|
|
|
| |
| | | |
Gerrit Komrij
Gerrit Komrij, ten slotte: ‘Ik ben veelal omringd geweest door mensen
die dachten: god, god, hoe krijgt-ie 't voor mekaar, had ik nou nooit achter 'm
gezocht; mensen die zich afvroegen: wat zien ze toch in die malle Komrij? Voor
mezelf heb ik dat nooit een probleem gevonden. Ik kan die mensen alleen maar
groot gelijk geven, ze bemoedigend over de bol strijken, en zeggen dat ze groot
gelijk hebben.
Vroeger gaf dat wel een grotere irritatie, omdat je toch weet wat je waard bent,
terwijl de mensen dat maar niet willen geloven. Dan ga je je te buiten aan
zekere, eh, excessen, zal ik maar zeggen. Dan roep je iets harder dan strikt
noodzakelijk is. Dan heb je ook niet de minste behoefte om met wat voor soort
intimiteiten ook voor de dag te komen. In dat stadium krijgen je polemische
accenten veel meer de aandacht dan de andere kanten, die het beeld van iemand
toch altijd compleet maken. Je weet dat je ongetwijfeld ook ooit eens dingen
zult schrijven die de mensen niet zullen verbazen, die heel gewoontjes, heel
kalmpjes, heel rustigjes zijn.
De grootste belachelijkheid die je jezelf op de hals kunt halen, is, denk ik,
voortdurend bezig blijven met het verbazen van de mensen. En dat bén
ik ook helemaal niet. Ik ben bezig om iets te maken, te schrijven.
Eén groot boek, vanaf m'n kinderjaren tot m'n laatste dag. En dat
boek wordt gewoon in stukjes en afleveringen, in verschillende oefeningen
uitgegeven. Altijd maar weer getokkel op een bordpapieren lier. Exercities in
één en hetzelfde. Ja, maar daar is ieder mens mee bezig.
Niemand doet iets anders. Om in de mode van de dag te blijven, zou ik moeten
zeggen: treurig genoeg. Maar ik vertel liever dat 't me hoogst vrolijk stemt.
De hilariteit die mijn werk wekt? Vind ik best. Als ik zeg dat het eigenlijk
intens tragische stukjes zijn, wekt dat alleen nog maar
méér hilariteit. Daar kan ik me ook geen zorgen over
maken. Trouwens, dat zou een goedkope weg zijn om het publiek te strelen. Als je
vrolijk bent, vindt iedereen dat prettig. Als je vrolijk bent omdat je zo
droevig bent, en je roept dat heel luid, | | | | vindt iedereen dat nog
prettiger. Een soort constante in de Nederlandse waardering. Zoals ook mensen
het heel mooi vinden wanneer je een boek schrijft met allemaal van die lelijke,
afbrekende stukken en d'r staat toch iets opbouwends in. Dan is het hele boek
inenen prachtig. Waarom? Ik bedoel, ik zou me geen eniger boek kunnen
voorstellen dan waarin alles afbrekend was, beledigend.’
Stilte.
‘Wat is er nu mooier?’
Stilte.
‘Te veel je hoed afnemen - daar krijg je alleen maar
verstandskwaaltjes van. Tocht op je hersens.’
Stilte.
‘En god, al lachen de mensen zich dood. 't Zal mij een zorg
zijn.’
Komrijs eerste essayistische bundel Daar is het gat van de
deur, uitgekomen in '72, werd aardig, maar toch ook weer niet zo best
verkocht (3000 exemplaren); met Horen, zien en zwijgen,
televisiekritieken, '76, ging het heel wat beter: 9500 exemplaren; Papieren tijgers evenwel, kan nu al, anderhalve maand na verschijning,
een regelrechte bestseller genoemd worden: de eerste druk van vijfduizend is
reeds uitverkocht. Naar aanleiding van dit succes een gesprek bij de schrijver
(34) thuis, ergens in de Amsterdamse Kinkerbuurt.
Ik stel dat het opvallend is hoe de non-fiction op de
hp
-boekentoptien domineert; alleen de nummers 1 (Hotz) en 10 (Reve)
vertegenwoordigen deze week de vaderlandse fictie.
Komrij: ‘Ja, maar is er ook keus? Zijn er tegelijkertijd romans? Moet
je het zoeken bij de keuze van het publiek of bij het aanbod wat er is? D'r zijn
blijkbaar weinig romans. Dat die non-fiction meer gelezen wordt - dat heeft
blijkbaar allerlei oorzaken. Tenzij je zou stellen dat er een ontstellend grote
keus is; dan zou die selectie op non-fiction bewust zijn.
Als ik me zou afvragen: welke roman van de laatste jaren had ik nou dolgraag
willen lezen? Dan zou me er geen één te binnen schieten.
