. En ik weer nog dat mijn vader, toen ik hem dat vertelde - dat mijn vader toen zei: “Alles tevergeefs.” En dat is me altijd dwars blijven zitten, als schrijvende mens, dat je zo'n zin, áls je hem ooit zou kúnnen schrijven - dan zou je toch zeggen: nee, dat kan niet, dat zegt toch iemand anders.’

Herman Carmiggelt sterft een maand na de dood van zijn zoon Jan (‘Het spijt mij, Jeanne’). Jeanne Bik overlijdt in '68.

[p. 93]

‘Ik ben nooit zo erg ongelukkig geweest, thuis. Helemaal niet. Ik vind alleen dat ik te lang thuisgebleven ben, maar dat is waarschijnlijk de enorme invloed van mijn moeder geweest, hè, die dus per se niet wou dat wij het huis uit gingen. 't Is, geloof ik, niet zo dat ik onder haar leed, maar ze ergerde me wel sterk in haar oordelen over allerlei dingen - een dom, kortzichtig oordeel. Ik ben het wel met je eens dat in mijn bewondering voor haar (die veel later kwam), dat daar een stuk cerebraliteit in kan zitten.

Toen ik met Tiny aan kwam zetten thuis, begon mijn moeder te ageren. Maar ik was vastbesloten om met Tiny te trouwen, dus dat was geen punt. En toen we pas getrouwd waren, probeerde mijn moeder nog zo'n beetje een rol in dat huwelijk te spelen, eh, door ons bijvoorbeeld, als ze bij ons op bezoek was geweest en er was iets kapot, de volgende dag iemand te sturen om dat te regelen. Haha! En dan stuurde Tiny die vent weer weg. En dan kwamen ze bij ons op bezoek, vader en moeder. Nou, wij leefden niet zo precies, uiteraard. Later hoorde ik dan dat mijn moeder tegen mijn vader gezegd had: “Heb je gezien dat er naast de kachel een koffievlek in het tapijt is, heb je dat nou gezien?” En dan zei mijn vader: “Méns, de een is gelukkig met een koffievlek, en de ander niet.” Dat was typisch de benadering van mijn vader.’

Carmiggelts journalistieke carrière begon op de Vierde Handelsdag-school; hij werd snel persvertegenwoordiger van De Schakelaar, een interscholaire periodiek. In de redactie van dat blad leerde hij Jan Meijer kennen.

Meijer (58, nu een van de drie directeuren-generaal van Buitenlandse Zaken): ‘Mijn moeder kende Simons moeder nog van de Haagse Industrie-school; mijn moeder vond Jeanne Bik een, eh, schrijf maar “haaiebaai” op. Simon is z'n moeder later op bijna pathetische wijze gaan verzorgen. Maar die moeder was inderdaad wel bewonderenswaardig in haar totale aanvaarding van de eenzaamheid en de ouderdom.

Ik denk dat Simons broer Jan misschien wel minder getalenteerd was dan Simon. Simon is van school af gegaan in de tweede klas. Hij heeft zichzelf alles moeten leten. Die broer, afgestudeerde econoom, was een voortreffelijk muziekkenner. Hij was economisch redacteur van Vooruit en schreef muziek-recensies. Het was mijn verwachting - en die van vele anderen - dat er een grote toekomst voor Jan was weggelegd. Zonder enige twijfel was hij na de oorlog minister van Economische Zaken geworden - hij kwam daar meer voor in aanmerking dan Hein Vos: en Hein Vos vond dat zeker ook.

Simon brak algauw uit dat schoolse onderricht. Wat wilde die moeder van 'm? Dat-ie een oppassend mens in de middenstand zou worden - Muziek, literatuur - daar kon je volgens haar niet van leven. Dáár zat de wringing - die vrouw was diep ongelukkig toen Simon van school ging. Zijn vader nam hem mee naar Karel Voskuil, toen hoofdredacteur van de Vooruit (Haagse editie van Het Volk).

Die vader was een wezenlijke sociaal-democraat; van oorsprong een dood-

[p. 94]

gewone slagersknecht die door het socialisme toegang had gekregen tot de literatuur, wetenschap, kunst, die mede daardoor zich een goede maatschappelijke positie heeft kunnen verwerven. Je kunt dan ook niets van Simon Carmiggelt begrijpen wanneer je niet ziet hoe hij bepaald is door het socialisme.

Vanaf '29 waren wij volledig op Duitsland gericht, zowel in politiek als literair opzicht. Het ineenklappen van de Duitse Sociaal-Democratische Partij, die zich in '33 zonder slag of stoot aan Hitler overgaf, dat gaf ons een enorme dreun. Toen richteen we ons op fenomenen als Die Pfeffermüble, dát was het toen voor ons, en Tucholsky: we richtten ons op de Duitse emigrantenliteratuur.’

