Op de beweging van de Vijftigers zijn nooit de Zestigers gevolgd. Wel groepeerde een aantal schrijvers zich rond het blad Gard Sivik en later De Nieuwe Stijl. Zij zetten zich af tegen de ‘artiesten’ van Vijftig en lanceerden De Nieuwe Zakelijkheid: schrijvers in de toen snelle pakken van reclamemakers. Even snel als de beweging opkwam verdween ze weer. Wat is er geworden van de beweging van zestig?
Zoeken naar Vaandrager. Met Martin Mooij (van de Rotterdamse Kunststichting) bij het huis van de schrijver aangebeld. Er wordt niet opengedaan. Mooij belooft me nader contact te zullen opnemen. Daar komt (buiten zijn schuld, ondanks zijn moeite) niets van terecht. Toch moet en zal ik die V. te pakken krijgen.
Stel je voor (angst): ik kreeg zijn laatste boek, De hef, op de dag van verschijning via De Bezige Bij in handen; een avond gefascineerd lezen; direct verschijnen de recensies in alle dag- en weekbladen, diverse verslaggevers verdringen zich om Cornelis Bastiaan te ondervragen; en ik was de eerste en ving bot. Maar niets daarvan. Tot nu toe is De hef zo goed als doodgezwegen. In selecte kringetjes te Rotterdam en Amsterdam wordt er wel over gepraat. Verder stilte in plaats van storm. Een caleidoscopisch opgezette roman.
Toch deze aantekening: dit soort wereldbestormende schrijverij eist kennismaking met algemeen geldende protagonisten, de types in De hef blijven staan voor wie ze ook in werkelijkheid zijn - maar wat ze voor de romancier-kroniekschrijver betekenen, is met een woedende pen neergekrast, zo gedreven dat je denkt: deze durfalachtige wijze van schrijven, deze klasse van stileren ook, was een Groter Werk waard geweest.
Aan de andere kant: juist de moed waarmee Vaandrager zijn beperkte omgeving te lijf gaat, rechtvaardigt meer aandacht, laat staan waardering, dan tot dusver aan zijn relaas is geschonken. Cornelis Bastiaan Vaandrager beschreef een literaire generatie waarover nog nooit zo geschreven is, waarvan men nog aarzelt of ze eigenlijk wel bestaan heeft, de invloed ervan wordt over- en onderschat, ook ontkend. Dus op zoek naar een aantal figuren uit
De hef: Armando, Verhagen, Sleutelaar, Vaandrager zelf (Gard Sivik, De Nieuwe Stijl, de beweging van '60).
Uit De hef (pag. 89): ‘Sleutelaar-kenner doet een boekje open over nieuw Rotterdam. Steeds meer landgenoten, die een oor op tijd hebben, richten hun aandacht op de ongezellige rotstad, ook wel rotjeknar, rotown of rotterdam genoemd, in het bizonder op de literaire scene, die ontegenzeggelijk beheerst wordt door Cornelis Bastiaan Vaandrager, springlevend, maar gespannen, geëmotioneerd en geïsoleerd in een zwijgende schrijversbonje, de wedstrijd Sleutelaar-Vaandrager, eens onafscheidelijke vrienden, tans meer dan ooit verdiept in elkaar. Zij zijn duidelijk gebroejeerd, om een vergane adellijke uitdrukking te gebruiken. Vroeger zouden zij wellicht op de degen zijn gegaan. Zij zinnen op moderne verdelgingsmethoden? Wie gaat winnen? Wie heeft de grootste invloed qua Nieuwe Stijl? Welke rol spelen protagonist Jan Cremer, “Oudste” Armando en “jongste” Hans Verhagen in deze nog weinig in kaart gebrachte Realiteit sedert het ophouden met verschijnen van de nieuwe stijl, de instant-geschiedschrijving van vier nieuwlichters, nu, anno 73, wellicht door volgelingen en lezers “verplicht” tot voortzetting van dit niet aan tijd gebonden, dus nimmer verouderende, dus “klassieke” tijdschrift-in-boekvorm dns.’
Dit citaat onder het hoofdje ‘sleutelaar + vaandrager’. Vaandrager-kenner Sleutelaar, die het in De hef behoorlijk moet ontgelden, kreeg van Armando te horen: ‘Je mag die Cor wel een zoentje op het voorhoofd geven.’
Hans Sleutelaar (40, nu mededirecteur van uitgeverij Boelen) voelt zich inderdaad gevleid door de haat-liefderijke manier waarop hij door zijn exboezemvriend onder diens letterkundige loep is genomen: ‘De hef is stilistisch een wonderbaarlijk boek. A writer's book, dat wel, ja. Die ondertoon wanneer Cor het over mij heeft: toch warmte. Ik heb trouwens een gedicht op Vaandrager geschreven:
Dat vers is geschreven vóór De hef verscheen.’
Rotterdam, het begin van de jaren vijftig. Hans Sleutelaar was zestien toen zijn vader, een fluitist, stierf. Zijn puberteit werd gedomineerd door moeder ‘Loe’. Sleutelaar: ‘Ik nam de plaats in van de vervangende echtgenoot. Mijn moeders vrouwelijkheden werden op mij afgeleefd, haar grillen en claims. Indertijd heeft ze daar misbruik van gemaakt, ze heeft misbruik gemaakt van mijn vertrouwen. Tot m'n dertigste heb ik in een mist geleefd. Dat heb ik altijd als een zegen ervaren. Je moet kinderen kinderen laten. Tot je vijftigste kind blijven - dat is mijn ideaal.’
