Louis Ferron (48) ontving dit jaar de ako-literatuurprijs voor zijn roman Karelische nachten, waarin hij - geliefkoosd thema - zijn hoogstpersoonlijke Tweede Wereldoorlog verkent.
Hij zegt: ‘Mijn vader was een Duitser, die als Wehrmacht-soldaat omgekomen is - niet aan het Oostfront, zoals ik vroeger uit een begrijpelijke zucht naar mythologisering wel wilde doen geloven, het lag allemaal iets sympathieker en genuanceerder dan dat.
Hij woonde al vanaf het begin van de jaren dertig in Den Helder, was een klein schildersbaasje, en trok in zijn vrije tijd per motorfiets erop uit naar Marken en Volendam om daar lieve schilderijtjes te vervaardigen, onschuldige kitsch, waar hij in geloofde. Een aimabele man, die gedurende de eerste jaren van de oorlog in opdracht van de Kriegsmarine allerlei camouflageschilderwerk te doen kreeg. Voor hij het wist, was de petieterige kunstschilder een volledig zelfstandige en tamelijk welvarende middenstander geworden. Hij was getrouwd met een hier te lande woonachtig Duits dienstmeisje, dat geen kinderen kon krijgen. Vervolgens pieste mijn vader een keertje buiten de pot - en daar was ik het resultaat van. Mijn moeder was ongetrouwd, werkte en zat deswege nogal met mij in de maag. Waarop mijn biologische vader tegen zijn echtgenote zei: “Ik weet nog een leuk pleegkind voor ons”, zonder erbij te vertellen dat hij het zelf verwekt had. Zo kwam ik kort na mijn geboorte in '42 bij mijn vader en diens vrouw terecht. Daarna werd hij opgeroepen voor militaire dienst, en vertrok naar Bretagne. Mijn pleegmoeder is toen met mij naar haar ouders in Bremen gegaan.
Na de oorlog heeft mijn eigen moeder onder druk van haar ouders mij weer teruggehaald naar Nederland, dit terwijl ze mij destijds toch had afgestaan.
Pas sinds kort weet ik hoe het mijn vader vergaan is. Hij was op verlof in zijn geboortestreek, ergens in Westfalen, en kreeg een omvallende gevel op zijn kop. Is hij nou gesneuveld of niet? Zijn dood was toch, indirect, het gevolg van de oorlog - dus die mythe kan ik zonder al te veel gewetenswroeging instandhouden.
Waarom heeft mijn moeder mij indertijd teruggeëist, en met welk recht? Misschien ging haar moederinstinct opspelen, of werd zij geweldig onder druk gezet door haar ouders - wat weer niet te rijmen valt met de omstandigheid dat het hier ongehoord preutse lieden betrof, die zich dood geneerden voor het feit dat ze een ongehuwde moeder als dochter hadden; een klein, bekrompen milieutje - net geen arbeiders meer - waar 's avonds de gordijnen angstvallig dicht werden getrokken; daar ben ik aanvankelijk grootgebracht. Mijn moeder woonde ergens anders, en kwam in de weekends wel eens langs, ik zei tante tegen haar; pas op mijn tiende kreeg ik te horen dat die tante eigenlijk mijn moeder was. Ik was inmiddels Aloysius Ferron gaan heten; in Bremen had ik Karl-Heinz Beckering geheten - daar heb ik nog paperassen van gevonden.
Als ik het wil, kan ik zo tot West-Duits staatsburger genaturaliseerd worden. Van de week heb ik er nog aan zitten denken: Nu laat ik mij snel tot West-Duitser bombarderen, om met mijn westerse kennis een Grote Slag te slaan in Oost-Duitsland als uitbater van een patattent of zo. Een voor mij kenmerkende fantasie: het plat-perverse en het verhevene liggen dicht bij elkaar in mij; ik weet niet precies wat ik met mijn gevoelens dienaangaande nu precies aan moet. Ik heb nogal wat identiteitscrises achter de rug; een moeder die ineens achter de horizon verdwijnt, een tante die mijn moeder bleek te zijn, twee geboortelanden, een plotselinge naamsverandering, de zo lang mysterieus gebleven dood van mijn vader.
