|
|
|
| |
| | | |
Renate Rubinstein
‘'t Boek is zoveel droeviger dan ik nu ben.’
Op een gegeven moment voelde ik me vrij genoeg om de zaak naar me toe
te halen. Naar me toe te schrijven - want van je af schrijven,
dat is natuurlijk échte onzin. Ik maakte notities, en die werkte ik
uit; en tijdens dat schrijven raakte ik zelf weer aangeslagen. 't Was een hele
angstige tijd geweest. Er waren dingen, die ik in mezelf vermeden had. Maar
die afstand - wat heb ik op die afstand zitten wachten! Wat heb ik niet
mijn best gedaan om er vast op vooruit te lopen. Ik had er twee verschillende
voorstellingen van, twee heuveltoppen. De ene heette Sereniteit en de andere
Victorie. Sereniteit zou een staat van contemplatieve wijsheid zijn, die een
weldadig licht zou uitstralen over het werk onder mijn handen en de mensen voor
mijn ogen. Een voorbeeld zou ik zijn van hoe de mens verlies kan omzetten in
winst, innerlijk goud dus, waar ik zeer eenvoudig en bescheiden over zou zijn,
maar dat ik tot het einde van mijn dagen zou blijven beheren. Het denkend riet,
dat nu zo zwaar gebogen was, zou zich uit eigen kracht opgeheven hebben.
Aantrekkelijker bleef niettemin het uitzicht vanaf de heuvel Victorie. Daar
woonde ik met een nieuwe man en zes nieuwe kinderen, ik was niet meer alleen, ik
hoefde nog niet sereen te zijn, ik was wat je noemt niet stuk te krijgen.
Verjonging, vernieuwing en uitslaand geluk.
Citaat uit Niets te verliezen en toch bang, het deze week te
verschijnen boek van Renate Rubinstein, over de paniek van de echtscheiding; het
onderwerp, dat vanaf '73 twee jaar lang haar
vn
-column beheerste, revisited; een strak geschrift -
mengeling van roman en essay - waarin reeds gepubliceerd materiaal aangelengd is
met stukken die pas deze zomer geschreven zijn, wat het geheel, ook voor degene
die haar kolommen regelmatig leest, het verrassingseffect van nieuw werk
verschaft.
Rijst de vraag waarom Niets te verliezen en toch bang juist zo
tot stand heeft moeten komen; waarom de schrijfster-journaliste voor dit boek
deze vorm | | | | koos, en niet, zoals bij al haar andere bundelingen, een
selectie uit louter al verschenen stukken maakte.
Antwoord: ‘Ik had die nieuwe gedeelten - bijna de helft van het boek -
dus niet in de krant durven zetten. Ze zijn zo persoonlijk, zo privé.
Een heleboel al eerder in de krant gepubliceerde columns waren ook wel
behoorlijk privé, maar die heb ik onder hoge druk geschreven, omdat
ik niet anders kon, en toch wilde blijven schrijven. Maar er bleven onderwerpen,
waar ik het niet over durfde te hebben, zoals over angst voor zelfmoord - ik
durf eigenlijk überhaupt niet over angst in de krant te schrijven. En
dat dan uit angst voor de besmettelijkheid ervan. Angst is namelijk een zeer
aanstekelijke emotie. Je moet er toch niet aan denken dat een lezeres uit
Zutphen zichzelf van kant maakt, daartoe aangezet door het lezen van een van je
stukjes.
Ik wilde ook niet over mijn eenzaamheid schrijven, want ik had toen toch wel erg
de behoefte om af en toe te laten merken dat ik erboven stond, dat ik m'n
zaakjes heus nog wel onder controle had. Een nuffig trekje, iets damesachtigs,
eigenlijk.’
Twee jaar geleden al plande uitgeverij Meulenhoff het boek, er kwam een fraaie
dummy, de schrijfster zelf echter bleef nogal ambivalent tegenover deze
onderneming staan.