Simon Carmiggelt, tijdens het eten in Le Dôme: ‘...De kleinere Duitse schrijvers van het slag Tucholsky, die zaten bij de Malik Verlag. In een weekblad las ik dat die uitgeverij, wegens Hitler, verplaatst was naar Parijs. Jan Meijer en ik kwamen toen veel in Parijs, en we hadden belangstelling voor die Malik Verlag en wat die auteurs verder gingen doen. Wij gaan naar dat adres toe, ik wou daar wel iets over schrijven - je bent tenslotte journalist -, we komen daar aan, hebben het adres met veel moeite gevonden: een Duits-joodse naam op de deur en daaronder een kaartje met malik verlag erop.

We bellen aan, de deur gaat open en we staan in zo'n rottig woninkje, een vrouw die huilende kinderen in bad doet, een moedeloze man, armoeiig interieur. En daar staan wij, twee lullige Hollandse jongens. Ten slotte - we wouden weggaan, en dat moment vergeet ik nooit, het was zo typerend voor de situatie waarin die hele Duitse emigratie verkeerde. Die man stond op, wees naar zijn boekenkast en zei: “Wollen Sie, Herrschaften, sich noch etwas Reiselektur aussuchen?” En het meest nebbisje was nog: wij hadden geen geld.’

Jan Meijer: ‘Die Parijse tochtjes, dat was de romantiek van de vrijheid. Wij leefden in de volstrekte zekerheid dat de oorlog zou komen. Voor ons is die oorlog niet in '40 begonnen, maar al in '29.

Ik was toen perschef bij de klm. Simon en ik hadden al samen reizen gemaakt naar Hongarije en Joegoslavië. Ik stuurde Simon vanuit Genève een briefje: of hij zin had om samen naar Praag te gaan. Het was september '38. Simon schreef terug: “Natuurlijk wil ik naar Praag. We moeten het zien, zolang de voorraad strekt.”’

Dat vreemde groepje, die hechte clan, kwam bijeen in het café Het Wachtje aan het Haagse Smidswater: Simon Carmiggelt, Caro van Eyck, Paul Steenbergen, Theo Ramaker, Jan Meijer, Jan Roede, Wim van Norden. Later verhuisden ze naar De Posthoorn, toentertijd een eindje verderop aan het grachtje.

Paul Steenbergen (we zitten in de nieuwe Posthoorn aan het Lange Voorhout): ‘Simon was eigenlijk de meest stille in dat luidruchtige ploegje. Tja, en dat waren hele wilde feesten, zeg, hele wilde feesten.’

Wim van Norden: ‘Via Jan Meijer, met wie ik in Rotterdam economie stu-

[p. 95]

deerde, kwam ik in dat Stammtisch-achtige clubje verzeild. Het ging er nogal alcoholisch toe. Ik was toen nog lid van de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden - vreemd hoor.’

Steenbergen: ‘Dronken werden we sowieso.’

Jan Meijer: ‘Doordat je gewoonweg wist dat er oorlog kwam, was alles voorlopig; je dácht niet aan het begrip carrière, aan pensioen of zo.’

Er waren ook nog andere stamgasten in Het Wachtje, bijvoorbeeld mevrouw De Goey en haar dochter Tiny die daar elke middag een glaasje sherry kwamen nuttigen. Simon en Tiny trouwden in 1939. Tiny's moeder wordt door een vriend omzichtig beschreven als ‘een vrouw die zich het liefst in het minst niet onderscheidde van de gemiddelde nette mevrouw - hou 't dáár maar op’.

Simon Carmiggelt (op een terrasje in Parijs): ‘Nee, Tiny wil nooit bij een interview zijn - ze wil toch niet zeggen wat ze écht van me denkt. Trouwens, ze amuseert zich wel in deze stad. Die vader van haar, een uiterst slimme man, een accountant, heeft haar naar Parijs gestuurd toen Tiny zo nodig balletdanseres wilde worden. Nou, ze komt uit een zeer katholieke familie. Wat doet die vader? Stuurt z'n dochter naar een echte studio in Parijs - je weet wel, zo'n uitgebrande bananenloods, daar schijnt de balletstudie het best te gedijen, hè. En Tiny moest toen trainen met de meiden van de Folies Bergères. Haha! Dat hield ze natuurlijk nóóit vol. Nou ja, ze hééft 't nog drie maanden uitgehouwen. Toch knap. Slimme vader.’

De Carmiggelts betrokken een woning aan de Muzenstraat in Den Haag. Simon heeft inmiddels zijn ‘Kleinigheden’ (niet-ondertekende cursiefjes in de Vooruit), zet met Paul Steenbergen twee massaspelen in elkaar.

