terug  begin  verderprepost
[p. 188]

Gore Vidal

‘Ik denk dat ik een politicus ben. Een politicus die, gelukkig, geen ambt hoeft te bekleden. Vroeger vond ik dat vervelend, nu ik ouder ben, zie ik in dat ik als schrijver in de Verenigde Staten veel meer invloed heb dan als senator.

In 1960 heb ik meegedaan aan de verkiezingen voor het Congres - ik ben toen op het nippertje niet gekozen. In '64 had 't me moeten lukken, maar toen was ik opnieuw geïnteresseerd geraakt in het schrijven van romans. Ik was toen bezig met Julian.

De enige reden om zitting te willen nemen in het Congres is dat je een positie wilt bekleden waarin je je gedachten kunt uitdragen. Nou, als je al bekend bént, waarom zou je dan in godsnaam nog senator willen worden?’

 

Waarom deed u dan toch aan die verkiezingen mee?

‘Ik was behoorlijk bekend, toen, maar heden ten dage kent zo ongeveer iedereen me in Amerika. En maar door één oorzaak: de televisie. Elk jaar doe ik een praatprogramma van negentig minuten, dan heb ik 't met een interviewer over van alles, over de situatie in her land, over de situatie van het land, over de economie, over van alles. Niet eens de fucking president kan zich dat permitteren. Negentig minuten! Elk station in Amerika neemt die show, en ze herhalen 'm keer op keer.

Of ik treed op in de Johnny Carson Show. En ik laat een wc zien die zonder water of chemicaliën werkt. Ik demonstreer die plee. Nou, de respons was fan-tas-tisch, hoor. Duizenden enthousiaste reacties. Een toilet dat geen water verbruikt - belangrijk onderwerp voor Amerikanen.

Om het anderhalf jaar ga ik op tournee langs twintig Amerikaanse steden, liefst conservatieve plaatsen, en dan komen er per keer zo'n twee- à drieduizend mensen naar me luisteren. Twaalf uur 's middags, in een bioscoop. Soms wel zesduizend toehoorders. En die komen niet uit liefde voor de literatuur, maar door die televisie-uitzendingen. En letterkunde is wel het laatste waarover ik voor die mensen zou willen spreken. Ik praat dan over het nationaliseren van de energiebronnen, de noodzaak om de grote familiefor-

[p. 189]

tuinen te lijf te gaan, hervorming van het erfrecht, wat het eind van de Rockefellers zou betekenen. Ik doe dat op een heel serene manier, en de dameshoeden beginnen mee te knikken. Dat is toch heel wat mooier dan senator spelen.’

 

Is dat dan het schrijverschap voor u?

‘Ja - dat ik mensen dingen kan vertellen waar ze nog nooit van gehoord hebben.

Ik ben in wezen polemicus. Ik hoef alleen maar een slechte krant als The New York Times te pakken om een miljoen ideeën te krijgen hoe allerhande zaken beter geregeld zouden kunnen worden.’

 

The New York Times een slechte krant?

‘Ja, natuurlijk - slecht geschreven, slecht geredigeerd. Een goeie krant? The Wall Street Journal, vreemd genoeg, wanneer je tenminste het kapitalistische effect ervan buiten beschouwing laat. The Washington Post is best aardig, maar niet zo goed als de mensen wel denken; ik bedoel: lang niet zo goed als The Observer en The Guardian in Engeland plachten te zijn, of zelfs The Times.

