De poëet: ‘Ik weet niet wat dit gedicht over mijn vader betekent:
Drank-godsdienst. Calvinisten zijn over het algemeen zeer zware drinkers. Als je ziet wat slijterijen op de Zuid-Hollandse eilanden omzetten - dat is niet gering.
Het heeft te maken met de angst die je van jongs af aan wordt bijgebracht. Als kind lag ik wakker, en voelde mijn adem niet meer gaan; ik ga dood en ben nog niet gered; niet uitverkoren - panisch. Terwijl mijn ouders heel lief, aardig en vriendelijk waren; vanuit die hoek was er geen zweem van bedreiging - maar het was God, de God der wrake.
Ik heb de drank nu wel onder de knie, maar niet onder de duim. Ik kan hele periodes ervan afblijven, en dan moet ik weer; niet zozeer door de behoefte aan alcohol als wel vanwege een zekere hang naar chaos. Wanneer ik gedurende lange tijd niet drink en ordelijk leef, ga ik me vervelen bij mezelf. Dat wil ik dan opheffen.
Het begint buitengewoon aardig: een borreltje, samen met mijn vriendin, maar weldra loopt het uit de hand. En dat moet dan weer gecorrigeerd worden. Een heel karwei, dat zich al wel honderd keer heeft voorgedaan.
Tweemaal met medische hulp. Dat heeft een enorme indruk op me gemaakt. Het is verrukkelijk om op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis te liggen; die totale verzorging; die medicatie; je krijgt zo veel drugs toegediend dat je voortdurend over de wateren wandelt, om die christelijke vergelijking maar eens te treffen.
Nu doe ik het in mijn eentje. Ik neem zelf middelen om eraf te raken. Toch, wat mij biologeert is niet de terugkeer uit het schimmenrijk maar de zachte wijze waarop ik er, iedere keer weer, in glijd; de waanzin dat je het toch steeds opnieuw doet.
Het zijn misschien allerlei oude herinneringen die mij ertoe brengen. Ik heb het nu goed: schat van een vrouw, prachtige dochter van vijftien maanden, maar ik geef er toch weer aan toe. Ik begrijp daar helemaal niets van.
Ik ben nu aan het eind van m'n cyclus. Morgen moet ik beginnen op Poetry International. Vanavond neem ik een Refusal-pil in; dat betekent: eerst grote paniek - cold turkey -, dan rust, en ten slotte van voren af aan met de drank beginnen.
Mijn vader gaf in '45 zijn toestemming dat ik, achttienjarige, als oorlogsvrijwilliger dienst nam. Hij had mijn loopbaan op het oog; het zat er nu eenmaal niet in dat ik dominee, arts of jurist zou worden - dus dan maar officier. En je had toentertijd ook het algemene enthousiasme van: er moet nog heel wat gevochten worden. De strijd met Japan was nog in volle gang. Je diende een steentje bij te dragen. Mijn vader was zelf hospitaalsoldaat in de Eerste Wereldoorlog geweest; een volstrekt onoorlogszuchtige man, maar uiterst gezagsgetrouw.
Ik ben zeer beschermd opgevoed. Daarna wilde ik iets anders: avontuur.
Mijn militaire opleiding vond plaats in Engeland, later bij het bezettingsleger in Duitsland en ten slotte in Nederland. Na de capitulatie van Japan wilde ik eraf, maar toen werd ik dienstplichtig verklaard. Zo ging ik in '48 naar Indonesië. Politiek was ik gedekt: Soekarno werd hier gezien als collaborateur met Japan; zoals Mussert met de Duitsers.
Mijn ex-echtgenote zei eens: “Je hebt eigenlijk je hele leven geoefend.” Ik maakte altijd aantekeningen over allerlei onderwerpen, met het idee ze ooit uit te werken tot prozastukken - ten langen leste werden het verzen. Op mijn vijftigste debuteerde ik als dichter.
