terug  begin  verderprepost
[p. 168]

Jan Elburg

‘Het is mij dus liever dat de krantenjongens volharden in wat ze al jaren doen: niet te veel eer aan mij behalen.’

Jan Elburg per polemische brief aan Gerrit Komrij in Maatstaf, oktober 1975.

Kort daarop verschijnt Jan G. Elburgs Gedichten 1950-1975, een turf van 485 pagina's.

‘Nee een grafzerk,’ zegt de dichter grinnikend tegen deze verslaggever, terwijl hij zijn verzameld werk onwennig in de hand houdt. Waarna hij een fles framboise opentrekt, royaal inschenkt, uitbundig praat. Liever niet over zichzelf. ‘Sorry, hoor, maar ik ben echt niet gewend dat er publiciteit aan mij gewijd wordt.

Nou moet je niet denken dat ik mezelf onderschat of me miskend voel. Ik ben tenslotte de meest gestolen dichter van De Bezige Bij. Als er een bundel van mij uitkomt, verdwijnen er meteen stapels van. De liefhebbers en collega's willen alles wat ik schrijf. En dat is toch mijn publiek, mijn doelgroep, om dat klotige woord weer eens te gebruiken.’

Later op de avond komt er een stel mappen op tafel, gepubliceerd en nog niet verschenen werk van Elburg: verzen, aforistische invallen, ook copywriting.

Zijn huis in Haarlem, veel minder koel dan het op de televisie overkwam in de nos-kunstrubriek Beeldspraak, een eerste van drie uitzendingen gewijd aan de Vijftigers.

De camera registreerde (te) zeer op afstand: Andreus, Elburg, Campert, Kouwenaar, Polet, Rodenko, Vinkenoog, Schierbeek. Weinig levendig, nauwelijks structuur, geen precisie.

Elburg: ‘Je hoort Kouwenaar bijvoorbeeld zeggen dat-ie “in de journalistiek” is gegaan, je ziet z'n mond nog bewegen, alsof-ie wil zeggen dat-ie voor De Waarheid heeft gewerkt, maar dat hoor je niet. Polet verklaart dat hij “in de politiek” is gegaan; welke partij, kom je niet te weten. En dan: de programmamaker excuseert zich dat Lucebert niet mee kon doen, aan Claus wordt niet eens gedacht.’

[p. 169]

Hugo Claus noemde Jan Elburg ‘de éminence grise van de Vijftigers’.

Elburg tijdens een tweede gesprek, waarin hij bijna gedwongen moet worden om over zichzelf, zijn gevoelens, gedachten, gedichten te praten: ‘Kijk, ik was ouder dan Lucebert, en Lucebert begon volkomen onbelast met zijn geen-deel-hebben-aan-de-burgerlijke-cultuur. Ik had óók dat standpunt, toen, maar doordat ik ouder was, wist ik ook dat er nog wat anders bestond.

Vijftig is voor mij tenslotte toch een uitbarsting van mulo-scholieren, mensen die geen deel hadden aan een cultuur die wist wat Kunst was, wat een Gedicht was.

Er zijn oudere verzen van me waarin ik met handen en voeten probeer... Bij Lucebert kwam 't er stromend uit, bij mij meer hortend en stotend, zo van: als er in die ouwe poëzie dit gezegd is, heb je dát ertegenin te plaatsen.

Voor de oorlog had ik al gepubliceerd in Criterium, ik was al een geïntroduceerd dichter, ik was al ingevoerd. Je kunt niet zomaar zeggen dat ik de animator van de eerste Vijftigers ben geweest - ik was gewoon ouwer, op die manier hadden ze ook iets aan mij. Ach, ontdekken! Ze hadden me niet nodig om ontdekt te worden. Ik ben wel voorspraak voor ze geweest; het waren immers m'n vrienden, meer m'n vrienden dan de andere literatoren met wie ik samen in Criterium had gestaan.

