Schrijver Adriaan van Dis (43) zegt over zijn nieuwste boek, In Afrika: ‘Het is toevallig ontstaan; per ongeluk, eigenlijk. Ik kon Zuid-Afrika niet in, anno 1989 - het zestiende jaar van er-niet-in-mogen. Uiteindelijk heeft het zeventien jaar geduurd alvorens ik daar werd toegelaten. In ieder geval, eind '89 besloot ik tot: dan maar illegaal. En ik vatte het plan op om de landen rond Zuid-Afrika te bereizen: Namibië, Botswana, Zimbabwe en, ten slotte, Mozambique.
Ik heb ook daadwerkelijk drie keer op illegale wijze Zuid-Afrika betreden: één keer via Namibië, één keer per doos in een verhuiswagen via Zimbabwe, en één keer via Mozambique. Dat was ook de opzet.
Maar eenmaal in Mozambique, bleek aldaar - ik had het kunnen weten, en ik wist het ook wel vagelijk, alleen maar in naam - een oorlog te zijn. Ik belandde daar pardoes middenin. Wanneer ik op een normale wijze had gereisd en mijn tocht in de hoofdstad was begonnen, dan had ik er als het ware nog aan kunnen wennen: de elektriciteit die af en toe uitvalt, veel zwervers op straat met treurige oorlogsverhalen. Maar nu kwam ik met de oorlog binnen.’
Je wist het wél en niet - hoe precies wél, hoe precies niet?
‘Ach, oorlog in Afrika - er is zo veel oorlog in Afrika. En wat was oorlog nu eigenlijk voor mij? Deels iets uit het geschiedenisboek: dreunende laarzen op de hoek van de straat. In ieder geval dacht ik aan kinderen met machinegeweren, mensen die elkaar wreedheden aandoen die ook zichtbaar zijn. Wij, in onze cultuur, zijn gewend om onze wreedheden te verstoppen. Mensen die in de war zijn stoppen we in gestichten; iemand met een open verhemelte wordt, hoe dan ook, het liefst weggehouden en lieden zonder armen of benen hangen in een mandje ergens in een instituut op de Veluwe. In Mozambique, in heel Afrika, is dat alles veel meer geïntegreerd. Samenlevingen waarin de wreedheid, de liefde, de vrede en de oorlog meer door elkaar heen lopen. Nergens heb ik ook zo veel vriendschap mogen ervaren als in Mozambique; zo veel plezier ook. En van vijandigheid jegens mij heb ik niets gemerkt.’
Behalve dan tijdens dat incident in de trein: iemand ziet je in je dagboek schrijven en valt je aan.
‘Ik was getuige van een aanslag en schreef daar meteen iets over op. Iemand die schrijft is al iemand die gewantrouwd wordt in Mozambique - hij kan van de regering zijn, een of andere rapporteur. Maar dat was de enige keer dat ik mij persoonlijk aangevallen wist. Nooit is er tegen mijn persoon of de kleur van mijn vel geageerd.’
Terwijl de agressie jegens de huidskleur toch het eerste is waar je als buitenstaander aan denkt.
‘Ja. Ik verwachtte dat ook, omdat iedereen daar de Zuid-Afrikanen haat - op papier althans. Ik was erop voorbereid dat iemand die een taal spreekt die ook maar in de buurt van het Zuid-Afrikaans komt en ook nog eens wit is, meteen als een vertegenwoordiger van dat moordachtige regime gezien zou kunnen worden. Maar iedereen daar wil juist naar Zuid-Afrika toe, naar de Reïncarnatie Van De Vaste Munt.