Sleutelaar woonde op het berucht geworden adres Essenburgsingel 127b souterrain, dicht bij zijn moeder en ‘een bende steeds wisselende kommensalen’, aldus De hef, waarin ook melding gemaakt wordt van kamerhuurderkostganger ‘Lut’ die zich, ‘solitaire rakker’, van de overgordijnen bediende om aan zijn gerief te komen; Vaandrager vraagt zich in zijn boek af: ‘...of moeder S., in haar eenzaamheid, niet genoot door een sleutelgat, niet alleen van Luts kamer... misschien riep ze haar zoon er wel bij af en toe. Feit is dat de autosex in later jaren een stempel zou drukken op de veelbesproken en benijde boezemvriendschap. Eens, in het souterrain op de hoek, waar S(leutelaar) (te) dicht bij zijn moeder domizilie koos, met telefoonaansluiting en does, exhibitioneerde hij vrij abrupt, liggend op de bank. V[aandrager], in seksuele avonturen ook niet kinderachtig, vond dit “te gek”. S. trok zich van het perplexe gezicht van zijn jes-man niks aan en rukte net zo lang tot hij klaar was. Met vreemd-verzaligde blik keek hij naar zijn “seul ami”...’ (pag. 91).
Sleutelaar speelde sax in een jazzbandje, croonde ook daarbij. Vaandrager hing rond bij de concerten in gebouw Emporium en schoot hem aan. Ze waren ‘hoogst geïnteresseerd in wat er in de literatuur gaande was. Er ontstond een boezemvriend-in-klassieke-stijl; na verloop van jaren werden we zelfs verdacht van poterij. Nou, we hebben maar één keer seksueel contact gehad, in België.’ (Sleutelaar.) En: ‘We hebben veel van elkaar geleerd.’
In de koffer van zijn muziekinstrument vond Sleutelaar toen mysterieuze, anonieme gedichten. Na lang dubben en zorgvuldig onderzoek kwam hij erachter dat het hier geraffineerde collages van bestaande dichtregels betrof: grapje van Cor, die zijn ‘enige vriend’ op de proef wilde stellen.
Sleutelaar: ‘We lullen ontzettend veel over letterkunde. Rotterdam was zo'n “gezonde” stad, hè. Je had er geen literair, geen artistiek leven. Je was zodoende wel op elkaar aangewezen. We hadden 't vrij hoog in de bol. Kafka, Lao Tse, Duitse filosofen. Cor was een Homerus-freak, had alle edities die die maar van die gozer te pakken kon krijgen. We stalen boeken als raven. Bibliomanie als avontuur.’ Deze, door Het Woord ingeblazen, bezetenheid resulteerde in 1955 tot het oprichten (samen met de zoon van uitgever Ad Donkers) van het tijdschrift Proefschrift, waarin Hans (Lodeizen-fan) en Cor
(Polet-adept; later zou hij een dartel huisdier naar deze serieuze poëet vernoemen) hun gang konden gaan. Nog even, en de twee jongens voelden zich toch langzaam vervreemden van de Vijftigers. Ze maakten inmiddels steeds frequenter tochtjes naar België en sloten zich aan bij de redactie van het Vlaamse blad Gard Sivik (verdietsing van het Franse ‘Burgerwacht’).
Gard Sivik nummer 14, jaargang 4, 2de aflevering, okt. 1959, redactie: Tone Brulin, Gust Gils, René Gysen, Walter Korun, Hugues C. Pernath, Hans Sleutelaar, Cornelis Bastiaan Vaandrager; bijdragen onder meer van: Willy Roggeman, J. Stringa, Georges van Vrekhem, C. Buddingh', Jan van Mastrigt, Simon Vinkenoog. De twee Rotterdamse redactieleden maakten hun plan op. Sleutelaar herinnert zich Armando uit die tijd als ‘merkwaardig koel’.
Armando weet nog dat er toen (1959) een tentoonstelling van zijn peintures criminelles in Dordrecht door Cees Buddingh' werd geopend met de gedenkwaardige woorden: ‘Hu hu hu, klop klop klop, moeder daar is Armando!’
Een jongeman kwam schuchter op de exposerende kunstenaar af, een haring in de hand. Dat was Hans Sleutelaar die gehoord had dat zijn idool verzot was op deze lekkernij.
Armando: ‘Heel attent. Was een lekkere haring.’
Weldra kwam Armando in de redactie en hij ontpopte zich als ideoloog van de groep, Sleutelaar: ‘Armando was de leider.’ De Hef (pag. 89): ‘...In ieder geval: zelfs de meest conservatieve 80'er moet toegeven dat Armando's poëzie “transcendeert”. De enigszins verlegen bokser heeft gebouwd, en nier alleen aan zijn eigen conditie gedacht. Zijn veelzijdigheid, zijn voorlopige synthese is opgewassen tegen aanstaande strijd, en in zijn stugheid, “proleterigheid” en efficiency en droogheid, een voorbeeld voor veel jeugd, bedreigd met verkeerde scholing (School's out, nietwaar?). In feite begint nu pas de eigenlijke waardering voor zijn werk als popartiest, artiest, prototype en idool.’
