De dichter Jean Pierre Rawie vraagt mij of hij even aan mijn glas wijn mag ruiken, en zegt: ‘Ik heb spijt van vrijwel alles wat ik in mijn leven deed, maar zeker niet van twee dingen: dat ik ging drinken en dat ik daarmee opgehouden ben. Ik ben begonnen met de drank in 1970, vrij laat, ik was toen bijna twintig. Mijn levensloop zou zonder die caféjaren heel anders verlopen zijn - en dat betreur ik geenszins. De drank ontremde mij. Ik ben in wezen een vreselijk moralist, vrees ik. De drank bood mij de mogelijkheid tot bepaalde gedragingen die ik verwerpelijk vind, maar niet gaarne ongedaan had gelaten. Veel gedoe met vrouwen. De drank was toch, om met Rimbaud te spreken, le irréglement de tous les sens, de ontregeling van alle zintuigen. Drank is eigenlijk een harddrug - maar zo heb ik het nooit gebruikt. Ik was een zogeheten “sociale drinker”; ik dronk nooit thuis, maar wás ook nooit thuis.
Dat moralisme zit er van huis uit in. Ach, op zich was het een ruimdenkend domineesgezin - maar wij Nederlanders zijn allemaal nogal calvinistisch. Nu, zonder de alcohol, merk ik dat ik ten aanzien van bepaalde punten strenger voor mezelf ben dan gedurende de periode dat ik nog dronk. Ik hanteer duidelijker een moraal, en dat is dan de christelijke moraal - wel een mooie moraal, vind ik. Het onderscheid kennen tussen goed en kwaad - dan kun je nog wel slechte dingen doen, maar je moet het wel weten. Merkwaardig is dat die drank, achteraf bezien, eigenlijk helemaal niet zo belangrijk blijkt te zijn geweest.
Toentertijd dacht ik daarzonder niet te kunnen werken. Frappant is ook dit: in de kritiek werd vaak gerept van mijn beperkte thematiek, die slechts de drank, de dood en de liefde zou behelzen, en nu ik de drank heb afgezworen, spreekt de kritiek nooit meer van mijn beperkte thematiek; als ik dus die andere twee elementen ook nog uitban, zal het waarschijnlijk helemaal in orde zijn.
Die gedichten van mij gaan natuurlijk niet over die drie onderwerpen; ze gaan over de tijd, over de tijd, over het verstrijken van de tijd - en daarvan, zeg ik altijd, is zelfs de dood alleen maar een symbool. Ik las laatst voor op een
middelbare school te Emmen, en probeerde dat aan de kinderen duidelijk te maken. Terwijl ze de poëzie - die op het eerste oog zeer helder is - best begrepen, snapten ze absoluut niet wat ik bedoelde met de opmerking dat alle kunst in wezen over het vervlieden van de tijd gaat. Maar ja, als je zestien bent, komt alles nog.
Ik vond het heel vervelend om kind te zijn. Van meet af aan heb ik groot willen zijn. Dat rotgevoel de zaken niet zelf in de hand te hebben. Tja, en nu zou ik het heerlijk vinden wanneer iemand tegen me zou zeggen: “Kom, Jean Pierre, nog één verhaaltje, en dan naar bed.” Dat gebeurt natuurlijk wel eens, maar dan gaat het over het verkeerde verhaaltje. Als ik klaag over dat verstrijken van de tijd, betekent het niet dat ik terugverlang naar mijn kindertijd, of dat enige angst voor de ouderdom mij dwars zou zitten. Het feit dat allerlei teloorgaat, daar moet je tegen protesteren - daar is kunst voor. Alles gaat teloor. Behalve de kunst misschien. Ik probeer dingen te maken die de tijd wellicht kunnen trotseren. Daar ben ik heel ernstig in. Mijn moeder zei eens tegen me: “Maar, jongen, er zijn toch ook mooie dingen om over te dichten.” Daarop kun je antwoorden: het gaat erom dat dat gedicht zelf een mooi ding wordt.
Ik stam uit een gezin waarin Het Woord de hoofdzaak was; alles werd verbaal geregeld - er werd niet geslagen, er werd gesproken. In zekere zin had alles dus een vorm. Vooral mijn vader was daar heel sterk in. Toen ik eens tamelijk heftige onenigheid met mijn moeder had, zei hij: “Er zijn bepaalde zaken die je in de omgang met mensen op wie je gesteld bent niet alleen ongezegd laat, maar ook voor jezelf ongeformuleerd dient te laten, omdat ze anders een eigen leven kunnen gaan leiden.” Magie! In mijn gedicht “Ritueel” komen bijvoorbeeld slechts dingen voor die alleen maar in dat gedicht zelf bestaan; iemand komt van gene zijde terug in een huis dat niet bestaat - en deze situatie wordt uiterst overtuigend beschreven.
