terug  begin  verderprepost
[p. 110]

Anton Koolhaas

‘Luister es. Ik weet wel, dat ik 's zondagmiddags als klein jongetje thuis was en ik zat in m'n eentje in de salon op een stoel - en dat herinner ik me nog heel goed: dat er dan een soort van waanzinnig geluk over je kwam, plotseling, dat je 't ook helemaal niet aankon, je geluk - omdat je voelde: alle dingen die er uit je zouden komen. Op zo'n mal salonstoeltje, en dan kon je 't helemaal niet meer houden van geluk, van alles waarvan je voelde dat het in je, binnen, lag. En 't gaf niet dat mijn ouders er bang voor waren, dat ze 't op die manier onderdrukten. Zo'n geluksgevoel is zo sterk dat je er wel op rekenen mag, vind ik - als het schrijven je lukt, komt 't terug en als het je niet lukt, een stuk, dan geeft 't niks, dan is dat eigenlijk een groot voordeel: omdat 't je dan blijft bezighouden, dat 't een volgende keer wél gaat.’

Hij zegt als we voor de eerste keer tegenover elkaar zitten, na lang gezwegen te hebben: ‘Ik kan wel op de grond gaan liggen grienen van moeheid - lichamelijk en geestelijk.’ Hij heeft dan zojuist de eerste zes pagina's van zijn nieuwe boek, Een punaise in de voet, geschreven.

 

Het huis aan de Utrechtse Weertsingel had een brandgang die doodliep op de Bellamystraat. In ‘dat laantje’ ontmoette de vijfjarige Gerrit Kempe de broertjes Rem en Tonnie Koolhaas (toen vijf en vier jaar oud), er ontstond ruzie om een zandemmertje. Kempe (nu 62, hoogleraar criminologie te Utrecht) blikt bewogen terug: ‘'t Gekke is dat ik me nu plotseling herinner; ik móest dat emmertje hebben, terwijl 't van die andere jongetjes was. Ik woonde in dat huis aan de Bellamystraat met m'n moeder en m'n grootmoeder; misschien was dat gezin van de Koolhazen wel gespleten, in zekere zin, omdat er twee ploegen kinderen waren: eerst een veel oudere broer en zuster en dan Rem en Tom, die toen nog Tonnie heette - toch heb ik dit gezin als een waardevolle eenheid beleefd. Daar waren een vader en een moeder. Een vluchthaven, een gezin waar de dingen normaler waren. Heb ik 't geïdealiseerd? Ik weet 't niet, voor mij was 't een voorbeeldig gezin. Ik noemde ze ook Pa en Moeke. Die vrouw met om zich heen de sfeer van een boerenmeisje uit Noord-Holland.

[p. 111]

De vader was wel het hoofd van het gezin, maar zij was de nek waarop dat hoofd rustte. Vader Koolhaas was een oer-gedegen, door en door fatsoenlijke man, rechtvaardig, zonder ook maar iets van halfslachtigheid, de godganse dag in de weer; van oorsprong een marineman, opgeklommen tot een hoge functie bij de Rijksmunt en daarbij ook nog 's avonds directeur van De Machinistenschool. Toch een echte Familienvater; als hij niet thuis was, was hij er toch. Niet drukkend hoor. Nu ik erover nadenk: hij moet niet veel thuis geweest zijn. Het waren wel conformerende mensen die gauw iets belachelijk vonden. Mijn moeder, bijvoorbeeld, maakte zich wel op (nou ja, waar bestond make-up in die tijd nou eigenlijk uit: een beetje blanketsel, wat rouge) en Moeke Koolhaas vond dat dat eigenlijk niet kon: mijn moeder was toch weduwe. Daardoor was ik bij de Koolhazen thuis toch altijd weer verzeild in een vreemd, vaag conflictgevoel. Mijn moeder las boeken van de uitleenbibliotheek - ook dát was iets geks, daar. En dan vond ik thuis ook altijd weer die grootmoeder, het waarlijke prototype van een cynica.

Maar beide milieus hadden eigenlijk eenzelfde “standsgevoel” gemeen, de goede middenstand die de kinderen hogerop wilde hebben. En daarom gingen we ook naar dezelfde scholen. Eerst de “School van Puntenburg” en later de Rijks-hbs. Daar was 't end van weg! 't Regime op die beide scholen was zo horribel - als je erover zou lezen zou je zeggen: dit moet een psychoot geschreven hebben. Het was Bint, maar dan zonder de grootheid van Bint. Ik zat een klas hoger dan Tom, maar ik denk wel dat hij die tijd ook zo heeft ervaren als ik. Die sfeer! Die directeur! Ik heb es een leraar gezien die naar de directeur toe liep, tussen twee uren door, en z'n vinger opstak toen-ie wat vroeg!

