terug  begin  verderprepost
[p. 241]

Hella Haasse

De schrijfster: ‘Mijn vader was hoofdinspecteur van financiën in Indië. Een zeer veelzijdige man, die gretig las, voor alle mogelijke zaken belangstelling had; die zelf zijn radio en sterrenkijker bouwde. Hij reisde veel, door de ganse archipel.

Mijn moeder was pianiste. Een kleine, heel vrouwelijke vrouw; zoals je je een charmant dametje uit de oude tijd voorstelt. Ze speelde soms wel acht uur per dag, had leerlingen, gaf recitals.

Er bestond geen vertrouwelijke band tussen moeder en dochter.

Ik ging naar Holland, om Nederlands te studeren. Later werd het Scandinavische letteren. In het begin van de oorlog ben ik daarmee opgehouden. Ik vond het ongepast om me onder die omstandigheden te verdiepen in zoiets als oer-Germaanse heldensagen. Toch wilde ik een vak leren. Het werd de toneelschool.

Theater ligt heel dicht bij me. Toen ik nog niet kon schrijven, speelde ik mijn bedenksels al. Mijn leven is altijd gericht geweest op het vormgeven van wat ik fantaseer: opvoeringen, in zekere zin. Wanneer ik was doorgegaan met toneel, had ik mij dan ook hoogstwaarschijnlijk ontwikkeld tot regisseur.

Als beginnend actrice bij Laseur begon het mij dwars te zitten. Ik hield het niet vol. Ik wou dat helemaal niet meer. Het was een gespleten leven - zo vreemd en zinloos om in die oorlogstijd brieven op te brengen, of als jonge, vrolijke vrouw in een zorgeloze komedie op te treden.

Het creëren van personages in mijn werk is een soort naar binnen gekeerd toneelspelen. Ik moet ze in me voelen. Ik betrap me er tijdens het schrijven wel op dat ik, wanneer ik mijn figuren bijvoorbeeld iets laat zeggen, zelf de mimiek heb, of doe zoals ik denk dat iemand in zo'n situatie doet - in zeker opzicht speel ik ze. Ik moet ze op een of andere wijze zijn, en ik ben ze ook enigszins - want anders zou ik ze niet kunnen maken. Zo ontstaat er een zeker totaaltheater. Ik bouw de decors, ik regisseer, ik acteer. Innerlijk toneel. Dar heb ik het sterkst ervaren tijdens het werken aan Het woud der verwachting. Zo veel personen die mij zo geweldig in hun ban hielden, en aan de an-

[p. 242]

dere kant ook weer zo moeilijk te pakken waren, omdat ze zich zo ver van je af bevonden. Dat is de kant van het schrijverschap, die me altijd weer verbaast: dat je op een gegeven moment overstapt in, laat ik zeggen, een klein model van de werkelijkheid - daar zit je in, en dan ben je tot op zekere hoogte al die mensen. Zo gaat het schrijven en het spelen bij mij gelijk op. Ik ben meer verweven met de figuren in mijn boeken dan ik ooit zou kunnen zijn met een rol op het toneel. Echt acteren is toch: make believe. Het schrijven van romans biedt me meer mogelijkheden om mij met al die wezens te identificeren; mannen, vrouwen, kinderen, jongens, meisjes - als schrijfster kan ik in elke huid kruipen.

 

Er is een diep verlangen in mij om de mensen die ik in mijn boeken tot leven wek, te begrijpen. Ik ben toch geen marionettenspeelster. Maar ik zou ook weer niet willen stellen dat ik door die figuren geleefd word. Het is voortdurend een wankel evenwicht. Meestal zijn de elementen van een roman gedurende zeer lange tijd in mij ontstaan. Het is nooit zo dat er ineens in mij een omgrensd idee opkomt; het zijn altijd constructies of samenvoegsels van onderdelen, die soms al wel tien, vijftien, twintig jaar tevoren in mijn bewustzijn zijn gekomen, op een moment dat ik niet wist wat ik ermee kon of moest doen. Opeens valt dan een aantal van die bouwstenen samen, vormt een onaf geheel dat leven moet worden ingeblazen.

