De interviewer en de schrijvers


auteur: Ischa Meijer


editeur: Connie Palmen


bron: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers (samenstelling Connie Palmen). Prometheus, Amsterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 200]

Renate Rubinstein

‘'t Boek is zoveel droeviger dan ik nu ben.’

Op een gegeven moment voelde ik me vrij genoeg om de zaak naar me toe te halen. Naar me toe te schrijven - want van je af schrijven, dat is natuurlijk échte onzin. Ik maakte notities, en die werkte ik uit; en tijdens dat schrijven raakte ik zelf weer aangeslagen. 't Was een hele angstige tijd geweest. Er waren dingen, die ik in mezelf vermeden had.
Maar die afstand - wat heb ik op die afstand zitten wachten!
Wat heb ik niet mijn best gedaan om er vast op vooruit te lopen. Ik had er twee verschillende voorstellingen van, twee heuveltoppen. De ene heette Sereniteit en de andere Victorie. Sereniteit zou een staat van contemplatieve wijsheid zijn, die een weldadig licht zou uitstralen over het werk onder mijn handen en de mensen voor mijn ogen. Een voorbeeld zou ik zijn van hoe de mens verlies kan omzetten in winst, innerlijk goud dus, waar ik zeer eenvoudig en bescheiden over zou zijn, maar dat ik tot het einde van mijn dagen zou blijven beheren. Het denkend riet, dat nu zo zwaar gebogen was, zou zich uit eigen kracht opgeheven hebben. Aantrekkelijker bleef niettemin het uitzicht vanaf de heuvel Victorie. Daar woonde ik met een nieuwe man en zes nieuwe kinderen, ik was niet meer alleen, ik hoefde nog niet sereen te zijn, ik was wat je noemt niet stuk te krijgen. Verjonging, vernieuwing en uitslaand geluk.

Citaat uit Niets te verliezen en toch bang, het deze week te verschijnen boek van Renate Rubinstein, over de paniek van de echtscheiding; het onderwerp, dat vanaf '73 twee jaar lang haar vn -column beheerste, revisited; een strak geschrift - mengeling van roman en essay - waarin reeds gepubliceerd materiaal aangelengd is met stukken die pas deze zomer geschreven zijn, wat het geheel, ook voor degene die haar kolommen regelmatig leest, het verrassingseffect van nieuw werk verschaft.

Rijst de vraag waarom Niets te verliezen en toch bang juist zo tot stand heeft moeten komen; waarom de schrijfster-journaliste voor dit boek deze vorm

[p. 201]

koos, en niet, zoals bij al haar andere bundelingen, een selectie uit louter al verschenen stukken maakte.

Antwoord: ‘Ik had die nieuwe gedeelten - bijna de helft van het boek - dus niet in de krant durven zetten. Ze zijn zo persoonlijk, zo privé. Een heleboel al eerder in de krant gepubliceerde columns waren ook wel behoorlijk privé, maar die heb ik onder hoge druk geschreven, omdat ik niet anders kon, en toch wilde blijven schrijven. Maar er bleven onderwerpen, waar ik het niet over durfde te hebben, zoals over angst voor zelfmoord - ik durf eigenlijk überhaupt niet over angst in de krant te schrijven. En dat dan uit angst voor de besmettelijkheid ervan. Angst is namelijk een zeer aanstekelijke emotie. Je moet er toch niet aan denken dat een lezeres uit Zutphen zichzelf van kant maakt, daartoe aangezet door het lezen van een van je stukjes.

Ik wilde ook niet over mijn eenzaamheid schrijven, want ik had toen toch wel erg de behoefte om af en toe te laten merken dat ik erboven stond, dat ik m'n zaakjes heus nog wel onder controle had. Een nuffig trekje, iets damesachtigs, eigenlijk.’

 

Twee jaar geleden al plande uitgeverij Meulenhoff het boek, er kwam een fraaie dummy, de schrijfster zelf echter bleef nogal ambivalent tegenover deze onderneming staan.