Hoe was Tom? Langzamerhand ontwikkelde hij zich als een jongen die erop uit was om verwarring te stichten, terwijl hij zelf als het ware buiten schot bleef. Ik heb 'm heel lang niet gezien. Als ik erover nadenk, over z'n moeder, die dat hele gezin dreef, over mijn moeder, de weduwe, een mooie vrouw, die veel aanzoeken kreeg maar nooit meer getrouwd is - dat wilde ze niet. Waren 't voor ons beiden elkaar complementerende sferen? Later, in zijn studententijd, zocht hij mij wel op. Ik ben lang thuisgebleven. Voor wie kwam Tom bij ons thuis? Dan kwam hij en ging tegenover m'n moeder zitten en pakte de krant en ging zitten lezen. Want wat Tom eigenlijk dacht, dat wist je nooit. Tom zijn hart uitstortende - dat heb ik nooit meegemaakt, dat kan ik me ook niet voorstellen. En dat is van altijd geweest.’

 

De schrijver Anton (‘Tom’) Koolhaas (61): ‘De jeugd komt in vage flarden terug. Als ik zo'n kanotochtje beschrijf. Of in dat mussenverhaal “Zonder Mia” - m'n moeder, maar dan alleen in sfeer: die eenzaamheid. Ik was een buitengewoon timide ventje, heb die scholen in een soort verdoving doorlopen. Ik leefde eigenlijk niet, bestond nauwelijks.

Op m'n zevende heb ik m'n eerste toneelstuk geschreven en ik maakte

[p. 112]

toen altijd aanlopen voor grandioze werken. Als ik dan zat te schrijven en m'n moeder kwam binnen, dan moest ik er altijd weer meteen mee ophouden. Ja, moest! 't Waren andere dagen. 't Kwam niet te pas in mijn familie. M'n vader en m'n moeder - die mensen verkeerden altijd in de grootst mogelijke onrust wat ik nou weer voor verkeerds zou doen. En schrijven hoorde daarbij. Nou ja, toen ik zeven was vonden ze 't nog wel mooi; toen hebben we dat toneelstuk van me bij ons thuis in de eetkamer opgevoerd, omdat daar bloemetjesbehang was en 't speelde zich af in een bos: De drie koningen.’

Zijn broer Rem (63, ingenieur; lang werkzaam geweest in de tropen. Nu topfunctionaris van een ex-koloniale handelmaatschappij): ‘Het was een technisch milieu bij ons thuis en Tom viel daar uit. Toch, het was een happy family. Maar je bent altijd bang dat hij opeens weg zal blijven. Dan kwam-ie later thuis en moeder vroeg: “En Tom, hoe gaat 't?” En dan zei-die: “Slecht! Slecht!” Dat was ironisch bedoeld, waarschijnlijk, maar 't was zielig voor m'n moeder. Ze wist niets van 'm. Ja, ze vonden griezelig wat-ie deed - vooral m'n vader. Maar datzelfde gevoel van angst heeft Tom ook, ten opzichte van zijn gezin - tenminste, dat is er later sterk bij hem in gekomen. Ik begrijp eigenlijk niet dat-ie de analogie met die angst van z'n ouders niet ziet.’

 

Hij wilde journalist worden, schikte zich toch eigenlijk weer enigszins aan de eisen, het verwachtingspatroon van het milieu en ging studeren. ‘Een soort van programma werd er opgesteld dat geschikt zou zijn om de journalistiek te beoefenen; letteren, strafrecht, criminologie, diplomatieke geschiedenis.’ Hij breekt los, om zich in een nieuw soort narcose te storten: ‘Ik was gek, ja, gek, gek, gek.’

Bert Alberts (later zou hij zijn onvergankelijke boek de Eilanden schrijven; nu ambtenaar in Den Haag en al jaren worstelend met een verhaal dat maar niet afkomt) ontmoette Tom Koolhaas in september '31 te Utrecht: ‘Hij was eerstejaars, ik studeerde al een jaar. Tom wierp zich onmiddellijk op het studententoneel. Hij was een beetje gek, ja, ja - maar als-ie een gek was, was-ie voor mij een vrolijke gek.’ Koolhaas: ‘Ik was buiten zinnen; als de spelers tijdens een repetitie niet deden wat ik wilde, dan slóeg ik ze wel, ik sloeg ze.’

Alberts: ‘Op mij maakte hij toen een exuberante indruk - in tegenstelling tot daarna. Ik heb hem vooral ook meegemaakt als lid van z'n eigen familie - ik kwam daar veel over huis, het was daar het enige normale gezin dat ik kende: een allerliefste moeder, een erg aardige vader met veel stille humor. Later zijn we nog es samen naar Utrecht gegaan; Tom zei plotseling tegen me: “Deze stad valt nu als een steen op me.”

Dat heeft me verbaasd. Hij maakte bepaald geen sombere indruk op me - hij was bizar, dát is 't woord. En hij werkte als een idioot.’