't Is wel een grote klap voor me geweest dat Aafjes in Elsevier over ons schreef dat “de ss de poëzie binnen was gemarcheerd”, dat hij het over “de poëzie van het schuifgat” had; een jeugdherinnering van hem: een jongetje dat in een luchtkoker beklemd was geraakt, van schrik z'n broek naar beneden had getrokken. Aafjes vond poëtisch Vijftig een stroming van benauwde mensen - eigenlijk tóch wel een goeie analyse. Maar 't was niet zo dat die poëten van benauwenis alleen maar hun broeken naar beneden hadden getrokken, 't waren wel een aantal mensen die poëzie konden schrijven.

Ik heb wel 't gevoel dat ik au sérieux ben genomen; érg, ja. Door wie? Door kameraads. Door dichters. Die fans? Ach, ik heb nog wel mensen door het hele land die me af en toe een geboortekaartje toezenden waar ze een paar versregels van me hebben op gedrukt. Nee, écht! Dat vind ik geweldig leuk, dat je toch geciteerd wordt. Erkenning, ja. Het is immers zo dat je met de taal van alle mensen bezig bent, daar maak je iets mee, en dat is een geweldige brutaliteit, een gotspe.

Dat zeg ik ook altijd tegen beeldhouwers: als je een ding maakt dat in de ruimte staat, dan neem je ruimte van mensen weg, dús dan moet je zorgen dat 't de moeite waard is. Anders ben je alleen maar een luchtvervuiler, hè?! En als je de taal gebruikt, brutaal gebruikt, dan moet er wel iets blijven hangen waarvan de mensen gebruik kunnen maken. “De ruimte van het volledige leven” (Lucebert) - dat je alles in de taal gebruikt wat er te gebruiken is om de mensen iets aan hun verstand te brengen.

't Gaat er toch om dat je door de poëzie een deel van, eh - rotwoord -, de

[p. 170]

gemeenschap wordt. Op het terrein van de poëzielezers ben ik begonnen te ageren, ik voel me toch verwant met de arbeidersklasse, de mensen die geen gedichten lezen en je merkt toch algauw: “poetry makes nothing happen” (Auden) - in een tijd van versnelling wél, in die jaren vijftig wél. De mensen waren gewoon helemaal ontevreden, ontevreden met een eventuele restauratie die er zou kunnen zijn.

Ik ben ontzettend agressief. Ik was in vroeger dagen ook een cafévechter. Ik kan er niet tegen als mensen bekakt zijn tegen de underdog. Ik ben geen underdog. Nooit geweest. Ik weet wel hoe mensen underdog kunnen zijn. Bijvoorbeeld de minder taalbegaafde mensen.

Ik ben in een volksbuurt op school geweest, als jongen uit de héle kleine burgerij, die bijna bij de arbeidersklasse hoorde. Op een of andere manier kon ik 't niet verdragen als kinderen die zich bijna niet konden uiten, of fysiek zwakker waren, gepest werden of wat dan ook; daar ging ik graag voor in vechtpartijen, maar je bent niet altijd even sterk. Dan conformeerde ik me aan de sterke jongens, voor wie ik dan een slimme raadgever werd, zodat ze mijn plannen konden uitvoeren.

Merkwaardig, 't zou best kunnen dat dat in de poëzie zo is geweest: de raadgever van de sterke jongens. Ik ben écht niet te lullig om mezelf in te zetten, maar op een gegeven moment weet je dat je niet sterk genoeg bent om 't in je eentje te doen.’

 

Jan Gommert Elburg, 30 november 1919 geboren te Wemeldinge in Zeeland, bracht zijn ‘geweldig fijne’ jeugd door in Amsterdam-Noord.

‘Had mijn moeder bijvoorbeeld de hele boel aan kant gemaakt, mochten m'n vader en ik rustig een blokje hout zagen op de tafel met 't goeie kleed. Dat was goed, dat vond moeder leuk. 't Enige waar ik misschien last van gehad heb is dat ik enig kind was. Ik heb zo vreselijk veel aandacht gehad. In m'n relaties met vrouwen is dat wel moeilijk geweest: dat je nooit die aandacht krijgt die je van thuis gewend bent.’

Zijn vader, ‘een speelse, kinderlijke, zeer blije man’, werkte bij de havendienst, een oud-varensgezel die prachtig kon vertellen.

