terug  begin  verderprepost
[p. 182]

Ian McEwan

We steken Clapham Road over, dan een weiland tussen huizen in. Ian McEwan raakt lichtelijk in extase. Ooit was, waar wij nu op verkommerd gras wandelen, een parkje met bomen en bankjes. Het leek een goed plan de straatweg, die aan de overkant abrupt ophoudt, door te trekken. Dus werd de aangelegde natuur platgeslagen. Later veranderde het plan: er zou een groter park komen, die weg kon wel wachten. Een aantal huizen moest het toen ontgelden. Vormen van woningen, en hun indeling, tegen de kale muren rondom. Vooralsnog zal deze situatie (geen park, geen weg, een loze plek in Londen) niet veranderen. De economische toestand, nietwaar.

Een pub aan de rand van al deze misère. We drinken bier op straat, in het voorzichtige voorjaarszonnetje, tussen geparkeerde vrachtwagens.

De schrijver is verbaasd dat het bezoek speciaal voor hem naar Engeland gekomen is. Hoewel - sinds de Britse pocketeditie van First Love, Last Rites verschenen is, en daarvan zo'n 40.000 verkocht zijn, is hij in zijn eigen land ook behoorlijk beroemd. Hij neemt zelfs een uitzonderlijke plaats in: Engelse uitgevers zien verhalenbundels meestal als bekroning van een schrijverschap; McEwan debuteerde met short stories.

‘Ik kan alleen maar achteraf reconstrueren waarom ik de vorm van het korte verhaal koos. Ik had toen ik begon zo veel ideeën - het was nutteloos om aan elk ervan een roman te willen wijden. Ik werd als het ware naar de short story gedreven, en tijdens het schrijven ontdekte ik mijn liefde voor dat genre. In Engeland is de short story altijd heel eng bepaald geweest, als een formule. Het was eigenlijk gemakkelijk voor mij daarin verandering te brengen. Er waren al zo veel soorten romans, en er leek maar één kort verhaal te bestaan: het negentiende-eeuwse, een fraai gemoduleerde anekdote, waarin alles om de laatste regel draait, de clou, als in een mop. In het loskomen daarvan zag ik ook een bevrijding voor mezelf.’

Hij heeft het over zijn ‘geobsedeerde fantasie’.

Ik vraag hem naar een foto die ik in zijn huis zag hangen: een paar mannen (duidelijk Fransen) tegen de achtergrond van een kolossaal affiche,

[p. 183]

waarop een bustehouder geafficheerd; de sfeer van her geheel: een samenzwering?

‘Er is juist helemaal niets aan de hand. Mannen na het werk die een afspraak met elkaar maken. De spanning zit 'm in de fotograaf, een goeie vriend van me, die overal een samenzwering in ziet. Op een dag komt hij op het idee om elke namiddag op dezelfde tijd bij hetzelfde underground-station te gaan fotograferen. Na een paar dagen wordt hij in elkaar geslagen; de mensen voelden zich natuurlijk bedreigd door die man die hen elke dag na het werk kwam fotograferen.

Of hij kreeg de opdracht om voor een kookboek een speciaal gerecht te kieken. Daartoe moest hij naar een mevrouw die die schotel zou klaarmaken. Hij stelt z'n apparatuur op, dicht bij het raam, om zo veel mogelijk licht te krijgen. Even later stormen er mensen binnen van de Russische ambassade aan de overkant, die dachten bespioneerd te worden. Altijd en eeuwig raakt die man betrokken bij een “complot” dat hij zelf uitlokt. Interessant thema.’

 

We lunchen in een Italiaans restaurantje. ‘De sfeer van die mannen daar in de hoek. Ze waren al klaar met eten toen wij binnenkwamen. Maar ze zitten er nog steeds en blijven ongetwijfeld hier nog lang nadat wij al zijn weggegaan. Je ziet ze kankeren. Jonge kantooremployés, onderchefs, iets beter gesitueerd dan de working class, die nu bezig zijn op onkostenrekening hun rancune over de economische situatie te richten tegen de arbeiders. Maar zij zijn het zelf die Engeland kapotmaken met hun gezeur en hun luiheid.