Ik reed laatst in een trein door de weilanden, en zag daar een dode zwaan liggen. Dat bracht een kettingreactie in mij op gang, herinneringen, beelden, waarvan ik niet eens wist dat ik ze bewaard had - en zo doemt dan een vage tekening, een zekere structuur op. Ik weet niet wat het gaat worden, maar er moet iets ontstaan.

In '38 ben ik uit Indië weggegaan, na acht jaar heb ik mijn ouders pas weergezien. Een jaar vóór ik Oeroeg schreef.

Je ziet elkaar terug, en je hebt allemaal een belangrijke periode in je leven doorgemaakt. Je bent veranderd, ouder geworden. Je zou een andere relatie tot elkaar moeten hebben. Maar ik heb geconstateerd dat dat bijzonder moeilijk is. Als niet-volwassene droomde ik soms, hoopte ik vaak dat er later een verhouding met mijn ouders zou ontstaan van echte vrienden. Toch bleven wij onwillekeurig steken in het klassieke patroon van de ouder-kindrelatie. Ach, ik denk dat dat bijna iedereen overkomt. Hoe dan ook, je leert aanvaarden dat dit een heel normaal gebeuren is. Je bent anders dan je ouders en leeft in een andere tijd dan je vader en moeder. Onvermijdelijk.

Mijn vader is gestorven toen hij 67 was; één jaar ouder dan ik nu ben.

We hadden een afstandelijke verhouding tot elkaar. Er heerste een goede, harmonieuze sfeer in mijn ouderlijk huis, zonder dat er sprake was van een innige ouder-kindverhouding. Je kunt een ongelukkige jeugd hebben, en desalniettemin een intieme relatie tot je ouders. Voor mij betekende het

[p. 243]

doorzien van de situatie waarin ik als kind ben opgegroeid: afstand nemen en die ook bewaren - terwijl ik toch steeds mijn best gedaan heb om ze te begrijpen. Je vraagt je almaar meer af: hoe zijn ze zo geworden als ze zijn? Het was ontzettend moeilijk om daarachter te komen. Mijn ouders waren zeer gereserveerde mensen, met een zeker pudeur ten opzichte van hun kinderen.

Van mijn zesde tot mijn negende heb ik niet bij mijn ouders gewoond, omdat mijn moeder toen in Davos kuurde. Moeilijke fase. Kinderen in die levensperiode hebben een ontzettende behoefte aan hun ouders - dat heb ik ook later kunnen merken aan mijn kinderen. Wanneer het waar is dat toneelspelers vaak mensen zijn die zich met een ongelukkige jeugd proberen te verzoenen door een voortdurend uitlenen, in procuratie geven van hun gevoelens aan uit te beelden personages, dan zou mijn spelen annex schrijven inderdaad wel een poging kunnen zijn om die lacune in mijn verleden te overbruggen. Maar zulke processen voltrekken zich veelal onbewust. Soms weet ik het, dan weer niet. Dat ik het meeste van mezelf laat zien via figuren in mijn werk - dat is heel wel mogelijk. Maar het is zo moeilijk om hierover te praten alsof je erbuiten staat.

Mijn moeder was de laatste jaren van haar leven volledig verzonken in zichzelf, niet meer helemaal bij de tijd. Ik had toen ontzaglijk veel medelijden met haar. Dat ze zo moest wegdrijven uit de werkelijkheid. Ik vond dat verschrikkelijk om aan te zien. Ik werd de moeder van mijn moeder. Zij is ten slotte mijn kind geworden. Ik heb mijn best gedaan om haar te laten voelen hoe intens ik met haar meeleefde. Dat heeft een enorme verruiming voor me betekend, een bevrijding.