De onbetwiste gangmaker van het Utrechtse studentenleven in die dagen ontving zijn vrienden wel op de zolderkamer die hij in het ouderlijk huis be-

[p. 113]

woonde. Hij kon er door alle lawaai heen werken, zat als een bezetene te rammen op een tikmachientje met zo veel mankementen dat 't een wonder mocht heten dat hij, als enige, dit instrument kon bedienen.

Alberts: ‘Dit was een gebeurtenis: zijn eerste, in eigen beheer uitgegeven, toneelstuk De deur. Het ging over een mannetje, Jeroom van Zaaben, en dat mannetje, een brievensorteerder, wou zo vreselijk graag onweer op z'n kamertje hebben. Daarom stuurde hij een brief aan de koning. Maar er was geen koning - die bestond niet. Er was wel een hofhouding (in feite toneelspelers) die voor de lol een vreselijk instrumentarium bouwden om Jeroom ertussen te nemen. Jeroom smeert 'm met de woorden: “Ik moet even koekjes halen.” Toen Tom dat voorlas aan ons, kreeg ik er tranen van in m'n ogen. Het was teder. Maar Jeroom komt terug, hij schaamt zich, hij wil de koning zien - om te verdwijnen: zo nietig is hij - maar hij ziet een leeg toneel. En dan zegt Jeroom: “Ik ben de koning.”

Ik weet nog verdomd goed: we logeerden in de zomer wel samen op de kamer van zijn broer Rem die toen in Delft studeerde. We kregen eens bezoek van een Utrechtse student die zo bijziende was als de pest. Die raakte zijn bril kwijt en kroop tastend over de vloer. Nu was daar een luik en ik herinner me nog dat Tom zei: “Zullen we dat luik openzetten?” Heel zacht, met een glimp van satanisch plezier. Het grappige was, dat, toen Leo Vroman als student zou aankomen, diens roep hem al vooruitgesneld was: er kwam een nieuw genie in Utrecht. Leo en Tom - die twee trokken mekaar aan als twee polen, dát waren de twee genieën, duidelijk, duidelijk.’

 

Hij was overal en nergens, werkte zich een ongeluk: hij verraalde en regisseerde De gebroken kruik van Kleist, welk toneelspel hij in Nederland introduceerde, evenals Ubu Roi van Jarry; hij pleegde allerhande letterkundige arbeid en trok, als manager/toneelknecht, mee met de balletgroep, gefascineerd door het wezen van het variété.

‘Die balletgroep had een soort gevechtsdans op het repertoire: nou, die meiden konden er toen niks van - en tijdens die dans keek ik dan intens toe hoe ze mekaar voor de voeten liepen en op elkanders koppen ramden. Dat eigenaardige: balletdanseressen die in de coulissen staan laten altijd, een tijdje voor hun opkomst, een glimp van hun tutu zien - altijd: eigenaardig menselijk verschijnsel. En dan die enorme woede-uitvallen als het ene meisje in het licht van een ander gedanst had - mateloos interessant. Ik heb een idiote belangstelling voor mensen en menselijke verschijnselen. Ik ben geen voyeur, ik ben geen observator: als twee mensen zou zien naaien, zou ik me omdraaien - maar zo'n stukje tutu uit de wings; een soort magische dingen.’

Leo Vroman (per brief uit New York): ‘Toen ik in Utrecht kwam, verlegen en begaafd, dus aanstellerig, kreeg ik dankzij Tom vertrouwen in die wereld en begon te geloven dar het toelaatbaar kon zijn, mij uit te drukken in het

[p. 114]

min of meer publiek. In verschillende richtingen: ik hielp Wim Klassen met het schilderen van stukken karton voor de voorstelling van Ubu Roi bijvoorbeeld. Dat was op zichzelf al een hoogtepunt van allerlei.

Mijn warmste herinnering aan Tom in die wilde herfst is hoe hij ergens in het halfdonker van onze kroeg (Symposion) opzij bij de erker stond, glimlachend met zijn mond wat open, terwijl zijn Ontdekking, de medische student De Wijn, Ubu deed op een onvergetelijk juiste manier. Iedereen (Stoffels, Meyering, iedereen) werd daarin vanzelf de persoon die hij moest wezen. En later, in Grazige weiden (waarvan de opvoering door een plotseling gelovige minister werd verboden), keek Tom ook weer zo, toen De Wijn Mozes deed, en zei: “Nee, het zijn mijn ogen.” Tom kon soms lachen, met een enkele lach, alsof een ramp niet nu maar een week geleden was gebeurd; “é”, lachte hij dan ook, hij keek mij aan en zei: “Ja.” Jaren later (in Tom zijn Rotterdamse tijd) tekende Vroman bij Koolhaas kinderstrip Stiemel en Stalmax. Vroman: ‘Eerst wou hij Stiemer, de duiker en held, helemaal aan het einde van het verhaal zijn helm af laten zetten zodat opeens kon blijken dat alle moed afkomstig was geweest van een mager en onbeduidend lijkend hoofdje. Maar wat ik ook probeerde: een snorretje, een scheiding, het werd al te onbeduidend en dat einde bestaat nog niet.’

