|
|
|
| |
| | | |
Henk J. Hofland
H.J.A. Hofland (63) zegt over zijn nieuwste boek, de roman De
alibicentrale: ‘De hoofdpersoon van dat verhaal is eigenlijk
een menslievende man. Wanneer iemand hem vraagt of hij die alibicentrale vanwege
het geld bedacht heeft, antwoordt hij: “Nee, uit
waarheidsliefde.”’
Waarom draagt het boek als ondertitel: Een sprookje voor
bedriegers?
‘Hoewel het waarheidsgehalte van dit boek heel groot is, zal de
verwezenlijking van zoiets als een alibicentrale nog wel lang op zich laten
wachten; vooralsnog zien we geen advertenties waarin bedrijven worden
aangeprezen die mensen behulpzaam willen zijn bij het vinden en instandhouden
van een alibi. Die alibicentrale uit mijn boek is dus een toverinstituut.
Vandaar een sprookje. Men kan er ook van leren; wie het zorgvuldig leest, zal er
wijzer van worden. Voorts is het geschreven voor bedriegers; omdat bedriegers
zich in het verhaal zullen herkennen, en daarin tevens een zeker plezier zullen
scheppen. Eindelijk immers wordt de bedrieger recht gedaan, en krijgt het
literaire portret dat hij verdient. In wezen zijn alle figuren uit De alibicentrale, inclusief de tamelijk sympathieke hoofdpersoon,
bedriegers. Om een van hen te citeren: “De mens is hebzuchtig, laf,
lui en wraakgierig. Erbarmen. En onze onderneming bevindt zich in de gelukkige
positie dat zij in al deze hieruit voortspruitende drijfveren tegen honorering
kan honoreren.” Dat is ook zo ongeveer wat ik zelf denk. Het is
treurig gesteld met de mensheid, en dat zal altijd wel zo blijven. En de kroon
op deze akelige gesteldheid is wel dat de mens die omstandigheid ook nog eens
exploiteert; hij verdient geld aan andermans tekortkomingen, zwakheden,
slechtheid en verraad. Dat wist ik overigens al toen ik twaalf was - toen
begreep ik al duidelijk: er deugt niks van. Ik zag het aan mijn
medeleerlingetjes, aan de leraren. Persoonlijk ben ik van meet af aan een
naïef en goed mens geweest - gelukkig maar, want anders had ik nooit
zo'n boek als De alibicentrale kunnen schrijven.’
| | | |
Naast alle schurken van vlees en bloed speelt er in feite nog een
onschuldige, maar daarom niet minder fascinerende figuur mee in De
alibicentrale, namelijk het Amsterdam van de jaren
tachtig/negentig.
‘Amsterdam is allengs overwoekerd met wat in de jaren zestig begonnen
is: lieden die alleen maar de blits willen maken, reclame voor zichzelf, de
voortzetting van het iktijdperk. Toen ik er kwam wonen in het begin van de jaren
vijftig, had je dat allemaal nog niet. Wat er toen al wél was: die
typische Amsterdamse flauwekul. Amsterdam heeft 't, en jezelf dan feliciteren
met iets wat je eigenlijk niet hebt.’
De Amsterdammers uit je boek zijn over het algemeen yuppie-achtige
non-mensen.
‘Wanneer is die pagina Privé van De
Telegraaf begonnen? Zo'n twintig jaar geleden, denk ik. De lieden die
daarop figureren, zijn in de loop van de tijd precies hetzelfde gebleven; van
die met lak overspoten types. Naarmate de televisie een steeds grotere vlucht
heeft genomen, is het aantal van die lieden almaar toegenomen, lijkt het wel.
Vervolgens kreeg je dat verschijnsel van De Bekende Nederlander; de absolute
terreur van deze tijd.’
De alibicentrale behandelt onder andere de harteloosheid van het
yuppiedom; een soort lieden dat noch als links noch als werkelijk rechts te
typeren valt.
