|
|
|
| |
| | | |
Harry Mulisch
De roman wordt weer gevreten.
Mulisch: ‘Dat heeft onmiddellijk te maken met het feit dat ik er nu
weer een heb geschreven. Niet dat ik 'm nou geschreven heb omdat het publiek op
dit moment zo nodig juist dát te vreten wil krijgen. 't Gaat erom dat
ik in mij op een gegeven ogenblik die behoefte heb, althans dat ik blijk zo'n
boek te hebben gemaakt - dat gaat gelijk op met die andere mensen, in deze zin,
dat zij zoiets willen lezen.
Ik sta niet tegenover de andere mensen. Dat is
één totaliteit, dat volk, die mensheid. Bij mij uit 't
zich in schrijven, bij de anderen daarin dat ze 't willen lezen. Je hebt ook
schrijvers die er altijd naast zitten. Die zijn dan minder volksverbonden dan
ik, om 't es fascistisch te formuleren. Nee, een volksschrijver ben ik zeker
niet. Dat zou namelijk betekenen dat ik een broodschrijver zou zijn, dat ik ook
een “winkel” zou hebben. Ik heb altijd geschreven wat ik
wilde schrijven en nooit iets nagelaten omdat ik dacht dat ik er geen geld mee
zou verdienen.’ De schrijver verwacht wel iets van zijn nieuwste
product, Twee vrouwen (een liefdesroman): ‘Er hangt
een goeie sfeer omheen.’ Het rechttoe-rechtaan-verhaal van twee
vrouwen die een verhouding met elkaar hebben, melodramatisch neergezet in het
kader van een driehoeksverhouding. Vier weken werk tijdens een vakantie te
Lingueglietta, Italië.
De stemming waarin hij toen schreef.
Mulisch: ‘Je hebt geen stemming tijdens het schrijven. Je stemming,
dat is het schrijven zelf - hier is niks meer, zolang 't goed gaat, je bent
helemaal dáár, in 't papier, en hier is niks meer, zolang
't goed is; gaat 't niet goed, dan zit je weer voor het papier, ontevreden, bij
jezelf. Lees het boek, dát is de stemming.
Nou ja, elk boek van mij is anders. Dus ook de manier waarop je eraan werkt. De verteller speelt in de oorlog, een versplinterende tijd,
een versplinterende gemoedsstemming. Dit boek is meer
“heel”, tegenover dat
“versplinterde”.’
| | | |
Vijf jaar na het verschijnen van zijn laatste roman (opgemelde Verteller), nu weer een ‘leesboek’, tussentijds
verscheen van hem essayistisch werk, poëzie, toneel, graag getuigend.
Twee vrouwen, in één ruk geschreven,
Mulisch in the mood: ‘Inderdaad, 't heeft iets van de sfeer van
vroeger werk van me, van Het zwarte licht of zo. Ik kreeg iets
van: hoe was 't ook alweer? Na al dat essayistische werk weer een
“gewoon” verhaal. De oorlog is nu over. Gewonnen. We
kunnen elkaar weer verhaaltjes gaan vertellen. Natuurlijk is er nog wel rotzooi
in de wereld, maar geen Vietnam-agressie waar je, via de nato
of zo, toch medeplichtig aan was.’
Een ‘heel’ boek, een klassieke vorm.
‘Ach ja, de jaren zeventig, hè. Let maar op, dat zul je nu
veel meer zien. Wat ik nu ook van Duitse schrijvers zie, dat ze steeds meer
rechttoe-rechtaan-werk schrijven dan ze voorheen deden. Het hele experimentele
dat er in de jaren zestig is geweest, ook in de samenleving, dat verdwijnt. 't
Ging natuurlijk niet zo dat ik dacht: hé, 't experimentele verdwijnt
uit de maatschappij, dus moet 't ook uit de literatuur verdwijnen,
dús ga ik nu zó'n verhaal schrijven - zo werkt 't niet,
maar achteraf bekeken denk ik dat je 't wel zo zou kunnen zien.’
Afgezien van het tijdsgewricht. Er moet toch ook een persoonlijke
aanleiding zijn geweest om dit verhaal zó te schrijven.
‘Nu raken we meteen aan een hele principiële kwestie. Kijk,
ieder verhaal heeft natuurlijk persoonlijke oorsprongen. In je eigen biografie
zijn dingen gebeurd, die je op een of andere manier dwarszitten, waar je iets
mee moet doen, om 't op die oude manier onschadelijk te maken. Enfin: oud lied.