De kamer van Armando. Op de vloer bokshandschoenen, aan de wand een foto van een wachttoren bij het voormalige kamp Amersfoort. ‘Typisch. Kort nadat ik die foto had laten maken, hebben ze diezelfde toren een eindje verplaatst. Wel weer helemaal authentiek opgebouwd - maar toch: niet écht meer.’
Op de tafel een plattegrond van het concentratiekamp Dachau, nu permanente tentoonstellingsruimte. ‘Pas bezocht. Vreemde gewaarwording. Die zieligheid - het medelijden dat je krijgt: met de kampbeulen, met de slachtoffers, met de bezoekers nu. Er was ook een zweep tentoongesteld waarmee de gevangenen eertijds werden afgetuigd. En alle bezoekers raakten die zweep aan! Voordat ik zoiets zou doen. Als ik hem per ongeluk aangeraakt had zou ik me laten desinfecteren. En weet je dat de binnenkant van de ovens bedekt is met inscripties van toeristen!?’
Armando (46): ‘Ik ben opgevoed met het kamp Amersfoort. Vertrouwde realiteit. 't Speelt door in m'n hele leven, in m'n hele werk. Als ik in de oorlog van school kwam, zag ik een rij gevangenen die naar het kamp gingen. Ik ben van plan een boek te maken waarin je foto's ziet van alle plaatsen in Amersfoort met teksten erbij waarin ik m'n herinneringen aan die plekken vastleg; dat boek zou ook De plekken moeten gaan heten.
Van m'n tiende tot m'n vijftiende heb ik die oorlog meegemaakt. Ik was flink eigenwijs, flink ouwelijk. '40-'45 was voor mij: het leven zonder maskers. Na de oorlog kon iedereen weer een rolletje gaan spelen - in de oorlog niet, toen waren ze gedwongen te zijn wie ze waren.
In '46 al speelde ik bij de Canadezen 's nachts viool, hot-viool. Gek, hard leven. Je zag vechtpartijen, veel bloed en messen waar je blasé naar stond te kijken als jongetje van zestien. Ik koel? Ogenschijnlijk. Ik schijn in die tijd vrij bewust geleefd te hebben: 's nachts kijken hoe de kindertjes gemaakt werden, overdag in de klas zitten bij jongens die niet wisten waar de kindertjes vandaan kwamen.
Als ik 't abstraheer dan is 't gewoon: het indirect hoofdmotief dat mij leidt, is de angst en de gefascineerdheid door de dictatuur, de ongevoeligheid van de tijd, het maar-doorgaan, het je-van-niks-iets-aantrekken.
Wanneer ik zeg dat ik bij een bezoek aan Dachau zo'n menggevoel van medelijden en walging kan opbrengen én voor de dader (als ik de foto van zo'n lullige kampbeul zie), én voor het slachtoffer, én voor de toeschouwer (iemand die z'n naam zet in zo'n oven) - dan besef ik wel degelijk dat dat voortkomt uit pure luxe.’
Het milieu waaruit hij komt, beschrijft hij als een ‘van de gestampte pot’. Hij is blij dat hij niet uit een verstikkend, ook wel ‘beschermd’ geheten, gezin stamt: ‘Ik werd zo de straat op gesmeten, kijken wat er aan de hand was.’ Na het gymnasium gaat hij in '49 naar Amsterdam om daar kunstgeschiedenis te studeren, ook begint hij met schilderen en tekenen, aanvankelijk nog beïnvloed door de Eksperimentelen, later steeds meer een einzelgänger: ‘Er was in die tijd niet zoveel loos, behalve de Cobra-groep.’ In '54 debuteert hij in Podium als dichter. ‘Jongste’ Verhagen (De hef, pag. 89): ‘...Don't we still try to combine our three loves, jazz, painting, chicks? Ask Hans Verhagen.’ (Ibid. pag. 69.)
Hans Verhagen, notariszoon uit Vlissingen, was in de jaren '54/'55 geabonneerd op Podium: ‘Als dat blad dan in de gang lag en er stond een gedicht van Armando in, dan was dat een kick. Ik weet niet wat mij toen al in zijn poëzie aantrok.’ Verhagen las gepassioneerd Armando's vers ‘Bang Hetigon’ en kan nog steeds uit het hoofd citeren hoe de dichter zich in die Schrijversalmanak '56 afficheerde: ‘Armando, geboren 1929. Schildert ook (als er materiaal is). Exposeerde als zodanig in Le Canard (1954). Leeft (hoewel in Amsterdam)
zeer teruggetrokken en (hoewel in Nederland) in voortdurende paniek.’
Verhagen (36): ‘Toen de Vijftigers gingen publiceren, ging ik lezen. Andreus in De Speelse Muze, dat werk. De gedichten van Armando onttrokken zich aan alle normen en vormen die ik me al eigen had gemaakt. Die verzen hadden een magische werking. Een merkwaardige werking van die gedichten was ook dat ze bleven nadreunen.’ Het gevolg: als jong jongetje reisde Verhagen speciaal naar Amsterdam om daar Armando te ontmoeten: ‘Die A., van wie ik geen idee had hoe hij eruitzag. Onbeschaamde idolatrie!’