Wim van Norden: ‘De Carmiggelts waren de eerste van de clan die een “stereotiep” gezinsleven hadden. Dat gezin vormde voor ons een rustpunt. Die functie hebben ze altijd gehouden, ook nadat ze in '43 naar Amsterdam waren gegaan: een-plaats-waar-je-elkaar-ontmoette. Dat kwam vooral ook door Tiny met haar onverwoestbare ontvangcapaciteit, dat accepterende van haar, dat optimistische. Er was altijd te eten en te drinken en Tiny beschermde Simon tegen z'n impulsiviteit.’

Carmiggelts rubriek ‘Kleinigheden’ haalde zelden de landelijke editie van Het Volk; de column van Piet Bakker ging voor. Het toenmalige hoofd van de ap-uitgeverij, Fred von Eugen, drukte toch de editie van Vijftig dwaasheden door.

Jan Meijer: ‘De uitgave van dat boekje, in '40, was een geweldige belevenis voor ons. Het was precies zo uitgegeven als de boekjes van Polgar - nou, dat was het toppunt van schrijven en stijl voor ons, toen.’ Kort daarna nemen de nazi's De Arbeiderspers over. Van de ongeveer tweehonderd journalisten nemen er maar drie onmiddellijk ontslag: Jan Carmiggelt, Simon Carmiggelt en Lex Althof.

Jan Meijer: ‘Dat was wérkelijk het grote ogenblik. Simon zei: “Het enige

[p. 96]

waar het om gaat is, dat je moet proberen om in de spiegel te kunnen kijken zonder te hoeven braken van zo veel lafheid.” Het was de moed van het-helemáál-niet-anders-kunnen. Tenslotte moet je bedenken dat die bezetting in Nederland een zeer specifieke was: vanaf het begin kreeg Nederland een burgerlijk bestuur. Het gevolg daarvan was dat je voortdurend voor morele beslissingen kwam, of je nou telefoonabonnee was of arts. Dáárom betekende Carmiggelts stap voor hemzelf: vrijheid. Zijn gezag was groot.’

De Carmiggelts vertrekken naar Amsterdam, naar de ‘Maquis’ van het Nederlands verzet. Wim van Norden en Jan Meijer worden opgepakt. De grote zorg is om hun blaadje, Het Parool, te blijven uitgeven: kwam Het Parool niet uit, dan wist de ss precies wie bij wat betrokken was geweest.

Carmiggelt: ‘Het gevoel... Je moet je voorstellen, als je de oorlog dus bewust meemaakt, dan maak je terreur mee, in de zin van volstrekte rechteloosheid. Iemand die daar zin in heeft, kan je oppakken, in de gevangenis zetten, daar hoor je nooit meer wat van. Dat is terreur, daar hoor je nooit meer wat van, daar is niks tegen te doen.

Ach, weet je wat 't is. Een ouwe vriend van m'n vader zat altijd te zeiken over Bismarck - dat hoorde ik aan toen ik een kleine jongen was. Die man maakte zich echt vreselijk kwaad. Dan denk ik, in verband met die oorlog: je moet niet die ouwe vent van Bismarck worden.’

Van Norden: ‘Simons verzet kwam ook voort uit vriendentrouw. Doordat hij gezorgd heeft dat Het Parool bleef verschijnen, legde de sd niet het verband tussen Jan Meijer, mij en dat blaadje.’ Tot die tijd had Carmiggelt zich in leven gehouden met de uitgave van Deze week in Den Haag, samen met Ajé Noordam. Hij schrijft zijn detective Johan Justus Jacob. Vanaf '43 produceert hij Het Parool. Drukker Ton Jesse kende hem alleen maar als ‘Dik van Schoonhoven’.

Jesse: ‘Hij verzorgde de opmaak en het foutloos-maken van de krant. We wisten niet dat hij ook nog kon schrijven. Toen 't uitlekte dat hij dat verhaaltje “Honger” had geschreven, schaamde hij zich een beetje om die onthulling. Nee, nee, Simon was geen uitbundig man. Wel een gezellige vakman, geen slavendrijver. We werkten hier met mijn vader, drie zoons en een winkeljuffrouw. Tja, en dan de expeditie. We hebben 'm nog wel eens met de bakfiets laten rijden, later niet meer; hij is écht geen man voor een bakfiets. Dat-ie een humorist was, dat wist je in die dagen niet.’

Het was oorlog. Simon Carmiggelt, Tiny, Jan Meijer, Paul Steenbergen en Caro van Eyck liepen een beetje dronken langs de boulevard van Scheveningen. Ze besloten te gaan eten in een Indonesisch restaurant waar het stikte van de sd-officieren. Wachtend op de kelner pakte Steenbergen een zwarte schmink-stift uit het tasje van Caro en tekent een Hitler-snorretje op de bovenlip, schikte een lok haar naar voren. Er ontstond een zeer akelige sfeer in het etablissement. Toen pakte Simon dezelfde stift en met sierlijke bewegingen tooide hij zijn bovenlip met een Dalí-snor; Jan Meijer kreeg een baardje van hem.