‘Links en rechts doen er tegenwoordig niet meer zo toe. De democratie
in ons land is verworden tot een eigenaardig soort samenspel tussen de drie of
vier partijen die het bij voorbaat in grote trekken met elkaar eens zijn. De
echte oppositie zit achter tralies of slaapt 's nachts op straat. Net als in
Amerika begin je bij ons de lower class te krijgen. Daar gaat
De alibicentrale niet over, maar het is wel ook een
politiek boek. In het begin zegt de hoofdpersoon: “Wij gaan nu iets
doen wat geen enkele heilsleer, godsdienst of politieke partij ooit gedaan
heeft, wij gaan de mens een extra leven geven.” In die zin is De alibicentrale een politieke organisatie.
De dommigheid die je elke avond op de televisie ziet. Het vreselijke conformisme.
Het gebrek aan haken en ogen. Niet alleen op de televisie, maar ook in de
sociale verzorging, in de welzijnswerkerij. In alles, alles is er
één grote dikke brij van gelijkschakeling gekomen. Als
iemand iets hards zegt op de televisie, is de schrik allerwege zeer groot. Maar
zo hoort het; je moet elkaar zo af en toe eens stevig aanpakken, anders komt er
niks van terecht. Als er iets gebeurt, weet je tenminste dat je leeft.
Die Alibicentrale kun je ook beschouwen als een soort
oorlogsboek; er wordt daarin voortdurend strijd geleverd. De hoofdpersoon raakt
steeds meer vrienden en bondgenoten kwijt, en moet ten slotte in zijn eentje de
boel bestrijden. En dan vindt hij iets wat misschien helemaal niet te bestrijden
valt.’
| | | |
De Fusie. Zoals jij het samensmelten van
nrc
en Algemeen Handelsblad ervaren hebt.
‘Inderdaad. Niet dat dat nog een wezenlijke rol voor mij speelt, maar
er zijn dingen die je nu eenmaal niet vergeet. Het Verraad.
Het eerste verraad overkwam me toen ik in de hongerwinter drie peuken in mijn zak
had die ik met mijn beste vriend wilde oproken; dus ik probeerde die drie peuken
uit mijn zak op te vissen - maar die beste vriend van mij had ze al opgerookt.
Tja. Zo erg was het nou ook weer niet - je ging naar buiten, en je raapte drie
andere peuken op - maar het blijft toch steken. Zoals er ook belachelijke zaken
tijdens die fusie zijn voorgevallen.
Ik was hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, en wilde
die krant destijds opstoten in de vaart der volkeren. Daarom hield ik grote
nieuwjaarsrecepties. Dit nu werd door de Rotterdamse directie
geïnterpreteerd als zou er daar in Amsterdam een dependance van Sodom
en Gomorra zijn ingericht. De ndu wilde mij kwijt; ze vonden
mij te links, te ordeloos en te onberekenbaar - terwijl ik geen van
drieën was. Twee jaar lang is er vervolgens een oorlog tegen mij
gevoerd. Vervolgens maakte ik een kleine fout, die in deze context een fatale
misser was; ik struikelde, en behoorlijk ook. Dat vond in '72 plaats, twee jaar
na De Fusie.
Het trauma is niet dat ik hoofdredacteur af was; het trauma was dat ik een
nederlaag leed, en in de steek gelaten werd. Het ging zover dat er iemand aan de
telefoon kwam die zei: “Zeg, je moet nu zeker wel je huis verkopen,
hè? Ik weet een koper voor je.” Zo gaat dat. En mijn
jongste kind kreeg op school van klasgenootjes te horen: “Haha, jouw
vader is de baas niet meer.” Treurige zaken, ja. Ik zou zoiets nooit
doen. En het valt tegen hoe weinigen er maar zijn die zulke dingen niet doen.