 

Alberts, Koolhaas en Vroman schreven in het studentenblad Vivos Voco. Het was zijn literair debuut: ‘A. Koolhaas beehrt sich darzubieten: Nuchter Circus’, tragedie in vier korte scènes, Godot avant la lettre met personages, zoals daar zijn: Aalgebra, Balgebra, Calgehra, Dalgebra, Variétesk.

Hij maakte een merkwaardig tochtje naar Engeland, bleef vier maanden weg.

‘Adriaan van der Horst, telg uit een toneelfamilie, die was gedeserteerd en naar Engeland gegaan - eerst had hij nog in Frankrijk een marionettentheater gehad. “De Kangoeroe” en in Engeland heb ik met hem een film gemaakt. Small Fry, en overdag verdienden we de kost als queue-entertainer. We woonden toen in Soho en daar heb je die theaters met lange rijen wachtende mensen ervoor en dan mocht ik “Draaien, Altijd Maar Draaien” zingen en daar haalden we dan ons geld mee op. Soho was een enorm boeiende wijk: daar was een club van ouwe variétéartiesten die te dik waren geworden of te oud - en 's nachts om één uur deden die allemaal nog hun ouwe nummertje.

Daar zaten ook een hoop queue-entertainers, die met hun ouwe vervallen, afgetakelde stemmen ook nog zongen en hun nummers deden - en die hadden ook 'n soort van eigen politie, want de territoria van de boeienkoningen en dergelijke waren verdeeld in bepaalde hoeken, wijken en straten. En dan had je een aan lager wal geraakte boeienkoning die optrad in een straat die gebied was van een ander en dan, hop!, gingen alle mensen van die club daar naartoe en daar waren dan ook andere boeienkoningen bij en die boeiden

[p. 115]

dan die illegale boeienkoning zo ontzettend vreselijk goed, dat-ie op een brancard naar het ziekenhuis moest om daar te worden losgezaagd, hèhèhè.

Nou, toen hebben we Small Fry gemaakt, die film over die visjes - en dat was een soort visjes, die, als ze geïrriteerd raakten, heel dik werden, hè bol, hè. Maar wát we ook deden, met gummislangen in het water slaan of god-weet-wat, die beesten verdomden 't altijd om bol te worden en dan nam ik die gasslang, blies zo'n visje op en wierp 't dan in het water en Van der Horst filmde dat dan gauw. En dan had je weer een natuurfilm.’

 

Hij kwam terug naar Utrecht en zong Alberts een liedje voor, opgedaan in die club in Soho:

 
A mother was washing her baby one night,
 
The poor little mite was so thin and so white
 
And when she turned round for the soap on the rack
 
't Was only a moment - but when she came back,
 
Her baby was gone...

Eén of twee keer moet hij het Alberts hebben voorgezongen maar hij deed dat zo indringend dat Alberts nog woorden en melodie kent.

Alberts: ‘Hij ging wel veel naar de film en was, wonderlijk genoeg, zeer onder de indruk van de musicalfilmrevues die in die tijd van de crisis gemaakt werden. Glitter en goud, ja, ja, precies. Hij zei: “Dit is duidelijk het verband met de crisis.” Die revuegirls in The Golddiggers:

meisje 1: “I go to a flee-circus.”
meisje 2: “What can you get in a flee-circus?”
meisje 1: “Flees.”

Die dialoog ontroerde hem.’

 

Hij schreef toen zijn gedichten, waarvan er later een stuk of wat in De Gids gepubliceerd werden.

Honger
 
Een man die een zaag vond,
 
Zaagde een lang, traag brood.
 
Toen de zaag eindelijk stil stond.
 
Was de man allang dood.
Bloem
 
Deze bloem
[p. 116]
 
Op mijn hoed
 
Is geen bloem
 
Maar van goed.

In '35 belandde hij, ‘in beduidend deftiger omstandigheden’, bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In de komende vijf jaren zal hij, ondanks zijn slopende baan als redacteur buitenland van een krant die twee edities per dag uitbracht met een totale redactie van vijfentwintig man, zijn waanzin ten top drijven.