[p. 97]

Jan Meijer: ‘Daarmee was het dreigende conflict op onnavolgbare wijze geneutraliseerd. Tegen het einde van de oorlog werd Carmiggelt opgepakt in een groentewinkel; in zijn achterzak zaten drukproeven van Het Parool - die heeft hij nog weg kunnen gooien. Hij verdween voor een week in de gevangenis. Door zich onnozeler voor te doen dan hij is, kwam hij na een week vrij. Een meisje van de Parool-groep, Mia van Meurs, moest zijn werk aan de N.Z. Voorburgwal (waar drukkerij Jesse, een ouderwets goeie en gezellige zaak, nog steeds gevestigd is) overnemen.’

Mia van Meurs: ‘Plotseling was hij terug. En hij nam de opmaak weer over. Dat was moedig, het was óók, in zekere zin, zákelijk. Simon kan beslissingen nemen.’

Jan Meijer: ‘Hij kan iets besluiten. En dat besluit is dan ook een onwrikbaar besluit.’ Daar, aan de N.Z. Voorburgwal 160, beleefde Simon de bevrijding. Diezelfde dag meldde zich een nieuwe zetter, Gerard van het Reve, die meteen van Carmiggelt een perskaart kreeg. De verslaggever begeeft zich van drukkerij Jesse naar het Volkskrant-gebouw, waar zich het kantoor bevindt van drs. Wim van Norden (55, voorzitter van de Raad van Bestuur van de nv Perscombinatie, ex-directeur van Het Parool).

Van Norden: ‘Ja, die overgang van Jesse naar hier is inderdaad wel groot, bizar... Het was trouwens voor ons inderdaad een normale zaak dat wij na de oorlog een eigen krant zouden maken, dat was een geweldig vooruitzicht. Zeer reëel, ook voor Simon. Simon is ook nog steeds lid van het Stichtingsbestuur van Het Parool.

Nou denken de mensen vaak, of ze zeggen het: die Carmiggelt, die Kronkel, die artistiekeling, ach, die zit er zomaar bij. In het kader van die job pretendeert Simon nooit dat hij verstand zou hebben van de balans en van technisch-economische problemen, maar hij heeft door z'n scherp intellect en zijn scherp oordeel op het gebied van structuren en persverhoudingen een heel eigen inbreng. De zakelijke kant doorziet-ie scherp. Misschien komt dat ook van z'n moeder.’

Willem Wittkampf (de ‘Willem’ van Het Parool): ‘Ach, joh, Simon is gewoon héél slim. Van Oorschot had het idee van De Russische Bibliotheek. Komt die struikrover bij Simon thuis en roept: “Iedereen mag meehelpen aan het vertalen van De Russische Bibliotheek - behalve Aleida Schot!” Zegt Simon, met dat kleine mondje: “Nou Geert, dat zou ik maar lelijk nalaten, want dan gaat dat mens alle kranten volschrijven dat 't slecht vertaald is. En niemand kan d'r tegenspreken, want álle anderen zijn medeplichtig!” En daar had Simon gewoon gelijk an, dat zag Geert ook wel in.’

Jan Meijer: ‘Wat Van Norden “zakelijkheid” noemt, noem ik zuiverheid-van-zien. Weer dat heldere politieke kijken van hem: in de eerste periode van zijn politieke leven was het afbuigen naar de Communistische Partij mogelijk geweest, daarna kwam de rsp in aanmerking, tóen de osp van De Kadt en

[p. 98]

later nog ds'70. Hij heeft zich nooit laten verleiden om van de zuivere sociaal-democratische lijn af te wijken. Zijn hele politieke denken is zo hecht doortimmerd, door die vader en die broer.’

Carmiggelt: ‘Ik zie in mezelf een sterk afnemende belangstelling voor politiek. Nee, ik ben geen lid van ds'70. De enige reden dat ik er niet bij gegaan ben, is dat ik zo'n man als Den Uyl beschouw als een fatsoenlijk man die 't wil proberen... en die zit verschrikkelijk moeilijk, die zit in een kakelend kippenhok. Zijn uitgangspunten zijn zeer integer. En daar bedoel ik mee: die man is niet bereid het begrip democratie te verraden.’

Jan Meijer: ‘Iemand die een zo zuiver politiek gevoel heeft als hij (en daarbij zo'n goeie training), daarvan had ik graag gezien dat hij zijn talent óók politiek gebruikt had.’