Na de dood van mijn vader heb ik een onvoltooide politieroman van hem afgemaakt. Er waren geen aantekeningen. Het was werkelijk een heidens karwei. Ik heb echt als een detective dat werk van hem moeten uitpluizen. Mijn vader liet me altijd zijn boeken lezen, en was blij met opmerkingen erover; maar hij was zeer terughoudend over zijn stof en manier van werken.

Doordat ik dat boek van hem afschreef, was er een zekere link, een aanknopingspunt met hem. Zo kon ik, ofschoon hij er niet meer was, toch nog in zijn gedachtewereld verkeren.

 

Omsloten door de natuur van Java was daar dat huis, waar iedereen zijn eigen dingen had. Mijn vader die in zijn kamer zat te knutselen, mijn moeder speelde piano, mijn broer had zijn eigen liefhebberijen, en ik zat te tekenen, of te schrijven. Zo waren wij bij elkaar, en met behoud van alle distantie heerste er een heel prettige sfeer. Gezellige Einzelgänger.

Mijn werk gaat doorgaans over raadsels die opgelost moeten worden. Ik weet niet waarom. Het is in ieder geval geen morbide belangstelling naar verborgenheden die koste wat het kost ontsluierd moeten worden, maar meer het besef dat bijna alles een teken is waarachter iets anders zit.

[p. 244]

De meeste boeken die ik geschreven heb, gaan over mensen die alleen of in groepsverband iets moeten ontmaskeren, en terwijl ze daarmee bezig zijn, worden er geleidelijk allerlei zaken onthuld - over henzelf, door henzelf - met betrekking tot de relatie waarin ze tot elkander staan. Tekening die oplicht uit een donker fond. Ik wil naar boven schrijven, te voorschijn schrijven - en dat is haast nog belangrijker voor mij dan dat naar binnen gekeerde acteren. Dat spelen is het middel voor mij om dat verborgen patroon op te roepen, niet het doel.

Waarom die historische romans? Wat is het verleden? Heb ik daar dan niets mee te maken? Het is toch allemaal niet zo ver weg. Als ik vijf, zes keer de leeftijd die ik bereikt heb - en wat is dat nou helemaal - terugreken, dan ben je al heel wat jaren van nu verwijderd - maar het is niet veel. Ik verbeeld me niet dat ik het verleden kan begrijpen, maar ik wil er zo dicht mogelijk bij komen. In het verleden kan ik vaak meer uitdrukken dan in het heden. Wat nu is valt moeilijk te overzien, terwijl je in de geschiedenis meer kunt herkennen over wisselwerkingen tussen mensen, oorzaken en gevolgen, de wetten die relaties beheersen; dat kun je allemaal beter zien omdat het zich al voltrokken heeft.

Schrijven betekent zeer zeker voor mij: ordenen, maar dan niet op een bewuste manier.

De oorlog heeft me in aanraking gebracht met de werkelijkheid. Mijn jeugd was irreëel. Mijn ouders hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt in het jappenkamp. Daar hebben ze me naderhand ook over verteld. Toch heb ik ze nooit kunnen bereiken. Maar dat gevoel hadden zij niet. En dat is iets zeer wezenlijks. Over dat soort gebrek aan communicatie gaat mijn werk eigenlijk.

Tot op een bepaald punt in mijn leven zijn mijn boeken wel degelijk mededelingen aan mijn ouders geweest - zoals dat hele werk in feite uit mededelingen aan een heleboel andere mensen bestaat. Schrijven is voor mij de beste manier om dingen te zeggen. Een ander kind zou er misschien tegen ingegaan zijn, zich verzet hebben of een ander vak hebben genomen. Ik voelde mij nu toevallig van meet af aan vertrouwd met fantaseren, spelen, schrijven.