Op die krant werkten Jacques Bloem (die zich gaarne tussen kast en muur opstelde wijl hij anders, totaal bezopen, de niet-geringe kans liep om te vallen), Victor van Vriesland (ook niet vies van een slokje; de man die als hij nachtdienst had en op de krant bleef slapen zijn schoenen klaarzette in de ijdele hoop dat die door de ochtendwerksters gepoetst zouden worden), Van Sluys (die kwam solliciteren in jacquet terwijl voornoemde journalisten zich in ondergoed langs de muren der burelen geplaatst hadden, uitdagend lonkend, ‘als Antwerpse hoeren, hè’), Tammes (nu hoogleraar volkenrecht te Amsterdam), de onverbeterlijke dichter Noordstar, van De zwanen, die gaarne zinnetjes uitkraamde als: ‘Mijn oom nam zich altijd af met een droge doek’, en die nooit meer een gedicht geschreven heeft en Gerard van Huët (‘Huutje’ genoemd, de schrijver van beroemd geworden letterkundige kronieken als ‘Zandloper’ - nrc - of ‘Inktpotje’ - De Groene - die, thuisgekomen tijdens de eerste bevalling van zijn vrouw - nadat hij al een hele dag boodschappen had moeten doen -, de dokter hoorde roepen: ‘Vier centimeter ontsluiting!’, en toen vertwijfeld uitriep: ‘Waar haal ik dat nou weer vandaan!’).

Huët (62, thans totaal in ruste) over Tom Koolhaas, die hem bij de krant haalde: ‘Hij was lang, slank, hij had iets van Fritz Rasp (Peachum in de Dreigroschenoper), een wonderlijk mengsel van plotselinge zwijgzaamheid en vlagen van welhaast mystieke vervoering waarin hij maar door bleef praten, en er bleef je weinig van bij. Hij had wel het wonderlijke vermogen om alles wat hij van plan was te gaan zeggen eerst in z'n hoofd te rangschikken. Op een hoop mensen werkte-d-ie angstaanjagend: hij kan zo stil zijn.

 

Wat de mensen in zijn omgeving ook opviel: het aantal meisjes dat hij versleet... Ik was zo lyrisch, ik was een gek, onpraktisch, 't Ging niet zo goed aanvankelijk. 't Was zo mooi, hè. En op een gegeven moment ziet zo'n vrouw iets anders als mooi dan zo'n opgetogen jongen. Ik werd op m'n negentiende verliefd op een meisje en dat heeft zo'n zes jaar geduurd maar dat meisje was veel ervarener en materialistisch er. En later kwamen we allebei tot die ontdekking, tot die erkenning. Een goed huwelijk sluit overigens niet een rondedans van liefdes uit. Die spanning en dat werk. Maar nu ben ik een oud en

[p. 117]

afgeleefd man - ach, je bent veel te moe, al die soesa.’ Lang en stil terugdenkend aan zijn Rotterdamse tijd: ‘...Ik was waanzinnig naïef, denk ik...’

 

Hij beschrijft Tjomme Kingma Boltjes als ‘Lang, ooievaarachtig van gestalte, van die flikkerachtige nagels.’

Tom en Tjomme waren toen onafscheidelijk. ‘Andersen, hij was als Andersen: een sprookjesverteller, erg weinig voor anderen, maar alles voor iedereen. Hij liet zich gaarne vollopen mee drank en zakte dan bij voorkeur in elkaar in een gorische hal. We keken tegen elkaar op. Hij wist zoveel van culturele zaken af en hij vond dat ik zo'n vitaal talent had, als schrijver en verzinner.’

Tjomme zat dan op een redactioneel bureaumeubel, als breiende koningin. Tom speelde voor lakei.

Tom: ‘Majesteit, een blijde mare! Er is een koningskindje geboren!’

Tjomme: ‘Maar dit is al te mare!’

 

Ze zwalkten bij dag en ontij door Rotterdam, een uitzinnig groepje mensen: een boekhandelaar tot razernij brengend door telkens met een zakdoekje naar hem te zwaaien; en Tammes rook altijd even door de brievenbus van een Boldoot-zaakje, omdat-ie dat zo lekker vond, terwijl de drogist panisch naar die idioten bij zijn deur keek. Er werden zeer veel krankjoreme ‘toneelstukjes’ op de nrc opgevoerd: namens de telefoondienst naar de slagerij aan de overkant opbellen, deze middenstander wijsmaken ‘dat er iets aan het snoer van zijn telefoontoestel aan de hand was - of hij maar even naar buiten wilde lopen, ja! En dan even op een stoel gaan staan, graag! En de haak van het toestel boven zijn hoofd houden.’ De voltallige redactie van de nrc keek dan toe - en soms schaarde Simon Vestdijk zich bij hen om wat bij te komen van een van zijn depressies.

Tom en Tjomme liepen over straat, bij voorkeur communicerend door in ouderwetse dovemanshorens te schreeuwen.

 

Hij behoorde roe ‘de betere huurders’ van een kamer in het oude, vervallen kosthuis aan het Haringvliet, waar lieden zoals een ontslagen marinier van De Zeven Provinciën en een mislukte kunstschilder tezamen onder één dak woonden. Tom zette soms zijn hoed midden in de kamer en hield een toespraak ‘bij de open groeve’ of snelde met Tjomme, op een keukenstoel gezeten, ‘over de toendra's’. Het stikte er van de muizen.