Nu moet hij er wel om lachen dar hij (met dezelfde hoopvolle verwachting en spanning waarin een jongen uit de provincie verkeert wanneer hij een jazzconcert in De Hoofdstad bezoekt) naar café Reijnders trok in de hoop daar zijn idool te vinden. Tevergeefs. Armando dronk en drinkt niet, haat elke zweem van incrowd.
Hans Verhagen werkte als leerling-journalist bij de Provinciale Zeeuwse Courant, in welke hoedanigheid hij koppen fabriceerde als ‘Burgemeester Willemsen Zou Het Betreuren Als Er Tweedracht Ontstond’; na deze periode (van 1 juli '57 tot 1 september '58) was hij als juniorcopywriter werkzaam in Baarn; een korte tijd later meldde hij zich bij het Algemeen Dagblad waar hij later de beroemd geworden jongerenpagina q ging redigeren.
In de winter van '59 op '60 ontmoette hij voor het eerst Sleutelaar en Vaandrager. In de Rotterdamse Lantaarn had Verhagen al een poëzieavond bijgewoond waar de Gard Sivik-groep (inmiddels een grote redactie met Ellen Warmond en Vinkenoog erbij) optrad. Ook Armando (na zijn expositie in Dordrecht door Sleutelaar erbij gehaald) was aanwezig. Verhagen: ‘Ik vond hem schuchter.’
Verhagen zat aan de leestafel van café Melief en keek verlegen naar Grootheden als Hans S. en Cor V. Op een gegeven moment boog V. zich over de leestafel en Verhagen sprak de gedenkwaardige woorden: ‘Meneer Vaandrager?’ Verhagen: ‘Cor had een baardje, toen, zat ook keurig in het pak. Vaandrager was weer in mij geïnteresseerd omdat ik de redacteur van Pagina q was.’ Verhagen vertelde trots dat hij in het komende nummer van Podium zou debuteren. Vaandrager zei: ‘Ik ook.’ Verhagen had poëzie bij zich; een gedicht over het sterven van zijn moeder:
Sleutelaar, toen al De Secretaris, boog zich over Verhagens strofen. Verhagen: ‘Sleutelaar was ook in die tijd een in eerste instantie koele, kille indruk makende jongen die zeer sceptisch kon kijken. Maar als je met 'm sprak, straalde hij een grote warmte uit - ook naïviteit. Hij kon en kan logisch denken over iets dat zo bezwangerd is van gevoel als poëzie.
Ik ben tegen het gezond verstand. Poëzie is de onmisbare tegenhanger van de ratio. En het is nu juist de irrationaliteit van de poëzie, die alleen maar te verwezenlijken is door met mathematische precisie te werk te gaan.
Die rol van Sleutelaar was nuttig. In de poëzie kan enig clean denken geen kwaad. Toch viel mij die eerste keer op, toen hij dat gedicht over mijn moeder las, in café Melief, dat hij louter en alleen naar het gedicht an sich keek en niet naar de ervaring die tot dat gedicht had geleid. Hij kan werkelijk heel aardig en aandachtig zijn - toch krijg je wel het gevoel dat zijn gevoel niet “geworteld” is. Moeilijk om uit te leggen.’
Sleutelaar: ‘Ik was de aangewezen figuur voor de praktische kant van de zaak. Daar had ik trouwens geen uitgesproken motief voor. 't Ging in die tijd allemaal nogal chaotisch. Ik was de aangewezen man voor de praktijk. Dat heb ik in me: 't aanmoedigende - daar heb ik ook later m'n brood mee verdiend.
Ik ben een ontzettend emotioneel mens, dat is zeker - tegelijkertijd ben ik zeer gesloten. Naïef? Ik? Geloof ik niet. Ik word misschien voor naïef aangezien omdat ik van het vertrouwen van de ander uitga. Nee naïef kan ik niet zijn; dan zou ik in 't leven gekke Loetje zijn geweest - en dat ben ik niet gebleken te zijn.
Ja, ik ben en reageer apsychologisch. In het psychologische denken zie ik een belediging voor het mensdom. Psychologie geeft handvatten voor de praktische middelmaat - als je mensen op die manier gaat bekijken, dan heb je toch een geringe dunk van het individu. In de psychologie ga je uit van overeenkomsten en niet van de verschillen. Als je psychologisch gaat denken, weet je je met de verschillen geen raad meer. De psychologie is een bastaardwetenschap. Freud vind ik een onsympathieke man. Jung ligt me veel meer.’
Die avond in café Melief had Hans Verhagen het gevoel dat hij z'n vrienden had gevonden, ‘m'n toekomst’. In het vervolg liet hij S. en V. al zijn poëtische cycli lezen. In het juli-augustusnummer van Gard Sivik verschenen drie gedichten van Hans Pieter Verhagen, waaronder ‘Het schrikbewind van rozen’, het vers waarmee hij zijn baanbrekende eerste bundel Rozen & Motoren (1963) zou sluiten.
In 1960 verscheen ook Vaandragers prozadebuut Leve Joop Massaker, door Verhagen enthousiast besproken op Pagina q. Vaandrager droeg zijn bundel Met andere ogen (1961) op aan Hans Sleutelaar en in Verhagens exemplaar schreef hij: ‘Voor Hans V. - van Cornelis Bastiaan, je toevlucht ten dage der benauwdheid’, dit onder zijn foto op de achterflap: een sterk gezicht, koket baardje, wilskrachtige blik. Ze waren onafscheidelijk. (Alleen Armando ging zijn eigen gangetje.)