De jongere auteurs beginnen toch over het algemeen met korte verhalen.
Ik denk dat men opgehouden is met het schrijven van romans, toen het zaakje te
complex werd. Een voorwaarde voor het maken van een roman is, dat je, god, een
exposé geeft van de wereld waarin je leeft, al is het in een kleine
cel, of een stad, of een land; overzichtelijk, en met een zekere opvoedkundige
waarde, dus: bepaalde taboes of vooroordelen aanvallen. Als je grote
negentiende-eeuwse romans leest - die gingen uit van een vaststaande wereld, die
overzichtelijk was, en waar dan iets mis in was. Dat werd beschreven in een
groot, complex verhaal, waarin je de mensen dwong om mee te gaan, om ze op die
manier te overtuigen van het onrecht dat bijvoorbeeld hongerende
fabriekskindertjes werd aangedaan, een gevallen vrouw. Maar nu heb | | | |
je dergelijke problemen niet meer; en als ze d'r zijn, zijn het geen onderwerpen
voor romans. De wereld is niet meer in een boek te vangen.’
Heeft hij zich ooit tot het schrijven van een roman gezet?
Komrij: ‘Nee, maar als de wereld weer wat eenvoudiger wordt, zal ik
het ongetwijfeld onmiddellijk doen.
Waar moeten romans nu over gaan? Zelfs wanneer je je zou beperken tot kleinere
complexiteiten dan De Wereld. Over Het Gezin valt ook niet meer te schrijven:
alle mensen liggen altijd in scheiding, staan op het punt uit elkaar te gaan,
dat is zowat het enige menselijke dramatische probleem dat zich voordoet. Niet
interessant voor een boek, dat is bijkans iets wat iedereen de strot uit komt.
Vervolgens is er niet meer de wens om taboes te doorbreken plus het
fragmentarische dat een mensenleven heeft gekregen, waardoor de literatuur die
dat leven weerspiegelt ook fragmentarisch is geworden.’
‘Ik zou Papieren tijgers nauwelijks
“essayistisch” willen noemen. 't Is toch voortdurend op
een schrijvende manier reageren op je omgeving. Dat kan diepgaand zijn, of
oppervlakkig. Ik bedoel: het is in de eerste plaats artistiek en niet
“essayistisch”; bij een essay denk ik aan zweet en tranen
en onleesbare stukken.
Ik zou eigenlijk niet weten hoe ik het genre waarin Papieren
tijgers zou moeten thuishoren, moest betitelen. Fragmentarisch schrijven,
hè, ketelmuziek in afleveringen, eh, god, daar is geen term voor.
Dat het iets zeer Engels heeft, lijkt mij natuurlijk. Ik ben gewoon opgegroeid in
de Engelse literatuur, en niet in de Nederlandse, en ik vind een heleboel dingen
erg gewoontjes die de mensen hier raar vinden, in de literatuur. Dat geldt ook
voor poëzie; een ironisch of komisch gedicht wordt in Engeland als
vanzelfsprekend tot de poëzie gerekend, terwijl het hier
“humoristische poëzie” is, een apart genre dat
niet tot de literatuur behoort. Er is in de Engelse poëzie over het
algemeen veel meer sprake van een zekere afstandelijkheid, een spel, een
droogheid.’
Van een letterkundige opvoeding is in deze dreven weinig tot geen sprake, men
moet maar zien zichzelf op dat gebied te ontwikkelen; hoe is dat bij Komrij
verlopen?
Komrij: ‘Ik ben van jongs af aan altijd in aanraking geweest met
negentiende-eeuwse boeken. Dat kwam omdat zowel de boeken thuis, als de boeken
in het stalletje op de markt, als de boeken in de leeszaal, als de boeken op
school niet verder gingen dan de negentiende eeuw. Ik dacht dat dat de
literatuur was. Kloos was daar misschien doorgedrongen als een noviteit. Kloos
was daar, in de provinciestad waar ik woonde, bijna even modern als Pearl
Harbor. Kortom, er was een overvloed, altijd, aan negentiende-eeuwse litera- | | | | tuur. En dat vind ik ook mooie bandjes, mooie letters, altijd
reuzegrappig, beetje goud op snee, harpjes erop gedrukt en rozenstruikjes.
Vandaar dat ik automatisch toen ik gedichten begon te schrijven een kleinzoon
van Piet Paaltjens werd. Alleen, nu lees ik in de kranten dat ik ineens de
kleinzoon van Lodewijk van Deyssel ben geworden. Dat schiet op.’
Dat fragmentarische schrijven van Komrij begon met zijn
boekrecensies; uit welke behoefte kwam dat voort?