Nu is mijn bedoeling om uit die persoonlijke troep te komen en iets te maken dat
onpersoonlijk is, althans iets waarin anderen zich ook kunnen herkennen. Ik ben
er in principe tegen om dat persoonlijke weer terug te halen, terug te brengen -
dat is tegen de stroom op.’
Het persoonlijk gegeven in de vorm van een metamorfose: de ikfiguur
is een vrouw.
‘Wat daar voor onbewuste drijfveren achter zitten, weet ik niet,
anders waren ze niet onbewust. 't Was wel zo: eerst had ik - natuurlijk - een
geschiedenis met een man en een vrouw - en die kwam absoluut niet van de grond,
daar had ik drie bladzijden van en daar keek ik dan de hele dag
naar.’
De telefoon, een filmproducer aan de telefoon, de zoveelste die interesse toont
in het gegeven van Twee vrouwen. Deze filmer doet zijn best de
schrijver ervan te overtuigen dat de ‘locatie’ naar
Wageningen verplaatst dient te worden, terwijl het toch overduidelijk is dat de
plot zich in de hoofdstad afspeelt.
Mulisch, als altijd goedgeluimd, in zijn werkkamer. Twee grote bureaus
(‘Schizofreen!’), schitterende schrijfapparatuur
(‘Kijk de Rolls Royce onder de vulpennen!’), een ibm-typemachine met diverse ‘bolletjes’
erbij. Verlek- | | | | kerd kijken
(‘Schrijversspeelgoed’), een glaasje sherry erbij, grijze
zondagmiddag (‘Zo hoort een zondagmiddag te zijn’).
Niet zo gek, trouwens, dat die filmers op Twee vrouwen afkomen.
‘Nee, het is zeer scenisch geschreven. Maar ik heb geen haast met die
verfilming. Ik laat ze komen, die producenten, gedraag mij als een behaagziek
prinsesje.’
Prinsesje. Terug naar de vrouwelijke ikfiguur.
‘Ik was dus op vakantie in Italië. Klassiek landschap. Ik
nam die drie velletjes waar ik niet meer mee verder kon en plotseling wist ik
't: 't is een vrouw, en daar kwam toen ook die hele plot uit voort. Als je nu
van die vrouw een man maakt, kán het boek niet meer. En twee mannen?
Zoals de roman daar nu ligt, kan 't alleen maar tussen twee vrouwen. Dat is voor
mij een technisch, formeel gegeven - en door die vondst kon het boek in een
maand geschreven worden.’
Moet toch een vreemde sensatie voor de als viriel bekendstaande
kunstenaar geweest zijn: in de huid van een vrouw kruipen.
‘Nee hoor, ik had 't al eens eerder gedaan, toen ik pas begon te
schrijven, als jongen van twintig, eenentwintig. Dat verhaal heb ik toen niet
afgemaakt. Nee, dat was geen punt voor me. Diverse Engelse schrijfsters hebben
toch ook mannen als protagonist ingevoerd. En wat die Engelsen kunnen, kunnen
wij toch ook. Wat krijgen we nou?’
Opvallend weinig ‘magische’ zijsprongetjes
(Mulisch' specialiteit: zó goochelen met de werkelijkheid dat die
een in zichzelf besloten, gesloten wereld wordt) in zijn laatste boek.
‘Dat gebeurt er waarschijnlijk wanneer vrouwen aan het woord zijn (en
vrouwen moeten maar beoordelen of de vrouw in dit boek een echte vrouw is). Die
magische, hermetische wereld, dat is, denk ik, toch een mannelijke wereld. Ik
ken de vrouwen meer als straight. Vergeleken bij wat mannen doen, zijn vrouwen
zo normaal.
Mannen zijn krankzinnig, vergeleken met vrouwen. Vrouwen zijn normaal, mannen
zijn stapelgek. Wat hebben die niet uitgehaald in de wereldgeschiedenis,
hè, aan malligheid, van Hitler tot Pythagoras - dat zijn toch
allemaal vreemde vogels! Bij vrouwen vind je dat niet, die zijn daardoor veel
meer de normaliteit, dús de continuïteit; ook geestelijk,
niet alleen lichamelijk - en lichamelijk zéker.’
Van vorige gesprekken herinnert de verslaggever zich dat Mulisch
zich het lekkerst voelt in de ‘jongenswereld’, in
wezen niet geïnteresseerd is in vrouwspersonen, of niet wezenlijk
geïnteresseerd in dat soort.
| | | |
‘Nou, haha, niet geïnteresseerd in vrouwen!? Nou, nee, niet
om er gesprekken mee te voeren. 't Is zelden voorgekomen dat ik van een vrouw
iets leerde - ik heb wél van vrouwen geleerd hoe ze iets
dóen, hoe ze zijn, hoe ze in het leven staan, dat wel; maar niets
geleerd van wat ze reflecterend, discursief daarover denken, vertellen.