Sleutelaar kraaide bij elke verzenreeks van Verhagen: ‘Je hoeft nooit meer wat te schrijven, je kunt 't alleen nog maar verpésten, ver-zíeken, directeur. Ik ben perplex. Dit is uit de toekomst geschreven!!!’ En Vaandrager werd onder deze loftuitingen almaar somberder, bromde onder Sleutelaars exclamaties: ‘Nou, nou, directeur’, en Sleutelaar, steeds opgewondener tegen Verhagen: ‘Helemaal raak! In de rooooos!!! Dit zit aan alle kanten snohor!’, en Cor weer: ‘Nou, nou, directeur, 't kan wel wat minder.’
Vaandrager leek jaloers, stookte Sleutelaar tegen Verhagen op. Verhagen was kapot toen S. en V. hem plotsklaps de vriendschap opzeiden, lag huilend in zijn bed. We schrijven dan het jaar 1964. Verhagen was in 1962 toegetreden tot de redactie van Gard Sivik. De zaak was al snel bekeken. Vaandrager, Sleutelaar, Armando en Verhagen donderden de nummers in elkaar en de Vlamingen werden er één voor één uit gedonderd. Sleutelaar was (natuurlijk) de Uitvoerder. Sleutelaar tegen Paul Snoek: ‘Ja, sorry Paul, ik kan je gedichten niet plaatsen - ze zijn zoe-oek!’ Paul: ‘Awel, dat is een ramp, ik heb geen doorslagen!’
Uit De hef (pag. 124): ‘...Maar ik adopteer van haar... een jong hondje, dat wij Polet noemen, omdat wij nogal wegliepen met de poëzie van onze “voorman”: “Organon”, “De synthetische mens”, dat spreekt ons wel meteen aan.’
Het grote voorbeeld voor de Nieuwe Poëzie was zonder enige twijfel Armando, de oudste, de meest evenwichtige van de vier. Armando: ‘Ze bewonderden mij, mag ik in alle bescheidenheid zeggen - ze waren trouwens de enige fans die ik had. Tja, wat was onze ideologie. In de eerste plaats ging 't om het afzetten tegen de Vijftigers. Als ik er, als oudere heer, op terugkijk: een wanhopige poging om de consumptiemaatschappij te bejahen. Als ik erop terugkijk: inderdaad wanhopig. Een grootsteedse hardheid streefden we na (zo van: laat 't allemaal maar op je afkomen), amoreel: alles is goed, een muur opbouwen, geen walging tonen. Ik was ook hard in die tijd. Geen prettig mens.’
Armando hoorde in het midden van de jaren vijftig als beeldend kunstenaar tot de Informele Groep, tegen 1960 trad hij met onder anderen Jan Schoonhoven en Henk Peeters toe tot de Nul-Beweging.
Armando: ‘Ik heb de jongens van Gard Sivik met Peeters in contact gebracht, ik ben de eerste die in de literatuur volgens de Zero-methode te werk ging: het isoleren van materiaal, in dit geval teksten.’ Uit de cyclus ‘boksers’ van Armando:
Armando: ‘We waren tegen het collagesysteem. Collage betekende: het tegenover elkaar zetten van dingen. Wij wilden stukken realiteit door isoleren plotseling intensiveren. Ja, we waren een groep - een stoottroep die bewust de oogkleppen opzet, op die manier geschiedenis maakt. Ik was streng, fanatiek. Ik stond in het volle leven, ik ben nog steeds naar alles nieuwsgierig. Die Vijftigers, dat waren toch bohémiens, waardoor een groot deel van de realiteit hun ontging, een groot stuk rijkdom.’
Sleutelaar: ‘Wij hadden een reclamische en een journalistieke achtergrond. Dat hadden Vijftigers niet. Dát is de wezenlijke breuk. Zij waren tegen de burgerlijkheid, tegen de maatschappij. Wij helemaal niet. Wij waren optimistisch. Wij waren niet vies van copywriting: je verdient er toch wat mee, je leert er wat van: bijvoorbeeld economisch taalgebruik.’
Een goed beeld van de ontwikkeling in deze Nieuwe Poëzie geeft de eerste bundel van Hans Verhagen, Rozen & Motoren (alleen de titel al). Men leze van achteren naar voren. De oudste cyclus is ‘het schrikbewind van rozen’: romantische poëzie nog, bedient zich van typisch poëtische woorden: rosarium, nachtegaal, heilig gewei, eenzaam. Er is al wel verzet tegen de Vijftigers, Verhagen begint te concretiseren.
Volgt ‘anatomie van een noorman’: de technische term anatomie tegenover de romantiek van de noorman. Het dualisme van Rozen & Motoren sluipt er al in. Dan ‘cyclus van mijn ziektebeeld’. Verhagen: ‘Mijn ik wordt hier het ik-van-iedereen.’ En voorts ‘het nieuwe zeeland’. Verhagen: ‘De technische termen gaan meespelen. Het accepteren van de werkelijkheid, dus ook van de techniek. Het bijna provocatief accepteren, omdat de kunstenaar daartegen was voordien. Dat was nieuw. Tot dat moment doolde de kunst in de ruïnes van het eigen ik. Het ging erom nooit je eigen onvrede, onkunde of falen af te wentelen op de maatschappij om je heen. En dat was eigenlijk de grote verworvenheid van De Nieuwe Stijl.’
