|
|
|
| |
| | | |
Hella Haasse
De schrijfster: ‘Mijn vader was hoofdinspecteur van
financiën in Indië. Een zeer veelzijdige man, die gretig
las, voor alle mogelijke zaken belangstelling had; die zelf zijn radio en
sterrenkijker bouwde. Hij reisde veel, door de ganse archipel.
Mijn moeder was pianiste. Een kleine, heel vrouwelijke vrouw; zoals je je een
charmant dametje uit de oude tijd voorstelt. Ze speelde soms wel acht uur per
dag, had leerlingen, gaf recitals.
Er bestond geen vertrouwelijke band tussen moeder en dochter.
Ik ging naar Holland, om Nederlands te studeren. Later werd het Scandinavische
letteren. In het begin van de oorlog ben ik daarmee opgehouden. Ik vond het
ongepast om me onder die omstandigheden te verdiepen in zoiets als oer-Germaanse
heldensagen. Toch wilde ik een vak leren. Het werd de toneelschool.
Theater ligt heel dicht bij me. Toen ik nog niet kon schrijven, speelde ik mijn
bedenksels al. Mijn leven is altijd gericht geweest op het vormgeven van wat ik
fantaseer: opvoeringen, in zekere zin. Wanneer ik was doorgegaan met toneel, had
ik mij dan ook hoogstwaarschijnlijk ontwikkeld tot regisseur.
Als beginnend actrice bij Laseur begon het mij dwars te zitten. Ik hield het niet
vol. Ik wou dat helemaal niet meer. Het was een gespleten leven - zo vreemd en
zinloos om in die oorlogstijd brieven op te brengen, of als jonge, vrolijke
vrouw in een zorgeloze komedie op te treden.
Het creëren van personages in mijn werk is een soort naar binnen
gekeerd toneelspelen. Ik moet ze in me voelen. Ik betrap me er tijdens het
schrijven wel op dat ik, wanneer ik mijn figuren bijvoorbeeld iets laat zeggen,
zelf de mimiek heb, of doe zoals ik denk dat iemand in zo'n situatie doet - in
zeker opzicht speel ik ze. Ik moet ze op een of andere wijze zijn, en ik ben ze
ook enigszins - want anders zou ik ze niet kunnen maken. Zo ontstaat er een
zeker totaaltheater. Ik bouw de decors, ik regisseer, ik acteer. Innerlijk
toneel. Dar heb ik het sterkst ervaren tijdens het werken aan Het
woud der verwachting. Zo veel personen die mij zo geweldig in hun ban
hielden, en aan de an- | | | | dere kant ook weer zo moeilijk te pakken
waren, omdat ze zich zo ver van je af bevonden. Dat is de kant van het
schrijverschap, die me altijd weer verbaast: dat je op een gegeven moment
overstapt in, laat ik zeggen, een klein model van de werkelijkheid - daar zit je
in, en dan ben je tot op zekere hoogte al die mensen. Zo gaat het schrijven en
het spelen bij mij gelijk op. Ik ben meer verweven met de figuren in mijn boeken
dan ik ooit zou kunnen zijn met een rol op het toneel. Echt acteren is toch: make believe. Het schrijven van romans biedt me meer
mogelijkheden om mij met al die wezens te identificeren; mannen, vrouwen,
kinderen, jongens, meisjes - als schrijfster kan ik in elke huid kruipen.
Er is een diep verlangen in mij om de mensen die ik in mijn boeken tot leven wek,
te begrijpen. Ik ben toch geen marionettenspeelster. Maar ik zou ook weer niet
willen stellen dat ik door die figuren geleefd word. Het is voortdurend een
wankel evenwicht. Meestal zijn de elementen van een roman gedurende zeer lange
tijd in mij ontstaan. Het is nooit zo dat er ineens in mij een omgrensd idee
opkomt; het zijn altijd constructies of samenvoegsels van onderdelen, die soms
al wel tien, vijftien, twintig jaar tevoren in mijn bewustzijn zijn gekomen, op
een moment dat ik niet wist wat ik ermee kon of moest doen. Opeens valt dan een
aantal van die bouwstenen samen, vormt een onaf geheel dat leven moet worden
ingeblazen.