Wat ze doen, daar ben ik altijd wel in geïnteresseerd geweest. Ik heb
toch ook altijd met vrouwen geleefd. Ik vind trouwens niet dat de reflectie meer
zou zijn dan het “doen”. Als ik moet kiezen tussen twee
mensen, en de een zegt prachtige dingen en de ander doet prachtige dingen, dan
kies ik de laatste, toch.’
De ikfiguur uit het boek kaatst haar toekomstige minnares vrij
brutaal aan, voor een juwelierszaak, in een drukke straat. Lijkt wel op de
manier waarop H.M. zijn dames in vroeger dagen placht te versieren. Het
verhaal dat ik van een zijner vrienden hoorde: ‘Je begrijpt bij
god niet hoe die 't durft! Spreekt een totaal onbekend wezen aan op
exclamatoire wijze: “U bent de mooiste vrouw van de wereld, de mooiste, ik moet met u naar
bed!” Soms lukte 't, soms niet - in beide gevallen geen spoor van
gêne bij de haan.’
‘De hoofdpersoon uit mijn boek is geen vrouw die echt achter de meiden
aanzit. Ze ontmoet toevallig dat vreemde wezen.
Ik ging vroeger uitgebreider naar bed met ze dan nu. Ja, god, nu
wéét ik 't wel - ja, ik verslond ze, gulzig type, 't
moest, ja maar niet alleen van mij, hoor, ook van die ander, wat
dácht je.
Inderdaad versierde ik ze nogal overdreven, maar dan wel zó dat ze wel
een gans moesten zijn als ze niet begrepen dat ik daar helemaal geen oog voor
had, of ze nou wel of niet “de mooiste van de wereld”
waren. Kon me niks schelen.
Ik deed 't niet uit esthetische overwegingen, 't ging meer om erotische motieven.
En hebberig, ja. Net zoals andere mensen alsmaar moeten eten of boeken willen
hebben of postzegels, of veel geld, dat soort gedoe. Kapitalisme. Erotisch
kapitalisme. Zwolman, Bouwes, dat terrein.
Nee, postzegels, boeken, dat is een verkeerde vergelijking - die dingen
hóu je, dat is verzamelen en dat met die vrouwen is geen verzamelen.
Je houdt niks, je hebt zelfs geen moment gehad. Het moment van versieren, dat is
inderdaad een triomfgevoeltje. Maar 't ging toch ook wel om wat daarna kwam. Om
't nou helemaal te vergeestelijken, néé. 't Was toch leuk
als 't gebeurde ook. Nu drijf ik er de spot mee in Twee
vrouwen, met die zucht van me om vrouwen te pakken; tóen dreef
ik er óók de spot mee.
In Twee vrouwen heb ik opzettelijk alle geilheid vermeden.
Erotische toestanden hoefden voor mij niet. Bovendien is dat ook voorbij, geloof
ik. Toestanden in bed: gratuit op papier, want al die toestanden kunnen voor
hetzelfde geld anders zijn, dus bijna altijd gratuit - die beschrijvingen van
| | | | sekstaferelen. Dat zijn dingen die je móet doen. Ik
ga toch ook geen maaltijden beschrijven. Dat kun je wel doen in een zeer
speciale context, maar niet omdat de mensen dat graag zouden willen lezen. Dat
doe ik niet, daar ben ik te voornaam voor. Die geilheid hangt wel door alles
heen, weet ik wel, móet ook.
Die figuur van die vrouw was dus een literaire modus om dit boek te kunnen
schrijven. Als ik achter de werkelijke reden-waarom-ik-het-zo-gedaan-heb had
willen komen, had ik naar een psychiater moeten gaan, of ziek moeten worden, of
travestiet, ja. Ik ben niet geïnteresseerd in mijn persoonlijkheid,
ik ben erop uit om een goed boek te schrijven.’
Schreef een goed boek over zijn persoonlijkheid (Mijn getijdenboek),
deze week wordt een tentoonstelling geheel aan hem gewijd (‘De
getijden van Harry Mulisch’) feestelijk geopend, tegelijkertijd
verschijnt er een diepgravende studie over zijn werken door boezemlezer Jan
Hein Donner (Jacht op de inktvis) - en niet geïnteresseerd in
zijn ego, zegt hij.