Toen ik terugkwam uit Indonesië publiceerde ik mijn lange verhaal De terugtocht. In die periode werd ook een aantal door mij vertaalde gedichten van John Donne gebundeld; die Tien liefdesgedichten en drie preken van vijfentwintig jaar geleden worden nu heruitgegeven, aangevuld met de vertaling van vijf Holy sonnets, hartstochtelijk godsdienstige verzen. Ik ben mij steeds meer voor religie gaan interesseren. Mijn eersteling, Wat blijft komt nooit terug, bevat enkele, laten we zeggen, antiorthodoxe gedichten, de tweede bundel vertoont nogal mystieke tendensen: De gouden man, dat is natuurlijk Boeddha. De god van mijn jeugd was een kwaadaardige heer; die wil ik kwijt. Ik mag dan al op mijn veertiende geweten hebben dat de godsdienst waarin ik werd opgevoed niks voorstelde, maar je trekt zo'n religie niet uit als een jasje; dat is een tweede huid die je afstroopt.
In het gezin waaruit ik kom, was heel veel liefde en heel veel angst - de bangheid van mijn ouders voor alles wat je zou kunnen overkomen.
Na mijn oorlog ben ik eerst Engels gaan studeren; dat heb ik drie maanden gedaan - toen bleek dat ik Gotisch moest doen, haakte ik meteen af. Vervolgens werd het politicologie. Ik zat in de redactie van pc met onder anderen Renate Rubinstein, Aad Nuis en Joop Goudsblom. Wij waren anticorps, antirooms, geheel in de grote polemische traditie van dat blad. Ik heb er een hekel aan polemiseren van gekregen.
Vervolgens bij Vrij Nederland gewerkt, daarna voorlichter van de stad Dordrecht, redacteur van Het Vrije Volk, hoofdredacteur van De Dordtenaar, en nu leef ik van mijn gedichten. Ik heb de journalistiek altijd met groot plezier bedreven, volstrekt ongefrustreerd, maar het dichterschap betekent voor mij toch: een volledige verzoening met mijzelf, ook omdat ik er onmiddellijk zo veel goede respons op kreeg.
Drank-calvinisme. Het stilleggen van een waarschuwende stem; het geruststellen van een geweten - in elk geval het dempen daarvan. Aan de andere kant: het geloof is iets heerlijks; dat je opgetild en beschermd wordt; zoals tijdens een kuur in het ziekenhuis.
Ik ben zo ambivalent. Het gaat bij mij almaar op en neer. Manisch-depressief noemen ze dat.
Ik wil een paar mooie verzen maken. En honderd jaar worden - door bijvoorbeeld niet te drinken. Ik heb een waanzinnig goede gezondheid, en ik probeer steeds iets daarvan af te kalven - een hele rare neiging; dwangmatig. Als militair had ik dat sowieso; je bent voortdurend bezig met schieten en beschoten worden, op mijnen lopen, dat soort toestanden. Ik vond het afschuwelijk. De angsten die je doorstaat. Maar daarna heb je toch ook weer dat gevoel van weldadigheid. De foto van mijn vader, toen hij en zijn kameraden in '18 afzwaaiden; allemaal vóór een schoolbord waarop geschreven stond:
hoera, wij leven nog! Terwijl ze geen enkele krijgshandeling hadden meegemaakt. Dat gevoel heb ik in Indonesië voortdurend gehad; euforie na de diepste ellende na euforie.
Wij wisten pas op den duur tegen wie wij vochten. Je zag nooit iemand van de tegenpartij. Langzamerhand ontdekte ik dat de vijand, hoe dan ook, niet vertegenwoordigd werd door de Indonesiërs. Niemand was de tegenstander. Het was een volslagen zinloze oorlog.
Toen ik daar kwam, wist ik van niets. Ik had al mijn energie gebruikt om van dat geloof af te raken, en in politiek opzicht was ik alleen maar anti-Duits. Ik leerde Maleis, en allengs kwam ik erachter hoe de zaak in elkaar stak. Maar al ben je dan van inzicht veranderd, dienstweigeren was er niet bij; dat kwam ook niet bij je op.