Ik zat al heel vroeg met de vraag: waar kan ik de gevoelens die ik heb nou kwijt? Zodra ik een beetje blokfluit speelde, wilde ik componist worden. Tijdens de Hongaarse opstand in '56 schreef ik een ongehoord pathetisch gedicht - waarna ik dacht: goh, ik kan toch ook wel schrijven. Daarna sloeg ik aan het schilderen, en wist: ik zit op het goede spoor. Weer later - ik was toen een jaar of drieëntwintig - werd ik enigszins godsdienstwaanzinnig, droeg quasi voor de grap missen op bij mij thuis. In die periode flirtte ik ook met Vlaams-nationalistische splinterpartijtjes; een beetje meetetteren met ultrarechtse ideeën; veel geschriften lezen waarvan ik wel wist dat een fatsoenlijk mens die niet hoorde te raadplegen; ik heb een paar maanden te Leuven gebivakkeerd, waar ik me behaaglijk tegen een bijkans fascistoïde denkwereldje aanschurkte - dat was taboe, dat vond ik wel lekker.
Je moet niet vergeten: als kind werd ik door allerlei mensen niet geaccepteerd; bij bepaalde vriendjes mocht ik niet over de vloer komen, omdat ik immers de zoon van een Duitser was. Dan kun je je timide opstellen, om ten slotte als patiënt van professor Bastiaans te eindigen, of je kunt denken: jullie kunnen me allemaal wat!
Ik heb heel lang allerlei grenzen afgetast. Mijn eerste vrouw was joods; via haar kwam ik voor het eerst in contact met een andere kant van de oorlog én
met een intellectueel milieu. Tegelijkertijd wist ik niet wat nu precies aan te vangen met al die tegenstrijdige emoties in mij. Buiten- en binnenwereld vielen pas werkelijk voor mij samen toen mijn eerste roman gepubliceerd werd.’
Nog steeds komt in elk boek van je een flard voor van hoe-het-werkelijk-gebeurd-is; een min of meer directe verwijzing naar je moeder. Wat is er tussen jullie?
‘De relatie tussen mijn natuurlijke moeder en mij is begonnen als een verwijdering, en die afstand is in de loop der tijd alleen maar groter geworden. Het arme mens leeft nog - dus de grote roman over ons beider geschiedenis moet nog komen; die durf ik gewoonweg nog niet te schrijven. Wat ik haar eigenlijk het meest kwalijk neem, is dat haar liefdesleven altijd belangrijker is geweest dan het geluk van haar zoontje. Ik heb nog wel, zij het sporadisch, contact met haar. Zij zit barstensvol schuldgevoel, en durft daar niet over te praten. Ik ook niet. Dus we spreken eigenlijk niet met elkaar. Een perfect gestoorde moeder-zoonverhouding; waar al die boeken min of meer over gaan; maar ik ben voortdurend op weg naar Dat Ene Werk, waarin de afrekening plaats zal moeten vinden. Dat voelt zij wel, ja - denk ik. Ik geef haar niet alle publicaties - soms ben ik bang dat het te dicht bij haar ligt. Dom zal ze zeker niet zijn, maar als een soort verzet tegen haar eigen ouders heeft ze zich altijd onintelligenter voorgedaan dan ze is; ze heeft ook heel nadrukkelijk iets volks willen blijven houden, terwijl ze door haar vader en moeder voortdurend werd gedwongen om burgerlijk te wezen. Ze stamt uit een uiterst benard, bigot milieu, en heeft al zeer snel de kont tegen de krib gekeerd - waar ik in zekere zin het onschuldige slachtoffer van ben geworden.’
Heb je ooit contact gezocht met de Duitse familie?
‘Jawel. Met veel moeite heb ik de in Bremen achtergebleven familie van mijn vader schriftelijk weten te bereiken. Ze schreven meteen een brief terug, waarin stond dat ik hartelijk welkom was. Waarop ik dat zo moeizaam verworven contact weer ogenblikkelijk afbrak - op de een of andere manier durfde ik het toch niet aan; tot op de dag van vandaag weet ik niet waarom. De laatste vier, vijf jaar leg ik, heel op mijn gemak, een archiefje over mijn verleden aan. Ik verzamel alle gegevens waar ik maar de beschikking over kan krijgen. Ik heb bijvoorbeeld de Duitse Oorlogsgraven Dienst aangeschreven; waardoor ik nu precies weet hoe mijn vader aan zijn eind is gekomen.