Ik raakte verzeild in die oorlog, en ik raakte eraan verslaafd, maar dat verslaafd zijn hield in dat ik er steeds meer van wilde weten. Ik werd ook hoe langer hoe bozer. Boos op de Renamo, de bandieten, gesteund door Zuid-Afrika, opgezet door Rhodesië, maar veeleer op het Frelimo, de partij die eertijds toch zulke mooie idealen had, marxistisch-leninistisch, die op papier zulke mooie oplossingen voor het land had - dat uitgerekend die groepering de macht uit handen was gevallen; dat ze op de ziel van het volk hadden getrapt; dat dezen, tegen beter weten in, nog steeds ontkenden dat er überhaupt sprake was van een oorlog; ze noemen het ook de situatie, en niet de oorlog - dat alles wond mij steeds meer op, ook omdat ik merkte dat de journalisten in het Westen mee hadden gedaan aan die grote leugenfabriek.’
Dus jij ook.
‘Ik heb daar toevalligerwijze niet over geschreven - maar ik had dat inderdaad ook kunnen doen. Ach, destijds, in '74-'75, heb ik ook met de wolven in het bos gehuild waar het om Zuid-Afrika ging. Ik wist bijvoorbeeld dat Zuid-Afrika het land was met de grootste persvrijheid in geheel Afrika - maar dat schreef ik niet graag op, want het was immers een slecht land. En ik wilde ook niet schrijven over de tegenstelling tussen de diverse volkeren in Zuid-Afrika, zwarte stammen - want je dacht: daar spinnen de racisten maar garen van. Je verzweeg van alles, om het maar klaar en helder en duidelijk te houden - maar misschien heeft die duidelijkheid ten langen leste wel een erg verkeerd effect gehad. We dachten dat alle blanken daar nazi's en schoften waren, terwijl er natuurlijk ook een verzet was onder de blanken. Op den duur schreef ik er maar niet meer over, omdat het zo ontzettend complex was.
Er gebeuren overal ter wereld onrechtvaardigheden, maar in Afrika wel bijzonder veel. Een mensenleven is er weinig waard. En de mensenrechten worden er alom met voeten getreden. En daar wordt eigenlijk bitter weinig voor opgekomen.
December '89 kwam ik terug uit Mozambique. De Berlijnse Muur was afgebroken. Roemenen bestormden een televisiestation alsof het hier de Bastille betrof. Kortom, ieders ogen waren gericht op het Oostblok. Goede vrienden zeiden tegen me: “Hihi, in het verkeerde land geweest.” En zo was het ook. In oorsprong was ik er voor nrc Handelsblad naartoe gegaan. Ik belde de krant, en men zei: “Nou ja, lever je eerste verhaal maar rond Pasen in.” Dit terwijl ik zo vol was van alles wat ik daar gezien en beleefd had. Niemand die zich er toen voor interesseerde. Goed, ik begon er toch aan te werken, en ineens werd Mandela vrijgelaten. En wéér zag ik mijn Mozambique-verhaal in duigen vallen, want nu waren alle ogen op Zuid-Afrika gericht. In april kon ik er eindelijk heen. En uit die reis is Het beloofde land ontstaan. Maar in wezen is die laatste boek, In Afrika, het eerste in de reeks. Mijn boosheid op de blanken komt daarin ook pas ten volle aan bod. Mozambique is in hoge mate het slachtoffer van Zuid-Afrika. Wanneer er ooit een Afrikaans Neurenberger Proces komt, zal het voornamelijk moeten gaan over de rol die Zuid-Afrika gespeeld heeft in Mozambique; ze hebben alles maar dan ook alles gedaan om dat land ten onder te laten gaan.’
Er is, hoe dan ook, veel verzwegen in de westerse pers wat Zuid-Afrika betreft.
‘Toen Breyten Breytenbach gearresteerd was, werd ik voor het eerst geconfronteerd met wat het werkelijk betekende om politieke strijd te voeren in samenhang met juiste journalistieke berichtgeving. Breytenbach had contacten met het anc - ik ben er zelf bij geweest. Ik zat ook in die illegale groep van Breytenbach. Ik heb bijeenkomsten bijgewoond in Normandië, samen met een van de mensen die in het anc-bestuur zaten. Toen Breyten gearresteerd werd, ontkende het anc dat hij ook maar iets met het anc te maken had. Dat kon ik aanvankelijk begrijpen en billijken, want het was tenslotte bezwarend voor hem om dat toe te geven. Maar toen hij eenmaal in het gevang zat, heeft het anc zich volkomen van hem afgekeerd, en ze hebben hem zeven jaar laten rotten. Dat neem ik ze verschrikkelijk kwalijk. Ze gingen hem zelfs zwart maken; hij werd allengs als een vijand van het anc beschouwd. Beangstigend.’
