De interviewer en de schrijvers


auteur: Ischa Meijer


editeur: Connie Palmen


bron: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers (samenstelling Connie Palmen). Prometheus, Amsterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 215]

Guus Luijters

De 250ste aflevering van het literaire tijdschrift Tirade (onder redactie van Jaap Goedegebuure en Geert van Oorschot) is in haar geheel gewijd aan De Nieuwe Revisor, een schimpschrift van Jeroen Brouwers, dat volgens de omslagtekst gaat:

Over de verloedering van de literaire kritiek in Nederland, een terugblik op het decennium van het kind.
Over de invloed van Guus Luijters op het klimaat in de Nederlandse letteren gedurende de jaren zeventig.
Over het web van infantilisering.
Over de Paroolschool voor kritiek en de Loebschool voor belletristiek.
Over de gympies van Theo Thijssen, de broek van Nescio, het glasraam van Willem Elsschot en het prikkeldraad in de achtertuin.
Over jeugd draagt de fakkel verder en het manifest voor de jaren zeventig.
Over De Nieuwe Revisor: een nieuwe mentaliteit voor de jaren tachtig, een ideologisch handvest.

Blijkens de inhoud handelt opgemeld pamflet voornamelijk over Guus Luijters:

i. Over de ‘criticus’ Guus Luijters en het web van verkindsing in de Nederlandse literatuur van de jaren zeventig.
ii. Over de ‘volledige bevoegdheid’ van Guus Luijters om de literaire kritiek te bedrijven.
Over de Paroolschool voor kritiek en Guus Luijters' ijverige leerling Wim Sanders.
iii. Over de leesbezetenheid en de literatuurverslaving van Guus Luijters.
Over de Loebschool voor belletristiek en de gezellige huisvriend Olof Baltus.
Over het klonendorp Oudesluis.
iv. Over de goedgevulde boekenkast van Guus Luijters.
[p. 216]
v. Over weer andere klonen; Sjoerd Kuyper en Johan Diepstraten.
Over Peter Andriesse en zijn fakkel. Opnieuw over het web van verkindsing.
vi. Wederom over de goedgevulde boekenkast van Guus Luijters, thans beschenen door ‘het ochtendrood der epigonen’.
vii. Over de kloon Henk Spaan.
Over Guus Luijters' opvolger in Het Parool, de kloon J. van Bezooijen.
Over de bloedrode lijn.
Over De Nieuwe Revisor.

Bij nadere beschouwing heeft de lezer hier voornamelijk te maken met het slappe aftreksel van een letterkundige traditie die in ons land na Hermans' Mandarijnen op zwavelzuur vooralsnog geen competente beoefenaar blijkt te hebben gevonden; dit ondanks kennelijke pogingen van Brouwers om het genoemde voorbeeld op zijn minst te evenaren - zo verluchtte hij zijn vertoog op diverse plaatsen met als olijk bedoelde plaatjes en waagde hij zich een enkele keer zelfs aan de, door W.F.H. indertijd veel inventiever gehanteerde, collagetechniek.

Bovendien bezondigt de polemicus Brouwers zich aan een, zeker in de context van het door hem gebezigde genre, onvergeeflijke stijlfout: hij trapt naar beneden en likt naar boven; hij slijmt; hij beveelt zichzelf nadrukkelijk in de gunst aan bij gerenommeerden als Hofland, Bijkaart, Grijs, Hoeben, Rubinstein, Burnier, Komrij of Peeters.

Een snelle telefonische steekproef leverde de volgende respons op.

Hugo Brandt Cortius (die als Stoker in de Volkskrant al fel reageerde op De Nieuwe Revisor): ‘Ik voel daar absoluut niets voor. Die Brouwers houdt zogenaamd een pleidooi voor wat hij dan “ventschap” noemt; in werkelijkheid echter gaat het hem puur om de vorm. Hitler was ook een vent, die heeft in Mein Kampf ook prima verwoord wat hij werkelijk meende en dat staat Jeroen Brouwers toch ook voor?

Misschien is dit voorbeeld wel flauw, maar Brouwers verwijst zelf onmiddellijk naar het fascisme.’