Jan Meijer noemt als geslaagde politieke ‘acties’ bij wijze van voorbeelden de recente polemiek van Kronkel mee Jaap van de Merwe en de voorlezing van het gedicht ‘De Vrijheid, Och’, in 1956 - een gebeurtenis waarbij professor Donkersloot ‘half de zaal uit liep’ (na Carmiggelts uitval inzake de kwestie-Hongarije stond Donkersloot van zijn plaats op de eerste rij op, liep pontificaal het middenpad door en posteerde zich vervolgens achter in de zaal).

Carmiggelt over ‘Hongarije’: ‘Dat ik de ruit bij Pegasus ingegooid zou hebben, dat is een verhaal dat gecolporteerd is door mensen die meenden dat ze dat moesten doen. De waarheid is heel anders. Ik was toen in de stad met Tiny en we waren natuurlijk zeer geëmotioneerd. We kwamen langs Felix Meritis en daar hing in zo'n plat bakkie het nummer van De Waarheid waarin die hele zaak goedgeluld werd. Dat hebben die communisten altijd gedaan; zo van het waren fascisten... Enfin, ik word verschrikkelijk kwaad en ik sla het ruitje van dat bakkie in. Nou ja, dat was een zinloze daad. Maar Tiny vond óók dat er maar eens iets moest gebeuren.

Ik verwachtte dat er rotzooi in de stad zou komen, ik stond voor dat bakkie, er komt een auto met politie en de mensen zeggen: “Loop nou dóór.” Maar ik ben zo'n keurige, de wet beantwoordende burger, ik zei: “Nee, ik heb het gedaan, ik wacht op de politie.” Eindelijk kwam de politie, die vonden het ook allemaal flauwekul en hebben me met tegenzin meegenomen. Bureau Singel. Daar zat zo'n ouderwetse agent, hè, een wat moedeloze man. Die zei: “Dat wordt vanavond rotmok in de stad”, een woord dat ik helemaal niet kende. Tiny en ik zaten daar een hele tijd te wachten, er moest een rechercheur van huis gehaald worden. Ik stond erop dat het recht z'n loop had. Toen kwam er een rechercheur, die ook iets had van: jezus, klootzak - en die heeft verbaal gemaakt. Dat is het hele verhaal.’

Een tweede ontmoeting in Parijs; 's middags, in de hal van het kleine hotel waar hij logeert. Boven ons hoofd wat zielige kerstslingers.

Carmiggelt: ‘Raoul Hynckes! Ik zit op een nacht, zeer laat, op De Kring aan

[p. 99]

een Kronkel te werken. Lazerus. Iemand zegt: “Ah jóh, gooi dat maar weg.” Ik zeg: “Als jij mij volgde in de krant, zou je weten dat ik mij dat niet. kan permitteren - om iets weg te gooien.” Weet je, vroeger sloeg ik wel eens over: dan belde m'n moeder gelijk op om te vragen of ik soms ontslagen was - die heeft maar moeilijk kunnen geloven dat ik van die flauwekul kon leven, hè.’

Van Heuven Goedhart gaf hem de opdracht het dagelijks cursiefje voor Het Parool te produceren. Het is uitgegroeid tot een zware, volledige dagtaak. Hij loopt nu opgewekt door Parijs met een koket tasje onder de arm waarin een blauw cahier, met uiterst kleine lettertjes volgeschreven: observaties, invallen, citaten uit boeken. ‘Op het moment dat ik mijn nieuwsgierigheid verlies, dat Tiny zegt: “Simon, je schrijft niks op” - daaraan merk ik dat ik in een down ben. Die nieuwsgierigheid doet mij schrijven; maar het is vooral mijn benieuwd-zijn of ik het ooit nog eens goed kan.’

Hij is, wanneer ik hem de eerste week van december ontmoet, al drie weken ‘voor’ met Kronkels. Een ongekende ‘up’, misschien te vergelijken met die zomer toen hij op een morgen verrast werd met een bezoekje van Gerard Kornelis van het Reve: ‘Ik had weer zo'n periode dat ik erg energiek was en contact-open; en daar heeft hij misschien wel iets aan gehad. Er klikte opeens een enorm contact tussen ons: we waren trouwens al ouwe vrienden. Kort daarop schreef Gerard z'n eerste brief. Daarop antwoordde ik en daarop kwam Gerard dan weer terug - maar in wezen antwoordt hij dan niet op mijn brief. Hij pakt die brief van mij als aanleiding om een brief te schrijven - dat is dan literatuur.

Die brieven van mij zijn op kwalitatieve grond geschift. Wat er bruikbaar aan was heb ik in Kronkels gebruikt. Ach, als hij mij dan schreef dat-ie zich wilde ophangen, dan schreef ik gewoon terug: nog effe uitstellen, dat kan je de literatuur niet aandoen, hè.’

