|
|
|
| |
| | | |
Maarten 't Hart
De schrijver: ‘Het is verschrikkelijk. Die vrouwen. Ik ben erdoor
gefascineerd, en ik doe er niks mee. Ik laat het allemaal lopen. Het is me te
veel zorg. Geen tijd voor.
Literatuur en muziek zijn surrogaten voor me. Toch heb ik het gevoel dat ik me
beter daarmee kan bezighouden dan met het eigenlijke: dat kost
maar geduld en ellende - het is te gecompliceerd. Dat eigenlijke is misschien:
dat je met een jongedame naar bed gaat, en dat alles dan helemaal goed is. Ik
weet niet hoe dat is, hoe dat werkt. Ik heb het nooit meegemaakt. Dus kan ik
niet bepalen waarvoor mijn werk nu eigenlijk het vervangmiddel is. Ik heb er
geen voorstelling van, maar ik ben wel ervan overtuigd dat dat wezenlijke
bestaat. Maar ik houd ook zo vreselijk veel van dat werk. Eigenlijk wil ik het
surrogaat niet kwijt voor het echte.
Mijn neiging tot travestie - dat ressorteert volgens mij ook onder hetzelfde
hoofdstuk als dat streven naar het ewig Weibliche. Dat wil je
dan zelf personifiëren, om er maar niet meer naar hoeven zoeken. Maar
dát lukt natuurlijk helemáál nooit. Als je het
zelf zou kunnen zijn - dan waren alle problemen opgelost; dan ben je in jezelf
genoeg: dan is het individualistische tot in de zuiverste kern bereikt, je hebt
geen ander meer nodig, en tegelijkertijd bén je het ideaal. Het
mooiste, meest onbereikbare narcisme.
Ik heb me nooit als vrouw verkleed of opgemaakt. Je weet toch van tevoren dat het
nooit echt lukt. Ik ben wel eens wezen kijken bij die werkgroep Tent van de nvsh: Travestie en transseksualiteit.
Hahahahahaha! Daar zag je al die verklede mannen - echt afgrijselijk om naar te
kijken. Je hoeft toch maar een stukje van een rug te zien, en je weet of het een
man of een vrouw is. Dat verschil krijg je nooit weg. Dus heeft het geen enkele
zin om ook maar een stap in de richting van dat ideaal te doen. Laat staan dat
je je zou laten ombouwen. Dan zie je zo'n man die dat heeft laten doen - maar
dat typisch manlijke bierbuikje hebben ze toch maar mooi niet weggekregen. Die
was wasvrouw in een ziekenhuis geworden. Want die mensen moeten zich met de | | | | rotste baantjes tevredenstellen. Al dat statusverlies komt er ook
nog eens bij.
Dat schrijven heeft mij inderdaad een zekere status verschaft. En daar gaat het
natuurlijk ook voor een groot deel over. Ik vind het echt leuk dat ik dit
bereikt heb.
Aan de andere kant heb ik niet zo'n grote achting voor mijn schrijverschap. Ik
beschouw het niet als een echte verdienste. Soms is het goed, dan weer niet. Ik
kan snel en raak mensen typeren, ik schrijf een redelijke dialoog, maar ik ben
nou niet direct een geweldig stilist. Als je de hele Nederlandse letterkunde van
nu neemt - en dan reken ik Hermans en Reve niet mee; die zijn van een andere
generatie -, dan sla je toch geen slecht figuur. Waarbij aangetekend moet worden
dat ik de hedendaagse vaderlandse literatuur niet zoveel waard vind. Binnen wat
het dan wél voorstelt ben ik een van de beteren. Vergeleken bij
Tolstoj, Dickens of Gotthelf ben ik helemaal niets - en al die andere
collega-schrijvers van mij delen dat lot ook. Maar hoe het ook zij, ik ben
interessanter dan enige Revisor-schrijver.
De Nederlandse literaire kritiek heeft veel te veel belangstelling voor de
techniek van het schrijven; voor het schrijven over het schrijven. Er heerst te
weinig het besef dat je als literator toch vooral ook iets te vertellen moet
hebben - dat idee is momenteel weg.
Ik heb dit te vertellen: dat ik uit een milieu kom dat hier te lande nog
nauwelijks of niet beschreven is. Door die afkomst kijk ik ook heel anders aan
tegen de universitaire wereld waarin ik werkzaam ben: tegen intellectuelen,
tegen al wat met dat soort lieden te maken heeft. Ik heb een andere kijk op de
zaken dan je gewoonlijk van Nederlandse schrijvers krijgt die in die
intellectuele kliek zitten.