Op het moment dat de Ronde-Tafel-Conferentie begon, werd ik overgeplaatst naar de inlichtingendienst, met de bedoeling dat ik contact zou zoeken met het Indonesische leger; dit ten behoeve van de wapenstilstand op Oost-Java.
Het heeft een eeuwigheid geduurd voordat ik wist wat ik wilde. Dat dichten, om maar iets te noemen. Sommigen weten onmiddellijk dat ze dichter zijn; neem Rimbaud, en die ging daarna meteen stuk. Ik ben eerst stukgegaan, en vervolgens dichter geworden.
Die godsdienst bij ons thuis was heel belastend; vooral door dat idee van de uitverkiezing, en de volstrekte willekeurigheid daarvan: je was verloren, of niet, daar kon je niets aan doen. Misschien is het dichterschap wel daarom zo bevrijdend voor me omdat ik mezelf ermee uitverkoren heb - eindelijk. De goddelijkheid van het dichterschap. Er bestaat een grammofoonplaat waarop Yeats als oude man een jeugdvers voorleest; half zingend, priesterlijk, in zekere zin belachelijk, maar aan de andere kant lijkt het me heerlijk om zo een gedicht te zeggen. De dichter als herder.
Altijd dat enerzijds-anderzijds. Drank-huwelijk. Ik ben van nature vrij passief, willoos. Toen ik dertig was, zag ik me genoodzaakt met haar te trouwen. Ze was zwanger. Drie maanden na de huwelijksvoltrekking kreeg ze een miskraam. Wij zijn toch bij elkaar gebleven, hebben twee geweldige kinderen gekregen. Wat mij betreft ook een uiterst langgerekt gelegenheidshuwelijk; maar absoluut niet onprettig. Terwijl ik toch op De Grote Verliefdheid bleef hopen, die natuurlijk nooit gekomen is. Wij zijn nog steeds ontzettend goed bevriend. Ik leef nu met een vrouw die vierendertig jaar jonger is, en ik leer nog iedere dag van haar. Ik heb haar ontmoet in een periode dat ik moeilijk zat, en zij had het toen ook niet makkelijk. “Kom maar bij mij,” zei ik tegen haar. Eigenlijk in wezen ook heel zakelijk. En het gaat nog steeds fantastisch.
Ik wil nu ook niet meer zwerven. Tot voor kort verdween ik wel voor enige tijd, dook onder - wél altijd met voldoende geld op zak, daar zorgde ik voor. Ik heb nooit geldgebrek gekend. Iedereen heeft tegenwoordig toch centen. Al dat gelul over die minima.
Na de oorlog heb ik, behalve één keer op een ar-vriend van mijn vader, steeds PvdA gestemd. Ik ben een groot adept van Den Uyl; ik vind dat hij tot zijn negentigste moet aanblijven: een heel wendbare, intelligente, literair geïnteresseerde man, in wiens ideeën ik mij uitermate goed kan vinden.
Ik stem in ieder geval niet klein-links, omdat de cpn daarbij zit, en ik vind de cpn even kwalijk als de Centrumpartij: allebei even ondemocratisch. De houding van de PvdA inzake Indonesië - tja. Ik heb Drees eens geïnterviewd voor de televisie. “Met Soekarno viel toch niet te praten,” zei hij. Toen zag ik de ex-premier daar zitten, met van die hoge knoopjesschoenen aan. En ik herinnerde mij Soekarno, die ik in '63 had gezien, op blote voeten in zijn paleis tijdens een officiële ontvangst. Een zeer charmante, aardige vent, die mij vroeg een Nederlands liedje te zingen. En ik: “In 't groene dal, in 't stille dal.” Dat vond hij prachtig. Een leuke, totaal corrupte man; prachtig figuur. Zo zou ik ook willen zijn. Een echte Balinees. Zo zorgeloos, niet onder schuld beladen, doen waar je zin in hebt, gewoon effe een miljard uitgeven voor een of ander zinloos project.
