De interviewer en de schrijvers


auteur: Ischa Meijer


editeur: Connie Palmen


bron: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers (samenstelling Connie Palmen). Prometheus, Amsterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 230]

Jan Cremer

Jan Cremer is terug. Precies twintig jaar na het verschijnen van zijn onverbiddelijke bestseller Ik Jan Cremer doet Neerlands succesvolste schrijver aller tijden weer van zich spreken. Nu met een literair epos over de Hunnen. Samen met Ischa Meijer reconstrueerde de inmiddels 43-jarige Cremer zijn echte levensverhaal.

 

Jan Cremer: ‘Wij behoorden tot de eerste bewoners van het Acasiaplantsoen in de fabrieksstad Enschede. Een nieuwbouwbuurt uit 1945, waar overwegend turfstekers kwamen wonen die in de textiel gingen werken. 's Zondags kwamen hun familieleden over, die de hele dag hoofdzakelijk de trappen op en neer holden en de wc's doortrokken - dat was nieuw voor ze, luxe.

Ik had een Hongaarse moeder. Wij waren frömden, vreemdelingen. Mijn vriendjes mochten niet bij mij over huis komen, ik was niet welkom bij hen. Dit jongetje zijn liefste wens was om eens bij mijn moeder in de pannen te mogen kijken. Er gingen namelijk verhalen, dat wij bloedsoep aten en varkenskoppen.

Ik was de koning van de straat. Een beetje een eenling ook. Toen wij in de hongerwinter van een boer naar de stad kwamen, wist ik mij volwassen. Dat was twee jaar daarna.

In 1949 zat ik op deze katholieke school, Pathmos geheten. Wij waren heel arm. Al die jongens zijn de fabriek in gegaan, of beroepsmilitair geworden. Behalve ik dus en een bleekscheet: thans wijsgeer te Brussel.

Ik werd genoemd: Het Zigeunerjong.

Ik wist wat ik wilde worden. Het is van meet af aan geweest: hard werken en volhouden. Op mijn vijfde al was het duidelijk dat ik mij tot een groot kunstenaar zou ontwikkelen. Ik heb nooit zakgeld gehad van mijn moeder. Als jongetje verdiende ik geld door tekeningen te verkopen, voor een appel of een ei. Beeldend kunstenaar, schrijver en journalist - dat heeft mij van jongs af aan voor ogen gestaan.

Aan de overkant bij ons woonde Pa Nijgh, een heuse kunstschilder. Soms

[p. 231]

mocht ik op zijn atelier komen, als ik maar stil in een hoekje bleef zitten. Daar zag ik afbeeldingen van Degas. Die kleuren, die balletmeiden ook: prachtig! Bovendien vond ik de geur van verf meteen al prikkelend, magisch, mystiek, mysterieus.

Ik wilde tevens in het voetspoor van mijn vader treden. Die was smid, ontdekkingsreiziger en auteur van reisbrieven. Dat was voor mij: De Schrijver. Er lagen bij ons thuis allerlei manuscripten van hem. Hij is overleden toen ik twee was. Ik ken hem alleen uit verhalen.

Als kind heb je geen vergelijk. Al mijn vriendjes moesten altijd op tijd thuiskomen; die hadden een vader. Dan liep ik door de koude, stille, avondlijke straten, als laatste jongetje in de stad, een beetje zwervend, in het vroege duister van een winternamiddag, en dan bad ik: “Onze Lieve Heer, geef mij een vader.” Maar vervolgens hoorde ik overal om mij heen het kermende geschrei der kinderen die te laat waren geweest en van d'r lui vaders op hun sodemieter kregen. En dan bad ik heel vlug: “O, God, ik neem het terug. Ik heb liever geen vader.”

Op mijn veertiende ben ik van huis weggelopen! Ik ben ook een periode in Frankrijk geweest, en Algerije. Eind 1958 kwam ik terug naar Nederland.

Van de Voogdijraad, waaronder ik als Rijkspupil viel, mocht ik toen naar de Akademie in Den Haag. Dit onder de gestrenge voorwaarde, dat ik in een Jeugdtehuis zou overnachten en er de maaltijden zou gebruiken. Dat was in Scheveningen. In de zomer verdiende ik er dan nog een beetje bij door op het strand te werken: strandstoelen uitzetten, 's morgens vroeg, vóór ik naar school ging. 's Avonds drukte ik dan litho's voor mijn medeleerlingen - dat bracht ook wat op.

 

Na een paar maanden in dar Jeugdtehuis werden alle jongeren die daar woonden gedeporteerd naar andere instellingen. Ons instituut werd vrijgemaakt voor spijtoptanten uit Indonesië. Dat was begin 1959. Er kwamen tweehonderd Indonesische jongens en meisjes daar in Scheveningen wonen. Ik was de enige die daar had mogen blijven, omdat ik immers geacht werd mijn studie in Den Haag te voltooien.

Ik leerde Maleis praten. Mijn beste vriendschappen dateren uit die tijd; nog word ik op straat vaak aangesproken door mijn Indische vrienden van weleer, of door hun kinderen. Aziatische vriendschap is veel sterker, hechter dan de westerse.

Wij hadden een eigen gang. Wij leverden veel slag; vooral in de zomermaanden. Die Indonesische vriendjes van mij konden namelijk alle lekkere blonde Haagse meiden versieren. Die Indo's speelden mooi gitaar, weet je wel, en dorsten ver de zee in te zwemmen. Aldus ontstonden geweldige gevechten op de Boulevard, die zelfs nog in de kranten van destijds zijn beschreven. De politie rukte uit met jeeps en te paard.