‘Herfst vorig jaar werd ik ziek. Ik kreeg het besef: met dit boek moet
ik ophouden; de titel deugt al niet, Niets te verliezen en toch
bang - ik had toch nog een boel te verliezen. Daarbij kwam dat mijn
ex-echtgenoot zich juist in die tijd erg aardig, lief en hartelijk jegens mij
betoonde. En hij was altijd zo bang geweest voor dat boek. Maar wat gebeurt? Dit
voorjaar had hij een interview in
vn
en er werd hem gevraagd wat hij nou vond van die stukjes van Renate. Daar
ging hij op in, en ook al zei-d-ie-dat-ie er niet meer zo veel bezwaar tegen
had, het feit dát-ie erop inging, dat daarmee een publiek feit werd
met wie ik getrouwd was geweest, dat vond ik verschrikkelijk, dat vond ik
indiscreet. Nou is hij in het boek, zoals eertijds in de stukjes, een
emblematische figuur, De Man Die Je Verlaat, daar staat hij dan voor. Maar na
dat interview voelde ik me pas echt vrij om het boek te gaan schrijven, toen pas
had ik begrepen dat we in twee gescheiden werelden leefden. Het was tijdens die
hittegolf, het moet in juni geweest zijn. Toen kwam Simon Carmiggelt op bezoek,
die had gehoord dat ik ziek was. En ik maar klagen, dat ik me niet lekker
voelde, dat het maar niet wilde lukken met dat boek, dat ik op zoek was naar een
toon van aan-de-ene-kant-niet-spotten-en-aan-de-andere-kant-niet-klagen, dat het
maar niet ging. Maar het is nu eenmaal niet beleefd om een bezoeker lastig te
vallen met je zorgen, dus begon ik zomaar wat te vertellen, dingetjes die me in
die tijd overkomen waren. Toen heeft Simon iets miraculeus gedaan. Iedere keer
dat ik iets vertelde zei hij: “Dat moet je opschrijven.”
Ik raakte daar helemaal high van. Ik had het gevoel van: er is iets een heel
klein | | | | beetje verschoven, waardoor ineens alles op z'n plaats vale.
Jal, precies wat de psychoanalyse had moeten doen, wat geen psychiater gelukt
was. Ineens, béng. Ik belde m'n uitgever op om te vertellen dat ik
besloten had het boek alsnog te schrijven.’
Niets te verliezen en toch bang werd vervolgens in amper een
maand gecomponeerd en geschreven. Achteraf is ze er zelf nogal beduusd van; wat
Carmiggelt met haar had gedaan, kwam haar achteraf eigenlijk helemaal niet zo
bijzonder voor - ze had immers zelf wel andere mensen op die manier aan het werk
gezet, gewoon door te zeggen: ‘Schrijf dat nou zoals je 't vertelt
op. Zul je zien dat 't gaat.’ Waarom hadden anderen (ex-echtgenoot,
gewezen psychiaters) dat niet bij haar teweeg kunnen brengen? Waarom nou juist
Carmiggelt? Ze geeft het antwoord zelf: omdat ze deze schrijver als autoriteit
zier. Het overkomt haar zeer zelden dat ze iemand a priori gezag toekent. Of
eigenlijk is het nog een tikje ingewikkelder: zolang ik haar ken, verbaas ik me
over de schijnbare, of wellicht ook gemeende, naïveteit, waarmee ze
haar gezelschap tegemoet treedt; welke houding gevoed lijkt te worden door een
ongemene achterdocht. Het is - op den duur - zeer amusant om mee te maken hoe ze
een gesprekspartner argeloos de vraag stelt: ‘O ja, is dat
zo?’, waarop de aldus aangesprokene zich roekeloos in zijn antwoord
stort, om aan het eind van de rit te vernemen: ‘O, dat is dus niet
zo.’
In wezen, denk ik, bepaalt dat gedrag ook haar manier van schrijven.
‘Ik heb es een stukje geschreven over het feit dat ik altijd vragen
stel. Dat ik van die ontzéttend kinderachtige vragen kan stellen.
Daardoor ben ik er ook aan gewend om voortdúrend adviezen te krijgen.
Ik herinner me nog dat ik als klein kind al iets aan m'n vader vroeg, werend dat
dat niet zo was, écht dóm. Ik schreef daar dus over en
kreeg er een verstandige brief op van een mevrouw: dat het vragenstellen op
zichzelf een intimiteit is; het praten op zich is een intimiteit; het gaat niet
om het antwoord.’ Mij dunkt dat ze met dit antwoord zichzelf als
schrijfster-essayiste tekortdoet. Wie haar bundels doorleest, komt alras tot de
ontdekking dat haar stijl van schrijven steeds sterker bepaald wordt door een
manier van vragen die onontkoombaar leidt tot ontmythologisering; er is steeds
een antwoord in het geding, en wel het afdoende.