Over het algemeen hebben de Amerikanen moeite met schrijven. In de eerste plaats - misschien klinkt dat een beetje snobistisch -: het is immigranten-Engels, dat wil zeggen dat er, na twee of drie generaties, nog steeds een onwennigheid met de taal is. Er is nog een reden voor dat slechte taalgebruik: wij zijn een natie van leugenaars; hoe meer je liegt, des te gecompliceerder wordt je taal. Wij waren allen misdadigers toen wij hier kwamen, met moeilijkheden in de landen die wij ontvlucht waren - en vandaar dat we, om te beginnen, nooit vertelden waar we vandaan kwamen. En op die manier begon het eufemistische praten al, nooit rechttoe rechtaan zeggen wat je bedoelt, altijd in cirkels eromheen blijven draaien. Nixon. Trouwens, alle politici. Het Pentagon zal nooit melden dat een wapen dodelijk is, nee, het is een anti personnel weapon. En dan: wij zijn een hebzuchtig volk, louter en alleen gericht op eigen gewin. Hoe breng je dat in de praktijk? Door dingen te verkopen die niemand nodig heeft. En hoe lukt je dat? Door de aard van de koopwaar te verdoezelen. Hoe? Door te liegen.’

 

Uit wat voor milieu komt u dan?

‘Behoorlijk deftig. Mijn familie levert nu al sedert drie generaties beroemdheden af. Mijn vader en mijn grootvader waren al heel beroemd. Mijn grootvader van moeders kant, senator Gore, was blind. Het is natuurlijk heerlijk om een beroemde senator als opa te hebben, maar bij hem lag het nog iets gecompliceerder; omdat-ie blind was vanaf z'n tiende, had het er iets van alsof zo iemand als Helen Keller m'n opa was geweest. Mijn god, senator Gore! Mensen vergaten de politiek als ze hem zagen, die geweldige ouwe blinde

[p. 190]

man! En hij was zo geestig. En hij haatte het menselijke ras met zulk een hartstocht. Met die zoete glimlach. Een fantastische misantroop. Hij zei altijd: “Mocht er een ander ras dan het menselijke bestaan, ik zou me er gaarne bij aansluiten.” Hij haatte zijn medemensen. Ik woonde bij hem in huis, hij heeft mij tot mijn tiende opgevoed. Blind als hij was, heeft hij me leren lezen. Toen ik vijf was, las ik al. Op m'n zevende las ik de kranten. Iets later de congressional records.

Mijn vader was indertijd de beroemdste atleet van Amerika, Eugene Luther Vidal. Een geweldig mooie man. Het was alsof ik de zoon was van een filmster.’

 

Hoe heet u nou eigenlijk?

‘Eugene, Eugene Vidal. De naam Gore Vidal symboliseert de nu al drie generaties durende roem van mijn familie. Die prachtige vader. En senator Gore. Weet u wie Helen Keller was? Een van de meest vervelende Amerikaanse figuren. Hoe heet die film over haar nou ook weer, met Anne Bancroft? Nou, Helen Keller kon noch spreken, noch horen, noch zien. Ze leert zichzelf dan spreken, hè, ont-zet-tend vervelend. Ik herinner me nog hoe mensen mijn grootvader vroegen: “Blindheid moet toch z'n compensaties hebben?” En dat mijn grootvader antwoordde: “Nee, ab-so-luut niet.” Hahaha. Mijn grootvader zei: “Het enige waar ik ooit echt van gehouden heb, was lezen.”’

 

U bent opgevoed als een wonderkind. Was dat vervelend?

‘Ik was negentien toen ik mijn eerste roman publiceerde. Ach, als kind ben je zo stompzinnig - het komt gewoon niet bij je op dat je zou kunnen falen.

En dan was er nog een complicatie. Toen ik tien was, trouwde mijn moeder met meneer Auchincloss, een zeer rijk man bij wie ze twee kinderen kreeg, en die heer trouwde toen ik zo ongeveer zestien was met de moeder van die vreselijke Jacqueline Onassis en die afschuwelijke Lee.

Er werd ontzettend veel van de kinderen verwacht. En het is bekend dat de meesten eraan onderdoor gingen. Ik was de oudste. Op m'n zeventiende ging ik het leger in, en sedertdien heb ik voor mezelf gezorgd. Ik ben nooit meer naar huis gegaan. Ik hield niet van mijn moeder.’

 

Amerika in het midden van de jaren veertig. Hoe was dat?