‘Herfst vorig jaar werd ik ziek. Ik kreeg het besef: met dit boek moet ik ophouden; de titel deugt al niet, Niets te verliezen en toch bang - ik had toch nog een boel te verliezen. Daarbij kwam dat mijn ex-echtgenoot zich juist in die tijd erg aardig, lief en hartelijk jegens mij betoonde. En hij was altijd zo bang geweest voor dat boek. Maar wat gebeurt? Dit voorjaar had hij een interview in vn en er werd hem gevraagd wat hij nou vond van die stukjes van Renate. Daar ging hij op in, en ook al zei-d-ie-dat-ie er niet meer zo veel bezwaar tegen had, het feit dát-ie erop inging, dat daarmee een publiek feit werd met wie ik getrouwd was geweest, dat vond ik verschrikkelijk, dat vond ik indiscreet. Nou is hij in het boek, zoals eertijds in de stukjes, een emblematische figuur, De Man Die Je Verlaat, daar staat hij dan voor. Maar na dat interview voelde ik me pas echt vrij om het boek te gaan schrijven, toen pas had ik begrepen dat we in twee gescheiden werelden leefden. Het was tijdens die hittegolf, het moet in juni geweest zijn. Toen kwam Simon Carmiggelt op bezoek, die had gehoord dat ik ziek was. En ik maar klagen, dat ik me niet lekker voelde, dat het maar niet wilde lukken met dat boek, dat ik op zoek was naar een toon van aan-de-ene-kant-niet-spotten-en-aan-de-andere-kant-niet-klagen, dat het maar niet ging. Maar het is nu eenmaal niet beleefd om een bezoeker lastig te vallen met je zorgen, dus begon ik zomaar wat te vertellen, dingetjes die me in die tijd overkomen waren. Toen heeft Simon iets miraculeus gedaan. Iedere keer dat ik iets vertelde zei hij: “Dat moet je opschrijven.” Ik raakte daar helemaal high van. Ik had het gevoel van: er is iets een heel klein

[p. 202]

beetje verschoven, waardoor ineens alles op z'n plaats vale. Jal, precies wat de psychoanalyse had moeten doen, wat geen psychiater gelukt was. Ineens, béng. Ik belde m'n uitgever op om te vertellen dat ik besloten had het boek alsnog te schrijven.’

 

Niets te verliezen en toch bang werd vervolgens in amper een maand gecomponeerd en geschreven. Achteraf is ze er zelf nogal beduusd van; wat Carmiggelt met haar had gedaan, kwam haar achteraf eigenlijk helemaal niet zo bijzonder voor - ze had immers zelf wel andere mensen op die manier aan het werk gezet, gewoon door te zeggen: ‘Schrijf dat nou zoals je 't vertelt op. Zul je zien dat 't gaat.’ Waarom hadden anderen (ex-echtgenoot, gewezen psychiaters) dat niet bij haar teweeg kunnen brengen? Waarom nou juist Carmiggelt? Ze geeft het antwoord zelf: omdat ze deze schrijver als autoriteit zier. Het overkomt haar zeer zelden dat ze iemand a priori gezag toekent. Of eigenlijk is het nog een tikje ingewikkelder: zolang ik haar ken, verbaas ik me over de schijnbare, of wellicht ook gemeende, naïveteit, waarmee ze haar gezelschap tegemoet treedt; welke houding gevoed lijkt te worden door een ongemene achterdocht. Het is - op den duur - zeer amusant om mee te maken hoe ze een gesprekspartner argeloos de vraag stelt: ‘O ja, is dat zo?’, waarop de aldus aangesprokene zich roekeloos in zijn antwoord stort, om aan het eind van de rit te vernemen: ‘O, dat is dus niet zo.’

 

In wezen, denk ik, bepaalt dat gedrag ook haar manier van schrijven.

‘Ik heb es een stukje geschreven over het feit dat ik altijd vragen stel. Dat ik van die ontzéttend kinderachtige vragen kan stellen. Daardoor ben ik er ook aan gewend om voortdúrend adviezen te krijgen. Ik herinner me nog dat ik als klein kind al iets aan m'n vader vroeg, werend dat dat niet zo was, écht dóm. Ik schreef daar dus over en kreeg er een verstandige brief op van een mevrouw: dat het vragenstellen op zichzelf een intimiteit is; het praten op zich is een intimiteit; het gaat niet om het antwoord.’ Mij dunkt dat ze met dit antwoord zichzelf als schrijfster-essayiste tekortdoet. Wie haar bundels doorleest, komt alras tot de ontdekking dat haar stijl van schrijven steeds sterker bepaald wordt door een manier van vragen die onontkoombaar leidt tot ontmythologisering; er is steeds een antwoord in het geding, en wel het afdoende.