Gerard van het Reve stuurde, speciaal naar aanleiding van dit verhaal over zijn Kunstbroeder, de volgende brief: een getuigenis.

Simon Carmiggelt is een prozaschrijver met een door hemzelf zowel als door zijn volk ten zeerste onderschat talent. Het is voorts aan slechts weinigen bekend, dat hij tevens een dichter is van niet geringe verdienste. Ik geloof dat in zijn genre, het (zeer) korte verhaal, niemand in de Nederlandse litteratuur hem evenaart of zelfs maar nabij komt. (Mijn droom is, dat hij zich ooit nog eens zal zetten aan het schrijven van een geheel boek over zijn leven.) Kenmerkend voor Simon Carmiggelt is, behalve zijn - mijns inziens al te grote - bescheidenheid, zijn beminnelijkheid: hij is de zeldzame kunstenaar die echte belangstelling & genegenheid voor werk en persoon van een ander weet op te brengen, en die zijn kunstbroeders het licht in de ogen niet misgunt.

Randstad Holland, Advent 1972.
Gerard Reve.
[p. 100]

Repte Van het Reve in zijn Brieven aan een kunstbroeder van veelvuldig alcoholgebruik, Simon Carmiggelt drinkt absoluut niet meer. Carmiggelt: ‘Als je een echte alcoholist bent, dan kun je niet ophouden. Ik ben niet het type van een social drinker; ik ben niet iemand die kan zeggen: om vijf uur neem ik een paar glaasjes en dan ga ik naar de schouwburg of zo - dan moet ik gewoon dóórgaan. Soms, heel soms heb ik me een alcoholist gevoeld. Churchill heeft eens gezegd: “If you need a shot in the morning to face the day, you're an alcoholic.” Dat heb ik een tijdje gehad, járen geleden. Dat was in een periode dat ik me rot moest rennen: 's ochtends radio, 's middags een interview, toneelrecensies, filmrecensies, 's avonds weer een lezing.’ Het was de tijd dat hij klem kwam te zitten met de belasting. Om gigantische schulden in te halen hield Simon samen met Annie M.G. Schmidt overal in den lande lezingen.

Annie Schmidt (te Berkel-Rodenrijs zojuist teruggekeerd uit New York, waar ze toneel en shows heeft bekeken): ‘Simon deed 't beter dan ik. Hij maakte één grote conference vol met grapjes. Hij heeft zichzelf echt het vák geleerd. Ik geneerde me altijd kapot om iedere avond dezelfde grapjes te maken, zowel tegenover Simon als tegenover mezelf. Simon lééd wel onder de omstandigheid dat je op die manier (steeds weer diezelfde “lezing”) het publiek gaat haten; o god, die ménsen, hun altijd eendere vragen! Die “fanblik” in de ogen! “Ja, mevrouw Schmidt, mijn zoontje kent héél Pippeloentje uit het hoofd!” Mijn god! Simon werd daar ook zo schuw en angstig van.

Ik heb wél gedacht: als hij van die conferences z'n vak zou maken, dan zou-d'ie werkelijk perfect zijn. En dan die voorzitters! “We willen de heer Carmiggelt en mevrouw Corsari hartelijk danken voor...” Meppel. Den Helder. Assen.

We zaten altijd apart in de trein, nors voor ons uitkijkend. Ik aan een “Doorsnee”, hij aan een Kronkel of een gedicht. We hadden 't zo druk, hè. Alleen, we gingen samen eten. Heel duur. “Het Nut” betaalde dan, hè, of De Arbeiderspers. Dan zaten we daar als Karel en Cato uit De Kleine Zielen te vréten: mensen die niet durven te bekennen hoe lekker ze 't hebben, schaamte. Die tijd, 't was allemaal even somber. Dat kwam door dat geld.’

Annie Schmidt heeft zeer aan Simon ‘getrokken’ om hem in het fameuze cabaret ‘De Inktvis’ (Ton van Duinhoven, Han G. Hoekstra, Willem Wittkampf) te krijgen. Hij wou niet.

Carmiggelt: ‘Die “Inktvis”, dat was een beetje komediespelen. En ik begin niet aan komediespelen, ik kijk wel uit, dat is een heel ander vak. Met een tekst helemaal alleen staan, dat mag je nog wel doen, maar zodra je gaat cross-talken ben je aan het comedianwerk bezig. Moet je wel van zeer goeie huize komen.’

Ook het schrijven van cross-talks is hem nooit gelukt. Op verzoek van Willy Walden probeerde hij een van zijn ‘Honderd Dwaasheden’ voor de revue te bewerken. Het ging niet: ‘Dat moet van lach-lach-lach; en daar ben ik

[p. 101]

niet geschikt voor.’ Maar de openingszin van de conference ter gelegenheid van Guus Osters afscheid van De Nederlandse Comedie is nu al in bepaalde Amsterdamse cercles klassiek: ‘Dames en heren, de vrees dat ik zal gaan zingen is ongegrond.’