Dat was Indonesië óók voor mij: weg vanonder de calvijnse doem. Die Soekarno heeft, ondanks al zijn feilen, daar toch een klimaat van godsdienstvrijheid gecreëerd - en dat in een sterk islamitische gemeenschap. Boeddha is het tegenovergestelde van Mohammed. Mohammed is de geïncarneerde onverdraagzaamheid. Boeddha is: alles ontvangen. Ik ben er serieus mee bezig: teksten lezen, en een groot gedicht erover voorbereiden, mediteren, suffen, notities maken. Ik bereid me voor op een leven waarin ik niet meer gepijnigd word door twijfels, onrust.
Ik heb in Indonesië drie keer meegemaakt dat wij opgeblazen werden. Verticaal ontploffende mijnen. De man naast of achter mij ging eraan - ik niet. En dan die prachtige natuur, die heerlijke hitte. Zo tweeslachtig. Ik huil nu omdat ik overleefd heb en anderen niet. Het overleven, daar gaat het om. En tegelijkertijd die doodsdrift. En de angst om te sterven.
Mijn vader was een bange, voorzichtige man. Een van de redenen dat ik direct na de oorlog alles heb gedaan om aan te tonen dat ik geen angst kende. Tijdens mijn militaire opleiding in Glasgow boksten wij tegen de rekruten uit Aberdeen. Dan had je een free for all; allemaal hele ronden van twee minuten. Kon je alles geven. Het bloed gutste van het canvas. Zo kon ik me uitleven, maar tegelijkertijd was ik doodsbenauwd.
Er werd voor je gezorgd. Alles in het leger wordt voor je gedaan. Militaire dienst is een direct verlengstuk van de moederschoot: 's Konings Wapenrok, heldhaftig én kinderlijk.
Later werd ik overgeplaatst naar het Britse bezettingsleger in Duitsland. Als je op straat een sigaret rookte, liep er een immense meute achter je aan; voor de peuk. Wat moest je dan doen? Niet roken, soms?
Of we zaten 's morgens thee te drinken in een gigantische, spiksplinternieuwe hal van de Luftwaffe. Daar zat dan een volledig symfonieorkest tegenover onze tafels te spelen, alle muzikanten keurig gekleed in rokkostuum, voor eten. Deerniswekkend? Ach, ik vond het ook wel geestig. Dan kregen wij taartjes - één, twee, zoveel als we wilden, het kon niet op - en de musici hadden honger. Toch wel leuk, ook.
Ik heb mij vrij lang mislukt gevoeld; dat ik mij alleen gered wist door het bestaan van mijn kinderen - dat ik toch kon denken: ik heb ook iets goeds gedaan.
Het succes van mijn bundels heeft erg veel voor me betekend. Ik voelde me plotseling on top of the world.
Ik wil niet gezien worden als een alcoholist die af en toe op raadselachtige wijze een goed gedicht schrijft. Ik beschouw mijzelf als een dichter die af en toe door het behang gaat.
Het is een permanent onbeschermd zijn, voortkomend uit een teveel aan protectie vroeger thuis. Ik was bang gemaakt; niet door mijn vader en moeder - die zelf zo bang waren voor die godsdienst - maar op school en bij die verenigingen waarvan ik min of meer verplicht lid was.
Het is heel moeilijk om als kind je agressie te uiten tegen ouders van wie je beseft dat ze zelf bang zijn. Ik kon me dan ook niet tegen ze afzetten. Ik had medelijden met hen. Wat weer betekent dat zij nooit wezenlijke bescherming konden bieden. En ik, dat wetend, kon ze ook weer niet opvangen omdat ik
zelf panisch was. Uit die vicieuze cirkel bood eerst het leger mij een gewisse ontsnapping, en, veel later, het dichterschap. Het dichten betekent voor mij: overwinning. Bloed.’