Ik reed laatst in een trein door de weilanden, en zag daar een dode zwaan liggen.
Dat bracht een kettingreactie in mij op gang, herinneringen, beelden, waarvan ik
niet eens wist dat ik ze bewaard had - en zo doemt dan een vage tekening, een
zekere structuur op. Ik weet niet wat het gaat worden, maar er moet iets
ontstaan.
In '38 ben ik uit Indië weggegaan, na acht jaar heb ik mijn ouders pas
weergezien. Een jaar vóór ik Oeroeg
schreef.
Je ziet elkaar terug, en je hebt allemaal een belangrijke periode in je leven
doorgemaakt. Je bent veranderd, ouder geworden. Je zou een andere relatie tot
elkaar moeten hebben. Maar ik heb geconstateerd dat dat bijzonder moeilijk is.
Als niet-volwassene droomde ik soms, hoopte ik vaak dat er later een verhouding
met mijn ouders zou ontstaan van echte vrienden. Toch bleven wij onwillekeurig
steken in het klassieke patroon van de ouder-kindrelatie. Ach, ik denk dat dat
bijna iedereen overkomt. Hoe dan ook, je leert aanvaarden dat dit een heel
normaal gebeuren is. Je bent anders dan je ouders en leeft in een andere tijd
dan je vader en moeder. Onvermijdelijk.
Mijn vader is gestorven toen hij 67 was; één jaar ouder dan
ik nu ben.
We hadden een afstandelijke verhouding tot elkaar. Er heerste een goede,
harmonieuze sfeer in mijn ouderlijk huis, zonder dat er sprake was van een
innige ouder-kindverhouding. Je kunt een ongelukkige jeugd hebben, en
desalniettemin een intieme relatie tot je ouders. Voor mij betekende het | | | | doorzien van de situatie waarin ik als kind ben opgegroeid:
afstand nemen en die ook bewaren - terwijl ik toch steeds mijn best gedaan heb
om ze te begrijpen. Je vraagt je almaar meer af: hoe zijn ze zo geworden als ze
zijn? Het was ontzettend moeilijk om daarachter te komen. Mijn ouders waren zeer
gereserveerde mensen, met een zeker pudeur ten opzichte van hun kinderen.
Van mijn zesde tot mijn negende heb ik niet bij mijn ouders gewoond, omdat mijn
moeder toen in Davos kuurde. Moeilijke fase. Kinderen in die levensperiode
hebben een ontzettende behoefte aan hun ouders - dat heb ik ook later kunnen
merken aan mijn kinderen. Wanneer het waar is dat toneelspelers vaak mensen zijn
die zich met een ongelukkige jeugd proberen te verzoenen door een voortdurend
uitlenen, in procuratie geven van hun gevoelens aan uit te beelden personages,
dan zou mijn spelen annex schrijven inderdaad wel een poging kunnen zijn om die
lacune in mijn verleden te overbruggen. Maar zulke processen voltrekken zich
veelal onbewust. Soms weet ik het, dan weer niet. Dat ik het meeste van mezelf
laat zien via figuren in mijn werk - dat is heel wel mogelijk. Maar het is zo
moeilijk om hierover te praten alsof je erbuiten staat.
Mijn moeder was de laatste jaren van haar leven volledig verzonken in zichzelf,
niet meer helemaal bij de tijd. Ik had toen ontzaglijk veel medelijden met haar.
Dat ze zo moest wegdrijven uit de werkelijkheid. Ik vond dat verschrikkelijk om
aan te zien. Ik werd de moeder van mijn moeder. Zij is ten slotte mijn kind
geworden. Ik heb mijn best gedaan om haar te laten voelen hoe intens ik met haar
meeleefde. Dat heeft een enorme verruiming voor me betekend, een bevrijding.