Zijn moeder, dochter uit een Zeeuws vissersgezin, is volgens hem de reden dat hij zo taalbewust is geworden.

‘Als je als klein jongetje op zo'n lagere school in Amsterdam-Noord komt, waar kinderen uit allerlei saneringsbuurten bij elkaar gebracht worden, bekakt pratende kinderen maar ook platsprekende, en je hebt zelf een moeder die het Zeeuwse dialect bezigt, maar haar kind probeert netjes Nederlands bij te brengen, dan krijg je opeens die clash: wat je juffrouw op school zegt, wat de kinderen zeggen, wat je moeder zegt. Tegen die achtergrond ga je steeds sterker aan taal denken; taal is een hobby, een afgod voor me geworden.

[p. 171]

Op de hbs speelde ik in een bandje, vier jongens met een gitaar, die de Mills Brothers nazongen. En dan probeerde ik de tekst een soort tegentekst te geven die op het einde steeds weer “uitkwam”. Pas heel veel later heb ik gezien dat dat ook in de tijd van de troubadours voorkwam: tekst en tegentekst, die mekaar zo'n beetje omspeelden.’

Na de middelbare school gaat hij bij de bpm werken, op zijn negentiende publiceert hij voor het eerst gedichten, zeer traditioneel. In '40 verschijnt zijn eerste bundel Serenade voor Lena:

 
Weemoedig minnelied in drie akkoorden:
 
Een vrouwenbeeld, een dichter en de maan...

In de eerste oorlogsdagen vecht hij als soldaat aan de IJssel: ‘Kwam vrij hard aan. Ik heb aardig war mensen doodgeschoten. Toen weer terug naar dat baantje bij de bpm, tot ik op wachtgeld werd gezet en zo'n beetje in het verzet kwam. Ik ben nooit een erg subtiele man geweest. Ik was zo'n jongen die altijd ingezet werd met een machinepistool als er ergens een vergadering was, om die dan te dekken.

Ik herinner me nog: dan werd er op een avond aangebeld aan ons huis op de Herengracht en kroop ik met een pistool op het dak en rookte m'n laatste sigaretje en dan denk je: nou komt 't allemaal - en dan gewoon een mannetje van de luchtbescherming die nog een kiertje licht ontdekt had.

Wat betekent dat nou bij het lijden van andere mensen? Of ik nou een machinepistooltje van het ene adres naar het andere heb gebracht, of een overvalletje gepleegd heb, vergeleken bij mensen die... Nou raak ik echt in de war, ja. Lullige rotdingetjes gedaan te hebben, daarna deel te hebben aan een nieuwe poëzie. nou en? Prachtig hoor, schit-te-rend! Wat er staat, wat ik geschreven heb is beeldschoon, maar Jezus Christus...!

Mijn werkelijke gevoel gelde heel lullige mensen die nooit poëzie geschreven hebben, die blokkies uit de trambaan hakten en ervoor opgepakt zijn, kapotgeschoten. Dat is die oorlog wel.

Ik werkte bij Organon in Oss, uitgezonden door de bpm. Daar heb ik mensen op wagens zien wegvoeren. Ja, ja. Ik wist wat er ging gebeuren, ja, eigenlijk wel, ja.

Ik geloof nog steeds dat een dichter weet wat er gaat komen. Dat is heel lullig. Dat klinkt als: De Dichter Als Profeet. Ik geloof nog steeds als een dichter alleen maar dingen in taal bouwt, en niet anders, dat-ie dan een klootzak is. Maar de mensen willen daar niet aan, dat vinden ze griezelig. Je kunt beter je gedichten aanprijzen als gebouwtjes van taal, als een kick, waarvan de lezer drie meter boven z'n stoel komt te hangen, dan als een waarschuwing.

Als je nou diep in m'n hart kijkt - en ik weet dat 't afschuwelijk is, lullig en

[p. 172]

klote klinkt - dan is die waarschuwing, dat “vooruit-kunnen-zien” voor mij tóch de functie van het dichterschap.

Op de lagere school zaten er jongetjes en meisjes met smalle smoeltjes van wie de vader lid was van de Communistische Partij. Je had geen verdriet, maar je kwam wel in die gezinnen van werklozen. Ondanks je eigen onbezorgdheid kwam er toch een bezorgdheid voor je medemensjes. O jezus, wat lullig, lullig, lullig.