‘Ik weet het niet. Ik ben het ontvlucht. Dat doen we allemaal.’

 

Wie zijn ‘we’?

‘De Amerikaanse schrijvers. Of meer in het algemeen: elke Amerikaan met het minste greintje fantasie. In '46, toen mijn eerste boek gepubliceerd werd, ging ik naar Guatemala, bleef daar ongeveer een jaar en ging toen naar Rome, Parijs, om pas in '56 terug te gaan naar Amerika.’

[p. 191]

Van '50 tot ongeveer '60 heeft u toneel geschreven, vooral voor televisie. Nooit last gehad van de heksenjacht?

‘Ik heb ooit een klein probleem gehad met een stuk dat heette A Sense of Justice. Het ging over de vraag of je met goed fatsoen een slecht mens mag doden. Dat stuk had zo'n succes dat ze het wilden herhalen. Maar dat ging op een mysterieuze manier niet door. Of je kwam bij cbs om een bepaalde acteur voor een van je rollen aan te bevelen. Dan zeiden ze: “Die is bezet.” En ik: “Kom nou, je weet dat hij graag in mijn stuk wil spelen.” Dan haalden ze hun schouders op. Ninth floor, dat was het eufemisme bij cbs voor de censuur. “Kom nou,” zei ik dan, “het is weer de Ninth floor.” Ik kon er niet veel aan doen. Ik had geen enkel politiek benul, toen.

Het gaat trouwens door. Dick Caveti vertelde me laatst dat hij elke maand een lijst krijgt van lieden die hij niet voor zijn show kan uitnodigen. Mijn naam kwam nogal eens op die lijst voor, verdween er dan weer vanaf. Misschien is het allemaal niet zo sinister en gaat 't er alleen maar om een zekere balans te creëren; als ik anderhalf uur socialisme heb verkocht, moet daar wellicht negentig minuten katholicisme tegenover staan.’

 

Is er bij u sprake geweest van een plotselinge politieke bewustwording? Of was 't er altijd?

‘Politiek is drama, en ik ben daarvoor geboren. Als kind al zoog ik alles van het presidentschap op, van het leven in het Congres, van de hele regeringsmachinerie. Ik leefde toch in het huis van mijn grootvader, senator Gore, midden in Washington. Het was heel natuurlijk dat ik mezelf, als kind al, als politicus zag. Net als John F. Kennedy: je erin storten om te winnen, om president te worden. Prettig om te doen, en interessant werk. Dat was de manier waarop ik het tot mijn vijfendertigste beleefd heb. Ik had geen enkel politiek idee, hoewel ik het bedrijf van de politiek uitstekend kende. Na de verkiezingen voor het Congres in '60 ben ik de geschiedenis van Amerika gaan bestuderen, ben ik gaan nadenken, dat had ik nooit gedaan. Maar de president van de Verenigde Staten heeft ook geen enkel politiek idee, heeft helemaal geen gedachten trouwens. Geen enkele president sinds Wilson heeft ooit nagedacht - en de gedachten van Wilson waren niets waard.

Door simpel na te denken ben ik socialist geworden en dat had niets te maken met Engels of Marx en alles met praktisch denken over mijn land. Je kunt zeggen dat mijn politieke ideeën pas na mijn politieke carrière kwamen.’

 

Wat is het voor ervaring om met de verkiezingsstrijd voor het Congres mee te doen?

‘Geweldig. Ik hou van toehoorders, ik hou van menigten. Die elektriciteit. Je kunt er een beetje van terugvinden in mijn toneelstuk The Best Man, in mijn roman Washington dc 1876 - nee, ik heb er niet direct over geschreven. Wat ik

[p. 192]

nu doe in die lezingen, die praatprogramma's op de televisie, dat is eigenlijk hetzelfde als je verkiesbaar stellen voor het Congres, maar dan zonder het risico dat je kunt verliezen. Dat is toch prachtig? Adlai Stevenson heeft eens gezegd dat running for president gelijkstaat aan tien jaar psychoanalyse.