‘Mijn getijdenboek, dat is geschiedenis! Het ging om
de mensen om mij heen. Je zult er geen beschouwingen in vinden over hoe ik mij
toen of toen voelde. Geen introspectie! Als ik introspect was geweest, was ik
geen schrijver geworden, maar filosoof, psycholoog. Als je introspectief
schrijft, schrijf je niet. Schrijven is extravert, extase. Op die manier heb ik
nooit een autobiografie geschreven, over wat ik voelde - nee, het ging erom wat
er gebeurde.
Dat interesseert me: een tafereel te vinden, te hebben. Ik kies iets, omdat ik er
iets mee kan doen. Dat is ook mijn drijfveer: hoe word ik productief. En of ik
daarmee ook aan mijn persoonlijkheid werk - dat is dan meegenomen. Dat is net
als de alchemist; die doet proeven en daardoor verandert-ie z'n ziel, maar
dáárin is hij niet geïnteresseerd: hij wil die
proeven nemen. Goud maken - en intussen maakt hij zijn ziel tot goud, maar goed,
dat blijkt dan; maar hij werkt in de instrumenten, de retorten.
Daarom maak ik ook graag die vergelijking met de alchemie met betrekking tot het
schrijven zoals ik dat beoefen. Je kunt 't ook heel anders
doen, je kunt ook anders omspringen met die introspectie. Ik lees toch ook graag
Freud. Alleen, ik werk niet zo. Ik lees ook de krant. Ik lees zoveel. In alles
ben je op een andere manier geïnteresseerd.’
Ook in al zijn boeken is hij steeds weer op een andere manier
geïnteresseerd.
‘Ik heb nog nooit twee boeken geschreven die op elkaar lijken. Je hebt
twee soorten schrijvers. Kafka, bijvoorbeeld, schreef altijd hetzelfde boek.
Goethe steeds weer wat anders. Bij het laatste type schrijver hoor ik. Je kunt
niet een persoon uit Twee vrouwen in Het stenen
bruidsbed plaatsen of in De verteller - onmogelijk!
Of figuren uit De diamant in dit boek. Bij een schrijver als
Vestdijk is die mogelijke verwisselbaarheid van personages in diverse boeken
veel | | | | groter. Dat is geen kwestie van niveau, het is een kwestie
van type.
Een boek als Twee vrouwen zal ik ook nooit meer schrijven, ook
niet een tweede Stenen bruidsbed, hoeveel succes dat boek ook
gehad heeft. Twee vrouwen is met geen van mijn vorige boeken
te vergelijken. Nu zijn er mensen die zeggen: eindelijk schrijft hij weer eens
een roman. Maar dat zijn mensen die kennelijk in romans
geïnteresseerd zijn. En dat kan me geen bal schelen.
Ik zit niet in de literatuur, ik doe niet aan literatuur, ik zit met iets en
schrijf dit boek, en hoe dat boek ten slotte in de letterkunde
“uitkomt”, hoe fijn het is dat ik eindelijk weer eens een
roman heb geschreven, en hoe dat in verband staat met andere Nederlandse
schrijvers - dat ligt eigenlijk buiten m'n interesse. Ik schrijf, ik loop dat
pad af, en hoe dat in de literatuur ingepast wordt, zal me een rotzorg zijn.
Het doet me niet zoveel wat ze over me schrijven. Op het wezenlijke punt,
namelijk: waarom ik dit boek geschreven heb, raakt 't me niet. Sociaal raakt de
kritiek me natuurlijk wel es, zo superieur wil ik me nou ook weer niet voordoen.
Maar ik weet wel: dit boek moest zo geschreven worden, anders had ik 't niet
gedaan.
Dat ze niet zeggen: “Dat en dat had-ie moeten doen” - op
dat punt blijft de criticus meestal staan. Maar wat ze mij verwijten, daar heb
ik zelf natuurlijk al honderdmaal aan gedacht. De criticus moet zich afvragen:
“Waarom heeft hij dát tóch gedaan?”
Dat level van kritiek wordt in dit land niet beoefend.’
Een gemoedelijke prater, non-polemisch over zijn collega's, weinig
rancunes, veel grapjes, jongens-onder-elkaar-achtig, vrolijk. Toch nog een
vraag over de innerlijke conflicten die tot zijn geschriften leiden.
‘Natuurlijk heb ik conflicten. Ik ben een mens, geen halfgod, hoewel?
Misschien niet.’
Een laatste opmerking over zijn jongste: ‘Het is een
driehoeksverhouding. Maar dan wel van een nieuw soort. Zo is-ie nog nooit
geschreven. Ik ben heel trots dat ik daar nog iets heb weten uit te halen dat
niemand voor mij erin heeft gezien en dat er toch nog in bleek te
zitten.’
|
|
|