Iemand die mij om twaalf uur belde en zei: “Wat je ook gedaan moge
hebben, jij bent niet slecht” - zulke mensen heb je niet veel. Ach,
het zijn ook geen trauma's. Het is ook niet zo dat ik af en toe 's nachts badend
in het zweet wakker word. Ik houd ook niet van zelfbeklag. Maar het is
wél gezien, en niet onopgemerkt gebleven.’
Gedurende ongeveer vier decennia observeer je en beschrijf je de
Nederlandse samenleving. Wat is volgens jou De Grote Verandering dan wel
Verschuiving?
‘Je hebt natuurlijk een bovenlaag, in alle beroepen en
inkomensgroepen, die hard werkt en er zin in heeft. Daaronder komt dan een dikke
onderlaag, die steeds meer uit parasieten bestaat en schreeuwende
aandachttrekkers. Dat is absoluut waar; het is niet de rancuneuze waarneming van
iemand die tegen de bovenkant der middelbare leeftijd krabbelt. De laag die
ertoe doet, is almaar conservatiever geworden. En conservatieve mensen zijn
lieden die nooit iets zelf bedenken, die in een recht kanaal doorleven, en het
alleen maar lekker willen hebben, met festivalletjes en Japanse elektronica, met
flip-overs en symposia, die lekker erbij willen horen en daarmee tevreden | | | | zijn. Deze middenlaag is toegenomen, en het aantal
constructivistische mensen is duidelijk afgenomen. Misschien komt dat wel door
onze zo ver doorgeperfectioneerde verzorgingsstaat. Die kan je toch niet
onbeïnvloed laten. Uitkering, lekker! Wat moet ik verder
nou nog? En zo weinig geld is het nou ook weer niet, voor niks-doen.
Twaalfhonderd gulden per maand - wat heb je meer nodig? Een paar sneakers en een
spijkerbroek kosten niets, en voor vijfentwintig gulden heb je een gejatte fiets
gekocht. Die junks vormen een niet onaanzienlijke bijdrage aan het moderne
zwartegeldcircuit. Hiernaast, in het tijdschriftenwinkeltje, werd laatst een
jongen neergeschoten die daar werkt. Een junk wil de kas, die jongen wenst zich
te verdedigen en krijgt een kogel in zijn pens. Hij sterft niet, maar in het
ziekenhuis blijkt dat die kogel uiterst ongelukkig terecht is gekomen. Het
slachtoffer is een paar keer geopereerd, dus dat kost de staat kapitalen; en
straks moet hij nog revalideren; laten we zeggen dat deze aardige jongen zo'n
half jaar onttrokken is aan het arbeidsproces. En dit alles voor een buit van
honderdvijfentwintig gulden! In zekere zin is dat dus een investering om een
team chirurgen, een partij verpleegsters, verplegers en revalidatiedeskundigen
bezig te houden.
En dan heb je die moderne sloddervosserij, waar ik ook niet van houd. Een paar
dagen geleden zag ik voor het eerst een man langs de stoeprand knielen, die
water uit de goot dronk. Ongelooflijk. Aan de andere kant van de straat trok
terzelfder tijd tetterend en trommelend het bloemencorso voorbij. Kijk, en dat
had je niet in 1950 - toen had je wél dat bloemencorso, maar niet die
man die uit de goot dronk.
Die welzijnsmaatschappij heeft toch allang weinig of niets meer van doen met
weldoen. Wij leven in een geautomatiseerde verzorgingsstaat. Kijk eens, ik ken
een 82-jarige advocaat die nog een aardige praktijk heeft; Picasso werkte nog op
zijn negentigste; Ouwe Nol was vijfentachtig toen hij de hele rechtszaal in
Utrecht bij elkaar schreeuwde. Buñuel maakte nog een prachtige film
toen hij tweeënzeventig was - die leeftijd, dat zegt allemaal niks.
Maar in onze verzorgingsstaat zegt het een heleboel. Wanneer je zestig bent
geworden en je hebt een eigen bedrijfje, en je maakt winst - dan krijg je geen
investeringsaftrek meer als je die winst in het eigen bedrijf laat terugvloeien.