[p. 232]

Ik was aanvoerder van de Indo's. Dit is een vriendinnetje van toen, Marietje Muis.

 

Mei 1960 zat ik op een kunstacademie in Parijs. Ik had een scooter en veel motoren - daar gaf ik al mijn geld aan uit. 's Nachts werkte ik in de Hallen, om mijn kamerhuur te betalen en wat eten.

Ik heb nooit steun gehad van de Nederlandse regering. Dat ik in Parijs kon studeren kwam door een beurs van de Fransen. Hier te lande ben ik nooit geëerd door enige officiële letterkundige instantie. Terwijl ik toch de meest verkochte en vertaalde schrijver van ons taalgebied ben. Twaalf miljoen exemplaren, hè. Maar mijn publiek bestaat niet uit mensen die ingezonden brieven schrijven, of boekkritieken.

Mijn navolgers - want er is een Jan Cremer-school - vinden wél erkenning op hun pad. Niet dat mij dit alles dwarszit, maar het dient toch wel even genoteerd. Als ik aan de grens kom, word ik met veel vertoon begroet door mijn vrienden bij de douane en de marechaussee; dat zijn mijn lezers. Dat doet goed.

 

Ik heb altijd al bekend willen worden. Dat is mij dus gelukt. Roem is vaak gemakkelijk en veelal vervelend. Naarmate je ouder wordt, groei je erin. Verder raak je er immuun voor. De eerste tijd is het nog interessant; daarna niet meer. De invloed van Ik Jan Cremer - dat is het meest verguisde boek in de Nederlandse historie. Het heeft een enorme doorbraak betekend; al wordt die cultuurhistorische aardverschuiving in de officiële letterkundige wereld allerwegen met man en macht geminimaliseerd. Alhoewel - de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat het de laatste tijd iets meevalt.

Op mijzelf heeft de verschijning van mijn eerste werk in ieder geval weinig indruk gemaakt. Mijn devies is: werken en voort! Ik word steeds weer geconfronteerd met oude projecten, die voor mijzelf in wezen weinig betekenis meer hebben.

De periode van mijn veertiende tot aan de publicatie van mijn eersteling - dat is een heel mensenleven. Ik was 22 toen ik beroemd werd. De twintig jaar die daarop gevolgd zijn, verliepen veel sneller. Daarvoor leefde ik intenser; waar ik toen een jaar voor nodig had, zou ik nu nog niet in tienmaal twaalf maanden voor mekaar kunnen boksen.

Als je zorg hebt voor je vreten, dan word je snel. Honger jaagt voort. Ik eet ook niet te veel, omdat ik altijd op alles gespitst wil blijven.

De roem heeft me toch wel veranderd. Er wordt meer op je gelet. Daarom voel ik me ook zo thuis in Amerika. Want toen ik me hier niet meer op straat kon begeven zonder dat er inderdaad een oploop ontstond, er trams stilhielden, fietsers van hun vehikel af tuimelden, automobilisten de macht over het stuur verloren en de Amsterdamse Reguliersbreestraat subiet verstopt raak-

[p. 233]

te - kon ik in New York lekker vrij een cafetaria binnenlopen voor een koel glas melk of een voedzame steak.

In Amerika is men gewend aan beroemde persoonlijkheden. Als je herkend wilt worden, ga je naar bepaalde, speciaal daartoe bestemde gelegenheden en daarbuiten laten ze je met rust.

Ik had mijn eerste boek opgedragen aan Jan Cremer en Jayne Mansfield. Toen het in de Verenigde Staten uitkwam, vond mijn agent het een goed idee om Jayne en mij aan elkaar voor te stellen, om daar een foto van te maken.

En het ongelooflijke voor de arme arbeidersjongen gebeurde: Jayne Mansfield viel gelijk op mij - en ik op haar. Diezelfde avond nog zijn we met elkaar vertrokken. Jayne en ik hebben ook nog een halfjaar door Zuid-Amerika gereisd. Het daaropvolgende halve jaar heb ik met haar in Hollywood gewoond. Vervolgens heb ik haar verlaten.

 

Hoe ouder je wordt, des te meer je van Holland gaat houden. Ik heb een tweeslachtige verhouding met mijn vaderland. Ik vertrek steeds weer.

In de jaren zestig had ik een grote liefde, Loesje Hamel, geboren Blokker. Toen mijn eerste boek uitkwam, ben ik een tijdje met haar geweest. Het was kat en hond. Wat zij wilde, wilde ik niet - en omgekeerd. Zij wilde het Grote Wereldleven terwijl ik juist een prachtige boerderij wilde, lekker rustig. Dat heb ik altijd gewild: die boerderij, met allerlei dieren - paarden, honden, koeien, katten -, plus een heerlijke boerin, met oogverblindende billen, waar je elke avond met plezier achter kon kruipen.

Aan de andere kant - ik heb wel eens aan dat boerenleven geproefd, en dan wil ik ineens weer rollebollen in New York City. Voorts verlang ik weer hevig naar het platteland.

Bij elkaar zal ik tot 1972 niet meer dan een krap jaar geschreven hebben; zeven boeken. Vervolgens heb ik elf jaar aan mijn nieuwe werk geploeterd.

Die elf jaar, dat is geweest: de volledige kluistering aan een Ideaal. Het Boek. Wat daarvóór uitgekomen is, heeft de snelheid van de jeugd.’