Mijn hang naar het negentiende-eeuwse - die zich ook manifesteert in mijn kleding - is geen pose. Ik vind dit nogal een vulgaire eeuw. Aan de andere kant zou ik hier zonder de medische verworvenheden van deze tijd niet eens meer zitten. En dan de snelheid waarmee je geschriften kunt krijgen - wanneer Byron een nieuw boek geschreven had, moest Goethe wel een jaar wachten alvorens hij het onder ogen kon krijgen. Ik kan alle zeventiende-eeuwse poëzie via fotokopieerapparatuur onmiddellijk tot mijn beschikking hebben - dat is toch prachtig. Maar voor het overige leven wij in een buitengewoon verwerpelijke eeuw, waarin mensen elkaar miljoensgewijs om zeep hebben geholpen om ideologieën waarin, bij nader inzien, niemand heeft geloofd.
Een zeker gevoel van displaced te zijn in de tijd heeft altijd wel aan me gekleefd; dat is voor mij zeer elementair. Met de plek waar ik leef, heb ik veel minder moeite. Je kunt mij inderdaad een typische Nederlander noemen;
maar dan wel een die niet meedoet met de traditie om te doen alsof de literatuur niet belangrijk zou zijn. Dat stoort mij enorm, die houding van: ach, ik ben maar een Nederlandse dichter. Stel, er vindt een dichtersfestival plaats met alleen maar Nederlandse poëten plus één Amerikaanse hippiedichter, dan verschijnt er geen recensie waarin niet gewezen wordt op die buitenlander. In het verlengde hiervan bevindt zich de lachwekkende situatie dat bijna alle kranten en tijdschriften een redacteur voor Nederlandse poëzie hebben en een andere redacteur voor buitenlandse poëzie - waardoor het provincialistisch denken alleen maar versterkt wordt. En als er nou iets internationaal is, is het wel de lyriek.
Ik hanteer een strenge vorm - dat heeft, denk ik, minder te maken met mijn moralistische achtergrond en inborst dan wel met de functie die de poëzie mijns inziens in maatschappelijke zin heeft: de chaos enigszins het hoofd te bieden; dan is een strikte vorm geboden. Ik ben niet zo'n kampioen van het rijm of zo, ik vind rijm absoluut niet essentieel voor poëzie - maar wel voor mijn poëzie. Ik schrijf tenslotte de gedachten die ik zelf graag zou lezen. God, ik voel me zo potsierlijk als ik dit allemaal zo zeg, maar ik meen het werkelijk, hoor. Als ik er lacherig over zou doen, ontken ik de waarde ervan. En het heeft nu eenmaal waarde voor mij. Ik ben een dichter. Ik doe niets anders dan gedichten schrijven. Dat doe ik goed. Waarom zou ik dan wat anders gaan doen?
Die gedichten vormen toch evenzovele pogingen om greep op de warrige werkelijkheid te behouden; in die zin blijven ze bij mij horen. Ik hoop, ik denk dat ik op mijn sterfbed toch een moment van tevredenheid zal hebben als ik aan die gedichten terugdenk. Alsof er dan allemaal kinderen van mij rond de sponde staan. Bij wijze van spreken - maar dichten is natuurlijk bij uitstek: bij wijze van spreken.
Dichtkunst staat hier te lande in hoog aanzien; het dichterschap daarentegen niet. Als je hoogleraar bent en daarnaast gedichten schrijft, sta je tot je dood bekend als professor Scheltema, en daarna de dichter Scheltema Raar. Zolang je nog leeft, is het voortdurend van: “Ja, u schrijft dan wel gedichten, maar wat doet u?” Dat is de houding. Typisch Nederlands - in Romaanse landen is die attitude ondenkbaar. Nou ja, voor mensen die in de bouw werken, is het ook behoorlijk onbegrijpelijk. Al die lege uren - dat valt moeilijk uit te leggen. Ik schrijf mijn gedichten doorgaans 's nachts. En er zijn vele nachten dat er totaal niets gebeurt, nachten waarin ik mij er wél voor open moet stellen. Urenlang luister ik dan maar wat naar muziek. Als ik dan een boek zou lezen, of iets nog nuttigers ging doen, kan ik het wel helemaal vergeten. Die onnutte uren zijn voor een onwetende buitenwacht moeilijk te verantwoorden. Maar al dat gedoe is nu voorbij. Ik ontvang prachtige kritieken en heb een schitterende prijs gekregen, en wel voor mijn gehele oeuvre. Op het Boekenbal drie jaar geleden voelde ik mij niet wel. Ik ben naar mijn
Amsterdamse logeeradres gegaan, had verschrikkelijke pijn, koorts en ik gleed geruisloos weg. Ik was zo ziek dat ik de fysieke ontwenningsverschijnselen niet eens gemerkt heb. Mijn pancreas had het finaal begeven; resultaat van almaar drinken en zelden eten. Ik dronk op de pof, maar durfde geen tosti op te laten schrijven - haha, typisch dronkemansmoraal.