Gerrit Komrij: ‘Ja. God. Ik weet niet wat je daarmee aan moet. Ik kan wel voor mezelf zorgen. Hij roept mij ook op vooral op de eenmaal ingeslagen weg voort te gaan. Dat zal ik zeker doen. Maar daar heb ik hem niet voor nodig.’

 

Een criticus opperde reeds dat De Nieuwe Revisor doet denken aan Du Perrons Uren met Dirk Coster. Maar Du Perron was ongetwijfeld mans genoeg om de wil op te brengen om volledig onafhankelijk te opereren. Voorts bekleedde Coster de positie van gezaghebbend boekbespreker. En wie is Luijters dan wel? Wat houden zijn pretenties nu eigenlijk in? Welke wandaden pleegde hij, dat er een werkje van om en nabij de honderd pagina's aan hem gewijd

[p. 217]

diende te worden? Om daarachter te komen reisde ik naar Alkmaar, om in de gezellige stationsrestauratie Brouwers' slachtoffer te ontmoeten.

 

Wanneer las hij voor het eerst De Nieuwe Revisor?

Luijters: ‘Ik heb eerst die voorpublicatie in de Volkskrant gelezen. Vrijdagnacht, twee uur. Ik zat in de De Pool (hoofdstedelijk dranklokaal, red) en er kwam een man binnen die de krant van de volgende dag uitventte. Ik riep nog tegen Beppo, de barkeeper: “Ha! Fijn! De krant!” Want ik wist, dat die voorpublicatie op til was. Nou, het bleek een hele pagina te zijn. En het ging allemaal over mij! Er stond in, dat ik de jaren zeventig ben. Ik zei: “Het is niet te geloven. Ik ben de jaren zeventig zelve. Een soort koning van de jaren zeventig.”

Ik vond 't niet zo'n goed stuk, omdat er mijns inziens elke fundering aan ontbrak. Er werd voornamelijk in gescholden. Ik moet zeggen, in dat Tirade-nummer zit 't allemaal veel beter in elkaar; wat dat betreft is het een veel eerlijker betoog dan dat Volkskrant-artikel.’

 

Jan Blokker (adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, red.) was er, gezien een begeleidend schrijven, erg mee in zijn sas.

‘Blokker vindt alles wat die Brouwers doet práchtig. Zonder trommels en trompetten vindt hij ook een meesterwerk. Dat boek van Brouwers heb ik jaren geleden behoorlijk afgekraakt. Een beetje belachelijk boek. Dat vind ik nog steeds.’

 

Schrok je toch ook niet een beetje van De Nieuwe Revisor?

‘'t Is misschien raar, maar het heilige vuur van woede en razernij ontbreekt in deze. Het heeft mij kennelijk toch niet zo geraakt.

In de loop van de jaren dat ik die columns in Het Parool schreef, ben ik een aantal keren waanzinnig kwaad geworden, bijvoorbeeld als die Carel Peeters weer eens had verkondigd hoe je een boek moest schrijven. Maar dit heeft me niet op die manier opgewonden.

Het is ook zo vreemd. Brouwers schrijft zo ongeveer: Die Luijters ging maar z'n gang en niemand verzette zich ertegen - gelul, want dat gebeurde herhaaldelijk - maar waarom heeft hij dat dan zelf nooit gedaan? Vanaf 1971 heeft hij kennelijk mijn stukjes uitgeknipt, hij heeft dus achtenhalf jaar lang de tijd gehad om z'n mond open te doen - en wat gebeurt er: 27 juli verschijnt mijn laatste stukje in Het Parool en op 1 augustus trekt Brouwers de kap van zijn schrijfmachine en gaat twee maanden lang tegen me tekeer. Althans, als ik zijn datering onder het stuk moet geloven. Dat het feit dat ik ermee ophoud nu juist de aanleiding vormt om zo kwaad te worden - dan kun je iemand toch beter aanpakken als-ie nog bezig is.’

[p. 218]

Hij maakt er zich wel enigszins boos over dat zijn uitgever en een paar van zijn vrienden het nu door hem zwaar te verduren hebben gekregen - althans zo voelt hij het.