Ik ben net twee weken met vakantie bij mijn ouders geweest, die nu in Duitsland wonen. Hun geld is in de loop van een korte tijd tweemaal zo weinig waard geworden. Ze raken steeds meer geïsoleerd. Die armoede drijft de Engelsen in het buitenland op elkaar. Ik heb ze gezegd dat ze dan veel beter terug kunnen gaan naar Engeland.

Zelf heb ik er niet zo veel last van. M'n boek loopt aardig. Ik kan altijd terecht in de journalistiek - de Radio Times, of de zondagsbladen; ik kan voor ze doen wat ik wil - de bbc heeft me gevraagd een televisiespel te schrijven - maar ik kan me nog steeds veroorloven dat allemaal af te slaan. Ik ben nu bezig met een roman; ik wil alle tijd aan mezelf hebben om fictie te kunnen schrijven.’

 

Zijn flat aan Clapham Road.

‘Ik ben wel in Engeland geboren, maar we gingen al vroeg weg. Eerst naar Singapore, later naar Tripoli. Ik herinner me daar nog alles van. Het is toch van betekenis wanneer je het belangrijkste deel van je jeugd in de tropen doorbrengt. Ik heb er trouwens nooit echt afstand van kunnen nemen. Ik heb er ook nooit over kunnen schrijven.

Mijn vader was - is nog steeds - officier in het leger, een working class

[p. 184]

Scotchman van oorsprong, die zich van onder af aan heeft opgewerkt. Hij heeft nooit echt in het leger geloofd, hoewel hij er natuurlijk wel enorm door gevormd is. Daarom is die tijd in Tripoli waarschijnlijk in wezen aan me voorbijgegaan: mijn ouders behoorden niet tot de ruling class, ze maakten geen deel uit van het kolonialistische systeem, alles werd als vanzelfsprekend aangenomen, er stak geen ideologie achter. Pas later zag ik in dat ik als kind getuige was geweest van een koloniale époque in de Engelse geschiedenis.

De sfeer thuis? 's Avonds werden er een paar biertjes gedronken met vrienden, ze zongen liedjes, ja, legerliedjes, old favourites. Dat soort gezelligheid. Geenszins de Sandhurst style, de officieren uit de middle class, die vaak maar een jaar nodig hebben om de rang te bereiken die mijn vader en zijn kameraden pas na een heel leven in het leger kunnen krijgen. Nee, dat levert geen frustraties op - nou, tenminste niet bewust.

Het beroep van mijn vader bracht met zich mee dat ik, toen ik elf was, naar een boarding-school in Engeland gestuurd werd. Een behoorlijke klap, ja. Maar 't was ook wel opwindend. Engeland kwam me toen heel exotisch voor.

Op die kostschool hing vooral een homoseksuele sfeer - van het sentimentele soort; er was nauwelijks of geen lichamelijk contact tussen de jongens. Er werd veel aan sport gedaan. Mijn generatie was de eerste, denk ik, die geïnteresseerd was in ideeën, boeken, muziek. In '65-'66 hoorde ik bij de oudere jongens en toen begonnen de dingen juist: The Beatles, enzovoort. Ook over die tijd heb ik weinig of niets geschreven, tenminste niet direct. De omgeving van Suffolk, waar die kostschooljaren zich afspelen, heeft wel veel invloed op me gehad; het waren de plekken waar John Constable placht te schilderen.

Op m'n achttiende ging ik studeren: Engelse literatuur in Sussex. In m'n derde jaar ben ik begonnen te schrijven. Eerst een toneelstuk naar Tonio Kröger van Thomas Mann, daarna nog een theaterspel. Het had geen effect, ze werden niet opgevoerd.

Ik was bezeten van de angst dat ik niet bestond. Dat was een kwestie van stand. De studenten die alles déden, waren meestal afkomstig uit de professioneel-intellectuele middle class. En wat moest ik, met m'n lower-middle-classachtergrond? Ik wilde iets creëren dat mijzelf zou bepalen, ik wilde een onafhankelijk bestaan, een zekere autonomie, zodat ik me niet hoefde te identificeren noch met de mensen om mij heen noch met mijn eigen afkomst. Een eigen wereld - daar ging het om. En die vond ik in mijn short stories.’

 

In 1975 kwam zijn eerste bundel First Love, Last Rites uit, tegelijk in Nederland, Engeland en Amerika. Deze drie edities waren elk afzonderlijk opgedragen aan zijn ouders, zijn beste vriend en zijn vriendin. ‘Ik had dat niet moeten doen,’ zegt hij nu, ‘je kunt ze nu eenmaal niet allemaal tevredenstellen’, en hij lacht.