Verhagen beschouwt zijn cyclus ‘euthanasie en genocide’ als ‘de eerste manifestatie van De Nieuwe Poëzie’, ‘Verhagen & zn’ als ‘nog programmatischer’.
‘Die is toch gek?’ zegt Sylvia Hiltermann na onze eerste bezoeken aan de Haagse Post-burelen. Zegt Hans Verhagen, haar imiterend, wat veel goedmaakt.
Armando was in 1958 bij de Haagse Post gekomen op verzoek van Simon Vinkenoog. In '59 volgde Sleutelaar, in '62 kwam Verhagen erbij.
De Nieuwe Poëzie en De Nieuwe Journalistiek hadden eenzelfde achtergrond. Armando: ‘Ik had het erover dat we zo graag ja wilden zeggen tegen
de consumptiemaatschappij. Daar is een leuke én banale bijkomstigheid aan verbonden: wanneer je namelijk de kapitalistische wereld als een cynisch avontuur ziet, bespaar je jezelf een hoop ergernis. Op die manier zag je namelijk alles als een prima avontuur.’
Sleutelaar: ‘We gaven de voorrang aan feiten boven opinie, tot op 't belachelijke af. 't Had ook een malicieuze kant. Nooit bij voorbaat serieus nemen wat iemand te vertellen had en nooit een vooroordeel hebben. Jensiets von Gut und Böse.’
Armando: ‘Die literaire beweging is weggegroeid naar een bepaalde manier van journalistiek. Door die Haagse Post hadden we ineens zo veel andere contacten. Je beklom 't platform, je keek naar beneden, naar het janhagel onder je. Gefascineerd kijken naar beneden, soms met een glimlach, alles was mooi toch: wat elke kunststroming heeft: het ontdekken van een nieuwe schoonheid.’
Gard Sivik no. 33 kondigt Een Nieuwe Datum In De Poëzie aan - het blad houdt op te bestaan. Kort daarop verschijnt De Nieuwe Stijl dl. 1 (werk van de nationale avant-garde). Poëzie, beeldende kunst en journalistiek vanuit één gedachte: de werkelijkheid van het dagelijks leven annexeren. (Van de geplande zes delen kwamen er trouwens maar twee uit.)
Armando en Sleutelaar schrijven in De Nieuwe Stijl dl. 1: ‘aanwijzingen voor de pers’ (Nr. 3): ‘Het is dringend gewenst dat de kunstredacties hun werk journalistieker opvatten. Niemand is gediend met zinnen als “Waarschijnlijk bedoelt de maker...” of: “Wat de schrijver beoogt is ons niet duidelijk.” Dit cultiveren van eigen onwetendheid moet in het vervolg achterwege blijven. Feiten zijn interessanter dan commentaren en gissingen. Adressen en telefoonnummers van de makers van de Nieuwe Poëzie en de leden van de Nulgroep worden als bekend verondersteld.’
Armando: ‘Het aanvaarden van de realiteit was de slogan; maar ik zette er wel bij: maar niet erin berusten. Dat was een stapje verder. Wel op dat platform staan, maar soms iets naar beneden gooien in die massa onder je. Hun reactie dan bestuderen.’
Samen met Sleutelaar heeft hij in '67 het non-fictieboek De ss'ers vervaardigd, het summum van de afwezige verslaggever, ideaal van de hp in die dagen. In datzelfde jaar publiceert Verhagen de bundel Cocon, in '68 volgt Sterren Cirkels Bellen. De Nieuwe Poëzie, steeds consequenter, steeds concreter.
Armando gooit steentjes van het platform door mee te werken aan het televisieprogramma Poets, gepresenteerd door Haagse Post-verslaggever Cherry Duyns, die ook redactieassistent van De Nieuwe Stijl was geweest. Verhagen zette de ‘Haagse Post-kunst’ door in Hoepla, later vervolmaakt hij die specifieke interviewtechniek in Het Gat Van Nederland: De Nieuwe Stijl werd ‘vpro-kunst’.
Eén voor één verlaten ze de Haagse Post. Sleutelaar bracht het nog tot
adjunct-hoofdredacteur maar bleef toch mentaal steken in een soortement persoonlijke mythe van ‘de Oude hp ’.
Het was allemaal begonnen met de feitelijke inbreng van Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Armando bracht een volstrekt originele visie op het dagelijks gebeuren in (‘Waarneming is het interessantste’), geïnspireerd door zijn Zeroïstische, Nieuw-Realistische manier van kijken, ervaren, en hij nam zijn kunstbroeders mee in deze nieuwe vorm van artistiek beleven: de journalistiek. De groep viel langzaam maar zeker uit elkaar. Sleutelaar is bezig met een nieuw blad, Hollands Diep. Droomt hij nu nog steeds van ‘Die Oude Haagse Post’?