‘In dat landverhuizershotel vond de omkering van mezelf en die dieren plaats. Als je zo veel muizen op je kamer hebt dat jij geen last meer van de dieren hebt, maar de dieren van jou, nou dan zit daar ook de bereidheid, in om zoiets te aanvaarden, om dat zo te voelen en, nou, toen ben ik ook langzamerhand op dat thema van de dood gekomen - maar eerst waren 't alleen

[p. 118]

maar karakteristieken, later zijn 't pas verhalen geworden.’

Hij verhuisde wat later naar de Westerkade, waar hij met Tjomme een huis deelde. Een vriendin zegt: ‘Kingma Boltjes en hij maakten mekaar gek - maar het gek-doen werd bijna gekworden. Tom is er op tijd mee gekapt.’

Tjomme Kingma Boltjes stierf als ongeneeslijk morfinist. Zijn laatste woord was: ‘Appelmoes.’ Tom was zijn gangmaker kwijt, zijn uitzinnige levenshouding zwakte sindsdien hoe langer hoe meer af.

‘Ik weet nog dat ik met m'n vrouw nog eens bij Tjomme gelogeerd heb. Hij was al lang dood voor hij werkelijk dood was. Tjomme mocht blijkbaar van zijn vrouw (die zich van het alcoholisme ook maar tot het morfinisme gekeerd had) geen spuk nemen voor het eten. Toen liep-ie de hele tijd om dat huisje heen en verscheen dan steeds ineens voor een raam, met een van drift ontzettend vertrokken gezicht. Hij zag er heel erg uit: z'n hele kop kaalgeschoren. Die sfeer van bederf trekt me helemaal niet aan. Hoewel ik gisteren, in dat nieuwe boek van me, een heel stuk gemaakt heb waar het ook weer in zit; een soort van onopzettelijke morbiditeit. Ik geloof dat ik wat dat betreft veel aan die tijd in Londen gehad heb, omdat het bederf, daar in Soho, geen show was, maar een vanzelfsprekendheid. Dan krijg je er een andere kijk op dan wanneer je met een soort toeristieke benadering het bederf betreedt.’

 

Op oudejaarsavond liep hij altijd even van de krant weg om naar de generale repetitie van de nieuwe Buziau-revue te kijken. ‘Dan stond Buziau op het toneel, ongeschminkt, met dat zure gezicht van hem, en gaf dan een tekstje weg - dan kwam er een touche van her orkest en nog een en nog een en die stond-ie dan uit te timen en ging dan door. Er was dan dus niemand die lachte, de hele zaal was leeg, maar die hele lach zat er voor zo veel minuten precies ingebouwd. Spookachtig, doodse stilte, die stem: “Ik ben je vader niet, ik ben je moeder.” En dan, hup! stil, tot de mensen uitgegierd waren maar er viel op dat moment niks te gieren. Er was alleen maar die lege zaal.’

 

Hij ging logeren bij vrienden in Zeeland die voor ‘die idioot’ iets aardigs bedacht hadden: een bruiloftsstoet met een heuse bruid. Tom kwam een dag later aan - de stoet was in allerijl toch maar weer geformeerd. Tom tilde de sluier op en zag voor het eerst zijn echtgenote Lind Roosenburg. In hetzelfde jaar dat ze trouwden brak de oorlog uit.

‘Lind is mijn redding geweest. Als ik haar niet had getrouwd, was ik misschien toneelspeler geworden. Ik had wel goeie aanzetten. Maar die taal!’ Hij imiteert feilloos, genadeloos toneelspelers.

 

‘Die oorlog was een klap. Wat bleek: ik had de laatste jaren namens de geallieerden de afzichtelijkste leugens in de krant gezet - ieder woord was gelogen geweest. Ik heb een jaar nodig gehad om daaroverheen te komen.’

[p. 119]

Hij waagt zich in het illegale werk: voornamelijk berovingen van Schiedamse jeneverfabrieken - hij bedacht dan het plan en keek dan toe hoe het gebeurde; hij was nier zo'n handige jongen en later bleek hem wel ‘dat het verzet vrijwel alles onzin, romantiek, dilettantisme, morsigheid en ellende was geweest’.

 

Van '45 tot '52 werkt hij bij De Groene. Film- en toneelcriticus, motor achter de Kleine Krant, waarin de woordkunstenaar die na het bombardement van Rotterdam samen met Speenhoff een revue in elkaar zette, zijn grillige, grimmige woordspelingen en grapjes kwijt kan.