Maar waar het in wezen over gaat, namelijk: wat hield de verhouding tussen mijn vader en moeder eigenlijk in? - daarover zijn mij geen, of nauwelijks, gegevens verstrekt door wie dan ook. Mijn moeder heeft mij wel eens, half aangeschoten, verteld waar ik verwekt ben: in een hotelletje aan de Haarlemse Jansstraat; maar wanneer of hoe precies ze hem tegen het lijf gelopen is, wil ze niet zeggen. Een toevallig contactje. En de kennissen van mijn vader die ik, na eindeloos speurwerk, opgespoord heb, zeggen allemaal: August, dat was
zo'n goede man en echtgenoot - die ging nooit vreemd. Voorts stel ik: Maar ik ben toch zijn zoon - en dan krijg ik steevast ten antwoord: 't Is wonderbaarlijk, 't is wonderbaarlijk. Toen ze trouwde, heeft mijn moeder de foto's die ze van mijn vader had en een paar voorwerpjes die hem toebehoord hadden, weggegooid, weggedonderd. Ze had zich toch ten minste kunnen voorstellen dat ik die spullen had willen hebben, of had behoren te krijgen.’
Voel je je wel echt behoren tot de Nederlandse literatuur?
‘Het klinkt waarschijnlijk onhoffelijk jegens de jury van de ako-prijs, maar ik vond het niet plezierig om op één lijn gesteld te worden met zo'n schrijver als Frans Pointl - ik schrijf toch een geheel ander en beter soort letterkunde - of een mager publiciste als Christine d'Haen.
Mijn bronnen liggen voornamelijk in de Duitse literatuur. Ik voel me diep in mijn hart een schrijver in ballingschap; iemand die per ongeluk in het Nederlands schrijft. Daarom zit het mij wel dwars dat mijn oeuvre nog steeds niet compleet in het Duits vertaald is. Dit is toch wel de erkenning die ik voor mij en mijn vader wil hebben: dat ik ooit, onvervreemdbaar, tot de grote Duitse literatuur gerekend zal worden. Misschien koester ik wel een grote wrok tegen mezelf dat ik niet teruggekeerd ben naar Duitsland. Ik heb de neiging dat land nogal te idealiseren, in ieder geval de Duitse geschiedenis. Ik schrijf in principe Duitse romans; kijk maar naar het mythologiserende element erin, dat er een bepaalde religieuze dimensie aan verleent.’
Voel je je in aanleg niet een Groot-Duitser? Leef je, op de een of andere rare manier, weliswaar wellicht nog steeds in die oorlog, tijdens welke de illusie bestond dat dit land een onderdeel zou worden van het Duizendjarig Rijk?
‘Ik zie de politieke risico's van dat soort denken natuurlijk wel in. Toch - in mijn diepste fantasieën hoort dat beeld bij een diep doorleefde mythologie. Ik probeer almaar een hoogstpersoonlijk verleden te herscheppen, en die geschiedenis hield op met mijn geboorte, in '42. Op het moment dat ik geboren werd, stierf ik ook. Ik zoek, nog steeds, de rechtvaardiging van mijn bestaan.’
En tevens de rechtvaardiging van je vader, wiens hoogste baas Hitler heette. Wanneer je Hitler beschrijft, doe je dat niet bepaald met weerzin.
‘Dat is zeker waar. Dat is dus een gevaarlijk aspect van mijn werk. Ik probeer mijn eigen achtergrond, die onmiskenbaar in de Tweede Wereldoorlog wortelt, overzichtelijk te maken, te verklaren - en in dat streven worden de daden der schuldigen tot op zekere hoogte zo niet gerechtvaardigd dan toch begrijpelijk gemaakt annex gerespecteerd. Ik wil de wereld van mijn vader met liefde reconstrueren. Zo ik naar een verleden hunker, is het tenslotte dat verleden.’