Het deed hem goed toen Olof Baltus een kaart van Lucebert kreeg met de tekst: ‘De kritiek is een meneer, maar Jeroen Brouwers is een lul.’

 

Luijters: ‘Het enige punt waarover ik me écht wel kwaad maak, is dat ik door Brouwers impliciet van fascisme word beschuldigd. Ik vind dat merkwaardig klinken uit de mond van iemand die pleit voor een Nieuwe Maffia, De Nieuwe Properheid, De Reinheid en De Grootheid van de Literatuur, die oproept tot het boycotten van een bepaalde uitgeverij, wat mij toch een vieze smaak in de mond geeft: met rode menie op een winkelruit schilderen dat je daar niet moet kopen. Door zo iemand hoef ik toch niet ongeargumenteerd beschuldigd te worden van fascisme. Want zijn stuk is toch niet geschreven om te bewijzen dat ik fascist ben. D'r worden talloze citaatjes gegeven, waarin ik het woord “jongen” gebruikt heb, of het woord “aardig” - wat is daar nou fascistisch aan? Dat zie ik niet.’

 

Brouwers maakt zich vooral druk om een soortement letterkundige kongsi, waarvan Luijters de ayatollah zou wezen.

Luijters: ‘In tegenstelling tot Brouwers heb ik nooit opgeroepen tot groepsvorming. Dat je in bepaalde periodes met bepaalde mensen bevriend bent - mág 't? Ik ben een tijd erg bevriend geweest met Henk Spaan. Nou én? Er wordt gesuggereerd dat er een groep mensen bij elkaar zit, die ervoor zorgt dat boeken van Jeroen Brouwers niet verkocht worden. Hoe? Dat ik vanuit Oudesluis en Schagerbrug gedurende de jaren zeventig - o, die vreselijke term! - geheel letterkundig Nederland naar mijn hand gezet zou hebben, dat is toch echt waanzin.’

 

Wat deed je dan wel in die tijd?

‘Na mijn pc-tijd en tevens na mijn eerste huwelijk ben ik met mijn huidige vrouw - die wel degelijk een achternaam heeft, ook al noemt Jeroen Brouwers haar consequent alleen maar Ruth; zij heet Ruth Visser - uit Amsterdam weggegaan. Dat was een wezenlijk breekpunt voor mij. Toen ben ik ook gaan schrijven. Daar was ik door alle sores nooit aan toegekomen. De essentie van de afgelopen periode is voor mij, dat ik boeken ben gaan schrijven. En dat doe ik nog steeds. En dat blijf ik ook doen. Tot groot verdriet van Jeroen Brouwers en Carel Peeters. Maar het zal toch maar moeten. Want daar hebben ze toch niks over te zeggen - gelukkig.

En dat is voor mij ook de bijsmaak, zo van: het moet maar eens afgelopen zijn met hem, het moet stukgemaakt worden, geboycot. Waarom? Godzijdank hebben ze het niet te zeggen. Zeker niet.

[p. 219]

Ik heb een tijd recensies geschreven. Dat vond ik in het begin wel leuk, moet ik zeggen. Maar ach, als je dat een paar keer gedaan hebt - zeggen dat je iets goed vindt, zeggen dat je iets slecht vindt - dan krijg je toch iets over je van: een beetje futiele bezigheid, eigenlijk, niet zo heel erg interessant. In '73 was ik met een column begonnen - als het zo uitkwam. Ik heb die frequentie opgevoerd, tot ik ten slotte met recenseren ben opgehouden. Die column heb ik altijd met plezier geschreven. Daar kun je wat meer in doen. Wat moest ik met die besprekingen? Maarten 't Hart vond ik wel mooi, Biesheuvel niet - dan zei ik: “Geef Biesheuvel maar aan een ander. Ik kan toch niet doorgaan mee te schrijven dat ik die man niet leuk vind, terwijl duizenden lezers er anders over denken.” Nou, dan prijs je je mooi de markt uit als recensent.

Die Brouwers is ook zo bloedserieus, alles wordt ernstig opgenomen.

Nu ben ik ook met die column opgehouden. Ik werk nu bij Panorama. Ik heb mijn werkterrein van Amsterdam verlegd naar de wereld.’