Af en toe breekt er nog wel iets van de oude dolzinnigheid door. Als hij met Kleine Krant-medewerker Carmiggelt ‘de bocht in gaat’ (de cafés langs) wil hij nog wel tegen Lind roepen: ‘Moeder, we gaan naar zee!’ En bij de douane krijgt hij last wanneer hij op de vraag ‘Iets aan te geven?’ droogweg antwoordt: ‘Niets noemenswaard.’

In '52 vertrekt hij bij De Groene; de redactie is hem te communistisch. Hij wordt directeur van de Sticusa in Indonesië en voelt zich diep ongelukkig. De hardnekkige legende wil, dat hij tijdens een van zijn toespraken aldaar de klemmende vraag stelde: ‘Dames en heren, wat is de zin van nasi goreng?’, maar hij ontkent dat. Na drie jaar is hij gebroken.

Broer Rem zocht hem daar op. Tom en Lind konden niet wennen, bijvoorbeeld, aan het feit dat ze bedienden hadden. Rem: ‘Ze wisten niet dat je die mensen 's morgens opdracht moest geven: dat en dat en zo laat willen we eren. Tom en Lind durfden dat niet - soms aten ze dan maar niet.’ In '55 treedt hij in dienst van Cinecentrum en gaat ‘de meest verrotte jaren’ van zijn leven in. ‘Ik was zo mensenschuw als de pest geworden. Als de dood om iemand te ontmoeten.’ Dat is nog wel enigszins zo. ‘Het proces van eigenwaarde heeft bij mij lang geduurd - duurt nog. Ik heb altijd nog het idee dat ik de jongste in een gezelschap ben - tenminste, dat gevoel heeft erg lang geduurd.’

 

Het verhaal gaat dat Anton Koolhaas huilend en stampvoetend de kamer verliet toen uitgever Van Oorschot hem vroeg zijn oude dierenverhalen te bundelen: Carmiggelt had in zijn bundel Hard gelach ('55) namelijk zo'n vertelsel weer gepubliceerd. Volgens Koolhaas is daar niets van waar. Al in zijn ‘Indonesische tijd’ had Van Oorschot hem om een roman over dat land gevraagd. Tom zag daar niks in en bood zijn dierenverhalen aan.

En zo debuteerde hij ten slotte in boekvorm, in '56, vierenveertig jaar oud. Poging tot instinct is nooit herdrukt en brengt antiquarisch op wat de liefhebber er maar voor wil geven - en dat kan aardig oplopen.

Sindsdien verschijnt er elk jaar een Koolhaas-boek (nog immer bij Van Oorschot). Tot '73 had hij zijn ‘vaste’ (beperkte) publiek. Maar na Vanwege een tere huid is er een doorbraak te bespeuren: vier drukken in amper vijf maan-

[p. 120]

den. Wie zijn oeuvre leest en herleest, weer dar hij zonder enige twijfel te maken heeft met Neerlands stoutmoedigste stilist; geen prozaschrijver hier te lande durft of kan zoveel met het middel taal als hij. ‘Hij heeft een schaafhuid,’ zege Lind. Een waanzinnig gevoelig mens, schijnbaar ondoordringbaar of zelfs -benaderbaar. Voor dit verhaal sprak ik drie keer met hem.

De eerste keer had hij de eerste zes pagina's van Een punaise in de voet af en las me die voor - een hakkelende stem, hij staat steeds op het punt van uit elkaar te barsten.

De tweede keer is er veel meer voltooid - een verdomd moeilijk beschrijfbare situatie. Juist als ik denk: hij heeft het toch g.v.d. maar weer geklaard!, kijkt hij op, hoofd rood aangelopen en stottert: ‘Ik verwerp dat boek!’

 

Sinds '58 is hij directeur van de Nederlandse Film Akademie (hij maakte de scenario's voor Haanstra's succesfilms Alleman, De stem van het water en Bij de beesten af, over die laatste film: ‘Het was mijn idee - omdat de mensen zo gek op mijn verhalen reageerden. Ik wilde proberen om dierenproeven zodanig te dramatiseren en op te nemen dat het publiek zich zou kunnen identificeren met dat proefdier - en dat is veel interessanter dan wat er ten slotte uit gekomen is’). Hij schrijft toneelkritieken voor Vrij Nederland (ik ben jaloers op de manier waarop hij dat volhoudt) en dan, in de vakanties, die boeken.

Hij schrijft in Normandië, thuis, of, met Pasen, op Kasteel-Oost te Eijsden, ten huize van zijn zwager Teun Roosenburg en diens vrouw Jopie. Ze houden van hem maar begrijpen zijn ‘formule’ niet, zoals er waarschijnlijk maar één mens zijn gedrag, zijn motivaties kent: Lind Koolhaas. Zij onderhoudt z'n contacten naar de buitenwereld, beschermt hem. Op dat kasteel leest hij wel, in een kring van vrienden en kennissen, zijn boeken voor. Bij de min of meer metafysische passages, soms met tranen in de ogen voorgedragen, willen veel toehoorders wel eens kriebelig worden en Lind lag een keer naast hem te ronken op zo'n moment - daar kan hij zeer om lachen, hoewel hij tot het uiterste toe gevoelig is voor kritiek op zijn werk. Hij koestert het als een kind; verwacht eigenlijk van Van Oorschot dat het boek, een dag na inlevering van het manuscript, in de boekhandels ligt en dan liefst op de meest opvallende plaats.