Als je dit soort dingen in de krant leest of op de tv ziet - er wordt tegenwoordig schandelijke handel mee bedreven, die gevoelens worden zo geëxploiteerd. Ik word daar zo ongeduldig van, het is een roep geworden om mededogen met de mens te hebben.

Ik weet niet of het bij mij wel echt was, maar ik heb 't wel als echt ervaren. En die mensen die 't nou doen, ervaren 't ook als echt. De kranten staan vol met medemenselijkheid of zoiets: hulpverleners, actieleiders - 't is een beroep geworden, langzamerhand een uniform. Ik waarschuw mijn leerlingen op de Rietveldacademie ook altijd (en dan beginnen ze boe! te roepen): “Pas op voor mensen die medemenselijkheid en revolutie prediken met een zachte g.” Een generatie geleden waren 't nog klootzakken. Ik wil de mensen ook wel wat leren, maar op een heel voorzichtige manier; ik wil de mensen wel waarschuwen, maar ik heb niet de waarheid in pacht.

Dit is geen valse bescheidenheid, hoor, maar ik had die poëzie van me niet hoeven willen schrijven als een ander het gedaan had.

Ik zat op een hotelkamer in Oss in de kou. De verwarming was bevroren, ik had een poëtische inval, ik moest ook nog pissen; trappelend heb ik die regels staan op te schrijven. Na de wc las ik die regels beneden voor de kachel over: god-ver-domme! Po-ë-zie! Maar dat was taalpoëzie, 't was nog niet dat wat je echt probeerde te zeggen. Dat kwam in '48/'49. Ik was een beetje narrig door wat er geschreven was maar niets tot het menszijn (ooo, god, wat een vreselijk woord!) bijdroeg.

Ik schreef, toen ik het overlas, toen heb ik gebroken met alles wat er ooit hier in het Westen geschreven was aan verzen. En het klopte: het bleken beffingsverzen te zijn. Ik heb de strofen nageteld. 't Was een hele ouwe Germaanse vorm, zoals-ie hier lang geleden gebezigd werd. Ik kende die vorm niet bewust. Maar ik geloof nog steeds - 't klinkt godverdomme bijna fascistisch, Blut und Boden - dat een heleboel van die vormen als sonnetten in een taalbeweging geschreven zijn die niet klopt met de manier waarop je in het Nederlands je ideeën kan en moet overbrengen.

Wat bij de latere dichters een parlando wordt, de vorm waarmee je mensen “aanspreekt”, als je dat gaat afmeten, ontdek je dat er zó veel stafrijmen in zitten, zó veel heffingen, die veel meer overeenkomen met wat er - sorry hoor - vroeger hier gemaakt is.’

[p. 173]

Na de oorlog werkt hij nog even bij de bpm, en hij maakt daarna wat vertalingen.

‘Verder leefde ik op kosten van mijn vrouw. Als een soort hobby maakte ik ook objecten, zoals een burgerman in zijn vrije tijd voetbalt of zo.’

Vanaf 1954 geeft hij les aan de Rietveldacademie. De onderdirecteur van die school had Elburgs handenarbeid bekeken en vond dat in die speciale vorm van ruimtelijke verkenning en materiaalonderzoek aan de leerlingen van de kunstnijverheidsschool lesgegeven moest worden. Elburg werd voor een ‘kennismaking’ uitgenodigd en meteen voor een volle klas gedouwd.

Tot op de dag van vandaag doceert Elburg zijn eigen vak.

‘Het gaat erom de leerlingen iets bij te brengen van constructies, te leren wat ruimte kan zijn. Je leert ze heel eenvoudige, heel speelse functies. Ze hebben op de kleuterschool wat getekend, wat gekleid, later nog wat op papier gedaan, maar ze hebben zich zelden gerealiseerd dat ze in een wereld lopen waar dingen staan: bomen, lantaarnpalen, huizen. Wat ik doe: een soort aanzet, heel licht, tot de architectuur, tot de ruimtelijke beleving. Een “papieren hersenspoeling”. En dan blijkt die zogenaamde toegepaste kunst, het illustreren van boeken, de architectuur, de enige vorm haast waarmee je maatschappelijk kunt ageren.