Na mijn jeugd in Winschoten - dat klassieke verhaal van het schuchtere, ziekelijke jongetje in zo'n treurige provincieplaats - ben ik Russisch gaan studeren in Groningen. De aanleiding daartoe was dat ik de dichter Alexander Blok in de eigen taal wilde kunnen lezen, en ongetwijfeld koesterde ik ook de wens om hoogleraar te worden. Vervolgens ontdekte ik het café, een openbaring die samenviel met het ontluiken van mijn dichterschap. Ik had al ontdekt dat het een fictie genoemd kan worden dat een talenstudie ook maar iets te maken heeft met wetenschap. Een talenstudie dient een vakopleiding te zijn, zonder enige pretentie van wetenschap. Ik herinner me nog de docent die zei: “Ach, meneer Rawie, de literaire dimensie van het kunstwerk zou ik niet willen missen als ik 's avonds thuis zit te lezen, maar daar houden we ons op de universiteit niet mee bezig.”
Kiezen voor het dichterschap - ach, het is heel geleidelijk gegaan. Nu wel - nu weet ik dat ik daarvoor gekozen heb. Kortgeleden heb ik meegedaan aan twee radio-opnamen voor een lollig bedoeld quasi-literair programma - vervolgens realiseerde ik me: als ik aan dit soort dingen mee ga doen, schrijf ik geen gedichten meer. Ik heb mijn concentratie en mijn tijd nodig voor mijn verzen. Ik moet mij permanent blijven openstellen voor de inspiratie, voor mijn Muze.
Ik koester dit romantische beeld: alle goede gedichten zijn er al; daar wordt mij dan af en toe een blik op gegund, en daar moet ik dan zo dicht mogelijk bij zien te komen. Zo ervaar ik het. Niets nieuws; Michelangelo had dat ook met zijn beeldhouwwerken: ze zitten al in het steen, ik hoef ze er alleen maar uit te hakken.
Bij echt goede poëzie heb ik het idee dat die er altijd al geweest is. Er moet alleen iemand komen die het opschrijft. Op die wijze kun je ook de eigen biografie ontlopen, althans de betekenis ervan voor de poëzie zo klein mogelijk maken. Aan de andere kant: elke regel die ik schrijf heeft direct met mijn leven te maken, met mijn belevenissen. Het mooiste voorbeeld daarvan is de Romeinse dichter Catullus; van zijn leven weten we niets, maar we kunnen alles uit zijn gedichten halen, die na al die eeuwen nog steeds ontroeren. Het gedicht is belangrijker dan de dichter. Je bent bezig met iets wat groter is dan jezelf. Nederigheid én almachtsgevoelens. Iemand verweet mij eens arrogantie, waarop ik antwoordde: “Mijn schijnbare pedanterie is niets dan diepste ootmoed jegens de Muze.” Het dichten betekent voor mij toch, om met de dichter Bloem te spreken, “de rechtvaardiging van mijn bestaan”. Je kunt een dichter beter een klap voor zijn kop geven dan iets akeligs op te merken over zijn poëzie.’
Het is met dichters en hun verzen als met ouders en hun kinderen: als ik ze niet zelf gemaakt had, zou ik er nog van houden.
‘Ja. Die liefde is er, en gaat niet weg. Toen ik op de intensive care lag, hebben allerlei mensen mijn geraaskal genoteerd. Ik schijn almaar gevraagd te hebben: “Wanneer komt de boot?” Mooi, hè, dat beeld van Charon die de doden komt ophalen. Poëzie is hard werken - maar dat mag je er niet aan merken. En dan nog: je kunt eigenlijk nooit zeggen wat een goed gedicht nu precies tot een goed gedicht maakt. En zo blijf ik volkomen serieus bezig. Het is toch ook niet ongewoon wat ik doe. Het heeft, uiteindelijk, iets te maken met het Hogere.’
Is er ook sprake van, vergeef mij, een verlangen naar God?
‘O ja, zeker. Alle kunst heeft toch ook wel de functie dat het zin geeft aan ons, ja, vergeef mij, aan ons lijden. Zelfs voor mensen die het allemaal onder controle hebben is dit ondermaanse toch ook: afzien. Dat lijden moet toch op de een of andere manier bezworen worden. Het vers als houvast. Dat is ook de maatschappelijke relevantie van poëzie. Mandelstam heeft zich in de kampen overeind kunnen houden mede dankzij het feit dat hij zo veel regels van Dante uit zijn hoofd kende. En de schrijver Hellema vertelde laatst dat hij in het concentratiekamp soms wel veertig uur op appèl moest staan - en dan zei hij voor zichzelf bepaalde regels die klonken als: “Wij houden de wacht tussen de sterren, en worden door de engelen benijd.” Dat hield hem op de been, die bezwering, die pure poëtische klanken.
In het kader van die sociale relevantie vind ik het verschrikkelijk te moeten weten dat er miljoenen mensen zijn die nooit één regel poëzie hebben gelezen. Maar in geval van nood grijpt men vaak naar gedichten; de versjes van Toon Hermans, van Nel Benschop - niet de hoogste poëzie, maar men grijpt ernaar. En dat geeft toch te denken, niet? Die behoefte is er kennelijk wél. Ton Oostveen die in Panorama zijn stervensproces beschrijft, schreef dat hij zo'n steun ontleende aan mijn laatste bundel. Nou, dat is toch wel het mooiste wat je als dichter kunt bereiken.’