 

‘Alles wat ik geschreven heb, begint met een vraag en eindigt met een teleurstelling.’

Zo ook in haar nieuwe boek. Démasqué alom. Misschien ook wel tot zekere deceptie van de schrijfster. Maar komt daar dan niet, bijkans automatisch, de vreugde bij van de ontdekking? Wellicht stemt elke vondst dat-iets-niet-zo-is-als-men-wel-gehoopt-had tot wrevel; maar het blijft wél een

[p. 203]

vondst. Echter, in de geschriften van Renate Rubinstein is nooit ofte nimmer een autoriteit aan het woord; de lezer ontmoet altoos een tot op de tanden met argeloosheid gewapende scribente, wier pointe of clou nooit met het trompetgeschal van het gezag gebracht wordt; neen, hier wordt bij voortduring aan het zogeheten gezonde verstand geappelleerd; de lezer wordt bij wijze van spreken zo hoog geschat, dat de schrijfster zichzelf hierdoor de voldoening van de vondst ontneemt. Waar moet zij vervolgens naartoe met haar ijdelheid en hooghartigheid? Alleen de doorgewinterde autoriteit weet deze attributen listig ten behoeve van het eigen instrumentarium om te smeden.

Uit Niets te verliezen en toch bang:

‘Mohammedanen liegen, christenen huichelen, joden overdrijven,’ heeft iemand mij eens gezegd. Ik begrijp waar dat overdrijven vandaan komt. Joden werden door de eeuwen heen vernederd, terwijl zij zichzelf juist als Gods uitverkoren volk beschouwden. Niemand zag dat blijkbaar aan ze af. Maar henzelf stemt dit bitter, als ze erover praten zit er in hun relaas altijd iets van een geschoktheid die de andere mensen overdreven aandoet.
Zo ook ik. Ik ben vernederd, terwijl ik mijzelf juist hooggeplaatst waande. Daarom moest ik op mijn nummer gezet worden en het is blijkbaar een heel laag nummer. Wie van huis uit zichzelf voor een laag nummer bestemde en dus mijn teleurstelling niet kent, kan niet anders dan vinden dat ik overdrijf.
Maar wie doet dat van huis uit? Van huis uit is iedereen een prins of prinses en, op den duur, een jood.

Toevallig weet ik dat de joden, die zich boven alle andere volkeren uitverkoren, achten, die zelf allerminst als een waan beschouwen - integendeel: men mag hier spreken van een blinde vlek. Zo veel ‘joden’, zo veel blinde vlekken; tenminste, in de zin waarin Rubinstein de benaming jood gebruikt. Maar de mensen die zichzelf opwerpen om de waarheid ue ontdekken, zal het allerminst vergund zijn om de hooghartigheid van het eigen martelaarschap niet in te zien. En hier gaat het in Niets te verliezen en toch bang, naar mijn mening, om: ook onder ‘joden’ vindt men van die waarheidszoekers. In je eentje de hoogstpersoonlijk blinde vlek traceren; Baron van Münchhausen verrichtte lichter werk toen hij zich aan de eigen haren uit het moeras trok, zijn arbeid was minder eenzaam.

 

‘Ik wilde niet een soort compendium van de echtscheiding maken. De bedoeling, ook in de samenstelling, was, om het boek dezelfde spanning van het gevoel zelf mee te geven. Dat was een bijna ondraaglijke spanning. Van verlatenheid, minderwaardigheid, en heel sterk dat gevoel van: eerst was ik de hoofdfiguur in de roman, maar ik werd er haast uir geschreven, ik mocht

[p. 204]

op den duur alleen nog maar een figurantenrol vervullen, een bijrol, dat ik alleen nog maar mag logeren bij mensen die nog steeds de hoofdpersonen zijn, dat ik deel drie vorm van een soort Klop op de deur, de oude generatie, ik sta niet meer in het centrum, ook niet voor mezelf, ik loop daar aan de rand, en ik begrijp niet hoe ik er zo uit gevallen kan zijn.’

En weer: ‘'t Boek is zoveel droeviger dan ik nu ben. Ik voel me weer ouderwets lekker. Misschien omdat het boek af is. Al is 't dan ook niet geworden wat ik gehoopt heb dat het zou kunnen zijn: een werk met aan het eind een optimistische toon erin; iets opbeurends, of zo, voor de lijdende medemens; nee, dat staat er niet in.’