[p. 185]

We praten over Freud. Waarna hij zelf het feminisme ter sprake brengt.

‘Ik begin nu te voelen dat de basis van alle politiek voornamelijk verankerd ligt in de seksuele politiek; dat de structuur van de maatschappij niet veranderen zal zolang de structuur van het gezin onveranderd blijft. Uit seksuele politiek komt de klassenstrijd voort.

Het gekke is dat ik er af en toe van beschuldigd word seksist te zijn, terwijl mijn verhalen toch juist van het tegendeel blijk geven. Alleen mijn ikfiguren zijn vaak adolescenten die zich juist bewust worden van seksuele machten; en de omstandigheid dat zulke exploraties in een soort schemertoestand plaatsvinden - dát wekt misverstanden ten aanzien van mijn eigen standpunt.

De seksuele macht is voor mij de allegorie van alle macht.

Mijn verhalen hebben veel te maken met mijn, al dan niet bewuste, angsten en spanningen. Het is vooral de angst om overweldigd te worden, en dan door de mensen die ik het meest bemin. Dat gewelddadige in mijn verhalen is terug te voeren op de spanning tussen terreur en liefde, het misbruik van liefde.

Ja, ook op kostschool had je veel onuitgesproken, onontdekte machtsstructuren, die in het begin vooral tot uiting kwamen in de sport: wie loopt het hardst? Later ging het vooral om: wie is het mooist? Terwijl niemand zich dat werkelijk realiseerde.

Uit de angst om kapot te gaan in dat soort machtsstructuren ontstonden mijn eerste verhalen.

Jij noemt nu “De laatste dag van de zomer” - en dat is merkwaardig. Dat jongetje in die commune - pas achteraf heb ik me gerealiseerd dat ik daarvoor het decor van mijn kostschool gebruikt heb. Ik ben erg getraumatiseerd door het afscheid van die school. Ik ben opgegroeid als enig kind. Grote gezinnen hebben altijd een enorme aantrekkingskracht op me uitgeoefend. Ik had ook altijd fantasieën: dat mijn ouders naar Zuid-Amerika vertrokken en ik opgenomen werd in het kinderrijke gezin van een van mijn vriendjes.

Nou, eigenlijk werd dat werkelijkheid toen ik naar die boarding-school ging. In het begin was ik erg verlegen, maar ik werd toch niet gepest, omdat men kennelijk ontzag had voor mijn vermogen om te zwijgen. Op m'n zestiende werd ik plotseling slim, nou ja, schoolintelligent. Toch bleef ik een outsider. Zo had ik een verhouding met een veel jongere jongen - dat zette me buitenspel, maar tegelijkertijd gaf me dat juist een vreemd soort prestige, zo'n openlijke affaire met een klein jongetje. Ik was de eerste die dat zo deed. We gingen trouwens niet echt met elkaar naar bed. Achteraf was het meer sentimenteel, heel onschuldig.’

 

In '71 kwam hij van de universiteit, schreef in drie maanden het sublieme verhaal ‘Vermommingen’, dat de aandacht trok van Philip Roth, die zijn best

[p. 186]

deed de jonge schrijver een Amerikaanse beurs te bezorgen - wat niet lukte. McEwan reisde af naar Afghanistan, kwam na een jaar terug en voltooide zijn eerste bundel, vooral aangespoord door de Amsterdamse uitgever Jaco Groot (De Harmonie). Ook McEwans tweede bundel zal het eerst in Nederland verschijnen. Tussen de lakens opent met het lange verhaal ‘Psychopolis’, waarin hij - voor het eerst min of meer direct autobiografisch - verslag doet van eigen bevindingen. Het gaat hier om een recente reis door Amerika.

‘Je zou kunnen zeggen dat de sfeer van De laatste dag van de zomer en die in Tussen de lakens elkaar overlappen. Een verhaal als “Pornografie” bijvoorbeeld, dat in het tweede boek staat, had net zo goed in het eerste gekund.

Maar “Psychopolis” verschilt duidelijk van de verhalen uit het begin; dit verhaal is meer relaxed, ironisch. De ikfiguren uit het eerste boek representeren veel meer de angsten die ik in mij heb, mijn nachtmerrieachtige kanten. In “Psychopolis” is mijn gewone stem duidelijker te herkennen, de manier waarop ik een of ander voorval aan een vriend vertel, ontspannen, conventioneler ook dan de meer irrationele vertellingen in De laatste dag van de zomer.’