In elke bundel van me is iets aan te wijzen van een geweldige begaanheid met het materiaal en met de-taal-tot-in-z'n-essentie-uitputten én met hele gewone dingen als doosjes: dat is een heel merkwaardige breuk die in al m'n bundels zit.

de doosjes
 
Doosjes: een dekselse affaire.
 
waarover spreken zilver is.
 
Maar, menig doosje blijkt hout.

Ik hoef volwassen mensen toch geen boodschap te brengen hoewel ik dat vroeger wel eens gedacht heb. Je kunt in poëzie mensen alleen maar soms herinneren aan wat je allemaal weet. Dat kan in het klein: de muizenval of de doosjes, of in het groot: Portugal, Breytenbach. 't Is niet zo belangrijk, 't is ook niet zo belangrijk. Maar je bent wel een lul als je 't niet doet.

Een paar dagen geleden ben ik om vijf uur 's morgens opgestaan om een ingezonden brief te schrijven. Niet omdat ik nou zo'n goeie vent ben, godverdomme, maar omdat ik me geërgerd had aan onzorgvuldig taalgebruik. Staat er in de Volkskrant en nrc Handelsblad een kopje: “Breyten Breytenbach bekent schuld”. En die man heeft alleen maar gezegd dat-ie tegen de apartheidspolitiek is! Zo'n onzorgvuldigheid in taal die iemand een paar jaar gevangenisstraf kan kosten.

[p. 174]

Ik ben zelf opgegroeid in een buurt waar de taal onzorgvuldig gebezigd werd, ik heb de goedbedoelde politieke redevoeringen gehoord, met kreten en symbolen die alle sympathisanten wel begrepen - maar met een béétje bijschaven, een tikje verschuiving van een enkel woordje zou het allemaal veel harder en preciezer zijn aangekomen.’

 

Hij is nooit lid van de cpn geweest, noemt zichzelf een fellow-traveller. In de late jaren veertig schrijft hij in het communistische weekblad Uilenspiegel en in De Waarheid. In café Eylders ontmoet hij Gerrit Kouwenaar, aankomend dichter.

‘En dan blijkt er in de voddenkist op de zolder van Kouwenaar iemand als Lucebert te slapen. Een soort clochard, toen, die op parkbanken lag. Gerrit liet me een gedichie lezen dat uit Luceberts tasje was gevallen - en hij was alleen maar langsgekomen om Gerrit te vragen of hij een tekening in De Waarheid geplaatst kon krijgen.

Ik heb er toen voor gezorgd dat hij vijf vignetten in Het Woord geplaatst kreeg, want als dichter moesten ze 'm niet. Ik was ouwer - dat wil ik nader gestipuleerd zien. En of je nou vijfentwintig bent en al eens gepubliceerd hebt, zoals ik toen, of achttien en in het park pit, dat scheelt een slok op een borrel.’

 

In 1949 treedt de Experimentele Groep van beeldende kunstenaars en dichters toe tot de internationale Cobra-beweging. De letterkundige sectie van de Nederlandse Cobra-afdeling wordt gevormd door Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar en Lucebert. Elburg wordt redacteur van het tijdschrift Cobra.

‘Die jongens uit de Cobra-groep, dat was een gróep. Niet alleen in poëtisch opzicht. We waren linkse, rooie jongens. We hadden een kleine testquiz; vraag: wie is de grootste dichter van Nederland? Gaf je als antwoord “Lucebert”, dan zat je goed, klonk het “Achterberg”, dan was het mis.

Ja, ik denk wel met droefenis aan wat Vijftig meer had kunnen zijn. Als we ons niet alleen door de bijeengedrevenheid van de mensen hadden laten leiden, maar echt door die eerste impuls van: niet alleen vormveranderingen maar ook maatschappelijke verandering, dan had 't veel meer kunnen betekenen.