Armando begon in '67 weer met zijn beeldende kunst. Van '63 tot '67 had hij zich kunnen uitleven in de kunstvorm van de verslaggeverij. In '71 komt hij verrassend te voorschijn met zijn romantische dichtbundel Hemel en aarde, in '73 gevolgd door De denkende denkende doden en Dagboek van een dader, al deze poëzie zwanger van ‘zwaar’ gevoel.
Armando: ‘Ik ben altijd romanticus geweest qua mentaliteit. Die genoteerde werkelijkheid van mij was onderkoeld, maar had te maken met de romantische werkelijkheid van de Industrialgesellschaft. Ik maakte tochtjes met Sleutelaar naar het Roergebied - alleen maar om die fabrieken te zien. Maar S. en ik gingen ook de casino's langs. Niet om de gokkers te zien, maar de croupiers.
Niet Jan Wolkers is interessant, maar de broer van Jan Wolkers, de beul is interessanter dan het slachtoffer, dus de croupier interessanter dan de gokker. Het werkelijke nihilisme interesseerde me. De dictatuur. Het intrigeren. Het verwarring zaaien. Het terrorisme - dit alleen om derzelver wille.’
Gelijk mee Armando's Hemel en aarde verschijnt ook Verhagens Duizenden zonsondergangen (drie drukken in één jaar). Opmerkelijke parallel: ook Verhagen blijkt ‘aangeslagen’ door een nieuw soort romantiek, althans een stijl die in tegenspraak lijkt met zijn eerdere werk.
Verhagen: ‘Omstreeks '66-'67 onttrok ik me aan de groep, ik kreeg andere interesses, ik keerde meer naar binnen. Die interviews die De Nieuwe Stijl aan Barbarber en Soma gaf, irriteerden me, daarom heb ik tijdens die gesprekken ook zo weinig gezegd. Dat almaar rationaliseren!
Op een gegeven moment kwam 't erop neer dat Gert Timmerman beter was dan Schubert, of zo. Uit de stijl van de Haagse Post was zo'n beetje gegroeid dat Kwik-Zondagsnieuws interessanter was dan wat dan ook. Ik ging me verdiepen in de romantische poëzie, in muziek, mystiek. Trouwens, ook daarin was ik zeer gebrand op de mathematische precisie van de vorm.
Later kreeg ik die religieuze periode. Her Nieuwe Testament was een gedicht voor me, Jezus die eigenlijk zichzelf als vulpen gebruikte. Zero was voor mij tóch een katalysator geweest. De Nieuwe Stijl begon ik een vervelende slogan te vinden. En eigenlijk weet je altijd pas achteraf waarom een vers ge-
schreven is, waarom 't toch “klopt”. Als dichter trek je alles als een magneet naar je toe, toch onbewust en je geeft een waarheid. “Poëzie als voorspellende echo” schreef ik. En daar geloof ik in.’
En Vaandrager? Nog eenmaal De hef, pag. 1: ‘Ik zit met een knaagdier in mijn maag, dat met injecties tijdelijk koest te houden is.’ Ten slotte bereikte ik Vaandrager telefonisch in paviljoen Wilgenhoek, onderdeel van de psychiatrische kliniek Delta in Poortugaal, waar hij weer eens aan het afkicken is van de speed. Hij moet geld zien voor hij wil praten. We spreken een prijs af.
Hij ontvangt me bij zich thuis in Rotterdam. Een zeer wanordelijke bovenwoning. Zijn vrouw heeft hem zojuist verlaten. In de keuken vertelt hij me dat Amsterdam behekst is: ‘Laatst was De Bezige Bij zomaar verdwenen!’ Zijn mond staat praktisch alleen maar op mompelen, dunne lippen, niet-kijkende ogen, broodmager. Verbitterd? ‘Nee, hoor.’ Over zijn vroegere Homerus-verzameling. Hij spaart nu sigarettenmerken, of ik hem niet aan een expositie in Het Stedelijk kan helpen. Over zijn eerste proza, zijn wurgende milieubeschrijving in Leve Joop Massaker. In die stijl kan hij best weer schrijven, die vage, lijpe, onromantische tijd bij zijn ouders. Alleen, ze zien het artistieke niet zo zitten, daar willen ze maar niet aan, en nu heeft hij gesolliciteerd als portier bij de Delta-kliniek, misschien dat zijn ouwelui dat leuk vinden. Over zijn vroegere kameraden. Maar Sleutelaar had hem een column in de hp beloofd en Johnny de Selfkicker heeft die gekregen. Of ik hem niet kan helpen aan een coverstory in de hp over zijn belevenissen als portier van de Delta? Ik vraag hem of we niet eens een kijkje kunnen nemen in de kliniek.
‘Waarom niet?’ Eerst rijden we nog even langs het souterrain waar Sleutelaar vroeger woonde. Vaandrager had het best willen huren, maar het lukte niet. Hij is de moordenaar van Wil Vervat op het spoor. Hij wil Sleutelaar vermoorden: ‘Een technisch-politieke actie.’ Hij loopt over het donkere terrein van de Delta-kliniek. De recreatiekeet. Hij doet de deur open, zegt: ‘Goeienavond.’ Er is hier niemand. We gaan aan een tafel zitten. Er liggen oude boterhammen. Hij smeert eentje zorgvuldig, eet langzaam. Dan naar paviljoen de Wilgenhoek. Hoge zalen. Demente oude mannen. Hij brengt me naar het bed waar hij altijd ligt als hij hier is.