Komrij: ‘De voornaamste behoefte is: je te uiten. Maar dat is van zo'n
zwaarwichtige vanzelfsprekendheid, dat hoef ik niet erbij te zeggen. De echte
behoefte is belangrijk: proberen je geld te verdienen, aan de kost te komen en
dan onafhankelijk. Ik heb altijd de sterke behoefte gehad om mezelf te redden.
Nou ja, wat is er dan een beter beroep denkbaar dan een stuk papier te vullen en
dat in te wisselen voor andere stukjes papier? De meeste schrijvers in Nederland
zijn gewoon te beroerd om wat voor de kost te doen, die vinden dat hun getob tot
in eeuwigheid van dagen gesubsidieerd moet worden. De grootste drift achter mijn
schrijven is te klimmen op de pecuniaire ladder.’
Lukt dat?
Komrij: ‘Ja wel.’
Ik vraag hoe zijn geschriften totstandkomen. Daarop geeft Komrij een komiek
antwoord. Natuurlijk. Dan zeg ik dat ik zijn stukjes altijd zeer ernstig opvat.
Komrij: ‘Daarom ben ik des te benauwder om daar iets ernstigs over te
zeggen. Dat is dan al ernstig genoeg. Laten we het in godsnaam aan de
oppervlakte houden. Natuurlijk zijn het heel ernstige stukken, natuurlijk ben ik
een hele bezorgde, pedante schoolmeester, maar ik zou nog liever m'n tong d'r
afhakken dan dat ik dat zei.
Er staan nu eenmaal van tijd tot tijd schrijvers op met een satirisch temperament
- daar is niets aan te doen. Een karakter waarin een zekere vorm van vitalisme
strijdt met een vorm van pessimisme. Misschien krijg je daardoor dat clowneske
karakter, zoals jij het dan noemt, omdat je voortdurend bezig bent die ernst te
ondergraven; niemand weet beter dan jij zelf hoe belachelijk en nutteloos die
ernst is. Met gedichten ook. Ik heb altijd een enorme ouderwetse drang om een
mooi gedicht te schrijven; gedichten behoeven voor mij niets te zijn, behalve
mooi. En dat vind ik dan tijdens het schrijven zo ridicuul, zo om over te
huilen, dat ik probeer dat gedicht op het eind te vermoorden. Een kwestie van
karakter.’
Het hilarische in de stijl is voornamelijk bedoeld voor de schrijver zelf?
Komrij: ‘Natuurlijk. Het is bedoeld om mezelf voortdurend te reguleren
| | | | en in de gaten te houden - anders zou ik voor mijn tijd een of
andere weerzinwekkende kwezel worden. Dat is een gevaar dat heel veel mensen
bedreigt, vooral in een land dat voor 90 procent bestaat uit weerzinwekkende
kwezels. 95 procent.
De mensen hier nemen zich altijd op een pijnlijke wijze serieus.
Zo raak je in een dilemma: ik wil niet serieus zijn en toch au sérieux
genomen worden.
Ach, d'r gezellig een loopje mee nemen - dat is eigenlijk het enige wat me
bezielt.’
Die bezorgdheid toch. Wat precies geldt die?
Komrij: ‘Een te lelijke wereld met allemaal te lelijke mensen. Die
bezorgdheid heeft iets heel zachtmoedig utopisch, zal ik maar zeggen. Die geldt
toch de wens om uiteindelijk te komen tot een mooie maatschappij die door
zachtroze lampen beschenen wordt, waarin alleen maar achttienjarige, beeldschone
jongens in satijnen jurken rondlopen, terwijl ergens een beekje klatert, waar
mooie palmen staan te ruisen, en waarin ik zelf ook, als een soort ouwe
geilaard, doorheen mag fladderen. En alles wat van die wereld af staat, bevalt
mij niet. Dat leven wordt al heel vroeg bij iedereen verwoest. Je zou het een
soort cynisch utopisme kunnen noemen.’
Hij zegt: ‘Tot dusverre heb ik alles gedaan wat ik me voorgenomen had.
We praten nu over dat succes, die verbazing - dat zegt me daarom zo weinig,
omdat ik het vanzelfsprekend vind. Ik heb precies in m'n hoofd wat ik tot m'n
dood wil schrijven, dat is allemaal dus al klaar, het enige is: ik moet het
alleen nog af en toe schrijven, in stukjes, omdat ik het niet
allemaal tegelijk kan. Dat vergeten de mensen wel eens, dat je nooit alleen
geschreven hebt wat je hébt geschreven, maar ook al geschreven hebt
wat je gaat schrijven. Dat ik precies wist wat ik allemaal zou gaan schrijven,
dat heb ik al heel jong gehad. Vanaf m'n tiende, twaalfde.’
|
|
|