‘Alles wat ik geschreven heb, begint met een vraag en eindigt met een
teleurstelling.’
Zo ook in haar nieuwe boek. Démasqué alom. Misschien ook
wel tot zekere deceptie van de schrijfster. Maar komt daar dan niet, bijkans
automatisch, de vreugde bij van de ontdekking? Wellicht stemt elke vondst
dat-iets-niet-zo-is-als-men-wel-gehoopt-had tot wrevel; maar het blijft
wél een | | | | vondst. Echter, in de geschriften van Renate
Rubinstein is nooit ofte nimmer een autoriteit aan het woord; de lezer ontmoet
altoos een tot op de tanden met argeloosheid gewapende scribente, wier pointe of
clou nooit met het trompetgeschal van het gezag gebracht wordt; neen, hier wordt
bij voortduring aan het zogeheten gezonde verstand geappelleerd; de lezer wordt
bij wijze van spreken zo hoog geschat, dat de schrijfster zichzelf hierdoor de
voldoening van de vondst ontneemt. Waar moet zij vervolgens naartoe met haar
ijdelheid en hooghartigheid? Alleen de doorgewinterde autoriteit weet deze
attributen listig ten behoeve van het eigen instrumentarium om te smeden.
Uit Niets te verliezen en toch bang:
‘Mohammedanen liegen, christenen huichelen, joden
overdrijven,’ heeft iemand mij eens gezegd. Ik begrijp waar dat
overdrijven vandaan komt. Joden werden door de eeuwen heen vernederd, terwijl
zij zichzelf juist als Gods uitverkoren volk beschouwden. Niemand zag dat
blijkbaar aan ze af. Maar henzelf stemt dit bitter, als ze erover praten zit er
in hun relaas altijd iets van een geschoktheid die de andere mensen overdreven
aandoet. Zo ook ik. Ik ben vernederd, terwijl ik mijzelf juist
hooggeplaatst waande. Daarom moest ik op mijn nummer gezet worden en het is
blijkbaar een heel laag nummer. Wie van huis uit zichzelf voor een laag nummer
bestemde en dus mijn teleurstelling niet kent, kan niet anders dan vinden dat ik
overdrijf. Maar wie doet dat van huis uit? Van huis uit is iedereen een
prins of prinses en, op den duur, een jood.
Toevallig weet ik dat de joden, die zich boven alle andere volkeren uitverkoren,
achten, die zelf allerminst als een waan beschouwen - integendeel: men mag hier
spreken van een blinde vlek. Zo veel ‘joden’, zo veel
blinde vlekken; tenminste, in de zin waarin Rubinstein de benaming jood
gebruikt. Maar de mensen die zichzelf opwerpen om de waarheid ue ontdekken, zal
het allerminst vergund zijn om de hooghartigheid van het eigen martelaarschap
niet in te zien. En hier gaat het in Niets te verliezen en toch
bang, naar mijn mening, om: ook onder ‘joden’
vindt men van die waarheidszoekers. In je eentje de hoogstpersoonlijk blinde
vlek traceren; Baron van Münchhausen verrichtte lichter werk toen hij
zich aan de eigen haren uit het moeras trok, zijn arbeid was minder eenzaam.
‘Ik wilde niet een soort compendium van de echtscheiding maken. De
bedoeling, ook in de samenstelling, was, om het boek dezelfde spanning van het
gevoel zelf mee te geven. Dat was een bijna ondraaglijke spanning. Van
verlatenheid, minderwaardigheid, en heel sterk dat gevoel van: eerst was ik de
hoofdfiguur in de roman, maar ik werd er haast uir geschreven, ik mocht | | | | op den duur alleen nog maar een figurantenrol vervullen, een
bijrol, dat ik alleen nog maar mag logeren bij mensen die nog steeds de
hoofdpersonen zijn, dat ik deel drie vorm van een soort Klop op de
deur, de oude generatie, ik sta niet meer in het centrum, ook niet voor
mezelf, ik loop daar aan de rand, en ik begrijp niet hoe ik er zo uit gevallen
kan zijn.’
En weer: ‘'t Boek is zoveel droeviger dan ik nu ben. Ik voel me weer
ouderwets lekker. Misschien omdat het boek af is. Al is 't dan ook niet geworden
wat ik gehoopt heb dat het zou kunnen zijn: een werk met aan het eind een
optimistische toon erin; iets opbeurends, of zo, voor de lijdende medemens; nee,
dat staat er niet in.’
|
|
|