In '60 had ik gekozen kunnen worden in het Huis van Afgevaardigden. Maar ach, dat is vervelend. Eigenlijk is het zo: als je geen president kunt worden, hou dan maar op. Waarom het leuk is om president van de Verenigde Staten te zijn? Nou, de hele stad Washington dc is van jou; je hebt een leuk huis, hoewel eigenlijk een beetje klein, het leefgedeelte is niet erg groot, je krijgt alles wat je wilt, alles wordt voor je gedaan, je bepaalt zelf welk weer het vandaag zal zijn, haha.’

 

U hebt Jack Kennedy goed gekend, de essays die u over hem geschreven heeft, zijn briljant - maar zou u nu niet anders over hem en zijn dynastie schrijven?

‘Toen ik die stukken overlas, viel me op hoe ik over Jack geschreven heb, in aanmerking genomen dat wij vrienden waren en dat ik tamelijk veel van hem verwachtte.

We hadden helemaal niet in de gaten dat Jack al in het begin van zijn presidentschap iedereen de oorlog verklaarde. “Sinds Mussolini was zoiets niet meer gebeurd,” verzuchtte een oude vriend van hem. Jack probeerde Cuba aan te vallen en faalde, hij stookte de oorlog in Vietnam op - een desastreus presidentschap, absoluut rampzalig. Hij hield van oorlog, hij hield van allerlei spelletjes, hij was gek op de Groene Baretten, hij ontwierp hun uniform en gaf hun die baret; geen Amerikaanse soldaat had voordien een baret gedragen. Ik zei tegen hem: “Je weet toch wel wie het laatste staatshoofd was dat een militair uniform ontwierp?” Hij zei: “Nee.” Nou, dat was Frederik de Grote.

Nog een essay over Kennedy? Hij interesseert me niet. President voor maar duizend dagen. Een falende president ook nog. Ik vond juist een paar aantekeningen over een weekend dat ik bij hem doorgebracht heb, moeilijk te lezen. Ik begrijp ook niet helemaal wat er nou staat. Volgens mij gaat 't over die ontmoeting met Chroesjtsjov in Wenen. Misschien dat ik daarover nog eens wat schrijf, over wat een president van de Verenigde Staten op een bepaalde dag over de situatie van de wereld te melden heeft. We hadden 't ook over het gegeven feit dat een president eigenlijk tot niets in staat is. Hij zei: “Ik ben zonder macht.” En ik: “Kom nou!” Hij: “Het Pentagon smijt maar met geld. Het zou je acht jaar kosten om precies uit te vinden wat daar in jezusnaam aan de hand is. En dat is dan nog maar één voorbeeld. Je geeft een bevel, en het wordt niet opgevolgd. Misschien dat je je later iets van die opdracht herinnert en dat je ze dan kunt laten gehoorzamen. Maar dat is dan een toevalligheid. Je neemt per dag een paar honderd beslissingen en je bent niet in staat om het resultaat te checken.”

[p. 193]

Nee, ik vond de omgeving van de Kennedy's niet zo glamourous, tenslotte, ik ben in die atmosfeer opgevoed. Integendeel, wij kijken enigszins op het presidentschap neer. Net als Henry Adams. Adams gaf - wij schrijven nu de jaren tachtig van de vorige eeuw - een diner voor Henry James. Adams stelde de lijst van gasten samen en zei opeens: “Well, why not be vulgar, let's ask the president.” De Kennedy-gang was misschien een uitzondering, hè, jetset-chic, beautiful people, niet het soort mensen dat ik nou bij uitstek bewonder.’

 

Wat voor soort mensen bewondert u wel?