 

Uit ‘Psychopolis’ komt het beeld naar voren van een zeer eigentijdse jongen.

‘Mijn generatie heeft zeker bepaalde kenmerken. Bijvoorbeeld het gebrek aan geldzorgen. Ik kan me niet druk maken over geld. Ook het feminisme zie ik als een verworvenheid van mijn leeftijdgenoten - trouwens, die tweede golf van het feminisme is de enige stroming uit het midden van de jaren zestig die van blijvende waarde is geweest; ik ben blij dat ik dat heb kunnen oppikken.

En dan natuurlijk het roken van marihuana en het innemen van lsd. Ik heb wel vijfentwintig keer een trip gemaakt. Vanaf het moment dat ik ben begonnen te schrijven. Ja, het heeft echt iets in me veranderd. Sinds de eerste keer dat ik getript heb, voel ik me absoluut niet in staat om een gewone baan te nemen.

Tot '70 heeft 't mij nier geraakt, tenminste, tot die tijd heeft 't tot geen enkele verandering in mijn leven geleid. Terwijl ik 't toch om me heen zag. Ik was te druk bezig met het lezen van Kafka en Freud. Ik was laat, ik ben nooit het middelpunt van de gebeurtenissen geweest. Alleen de laatste twee jaar.

In '72 was 't allemaal voorbij. Trouwens, op het ogenblik is er een tendens van mensen van mijn leeftijd om alles van die tijd te overdrijven. Ze praten erover alsof 't het paradijs was, maar dat was 't niet. In Amerika dreef Vietnam iedereen bij elkaar - maar bij ons had je zoiets niet.’

 

‘Psychopolis’ heeft ook de ironie van een Engelsman die Amerika bekijkt.

‘De ironie in dit verhaal wordt versterkt door een zekere toonloosheid. Ik heb geprobeerd een soort proza te schrijven dat bijna onmerkbaar is. Als een

[p. 187]

medium. Bijna alsof ik ernaar streef dat wanneer ik iemand zou vragen: “En? Hoe vond je “Psychopolis”?”, dat die iemand dan zou zeggen: “Ik heb 't wel gelezen, maar ik herinner 't me niet meer.” Net zoals het antwoord kan luiden wanneer je iemand naar de muziek uit een bepaalde film vraagt.’

 

Hebben al zijn verhalen voor hem elk apart een eigen sound?

‘Ja. Ik heb al mijn verhalen ook geschreven om steeds weer een ander retorisch probleem op te lossen - dat is misschien een erg oppervlakkige manier om het ontstaan van verhalen te verklaren, maar 't is wel zo. Bijvoorbeeld: ik wilde een verhaal schrijven waarbij de lezers de centrale figuur steeds meer zouden gaan haten - en zo is “Pornografie” ontstaan. Of ik wilde mezelf bewijzen dat ik een verhaal helemaal in de tegenwoordige tijd kon zetten - op die manier ontstond De laatste dag van de zomer.’

 

Zijn positie als schrijver.

‘Vrij uniek. Ik heb weinig gemeen met andere schrijvers in Engeland. Ik voel me meer betrokken bij de Europese of Amerikaanse literatuur. Dat heeft ook te maken met mijn klasse. Engeland is een typische klassenmaatschappij, meer dan in welk land ook werkt hier het klassenbegrip in het maatschappelijk verkeer door. Mijn manier om de maatschappij te bekijken - zoals uitgedrukt door de karakters in mijn verhalen - is typisch bepaald door mijn afkomst uit de lower middle class. Hierbij hoort een zeker besef dat de wereld je niet toehoort, hoewel je er toch een plaats hebt.

Dit is misschien geen nauwkeurige of verantwoorde beschrijving van de wijze waarop mensen uit de lower middle class de maatschappij bekijken, maar 't geeft wel iets aan van de manier waarop de figuren in mijn verhalen ontstaan zijn. Het is 't angstige gevoel gemanipuleerd te worden door mensen die je uitsluiten. Een soort angst. Een diepgeworteld minderwaardigheidsgevoel. Geen vertrouwen.’

prepostterug  begin  verder