terug  begin  verderprepost
[p. 288]

Marga Minco

‘Vreemd,’ zegt Marga Minco (70), ‘nu hebben we het weer meteen over de Tweede Wereldoorlog. Nou ja - het is mijn thema. Een donker gat. Dat schrijven van mij is toch een voortdurende poging tot verklaring. Ik denk niet dat ik ooit daarover uitgeschreven raak. Zo bij perioden denk ik wel: het volgende boek zal over iets heel anders gaan - maar wanneer ik dan daadwerkelijk aan de slag ga, komt die oorlog toch weer boven. Altijd. Mijn directe omgeving heeft me wel eens gesuggereerd om eens een ander onderwerp ter hand te nemen, omdat ik toch, steeds weer, zo down word van dat wroeten in mijn herinnering - maar als ik er niet aan denk of erover schrijf, raak ik nog gedeprimeerder; het blijft, hoe dan ook, aan me hangen, aan me trekken. Het heeft inderdaad, bijna letterlijk, een zekere aantrekkingskracht.

Vroeger dacht ik altijd: als ik straks ouder ben, zal het allemaal wel wat geëgaliseerd zijn, weggeslonken - maar met het klimmen der jaren besef ik juist almaar sterker: je leeft toch nog - en het was indertijd werkelijk een dubbeltje op z'n kant. Vaak is mij gevraagd: “Wat zou u zonder die oorlog geweest zijn?” Tijdens lezingen of zo. Dan moest ik mij altijd verdedigen, in de trant van: “Voorde oorlog schreef ik ook al. Verhaaltjes voor de krant, leuke schetsjes. En een kinderboek.” Als je dat dan zegt, zijn de mensen tevreden. Maar op de keper beschouwd vormt die oorlog toch ook een prachtig thema. Veel moderne verhalen vind ik zo onbenullig, omdat er zo weinig achter zit; er lijkt vaak geen noodzaak te zijn geweest om het op te schrijven.

Mijn noodzaak is: terugduiken in die tijd. Er langs alle mogelijke kanten omheen gaan. Al observerend tot nieuwe interpretaties komen. En dan is daar ook de mogelijkheid om de gestorvenen op te roepen, zodat ze, als het ware, in staat worden gesteld om langer te kunnen bestaan dan ikzelf. Dat is ook de grote voldoening geweest van Het bittere kruid. Zoals ik in De glazen brug over mijn verdwenen broer heb geschreven. Het zijn tenslotte herinneringen. Ik zou nog wel eens zo over mijn broer en zuster willen schrijven dat ik ze verder laat leven; kijken hoe ze geworden zouden zijn wanneer ze hadden mogen blijven doorleven. Een soort vergoeding. Maar ja, een schrijver is

[p. 289]

geen god - alhoewel, toch ook wel een beetje: de schrijver kan spelen met levens en niemand neemt het je kwalijk - je wordt niet gestraft. Nou ja - hoogstens met een slechte kritiek.

 

Vroeger, toen ik jong was, voor de oorlog, dacht ik: wat moet het heerlijk zijn om als zeventig- of tachtigjarig mens terug te kijken op je leven; al die teksten die je dan geschreven hebt, de mensen die je ontmoet hebt, de avonturen die je hebt mogen beleven - fantastisch! Dacht ik. Als meisje was ik vast van plan de wereld te bestormen. Maar daar zette die oorlog een punt achter.

Ver na de bevrijding kwam de echte klap - en toen kon ik het nog alleen maar zeer oppervlakkig verwerken. Het verschijnen van Het bittere kruid en het succes van dat boek enerzijds, en aan de andere kant het leven, in die jaren vijftig - dat zijn twee totaal verschillende aspecten van mijn leven toen. Ik schreef aanvankelijk zwart-humoristische schetsjes voor het satirische tijdschrift Mandril - dat vond ik fijn om te doen. Ik had dus wél het gevoel dat schrijven mijn vak was, dat ik het kon. Het schrijven van Het bittere kruid was dus eigenlijk niets bijzonders voor me - dat hoorde erbij. Toch: het thema op zichzelf mocht er van de buitenwereld eigenlijk niet bij horen. Niemand schreef toen over de oorlog, geen mens praatte erover. De mensen die uit de kampen kwamen, kregen nog een schop na in dit land. Het was gewoonweg not done om je mond over die tijd open te doen. Dat wist ik. Toen ik Het bittere kruid af had, dacht ik nog: dit wil geen mens lezen, dit is niets voor de boekhandel; het is voornamelijk bestemd voor wat mensen om mij heen. De uitgever heeft het ook eerst nog een jaar in zijn la laten liggen - hij zag wel in dat het iets was, maar was toch bang dat hij zich er een buil aan zou vallen. Vervolgens moest het ook nog eens opgedikt worden met tekeningen - mooie tekeningen, overigens - want anders was het helemaal niet verkoopbaar geweest.