Onder professoren is geschreven, ja, en dat is een aardig boek;
maar bij lange na niet uitputtend. Omdat nog niet geschreven is: Onder wetenschappelijke medewerkers; een boek dat ik van plan ben te
maken. Wat zich in de lagere regionen van de universiteit afspeelt, is nog niet
genoteerd. Die hele hiërarchie, met dat fluctuerend conglomeraat van
de studenten, die overal tussendoor lopen en eigenlijk nergens bij horen. En dan
de laagste laag: de spoelmeisjes in de laboratoria, de werksters die de gebouwen
schoonhouden - wie heeft daar ooit iets over verteld? Verder het
technisch-administratief personeel - hoe ondergaan die het, dat zij het
eigenlijke werk doen terwijl de hoogleraren en de wetenschappelijke ambtenaren
het publiceren, met de eer gaan strijken, ook wanneer ze niks gedaan hebben?
Echt waar. Ik heb het gezien. Wetenschappelijk onderzoek hangt in de meeste
gevallen volledig van de analistes af; als je een goeie analiste hebt, zit je
geramd - en zo iemand wordt dan hoogstens in de acknowledgement genoemd, en zelfs dat vaak niet. Daarover is niets bekend.
Het merendeel van onze schrijvers mag dan wel uit intellectuelen bestaan, maar
het zijn over het algemeen alfa's, en niet - zoals ik - bèta's. | | | | Ik kan heel goed in hiërarchische structuren denken. De
literaire kritiek hier werkt min of meer volgens hetzelfde principe als dat
universitaire milieu. Wat men in Nederland van oudsher onder échte
literatuur verstaat, was tot voor kort louter en alleen afkomstig uit de hogere
standen. Een schrijver als Theo Thijssen is altijd ondergewaardeerd omdat hij
van proletarische afkomst was. Een waardering als die voor Jan Wolkers was ook
pas mogelijk na de oorlog - daarvóór zou die appreciatie
vast en zeker niet bestaan hebben; daarvóór was
letterkunde iets van de hoogste sport op de maatschappelijke ladder: Boutens,
Leopold; een bepaalde klasse - en zo is het nóg wel een beetje: Jan
de Hartog is eruit gevallen omdat hij niet tot de goede stand behoorde. En in
mijn geval is dat zonder enige twijfel ook de onderliggende rancune. Ik ben van
zeer eenvoudige komaf, en heb als auteur iets bereikt. Dat mag niet, dat
kán toch eigenlijk niet. En de meest linkse critici zijn het felst
tegen me - omdat deze lui die antithese het sterkst ervaren, denk ik. Ik ken het
laagste milieu van haver tot gort, maar zij stammen uit de betere kringen en
zijn, om wie weet welke reden, marxistisch geworden.
Dat klassenverschil is een slopende kwestie. Het is in dit land een taboe. Er mag
niet over gesproken worden. Het bestaan ervan wordt categorisch ontkend. Het
komt pas naar buiten in de ziekenhuizen en op de begraafplaatsen: eerste, tweede
en derde klasse. Maar daarbuiten doet iedereen alsof Nederland een democratisch
land is. Alsof hier geen klassenonderscheid bestaat. En het regeert hier veel
erger dan bijvoorbeeld in Engeland, waar het tenminste openlijk uitgesproken
wordt. Hier is het onbespreekbaar - dat geloof ik echt. Het feminisme is toch
ook echt iets van een groep gegoede dames; upper middle class,
en wat daaronder zit, telt eenvoudigweg niet mee.
Ik voel mij altijd van lage komaf. Mocht ik naar de hoeren gaan: liever op de
wallen dan in een chic bordeel. Alles moet goedkoop. Ik rijd op een oude fiets.
Ik reis ook nooit eerste klasse in de trein. Ik draag oude kleren. Ik vul mijn
belastingformulieren zelf in, en dat gaat heel eenvoudig, want aftrekposten heb
ik niet. Ik spreek niet over lunch, en het woord diner gebruik ik al helemaal niet - dat is middle class, en dat haat
ik. Ik voer mijn eigen, kleine klassenstrijd. Ik voel mij een gehavend mens, of
liever: displaced; nooit volledig op mijn gemak, en zeker niet
in dat intellectuele universiteitsmilieu. Een permanent gevoel van onbehagen.