Haat je de Nederlandse samenleving?
‘Ik denk van wel. En als dat zo is - waarom zou ik me daar dan voor generen? Door die Nederlandse maatschappij is mij wel het een en ander aangedaan; ik heb recht op die haat. Zodra ik Duitse grond betreed, gaan er heel enge gevoelens door me heen - althans, ik heb hier geleerd om dat griezelige emoties te vinden; ik vind het namelijk uiterst prettige gevoelens: dit is lekker, dit snap ik. Elke keer als ik die grens gepasseerd ben, kom ik als het ware tot rust.
Mijn gevoelens jegens het fascisme zijn natuurlijk - vooral geplaatst tegenover de overdreven Duitsland-haat in Nederland - behoorlijk ambivalent. Je moet me horen als ik een borrel op heb - dan wil het handje nog wel eens omhoog gaan, en riskeer ik door bepaalde uitlatingen misschien wel zes jaar gevangenisstraf. Mijn vader was een lieve, goeiige, hartelijke, aardige man - maar hij stond ineens voor iets wat hier compleet taboe is. En nu ga ik voor hem staan, en verdedig hem.
In mijn werk moet alles stuk, alles dient gesloopt te worden. En ik ga maar door, terwijl ik mijn verhaal misschien allang verteld heb. Waarschijnlijk wil ik, kost wat kost, toch een gaatje vinden waardoor ik ontsnappen mag, en de hele zaak kan omkeren. Hoe vind ik het positieve uitgangspunt waar ik mijn levensfilosofie aan op kan hangen? Ik ploeg mij door al die verrottenis en ellende en schijterij heen. Van de week zei ik nog tegen Harry Mulisch: “Ik ben van plan om nu eens een echte Blut und Boden-roman te gaan schrijven.” Waarop Harry zei: “Ja, jij bent altijd al een pervert geweest.” Mulisch is mijn literaire vader; door zijn achtergrond, en ook vanwege de wijze waarop hij schrijft; hij schrijft waar hij over schrijft. Anderzijds is daar mijn voorbeeld J.B. Charles, de rabiaat fascistische antifascist. Misschien is het bij mij ook wel het fascistische antifascisme - dat hoop ik maar. Ik ben een in principe afgewezen iemand, die zich terug wil vechten in het leven. Ik ben bang, en sla daarom om mij heen. Wat dat betreft is zo'n ako-prijs niets meer of minder dan een kleine pleister op de grote wond. Jaren geleden kreeg ik de Multatuli-prijs; die leverde een zekere aandacht, publiciteit en erkenning op. Vervolgens zakte die beroering weer weg, en bleef ik achter met een licht rancuneus gevoel; zo van: godverdomme, ik dacht dat ik er nou was, maar ik ben er kennelijk nog niet. Die wrok vind je veelal terug in mijn hoofdpersonen, die dan oud worden en vol wrok op een mislukt leven terugkijken; dat is ook vaak mijn gevoel. Die rancune heb ik nodig om het fascisme van al die, ogenschijnlijk zo bedaagde, Duitsers te begrijpen, die ineens tot al die gruweldaden in staat bleken. Ik heb nogal de neiging om door het lint te gaan: Hier ben ik! Hoor mij! En als dat niet goedschiks gaat, moet het maar kwaadschiks! Dat is het fascisme van mijn Duitse voorouders. Voeg hierbij de vaak overdreven haat van veel Nederlanders tegen die Duitsers; een stompzinnige houding, waaronder ik als kind heb moeten lijden. Dan wordt het toch wel begrijpelijk dat ik in
emotioneel opzicht goeddeels ondergronds heb geleefd, en veelal nog leef. Zelden of nooit kon of kan ik mijn woede richten op degene die het in mijn ogen verdient. En ik hoor noch bij de ene noch bij de andere partij. Ik schaam me vaak én voor Nederland én voor Duitsland. Wat is goed? Wat is fout? Een voor mij schier onopgeloste vraag.
Ik voel mij uiteindelijk een verzetsheld, in naam van het verkeerde vaderland.’