Na de dood van mijn vader heb ik een onvoltooide politieroman van hem afgemaakt.
Er waren geen aantekeningen. Het was werkelijk een heidens karwei. Ik heb echt
als een detective dat werk van hem moeten uitpluizen. Mijn vader liet me altijd
zijn boeken lezen, en was blij met opmerkingen erover; maar hij was zeer
terughoudend over zijn stof en manier van werken.
Doordat ik dat boek van hem afschreef, was er een zekere link, een
aanknopingspunt met hem. Zo kon ik, ofschoon hij er niet meer was, toch nog in
zijn gedachtewereld verkeren.
Omsloten door de natuur van Java was daar dat huis, waar iedereen zijn eigen
dingen had. Mijn vader die in zijn kamer zat te knutselen, mijn moeder speelde
piano, mijn broer had zijn eigen liefhebberijen, en ik zat te tekenen, of te
schrijven. Zo waren wij bij elkaar, en met behoud van alle distantie heerste er
een heel prettige sfeer. Gezellige Einzelgänger.
Mijn werk gaat doorgaans over raadsels die opgelost moeten worden. Ik weet niet
waarom. Het is in ieder geval geen morbide belangstelling naar verborgenheden
die koste wat het kost ontsluierd moeten worden, maar meer het besef dat bijna
alles een teken is waarachter iets anders zit.
| | | |
De meeste boeken die ik geschreven heb, gaan over mensen die alleen of in
groepsverband iets moeten ontmaskeren, en terwijl ze daarmee bezig zijn, worden
er geleidelijk allerlei zaken onthuld - over henzelf, door henzelf - met
betrekking tot de relatie waarin ze tot elkander staan. Tekening die oplicht uit
een donker fond. Ik wil naar boven schrijven, te voorschijn
schrijven - en dat is haast nog belangrijker voor mij dan dat naar binnen
gekeerde acteren. Dat spelen is het middel voor mij om dat
verborgen patroon op te roepen, niet het doel.
Waarom die historische romans? Wat is het verleden? Heb ik daar dan niets mee te
maken? Het is toch allemaal niet zo ver weg. Als ik vijf, zes keer de leeftijd
die ik bereikt heb - en wat is dat nou helemaal - terugreken, dan ben je al heel
wat jaren van nu verwijderd - maar het is niet veel. Ik verbeeld me niet dat ik
het verleden kan begrijpen, maar ik wil er zo dicht mogelijk bij komen. In het
verleden kan ik vaak meer uitdrukken dan in het heden. Wat nu is valt moeilijk
te overzien, terwijl je in de geschiedenis meer kunt herkennen over
wisselwerkingen tussen mensen, oorzaken en gevolgen, de wetten die relaties
beheersen; dat kun je allemaal beter zien omdat het zich al voltrokken heeft.
Schrijven betekent zeer zeker voor mij: ordenen, maar dan niet op een bewuste
manier.
De oorlog heeft me in aanraking gebracht met de werkelijkheid. Mijn jeugd was
irreëel. Mijn ouders hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt in het
jappenkamp. Daar hebben ze me naderhand ook over verteld. Toch heb ik ze nooit
kunnen bereiken. Maar dat gevoel hadden zij niet. En dat is iets zeer
wezenlijks. Over dat soort gebrek aan communicatie gaat mijn werk eigenlijk.
Tot op een bepaald punt in mijn leven zijn mijn boeken wel degelijk mededelingen
aan mijn ouders geweest - zoals dat hele werk in feite uit mededelingen aan een
heleboel andere mensen bestaat. Schrijven is voor mij de beste manier om dingen
te zeggen. Een ander kind zou er misschien tegen ingegaan zijn, zich verzet
hebben of een ander vak hebben genomen. Ik voelde mij nu toevallig van meet af
aan vertrouwd met fantaseren, spelen, schrijven.
Ik vermoed dat ik met Zelfportret als legkaart een periode heb
afgesloten, waarin ik de kloof tussen mijn ouders en mij probeerde te dichten.