Bij mijn buurman in Warmond, daar voel ik mij pas op mijn gemak; bij die boer;
die is even rijk als ik - maar het is toch geen kwestie van geld, het is een
zaak van klasse. Hoe men praat. En waarover. Ook hoe God ter sprake komt.
Ik word steeds religieuzer. Ja. Een gevaarlijke ontwikkeling. Het bidden
vóór het eten is niet meer veraf. Het valt mij almaar meer
op dat ik daar behoefte aan heb. Ik verlang naar de kerk - ook als gebouw. Dat
kan zich niet uiten. Daar is voor mij toch geen basis voor. Ik heb er alleen
maar behoefte | | | | aan. Ik wil houvast, en ik krijg dat maar niet. Mijn
droom is: zo'n houten kerkje, met eenendertig andere uitverkoren broeders die
nog lange noten kunnen zingen. Dat het echt waar blijkt te zijn. Hetzelfde als
die gedroomde seksualiteit: onbereikbaar. Die zaken zijn sterk met elkaar
verbonden.
Ik ga terug naar het geloof. Die mijn werk aanvallen, snappen niets van het
geloof. Dat vind ik spijtig. Wat dat betreft ben ik een vrome jood die het
jammer vindt dat niet alle andere mensen ook joods zijn.
De anderen missen iets. Ik vind ze niet goddeloos - zo ver wil ik niet gaan; maar
het raakt er wel nauw aan. Ze missen een orgaan voor God.
Op het ogenblik kan ik het wel enigszins met God klaren. Via de muziek; Bach.
Maar de werkelijke vertroosting is er - nog - niet. Ik ben verpest door mijn
wetenschappelijke carrière. En dat bepaalt ook mijn weerzin tegen dat
universitaire milieu. En mijn salaris gaat per maand wel vijf tientjes omlaag
vanwege de bezuinigingen. En dat heeft er óók mee te
maken. Geld is voor een calvinist toch de uitwerking van het geloof. God en geld
gaan heel goed samen; horen hoe dan ook bij elkaar. God heeft medelijden met
mensen die jaloers zijn om al het geld dat ik verdien. Ja. Calvinisme en
kapitalisme liggen dicht bij elkaar.
Ik heb me niet van het geloof afgekeerd, maar God heeft mij in de steek gelaten.
Ik ben niet uitverkoren. Ik sta nu eenmaal niet in het Grote Boek. Omstreeks
1950 is dat gebeurd. Dat heeft Hij zo beslist. Hij kan ja of nee zeggen. Daar
doe je niks tegen. Dat ligt dan ineens vast. Dat voel ik zo - in mijn diepste
wezen. Esau heeft Hij gehaat en Jakob heeft Hij liefgehad. Zo willekeurig. Zo
ingrijpend. Zo verdrietig. Aardige lui in de steek laten en zo'n achterbakse
figuur als koning David accepteren. Dan moet Hij het zelf ook maar weten.
Mijn critici begrijpen het niet - met uitzondering van Aad Nuis. Maar Hij zal ze
nog op hun donder geven. Psalm 68: De Heer zal opgaan tot de strijd
/ Hij zal Zijn haters wijd en zijd / verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Als kind dacht ik: ik heb geen haters; niemand haat mij. Toen kon ik dat niet
met een goed geweten zingen - nu wel; ik heb nu zo veel haters. Ik ga nu niet
meer naar de kerk, maar die psalm zing ik met liefde, op de fiets zing ik nog
altijd die psalmen. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht /
voor de ogen van mijn wederpartijders. Zij, mijn critici, zijn de
wederpartijders, en zij krijgen de tafel niet aangericht maar ik. Ja, toch? Zij
worden toch niet in het Engels vertaald. En dat moet Hij toch gedaan hebben.
Door het lot gedreven, voel ik mij als een heilssoldaat. Ik kan mij zeer in die
mensen vinden. Voor hetzelfde geld was ik er een geweest.
God is overal in mijn werk. De vaderfiguur in De aansprekers,
de dood door kanker in Een vlucht regenwulpen, de op niets
uitlopende liefde in De ortolaan. | | | | Ik kan er niet
meer in geloven: maar als Hij mij terugneemt - o, gráág.