‘M'n ouders wonen hier om de hoek.’ Zullen we daar dan naartoe? ‘Mij best.’
De flat van Cornelis Bastiaan Vaandrager senior en zijn echtgenote Jannie.
De vader: ‘Zoals-ie nu is, meneer. Hij is in een milieu terechtgekomen. Hij is zichzelf niet geweest. Dan is 't eieren eten. In die tijd van De Pijp is-ie grondig verpest. Gegarandeerd. Kijk, Cor, toen ik jong was, ben ik ook wel es in toestanden geweest, en ik kom nog wel es in toestanden. Maar als je in toestanden komt, Cor, kun je toch ook jezelf blijven?! En dat heb jij niet gedaan, jongen.’
Cor: ‘Dat café heette nier De Pijp, maar De Fles.’
Vader: ‘Kijk, meneer, hij ging toen om met Toon van Vliet. Nu lees ik in de krant dat die overleden is!’
Cor: ‘Nou, hoeveel mensen zijn er niet doodgegaan die je gekend hebt?!’
Vader: ‘Ja, d'r zijn duizenden doodgegaan, dat weten we allemaal wel. Maar we praten nou over het begin. En in dat begin hingen jullie groots op peppillen, marihuana en hasjiesj. Dat groeit. Die handel is gegroeid.’
Cor: ‘Zeg dat wel.’
Vader: ‘Nou heb je de ellende ervan. Iedereen komt in de verleiding. Maar ik ben mezelf gebleven, meneer. Hij niet. Hij een goeie schrijver? Nou ja, al ben je een goeie schrijver, maar er komt toch meer kijken in het leven. Zoals-ie nu d'r op staat, al is-ie een goeie schrijver, dat is toch geen toestand waar die man op het ogenblik in verkeert. M'n vrouw gaat d'r kapot van, is er al kapot van. Z'n vrouw is nu ook al weggelopen. Je gezin gaat toch ook naar de kloten. Zo is 't toch, jongen. Cor is verbitterd geworden. Ik vermoed dat je ergens 't werk niet aanken, dat je 't leven niet aankan. Op 't gymnasium is-ie moeilijk geworden. Is de reclame in gegaan. Dat zijn wildwestberoepen, dat benne oplichters.’
Cor: ‘Na m'n eindexamen heb ik toch ook nog op de School voor Taal-en Letterkunde gezeten.’
Vader: ‘Wat zeg je, jongen?’
Cor: ‘Je wou me toch bij de ptt hebben?’
Vader: ‘Daar kom je goed vooruit.’
Moeder: ‘Die klasgenoot van je - die Cor Wolf.’
Vader: ‘Die zal nu wel referendaris zijn.’
Moeder: ‘In de reclame had je toch ook best kenne blijven schrijven, jongen. Die meneer daar doet toch ook gewoon z'n werk.’
Cor: ‘Ik wil een column in de hp .’
Vader: ‘Nu ben je veertig en ziek. Goed, 't was een leuke tijd met die jongens.’
Moeder: ‘Ik heb je toch altijd gewaarschuwd voor die Sleutelaar. Ik zegt: Cor, je vertrouwt te veel op Hans. Hij neem je in de maling. Cor wou er niet aan, meneer, 't was z'n boezemvriend.’
Cor: ‘Hij heb me die column afgenomen in de hp .’
Moeder: ‘Maar d'r benne toch nog andere kranten dan de hp .’
Vader: ‘Zoals-ie z'n leven nu leidt, is een verschrikking.’
Cor: ‘Dit gaat langs me heen. Dit is niet goed voor me.’
Vader: ‘Dan vraag ik me af: is 't mijn schuld? Dat ik 'm te veel verwend heb? Altijd een schattige jongen geweest, meneer, totdat-ie naar het gymnasium ging. Maar nou is-ie goed verpauperd. Cor, zoals je vorige week hier aankwam.’
Cor: ‘Fliptoestanden, Kees, dat brengt m'n werk mee.’
Vader: ‘Borreltje, meneer?’
Cor: ‘Had ik grammofoonplaten gejat en hiernaartoe gebracht.’
Vader: ‘Kwam ik bij 'm thuis, bedreigde-die me met een mes. Verscheidene malen gebeurd, meneer. Ging ik maar weer weg om de goeie vrede te bewaren. Dat heb ik 'm vergeven. Ik denk gewoon maar: hij is ziek. Moet ik me aan overgeven.’
Cor: ‘Gaat ik niet op in. Is veel te gecompliceerd, joh.’
Vader: ‘Dalijk word ik negenenzestig. Ik hoop dan als ik m'n hoofd neerleg, dat-ie dan beter is. Wis je dat, Cor? Is waar, hoor! Geloof maar niet dat je uit onze gedachten bent, jongen. Op 't laatst dacht ik ook maar: ik hoop maar dat-ie weggenomen wordt.’
Cor staat nu op, loopt naar zijn moeder in de keuken, ruziestemmen.
Vader: ‘...Dat-ie weggenomen wordt. Dat is m'n eerlijke mening, meneer. Ik hoop dat-ie geneest, meneer. Hij heb z'n leven weggegooid.’
Cor en zijn moeder komen de kamer in.
Moeder: ‘Wilt u een speculaasje, meneer?’