 

Het bittere kruid is en wordt zeer veel gelezen op middelbare scholen, ook omdat het zo'n lekker dun boekje is - tenminste, dat hebben een paar leerlingen ooit eens gezegd. En die uitspraak is vervolgens een geheel eigen leven gaan leiden. Nu was er laatst iemand bezig met een studie over vrouwelijke literatoren uit de jaren vijftig. Vrouwen zijn anders dan mannen - kénnelijk. Enfin, die journaliste beschreef ook mijn carrière, en ze begon met de opmerking dat Het bittere kruid zoveel gelezen wordt omdat het zo'n lekker dun boekje is. Toen ben ik toch zo ontzettend kwaad geworden. Want al was het zo, so what! Er zijn zo veel dunne boekjes geschreven. Dat heeft er toch niets mee te maken! Ik heb die vrouw opgebeld, en gezegd dat Het bittere kruid in vijftien talen verschenen is, dat er binnenkort een Penguin-editie van verschijnt, en dat dit succes niets te maken heeft met de omstandigheid dat het zo'n lekker dun boekje is! Denk ik! Heb ik tegen haar gezegd.

[p. 290]

Als ik Het bittere kruid nu zou moeten schrijven, deed ik het hoogstwaarschijnlijk anders. Uitgebreider. Denk ik. Minder geconcentreerd op de feiten.

De grote voldoening in 1957, toen het uitkwam, was dat ik mijn vernietigde familie had kunnen portretteren; althans, dat ik er hoe dan ook in geslaagd was een beeld van ze te geven. Voor iedereen verandert het beeld van de familie tijdens het leven - voor mij niet. Het blijft permanent een stilstaand beeld, een foto. Dat wekt wrevel. Het is onuitstaanbaar. Dat is ook mijn thema: die afschuwelijke waarheid waarmee ik zal moeten blijven leven. Natuurlijk heb ook ik ruzie gehad met mijn ouders en mijn broer en zus. Ik was het stoute kind; ik kreeg vaak op mijn duvel. Maar dat, dat valt altijd weg, natuurlijk. Het was een normaal gezin, allerminst heilig. Mijn eigen gezin heeft veel vergoed natuurlijk. Maar nu ik oud ben, denk ik wel eens dat ik eigenlijk veel meer dan twee kinderen had willen hebben. Vlak na de oorlog was daar evenwel geen denken aan.

Na de bevrijding heb ik al mijn woede uit alle macht weggestopt. Daar heb ik ook veel spijt van. Maar hoe had je dat kunnen uiten? Kwaad worden? Erop slaan? Ik heb wel rondgelopen met de gedachte: ik wil een Duitser vermoorden. Maar wat heb je daaraan? Ach, ik heb het allemaal ontzettend ingeslikt. Ik dacht wel eens dat ik moddervet ben van alles wat ik opvreet, binnen heb gehouden, er niet uit heb gegooid. Die woede heb ik nooit, nooit geuit. Bij vlagen is die razernij er nog wel. Het is toch eigenlijk onvoorstelbaar hoe mijn generatie zich weer heeft kunnen aanpassen aan zoiets als een geordende, gewone samenleving, na alles wat ook die samenleving ons heeft aangedaan. Een paar jaar geleden kreeg ik daarvoor nog op mijn flikker in Canada. Hoe ik het in mijn hersens haalde om de Nederlanders zwart te maken voor die Hollandse club daar. Terwijl ik gewoon met cijfers kwam: zo veel joden waren er, zo veel zijn er teruggekomen, en er waren zo veel Nederlanders die geen poot hebben uitgestoken.

Als het iets anders was gelopen, was ik waarschijnlijk naar Israël gegaan. Of niet. Ik ben er één keer geweest. Toen viel alle schaamte van me af. Ik was daar tussen allemaal joden. Voor de oorlog leefde ik in mijn traditioneel-joodse milieu. Daar paste ik me gewoon bij aan. Na de oorlog was dat allemaal weg. Na de oorlog wilde ik dat jodendom niet meer.