Ik vermoed dat ik met Zelfportret als legkaart een periode heb afgesloten, waarin ik de kloof tussen mijn ouders en mij probeerde te dichten. Dat boek betekende een cesuur. Voordat ik aan dat boek begon, besefte ik in hoe hevige mate in mijn werk sprake was geweest van onbewust projecteren.

Daarom ook schreef ik Zelfportret: om mezelf te dwingen na te denken over het nu en hier, waarin ik toen leefde.

Schrijven is toch eigenlijk: in de grootst mogelijke eenzaamheid communiceren. En de lezer kan het in de grootst mogelijke eenzaamheid tot zich nemen. Het Indië van mijn jeugdjaren. Steeds meer besef ik hoe belangrijk die tijd, die sfeer voor mij geweest is, hoeveel ik er ook aan te danken heb. Naar-

[p. 245]

mate ik ouder word, besef ik dat het iets is om heel blij mee te zijn.

Het is voor mij ook zo merkwaardig om de ontwikkeling van mijn eigen kinderen te zien. Zo verrassend: hoe uit mensen van wie je de eigenschappen aanvankelijk nog niet duidelijk kunt herkennen of determineren, zich persoonlijkheden ontwikkelen in wie je van allerlei terugvindt en herkent wat je in jezelf of in je man of in je ouders hebt gezien - maar dan op een totaal andere manier. Dat komt allemaal terug, maar omgewerkt, in een andere vorm gegoten. Je ziet iets essentieels terug, maar het heeft een volstrekt eigen gedaante gekregen. Her zijn volkomen op zichzelf staande mensen.

 

Ik ben altijd bezig. Ik heb altijd mijn leven thuis gehad, met mijn echtgenoot, de kinderen en mijn werk. In zo'n bedrijfje gaat een hoop werk zitten. Daarvoor hebben een heleboel dingen moeten wijken. Het is geen kwestie van een beschermd bestaan, maar veeleer van een teruggehouden leven. Ik ben absoluut niet iemand die bang is voor het dagelijks bestaan, hoor. Maar ja, toen wij nog in Amsterdam woonden, had ik gewoonweg geen tijd om onder de mensen te komen, behalve dan voor mijn werk. Er waren te veel dingen die gedaan moesten worden.

Ik ben er niet zo erg op uit om direct met iedereen contact te leggen. In Indië had je de traditie dat je alus moest zijn; wat zoveel wil zeggen als: tegemoetkomend aan andere mensen; dat was de grootste vorm van hoffelijkheid. Waarbij de aantekening, dat ik niet alus kan zijn tegen iemand die ik niet kan uitstaan. Dat is me door die Indische omgeving ingeprent, en dat wordt dan je tweede natuur. In zekere zin een gemakkelijke manier om niet diep op mensen te hoeven ingaan.

 

Het luisteren naar de structuur van de muziek die mijn moeder vroeger speelde, heeft zeer veel voor de vorm van mijn werk betekend.

Mijn vader keek door zijn kijker naar de sterren, liet mij alles zien, bracht me in aanraking met literatuur. Mijn moeder bouwde vormen uit muziek. Ze had als ex-libris: Wo die Sprache aufhört, fängt die Musik an. Ik lag onder haar vleugels te luisteren. Een compositie in proza begint pas dan ergens op te lijken, wanneer die gehoorzaamt aan de innerlijke wetten van de poëzie.

Ik heb als kind wel pianoles gehad van mijn moeder. Maar ze stelde zulke hoge eisen, dat alle lust me al snel verging.

Mijn moeder speelde echt briljant. Ik denk dat het in een bepaalde periode heel moeilijk voor haar geweest is dat ze haar gaven niet op internationale concertpodia ten gehore kon brengen. Maar mijn vader heeft haar altijd willen beschermen voor de bijverschijnselen van een dergelijke carrière.

Zo hebben ze samen mijn artistieke loopbaan bepaald: een uitvoerend kunstenaar, naar binnen gekeerd.’

prepostterug  begin  verder