‘Mensen die dénken, die gedachten hebben. Ik ben niet zo'n sociaalvoelend mens. Niet veel schrijvers hebben gedachten. Saul Bellow wel, ja. Maar een man als Mailer, een uiterst intelligent man, heeft volgens mij geen boek gelezen, bezig als hij is om van zichzelf een grote legende te maken. Hij is volmaakt oninteressant. Toen hij die puur fascistische aanval op het feminisme schreef, was hij plotseling briljant, omdat hij daarvoor een paar boeken had moeten lezen.’

 

Bent u nu bezig aan iets?

‘Ja, ik herschrijf een roman. Ik schreef dat boek in Californië en het is absoluut afgrijselijk. Ik werd echt bezorgd over mezelf - gek geworden of zo. Nu ben ik heel langzaam bezig aan het herschrijven. 't Zal wel goed komen. Toch ben ik echt verbaasd dat ik na 32 jaar zo ontzettend in de fout kon gaan, zonder me daarvan bewust te zijn. Wat mijn talenten als romancier ook mogen zijn. Ik ben een ontzettend goed criticus. 't Is kennelijk mogelijk dat je een roman schrijft zonder er met je gedachten bij te zijn. Die verteller! Ik nam een stupide verteller! Ik dacht dat dat leuk zou zijn. Maar ik kon toch wéten dat dat niet zou werken, hè. Het probleem van ouder worden is toch dat je steeds meer moeilijkheden voor jezelf gaat creëren. Ik probeer dus steeds weer iets te vinden om het moeilijker, ingewikkelder te maken. Dus in dit geval: 'n stompzinnige verteller nemen en er dan toch iets verschrikkelijk aardigs van weten te brouwen. 't Werd alleen vreselijk vervelend. Ik nam een andere verteller. Ik heb nu een vrouw genomen, een testpilote.’

 

Heeft u, denkt u, nu echt invloed?

‘Ja. Er is geen actie zonder reactie. 't Duurt ook lang. Als een jongetje van elf mij nu hoort en ziet op de televisie, zal het enige tijd kosten wil hij de wereld kunnen verbeteren.’

 

U schrijft geen drama meer.

‘Als je toneel schrijft, moet de stad waarin het opgevoerd wordt van je houden. En New York houdt niet van me. The New York Times haat me. En als je toneelstuk niet door drie kranten op z'n minst lovend wordt besproken, kun

[p. 194]

je het wel vergeten in New York. The Times kraakte ook dat adembenemende stuk dat ik over Nixon schreef, “An Evening with Richard Nixon”. Maar ze willen wel dat ik voor ze schrijf. Dat doe ik niet. Nooit. Ik ben een hard mens.’

 

Ook in uw particuliere leven?

‘Minder. Maar ik heb niet zo'n persoonlijk leven. Andere mensen hebben love-affairs. Ik heb ze nóóit! Anderen hebben diepe vriendschappen en woelige vijandschappen. Ik mis ze. Ik denk alleen maar na over trekkerloze plees, over de nationalisatie van energiebronnen en over het schrijven van zinnen. Nee, ik maak geen grapjes. Ik ben op een vreemde manier onpersoonlijk. Dat heeft ook veel te maken met de manier waarop ik opgevoed ben. Ik ben grootgebracht in het huis van Atries. Iedereen speelde zijn rol in die Griekse tragedie. Mijn onpersoonlijke wijze van leven - ik heb geen vergelijk. Ik wil werken, ik wil denken. Een boek als The City and the Pillar was totaal bedacht. Ik wilde een polemisch standpunt naar voren brengen. Ik heb nooit geleefd met zo iemand als ik in dat boek beschrijf, die twee totaal normale, mannelijke jongens die een liefdesrelatie hebben.’

 

Heeft u een liefdesrelatie met iemand, nu?

‘Liefdesrelatie is een sterk woord. Ik heb een kameraadschappelijke relatie met iemand. Die duurt al achtentwintig jaar.’

 

Dat is toch een liefdesrelatie dan?

‘Als je dat zo wilt noemen. Ik vind van niet. Een love-affair houdt allerlei hartstochten en gevoelens in die ik niet heb.’

prepostterug  begin  verder