Uitgever Reinold Kuipers (vroeger ap, nu Querido) over zijn vriend Simon Carmiggelt: ‘In '46 heb ik hem ontmoet. 't Is gaan klikken en daar ben ik blij om. 't Is een goeie vriend, een van die zeldzame mensen waar je iets aan hebt. Tiny en Simon, ontspannen mensen, verstandige mensen, ze zijn in staat schokken te verwerken, wijze mensen. Ik heb me vroeger wel kwaad gemaakt als-ie van die schouderklopachtige recensies kreeg van zogenaamde erkende literatoren. Zijn talent is laat onderkend. Je hebt maar een paar mensen in je leven voor wie je geen reserves hebt en daar is Simon voor mij er een van. Het heeft mij niets verbaasd, dat hij heeft kunnen kappen met de drank. 't Is een hele zuivere man met een geweldige zelfdiscipline. Een stérke man.’

In deze visie van Kuipers past ook het beeld van de door belastingschulden overwoekerde Carmiggelt die op een gegeven moment een accountants-bureau inschakelde om z'n financiën volledig en drastisch te beheren: dat Simon Carmiggelt ‘onder curatele gezet zou zijn’ is een enigszins kwaadaardige mythe. De band met Kuipers is zeer hecht. Ook de liefde voor de typografie bindt beide mannen. Een paar jaar lang stonden ze elke zaterdag bij Jesse gezellig met lood te spelen, drukten bibliofiele uitgaafjes. Simons zoon Frank (30, classicus) ging dan mee: uitgeverij De Zondagsdrukkers (Simon en Reinold) plus uitgeverij De Pasteibakker (Carmiggelt jr).

Frank: ‘Simons eigen werk werd zorgvuldig buiten ons kinderen gehouden. Ik ging wel elke morgen opendoen voor de kopijloper.’

Dochter Marianne (32): ‘Of we vonden Hugh Jans slapend in de kamer 's morgens op vaderdag - toen hebben we hem verwend, omdat we 't zo zielig vonden dat-ie niks had.’

Frank: ‘Ach, soms lagen 's morgens alle grammofoonplaten in het plantsoen.’

Marianne: ‘Wandelingen, 's zondags.’

Frank: ‘Jezus! Ja! Naar Heck! Prachtig, met zo'n orkest!’

Marianne: ‘Simon vertelde ons onderweg van alles - hij gaf eigenlijk college, zou je kunnen zeggen. Hij wist ook alles.’

Het verhaal van een zéér gewone jeugd, met zéér mooie momenten (met Simon naar de kermis schijnt zowat het leukste te wezen wat er bestaat; hij kan ook prima verhaaltjes vertellen: je kunt de afloop van tevoren bestellen; kortom, een uiterst antiautoritaire vader).

Huisvriendin Mans Post: ‘Het is een veilig huis.’

En kleindochter Klaartje: ‘Ik vind opa óók lief; maar waarom moet dat in de krant?’

[p. 102]

Een derde gesprek in Parijs. Kopjes koffie op een terrasje. Carmiggelt: ‘Mijn stijl wordt kaler. Het is niet meer zo vrolijk. Vroeger was ik wel vrolijk, maar er zat altijd iets van de dupe in mij en dat heb ik bewust gebruikt in al die verhalen.

Toen ik begon vond ik - en dat was onbewust - dat het tijd was voor de antiheld. Aanvankelijk bewonderde ik A.B. Kleerekoper (“Oproerige Krabbels”) - toch begon mij te hinderen dat de ikfiguur in die stukjes altijd zo grappig was. Een soort superman - en dan dacht ik: dat is verkeerd, die man gaat je ergeren. Ik heb het omgedraaid. En dát heb ik bewust gedaan.’

Hij leeft een ingespannen leven; er gaat een vracht werk in zo'n stukje zitten. Vrienden vinden dat hij te veel van zichzelf vergt door werkelijk constant te blijven kijken, observeren, zoeken naar een mogelijk onderwerp voor een Kronkel. Zelf zegt hij daarvan: ‘Ik heb het altijd gehad, dat kijken. Een meisje zoenen en dan tóch nog even registreren dat haar strohoedje knettert.’