Iedereen maakt z'n eigen Vijftigers, zoals iedereen z'n eigen communisten maakt. Die Cobra-groep: Constant was de leider van de beeldende kunstenaars en ik die van de literaire jongens. Constant en ik waren streng, puriteins. Uitzicht van de duif hebben we samen gemaakt. We waren “stalinisten”. Nou, daar heb ik ont-zet-tend van wakker gelegen later.

Ondanks m'n riante huis vind ik mezelf nog steeds een linkse figuur. Maar dat ik ooit het lef heb gehad om die “aardige”, lollige uitspraak te doen: “men kan geen omelet maken zonder eieren te breken” - o, god, 't zijn toch geen eieren, 't zijn mensen.

[p. 175]

Cobra, die twee driemanschappen: Appel, Constant, Corneille en Elburg, Kouwenaar, Lucebert - die kern van Cobra, ook wel spottend de “cel Majakowski” genoemd, daaruit is later Vijftig-in-de-poëzie gegroeid. Ik was zo streng in die tijd. Ik vond 't toen maar niks dar Lucebert iemand als Schierbeek, een neo-joyciaan, vond ik, erin haalde. Later kon ook Polet niet door de beugel! Kajjenagaan!

Van die maatschappijvernieuwing is geen flikker terechtgekomen. Je vond elkaar louter en alleen op vormvernieuwing, op clanvorming: de “anderen” rookten geen hennep, luisterden niet naar jazz, gingen niet met mekaars wijven naar bed. Dat was 't dan.’

 

Er kwam een tweede generatie Vijftigers (Schierbeek, Campert, Vinkenoog, Kousbroek) en een derde (Rodenko, Polet), tegen '60 houdt Vijftig op te bestaan.

‘Je ziet zo'n groepje op de tv nu, en je voelt geen maatschappelijke band meer, behalve met wat ouwe kameraads, misschien. Je belt mekaar op, omdat je toch vriendjes was. Omdat je van elkaars poëzie houdt. Bijvoorbeeld: sinds Polet geschreven heeft:

 
stilte, een ontplofte hond

is stilte voor mij een ontplofte hond.

Lucebert is een uitstekend dichter, Kouwenaar ook en ik ook. Ik ben nooit jaloers op ze geweest. Ik ben ook nooit jaloers geweest op de meerdere publiciteit die de anderen gekregen hebben. Dat ik buiten die openbaarheid gebleven ben, is in de eerste plaats te danken aan mijn buitengewone hooghartigheid. Ik weet dat ik zo geweldig goed ben. Voor mezelf ben ik een uitstekend dichter. Wat betekent faam voor een dichter? Roland Holst, Kouwenaar, Achterberg, Leopold, Lucebert, Elburg - daar heeft niemand die je op straat aanschiet ooit van gehoord. Je werkt in zo'n kleine marge, voor zo'n klein publiek.

't Afschuwelijke is dat dichters zich altijd op het gevoel beroepen, op hun hare. Jij vraagt steeds naar mijn gevoel. En, jezus, als er iets is waar ik geen beroep op moet doen, is dát 't wel. Als ik een dokwerker was - en dat zeg ik godverdomme zonder enig dédain - dan zou ik me op gevoel kunnen beroepen. Je kunt geen goeie arbeider of kruidenier zijn zonder gevoel. Maar bij dichters is 't zo aanwijsbaar. De kelder waaruit je put, daar mag je niet naar wijzen. Ik weet heel weinig van het poëet-zijn. Het minste van de Vijftigers.’

Het fraaie pand in Haarlem dat hij samen met echtgenote Michèle en zijn twee kinderen Rengert-Jan (10) en Marlina (9) bewoont - onderwerp voor zijn nieuwe bundel Huiselijk leven.

‘Ik stem communistisch. Ik zie geen andere mogelijkheid. Ook mijn laat-

[p. 176]

ste bundel is maatschappelijk bepaald. Huiselijk leven, dat gaar over het leven in deze woning en sommige gedichten zeggen ook hoe ik aan dit pand ben gekomen en hoe ik het me kan veroorloven. Door mijn grote taalbegaafdheid, door mijn grotere handigheid. En dan toch de zekerheid: dat ik van dit alles moeiteloos afstand kan doen.’

prepostterug  begin  verder