Maar Hij wil niet. Daar is geen vat op te krijgen. Het moet voor mij, altijd
weer, langs de omweg van een verhaal.
Mijn critici begrijpen het niet, ze snappen het niet, ze hebben het geloof niet -
ze kunnen ook maar een beetje gelukkig worden. God zal Carel Peeters niet tot
Zich kunnen nemen want Carel begrijpt er niets van. God lacht om de Revisor-schrijvers, want Hij lacht om gewichtigdoenerij. God vindt
Carel Peeters een goed en zeker ook een integer criticus; dat wel - maar ja,
Carel heeft nu eenmaal een paar blinde vlekken. Carel meent het best goed, dat
vind ik - en dat correspondeert zeker met wat God van hem vindt, o ja. De
huiskamer van wereldformaat, daar houdt God helemaal niet van, van dat soort
praatjes. Maar aan Willem Kuipers heeft God echt een grote hekel; de
vooringenomen, slechte man haat Hij. Paul Beers vindt Hij een vunzig en akelig
kereltje. Hij heeft zelfs geen mededogen met hem; daar is die Paul Beers te
onbelangrijk voor. God heeft wél schik in de feministen; dat zijn
tenslotte goede vrouwen die alleen maar een beetje rare kletskoek uitslaan.
Ik ben verdoemd, en dat moet ik maar accepteren. Als Hij de verkering weer aan
wil maken zien we wel weer. Had ik maar niet de boeken ven Nietzsche moeten
lezen - dat heeft de zaak niet veel goed gedaan. En trouwens, God kan ook berouw
krijgen - lees het boek Jona maar. Het kan, hoe dan ook, goed komen, ik weet ook
wel hoe - en dat is heel feitelijk - maar dat vertel ik niet, daar heeft niemand
iets mee te maken.
Wat er ook van komen mag, God en ik zijn de laatste tijd weer on
speaking terms. Hij heeft mij een idee geopenbaard, maar ik heb me nog
niet jegens Hem uitgesproken.
Als jongetje al wilde ik dominee worden. Het lijkt mij nog steeds fantastisch.
Maar ik heb niets te vertellen; ik heb geen echte boodschap. En dát
is frustrerend. Dat je niet écht iets te brengen hebt; dat je alleen
maar kunt zeggen: Ik schrijf die boeken. Ik heb geen ware,
eerlijke, oprechte boodschap. Die zou trouwens alleen maar te verkondigen zijn
aan de werkelijke gelovigen; en daar val ik zelf ook niet eens meer onder. Ik
behoor niet eens meer tot mij eigen gehoor.
Maar ik heb nooit getwijfeld aan het bestaan van God. Dat is echt zo. Ik heb geen
kinderen. Ik weet dat ik het vreselijk zou vinden als ik kinderen had, die in
niets zouden geloven. En hoe zou ik hun zonder gewetensconflict iets over God
kunnen vertellen? Daarom heb ik geen kinderen.
Er is één bijbelverhaal dat ik als kind tientallen keren
heb overgelezen. De man Gods uit Juda. Dat men, geroepen door God, vol goede
bedoelingen kon afreizen, Zijn taak uitvoerde, weer huiswaarts keerde, en dan
door een valse profeet voorgelogen kon worden, en van het goede spoor kon
afraken, zonder dat die man Gods daar zelf iets aan kon doen, en niettemin
bestraft | | | | werd met de dood door leeuwenklauwen. Ik kon dat maar
niet verwerken. Men kon een man Gods zijn, en toch gedood worden. Men kon
geroepen zijn, en toch op de verkeerde weg gaan. Men kon gedoopt zijn, en
gelovig zijn, en toch verworpen worden. Dat is God. Volkomen ondoorgrondelijk.
Het ene moment niet via een valse profeet werkend, het andere moment
wél.
Al mijn werk gaat erover, dat ik God zoek - die oude, aardige, wijze man, en van
Zijn erf geworpen word; over de vrouw die niet aangeraakt kan worden; over de
wens om van geslacht te kunnen of mogen veranderen - dat hangt samen, dat vormt
allemaal één groot complex. De hele Ortolaan gaat erover. Over de uitverkiezing - en dat meisje representeert
dat alleen maar; dat zij niet wil, is alleen maar een metafoor: God wil het niet. Tuurlijk. En niemand begrijpt het. Behalve Aad Nuis.