De jaren van de grote feesten ten huize van de Carmiggelts zijn voorbij. Boezemvriendin Marriëtte Ramaker: ‘Hij heeft heel Amsterdam door z'n pand gehaald, hij heeft heel veel mensen geld, drank en voedsel gegeven. Tiny heeft voor iedereen gekookt, álle recepten van de wereld. Nu moeren ze Simon maar gewoon laten schrijven; een doodgewone man, zoals je die achter elke deur in Amsterdam kunt vinden - maar hij is door zijn Muze aangeraakt. Soms heeft-ie z'n down; nou én, dan heb z'n Muze griep. En Tiny wil nog alleen maar een boterham met kaas eten.’

Anton Koolhaas, over zijn collega Simon Carmiggelt, met wie hij De Kleine Krant van De Groene zeven jaar lang gemaakt heeft: ‘Simon is een bewuste behoeder van z'n geheim. Dat is zijn kracht. Creativiteit heeft te maken met golfbewegingen: hij, met zijn grote productie, kent zijn eigen golfbewegingen door en door - zijn levensgeluk, zijn levensongeluk (wie zal het verschil daartussen aangeven?) hangt daarvan af. De laatste jaren zoekt hij vrij bewust het isolement. Bij hem is sprake van een zeer sterke verdieping van het mededogen - bij mij zijn dat verkenningen de dood in, bij hem verkenningen in het gemis.’

Wat betreft die bewuste isolementskeuze lijkt Simon Carmiggelt wel een beetje op zijn oude buddy Wim Kan; ze bezoeken ook geregeld elkanders vakantieoorden: De Steeg, Gelderland, Zwitserland, Zuid-Frankrijk.

Wim Kan schreef mij over Simon: ‘Een echt verhaal over Simon kan ik niet vertellen. Dat kan hij ook niet, want hij is “altrocentrisch”. Alleen in korte stukjes kun je hem uitbeelden. Hij is een “nauwkeurige vriend”. Daar bedoel ik mee, dat als je hem nodig hebt, je hem een briefje kunt schrijven en dan heb je binnen drie dagen antwoord. Onze vriendschap heeft iets van bevriend zijn met de brandweer! Z'n telefoonnummer hangt boven m'n bed, want dag en nacht kan ik hem bellen... Iets over hem vertellen kan ik echt niet. Wat ik van hem weet, of meen te weten, zit onder water... “Kronkel is

[p. 103]

met vakantie” staat er op gezette tijden in Het Parool. Dat zinnetje heeft voor mij iets als “Bedenk dat gij een sterveling zijt” - lieve god, wat is de wereld verlaten als Kronkel met vakantie is.’

Op bezoek bij Wim Hilbers (74), indertijd grafoloog van het Instituut voor Psychotechniek, waar Carmiggelt in het begin van de oorlog een blauwe maandag gewerkt heeft. Hilbers: ‘Hij heeft een bundel aan mij en Reinold opgedragen: “zijn twee rechterhanden”. Nou, ik ben zijn rechterhand niet, ik stuur hem alleen maar elke maand een lijstje met Kronkels die ik goed vond, en later schift Reinold die lijstjes weer. Ik heb Simon wel geschreven: “Het gevaar dreigt dat ik je te aardig ga vinden.” Ik zie 'm niet zo vaak. En als ik hem zie, dan zijn we met z'n drieën. Of hij schrijft me uit Zwitserland: “Het sodawater is hier heerlijk.” Dat soort contact hebben we. Zijn handschrift is erg esthetisch, erg mooi - daardoor is er weinig aan te zien.’

Carmiggelt: ‘Je begint zo'n stukje niet met 't idee dat... ik bedoel, je moet eromheen, eromheen.’

Paul Steenbergen: ‘Je kunt geen tragedie spelen zonder komedie te hebben gespeeld (niet andersom, niet andersom): in de komedie zit de vorm in 't klein.’

Carmiggelt: ‘Ja, waarom ik nou in mijn jonge jaren door ouderdom en verval werd geobsedeerd, dat weet ik niet. Je groeit er nu zelf meer naartoe. Echte ouderdom is een staat waarin de mensen permanent maar op een onpathetische wijze leven met de dood. Dat ze niet de hele dag lopen te tobben of er 's nachts van wakker liggen - dat ze het op een of andere wijze in hun systeem hebben opgenomen. Als je zover bent, ben je natuurlijk een ander wezen.’

Hij heeft een merkwaardige briefwisseling met Ellen Warmond. Ze ontmoeten elkaar zelden of nooit. Zij zendt hem berichten over gruwelijke ziekten, hij vermaakt haar met macabere dronkemansanekdoren. Laatst vroeg ze hem waar zijn bundel Een eindje om te krijgen was. Simon schreef dat die bundel niet bestond.

Carmiggelt: ‘Volgend jaar word ik zestig. Er komt een bundeling van stukjes die ik in de loop der jaren “overgeslagen” heb in de bloemlezingen, maar die toch wel mooi zijn. Een eindje om. Mooie titel hè. 't Is toch een eindje om.’