Dat boek betekende een cesuur. Voordat ik aan dat boek begon, besefte ik in hoe
hevige mate in mijn werk sprake was geweest van onbewust projecteren.
Daarom ook schreef ik Zelfportret: om mezelf te dwingen na te
denken over het nu en hier, waarin ik toen leefde.
Schrijven is toch eigenlijk: in de grootst mogelijke eenzaamheid communiceren. En
de lezer kan het in de grootst mogelijke eenzaamheid tot zich nemen. Het
Indië van mijn jeugdjaren. Steeds meer besef ik hoe belangrijk die
tijd, die sfeer voor mij geweest is, hoeveel ik er ook aan te danken heb.
Naar- | | | | mate ik ouder word, besef ik dat het iets is om heel blij
mee te zijn.
Het is voor mij ook zo merkwaardig om de ontwikkeling van mijn eigen kinderen te
zien. Zo verrassend: hoe uit mensen van wie je de eigenschappen aanvankelijk nog
niet duidelijk kunt herkennen of determineren, zich persoonlijkheden ontwikkelen
in wie je van allerlei terugvindt en herkent wat je in jezelf of in je man of in
je ouders hebt gezien - maar dan op een totaal andere manier. Dat komt allemaal
terug, maar omgewerkt, in een andere vorm gegoten. Je ziet iets essentieels
terug, maar het heeft een volstrekt eigen gedaante gekregen. Her zijn volkomen
op zichzelf staande mensen.
Ik ben altijd bezig. Ik heb altijd mijn leven thuis gehad, met mijn echtgenoot,
de kinderen en mijn werk. In zo'n bedrijfje gaat een hoop werk zitten. Daarvoor
hebben een heleboel dingen moeten wijken. Het is geen kwestie van een beschermd
bestaan, maar veeleer van een teruggehouden leven. Ik ben absoluut niet iemand
die bang is voor het dagelijks bestaan, hoor. Maar ja, toen wij nog in Amsterdam
woonden, had ik gewoonweg geen tijd om onder de mensen te komen, behalve dan
voor mijn werk. Er waren te veel dingen die gedaan moesten worden.
Ik ben er niet zo erg op uit om direct met iedereen contact te leggen. In
Indië had je de traditie dat je alus moest zijn;
wat zoveel wil zeggen als: tegemoetkomend aan andere mensen; dat was de grootste
vorm van hoffelijkheid. Waarbij de aantekening, dat ik niet alus kan zijn tegen
iemand die ik niet kan uitstaan. Dat is me door die Indische omgeving ingeprent,
en dat wordt dan je tweede natuur. In zekere zin een gemakkelijke manier om niet
diep op mensen te hoeven ingaan.
Het luisteren naar de structuur van de muziek die mijn moeder vroeger speelde,
heeft zeer veel voor de vorm van mijn werk betekend.
Mijn vader keek door zijn kijker naar de sterren, liet mij alles zien, bracht me
in aanraking met literatuur. Mijn moeder bouwde vormen uit muziek. Ze had als
ex-libris: Wo die Sprache aufhört, fängt die
Musik an. Ik lag onder haar vleugels te luisteren. Een compositie in
proza begint pas dan ergens op te lijken, wanneer die gehoorzaamt aan de
innerlijke wetten van de poëzie.
Ik heb als kind wel pianoles gehad van mijn moeder. Maar ze stelde zulke hoge
eisen, dat alle lust me al snel verging.
Mijn moeder speelde echt briljant. Ik denk dat het in een bepaalde periode heel
moeilijk voor haar geweest is dat ze haar gaven niet op internationale
concertpodia ten gehore kon brengen. Maar mijn vader heeft haar altijd willen
beschermen voor de bijverschijnselen van een dergelijke carrière.
Zo hebben ze samen mijn artistieke loopbaan bepaald: een uitvoerend kunstenaar,
naar binnen gekeerd.’
|
|
|