De vut-regeling is hetzelfde - wanneer er in een cao, die kracht van wet heeft, staat dat je de plicht hebt om
van een recht gebruik te maken; dat is toch je reinste Roemeense dictatuur: dat
je de plicht hebt om van een recht gebruik te maken. Orwelliaanse Newspeak.
Drees kwam uit de crisistijd, en vond dat het zo nooit meer mocht worden. Hij
vond de aow uit. Vervolgens kreeg je het systeem van sociale
wetten. Vervolgens heeft dat systeem, als elk maatschappelijk mechanisme, zijn
Eigen Momenten gekregen, het is geautomatiseerd, en dat volgzame Nederlandse
volk heeft verzuimd om te zorgen dat de uitwassen bijgesteld werden krachtens
welke collectieve regelingen bepaalde individuen de nek worden
omgedraaid.’
| | | |
Al die wettelijke regelingen vormen een tamelijk bedrieglijk web,
waarin het begrip ‘alibi’ een merkwaardige bijsmaak
krijgt.
‘In principe zou er niets tegen zijn in onze constellatie dat je het
alibi in het ziekenfondspakket kreeg. Wanneer je bijvoorbeeld nymfomanie erkent
als een ziekte, of althans als niet iets normaals, dan hoort de getrouwde
nymfomane het alibi in haar ziekenfondspakket te krijgen, en wel bij een Erkend
Alibi Bureau. Vervolgens zien wij de Erkende Gediplomeerde Alibist zijn intrede
in deze maatschappij doen. Deze Erkende Alibist werkt, vanzelfsprekend, geheel
en al gesubsidieerd.
Ik heb ooit iemand gesproken die wilde dat de Vereniging voor Sadomasochisme
koninklijk erkend zou worden. Waarom zou straks dan niet de Koninklijke
Alibistenbond kunnen bestaan? Ach, de homoseksuele medemens is ook van
overheidswege erkend - en terecht. Maar het is interessant te zien wat er
gebeurt wanneer je datgene verlaat wat eeuwenlang, uit welk principe dan ook,
als normaal werd beschouwd. Dan wordt de grens steeds meer verlegd. Pedofielen!
Hoe die niet geijverd hebben om een eigen plaatsje onder de zon!’
Binnen vier decennia zijn de begrippen links-rechts,
progressief-conservatief volkomen op hun kop gezet.
‘Dat is absoluut waar. Vroeger sprak ik nog wel eens met wijlen De Telegraaf-hoofdredacteur Goeman Borgesius, die dan zei:
“Weet je dat wij, toen ik bij de krant begon, niet in de krant
mochten zetten dat de prinses zwanger was - zij moest In Blijde Verwachting
wezen.”’
Trouwens, jij bent nooit zo rabiaat tegen De Telegraaf geweest als menige collega.
‘Ik heb De Telegraaf nooit als onaantastbaar
beschouwd.’
Waarom werd die Telegraaf altijd zo veracht? Zo'n
vieze courant is het toch niet.
‘Journalistieke stammenstrijd, denk ik.’
Dit terwijl De Telegraaf gedurende de oorlog niet
fouter was dan het Algemeen Handelsblad.
‘Inderdaad. Daar zwaaide die Hoogterp de scepter, een echte nsb'er. De Telegraaf is eigenlijk nooit
zo'n verschrikkelijk erge krant geweest. Nou ja, ze hebben het steeds opgenomen
voor De Burgerman En Diens Gezonde Volksopinie. In de loop van de afgelopen
vijfentwintig jaar is die Burgerman van gedachten veranderd, en heeft misschien
wel onderdak gekregen bij de Volkskrant. Dat is die gruwelijke
middenmoot waar ik het zo-even over had; die dikke laag onder de top, die
meelopers, die schreeuwers, die lieden met hun gefingeerde originaliteit, die
figuranten in De alibicentrale.’
|
|
|