Het leven hangt tenslotte van betrekkelijke toevalligheden aan elkaar. Als je die ene stap doet, kun je het hoekje omgaan. Het tuinpoortje in Het bittere kruid. Het tuinpoortje - dat is, uiteindelijk, mijn thema. Ik, die als meisje van twintig wegliep, terwijl mijn ouders weggehaald werden. Toen. Het gigantische toeval. Zo'n stap gaat ook niet bewust. Daar heb ik zo vaak over nagedacht: waar heb ik aan gedacht toen ik dat tuinpoortje uit rende? Dat weet ik niet. Ik heb toen waarschijnlijk helemaal niets gedacht. Maar aan de andere kant: je hoofd is toch nooit leeg. Dus ik moet wel iets gedacht hebben. Maar wat heb ik toen gedacht? Misschien heb ik wel gedacht: wat doe ik nou?

[p. 291]

Maar ik heb zéker niet gedacht: nou smeer ik 'm. Helemaal niet. Ik liep gewoon de keuken uit - niet eens op een holletje. Ik dacht: ze zullen wel achter me aan komen, die Nederlandse sd'ers die ons kwamen ophalen. Verdomme, nou heb ik het wéér over dat tuinpoortje. Ik liep rustig die tuin door. En als er geen poortje was geweest - wat had ik dan gedaan? Ik weet het echt niet. Het toeval. Voorbestemming? En wie bestemt dan wel voor? Was ik voorbestemd voor een bepaald leed?

Mijn vader geloofde in God. Daar moet ik het wel eens met hem over gehad hebben. In ieder geval werd God niet opgevoerd als Straffend Instituut - het jodendom is geen christendom.

Mijn zusje en ik - zij schilderde en ik werkte bij de krant - leefden deels in dat joodse milieu, en deels in een provincialistisch kunstenaarswereldje. Dat beviel ons wel. We hielden van muziek, literatuur, beeldende kunst, theater. Mijn vader juichte dat toe. Ik bedoel, dat joodse gezin was niet alles voor me. Ik kende al Het Andere. Toch geloof ik dat ik vanaf het midden van de oorlog tot nu in wezen een uitermate ontheemde vrouw ben geweest, een thuisloos iemand. Ik heb vanaf '43 een nogal gespleten leven geleid; enerzijds zeer zeker beschermd, maar tegelijk eenzaam, zoekend. Dat heeft me gemaakt tot wat ik in diepste kern ben: een onzeker mens.

Ik ben altijd onzeker gebleven. Soms zelfs over mijn schrijven. Al is het schrijverschap iets waarin ik me altijd heb thuis gevoeld.

Nederland gedurende de jaren vijftig. Ik durfde mij niet of nauwelijks in gezelschap te vertonen. Ik haatte de meeste mensen, koesterde een grote wrok. Ik leefde voortdurend onder die doem van verplichte aardigheid. Dat is er nu wel af. Er zijn nu genoeg mensen op wie ik echt gesteld ben. Ik trok mij altijd terug - waarom, dat weet ik niet.

Ik heb heel lang het gevoel gehad dat ik een enorme klap op mijn hoofd heb gehad, waardoor het daarboven bij mij niet helemaal in orde was.

In zijn laatste essay vergeleek Bruno Bettelheim Het bittere kruid met Het dagboek van Anne Frank, hij had het in dat kader over het gettodenken van de joden - hij vraagt zich af waarom de ouders van Anne zich hebben laten pakken, terwijl mijn ouders mij als het ware de gelegenheid hebben geboden om weg te glippen, via dat tuinpoortje. Mijn ouders gaven mij die kans. Daar zit wel iets in. Ik wil mij nog wel eens voorstellen wat er van mij geworden zou zijn wanneer ik ook gepakt was. Wat ik als ouder gedaan zou hebben in die situatie - dat wil ik mij liever niet voor de geest halen. Zover durf ik niet te gaan. Ik wil me niet in hen verplaatsen. Ik wil ze zo laten als ik ze achter heb gelaten. Ik kan me niet met ze identificeren. Dat betekent ook een barrière. De omstandigheid dat al die mensen vermoord zijn, maakt ze ook tot heiligen, althans: onaantastbaren. Vreemd. Ik moet mijn familieleden stil laten staan, als op een foto. Ik wou dat ik ze als gewone mensen kon laten zien. Dat kan niet. Dat kan niet meer.

[p. 292]

Na de oorlog had ik een enorm schuldgevoel: dat ik toen weggelopen was. Dat is gesleten.’

 

Zo er één thema is dat je virtuoos hanteert, is het dat van overleven.

‘Omdat ik overleef- nu al zo'n veertig jaar - daarom schrijf ik. Omdat ik het overleefd heb.’

prepostterug  begin  verder