Om het Oude Testament heb ik altijd veel meer gegeven dan om het Nieuwe. In deel
twee van Zijn boek doet hij voorkomen alsof er een soort tussenfase zou zijn,
een schakel tussen Hem en de mensen, waardoor alles opgelost zou kunnen worden;
een Messias. Maar dat kan niet bestaan; dat is nep, flauwekul, bedrog.
Als ik een kerk zou stichten, zag die eruit zoals het in mijn jeugd was: allemaal
van die mannenbroeders die binnenkomen, eerst netjes gaan staan in de banken,
dan de pet afnemen om tot God te bidden. En ik zou nooit met een middelaar als
Jezus of zo werken - het zou er oudtestamentisch toegaan. Wien heb
ik nevens U omhoog? Er is niets tussen God en de mensen in. Het is: Hij
en ik.
Mijn literaire ideaal is precies datgene dat voor een ander niet meer
toegankelijk zou zijn; een expressie van zo iets individueels dat het
onbegrijpelijk zou zijn.
Nu moet ik mij nog behelpen met al de metaforen waarin ik mijn dialoog met God
vervat.
Ik had nooit moeten doorleren. Dat was misschien wel beter geweest. Hoewel. Dan
zou ik weer gefrustreerd zijn geweest door al die ambities, al die intellectuele
capaciteiten die braak hadden gelegen, dat heb ik toch kunnen zien aan mijn
grootvader en mijn ooms; al die mannen waren zeer gefrustreerd; het enige dat ze
konden doen, was tomaten plukken; en al hun verdere capaciteiten konden,
móchten niet aan bod komen. Tragisch. Want als je - zoals ik - uit
dat milieu treedt, heb je daar ook weer niks aan. Niets biedt soelaas.
God vindt bepaalde dingen in mijn werk wel goed. Het hoofdstuk “Als
Henoch” uit De aansprekers, bijvoorbeeld, daar was
Hij zeer tevreden over - dat vindt Hij gewoon goed. En een verhaal uit De zaterdagvliegers. Die passages | | | | gaan dan
altijd over een kind dat een vader zoekt op wie het zich blindelings kan
verlaten.
Jakob vocht met de engel. Daar herken ik mij zeer in. Jakob raakte gewond aan
zijn heup. Dat komt ook in al mijn werk, steeds weer, terug: dat iemand kreupel
is, of zijn voeten niet goed kan gebruiken. Waar dat over gaat? God mag het
weten. Maar dát is de essentie. Het klaarkomen met God. Waardoor je
niet meer goed kunt lopen.
Dat ik een vrouw zou willen zijn - daar is Hij op tegen, maar Hij begrijpt dat
dat bij mij allemaal onderdeel is van hetzelfde verschijnsel; namelijk: het
zoeken naar de mogelijkheid om contact te maken met het meest wezenlijke dat in
mijn binnenste zit, en dus met Hem zelf. Nader tot U.
Die schreef Gerard Reve mij, in een brief die ik ter vertroosting boven mijn bed
zal hangen:
Hij, 't Hart, typeert goed; hij kan een sfeer reeds mer minieme
middelen treffend oproepen; zijn dialogen zijn overtuigend; hij neemt de
vereiste afwisseling van directe rede, indirecte rede en verbindende mededeling
doeltreffend in acht. Het enige wat ik, maar misschien een ander niet, enigszins
mis, is het meegesleept worden door een diep, alles doordringend, mythies
gevoel. Anders gezegd: er is geen wereldbeeld. Het is een gemis, maar dat geldt
thans voor bijna alle Nederlandse auteurs. En wie in een infantiel, letterlijk
fundamentalisties godsbeeld is opgevoed, zal heel moeilijk, zo ooit, nog
toegankelijk blijven voor enige religieuze ervaring.
Ik heb in de loop van mijn leven een heel precies, sluitend en perfect godsbeeld
ontwikkeld dat mij altijd vergezelt, waaraan ik altijd denk, waarmee ik altijd
rekening houd. Wanneer ik een heel eenvoudige handeling verricht als het plassen
in de openlucht, dan denk ik ook aan God. Dus dan pies ik het liefst tegen een
bliksemafleider; omdat als Hij zou zeggen: Ik roep hem nu, dat
Hij dan zonder al te veel moeite, met een eenvoudige snelle flits er een einde
aan kan maken. Ik mag graag een stapje in Zijn richting doen.’
|
|
|