De laatste tijd houdt hij die lezingen nog maar zelden. Het was indertijd begonnen ten huize van Eddie Hoornik in wie hij een echte geestverwant voelde - maar die is nu dood en veel heeft Koolhaas eigenlijk niet met hem gesproken. Iemand herinnert zich uit die tijd: ‘Daar kwam Koolhaas, een boodschappennetje met zijn manuscript en een fles witte wijn, stuntelig de kamer binnen.’ Ook op Kasteel-Oost verbaast men zich; maar dan meer om het tegendeel: de poseur met stereotiepe gezegden, steeds weer identieke gebaren, elk bezoek weer.

A. Koolhaas wil, tot elke prijs, zijn geheim bewaren.

[p. 121]

Een derde ontmoeting, acht dagen na de eerste. Van Een punaise in de voet zijn net de laatste regels geschreven. Hij tikt zesduizend woorden op een dag en zijn boeken worden ‘op maat’ gemaakt.

Er hangt een verjaardagssfeer en dochter Annabel geeft haar vader een onhandige zoen die beiden ontroert. Lind sleept sherry aan. ‘Goeie God,’ mompelt hij, als het manuscript op mijn knieën ligt, ‘er staan nog een paar goeie stukken in.

 

Door die boeken is mijn leven veranderd, jaja, een teef die voortdurend zwanger is. Een poging tot verweer, dat schrijven? Integendeel. Als je eelt probeert te krijgen of je te verweren, dan kun je het net zo goed laten. Achteraf blijkt dat schrijven van boeken wel een cesuur te zijn; dat was het niet van begin af aan. Ik had er ook de allergrootste moeite mee. Pas toen ik een stuk of zes boeken had, probeerde ik me in te denken: God, ik kan 't best - 't kan best zo zijn dat ik een kunstenaar ben.

Ik wist wel dat ik gevoelig was en zo, ik had wel gedichtjes gemaakt, maar, nou ja, dat het in je levenshouding zou kunnen gaan meespelen, néé... Dat je minder in het verborgene doet, dat je ervoor uitkomt. Weerbaarder? Nou, het is heel gek, hè, maar ik heb altijd in omgevingen gewerkt waar niemand een boek van mij kende. Ik wilde er ook eigenlijk liever niet over praten, want op het ogenblik dat je je gaat realiseren waar het eigenlijk op rust, dan kan het een kunstje worden. Nu heb ik wat meer zekerheid over mijn thema: de dood in het leven, de dood in de wedergeboorte. Er zijn veel angsten, ja, ik ben ontzettend bang. Als er iemand van mijn familie een kwartier te laat is, loop ik al achter de begrafenis aan.

“De Strik” is wel mijn sleutelverhaal: de constatering, of de stupéfiante ontdekking dat alle leven eender is, alleen met een andere verpakking. Die mensen zijn er later in gekomen. In dit allerlaatste boek is het enige dier een kat die zit te spinnen. Vroeger had ik geen zin om over de Migraine van Mies te schrijven. Nu heb ik genoeg zekerheid om in trivialiteiten te durven belanden. Misschien dat ik wel helemaal geen dierenverhalen meer zal maken.

Ik heb me terecht miskend gevoeld. Er is corruptie, omdat ik nergens bij hoor. Corruptie van mensen die zich alleen kunnen manifesteren of zich in schrift kunnen manifesteren voor mensen die dat toejuichen. Ik zit niet Koolhaas te spelen. Laatst sprak ik in Soest over Mijnen Werken. De ouderen, op de achterste rijen, waren in slaap gevallen, bij de jongeren was alleen verbijstering te bemerken. Dat stemt tot relativering. Je staat daar maar te lullen en je wordt treurig en je kan alleen maar hopen dat het niet zo zinloos is als je uit de reacties moet veronderstellen.

In wezen ben ik idioot trouw. Ideologische trouw is een levensonzekerheid, maar menselijke trouw niet. Daardoor ook ben ik kwetsbaar, ja, omdat je jezelf zo prijsgeeft. Ik ben geen etalage. Mensen die etalages zijn, weten dat

[p. 122]

het maar decoratie is waarin ze aangetast, opgehemeld of vernederd worden. Je mag, afgezien van ijdelheid, hopen op wat je meevibreren kunt noemen - en ik geloof dat dat een ijdele hoop is. Er is meer vibratie in het toneel dan in de literatuur.’

prepostterug  begin  verder