Dat kan kennelijk gebeuren wanneer een verzetsgroep zeer lang vigeert: kongsi's, innerlijke strijd, verdeeldheid - met alle gevolgen van dien. Heb je je daardoor ook gecorrumpeerd geweten?
‘Verzet en journalistiek gaan niet samen. Voor het eerst ben ik getraind in Parijs. Vervalsen van paspoorten, lessen in achtervolgen, radiootjes plakken onder automobielen - dat was in '72, '73. Buitengewoon spannend. Brieven
schrijven met onzichtbare inkt. Interessant. Maar ik heb me eruit teruggetrokken toen ik in de journalistiek belandde. Je kunt actie voeren en objectieve berichtgeving niet mengen. Alleen toen ik over Breytens gevangenschap schreef, heb ik een bepaald soort actie gevoerd, door te verzwijgen, stelselmatig, dat hij betrokken was geweest bij enigerlei actie. Maar daar kreeg ik al heel snel een nare smaak van in de mond. Maar de verontwaardiging van waaruit mijn eerste contact met de Anti-Apartheids-Beweging voortkwam, is onverminderd gebleven. Zuid-Afrika blijft het enige land dat racisme in zijn grondwet heeft staan. Nu niet meer, haast niet meer - maar je kunt niet schrappen wat er zoal in de hoofden der mensen zit. Dat zal nog generaties duren. Die verontwaardiging strekt zich overigens ook uit tot ons land. Wij hebben tenslotte ook racisme - heel erg. Al wordt dat ontkend. Maar leg je oor te luisteren op een terrasje aan het Amsterdamse Rembrandtplein, en wat je dan hoort, is heel onfris. Maar wij hebben tenminste een publiek debat, dat door intellectuelen wordt gehouden, en waarin het categorisch wordt afgekeurd. Dat ontbrak gedurende de jaren zestig en zeventig in Zuid-Afrika. En dat vond ik altijd zo bezwaarlijk. Het is ook zo tegen je belang van witte Europeaan in. De witte Europeaan, een minderheidje van zo ongeveer 9 procent van de mensheid op de gehele aardkloot - dus er zit voor die witten niet veel anders op dan zich zo langzamerhand eens een beetje aan te passen. En ze mogen dan in technologisch opzicht de meest vooruitstrevenden zijn, en ze kunnen allerlei andere culturen ogenschijnlijk overwinnen, maar vergelijk het gerust met de heerschappij der inca's: rijk aan cultuur en traditie en mythologie, en vervolgens komt daar één analfabete soldaat op een paard met een geweer over de berghelling, en die hele incacultuur stort gelijk ineen. En dat is in zekere zin de positie van de hedendaagse blanke. Journaille schreef in Het Parool over de Afrikanen: “Als we ze niet te vreten geven, komen ze het wel halen.” Ik wil niet met dominees-praatjes komen over de verdeling van de rijkdom, maar wat ik écht niet begrijp: dat we in een wereld leven waar decennialang een discussie is gehouden over Oost en West, een bom meer of een bom minder - dat heeft ons idee over vrede en veiligheid tot voor kort bepaald. Men heeft zich geen zier aangetrokken van wat er daar gebeurt; gewoon: dat we daar hele volkeren naar de verdommenis laten gaan, landen laten creperen, mensen laten creperen. “Honger is sterker dan een leger” - en dat zeg ik niet, maar de Afrikaanse auteur Ben Okri, die ik in mijn televisieprogramma heb gehad. “Let us be happy in our middle ages” - dat vond ik ook zo'n goeie uitspraak van hem. Dat aspect is mij steeds meer gaan fascineren: niet alleen Noord-Zuid praten. We zullen totaal anders moeten gaan denken, wil je je kinderen niet een aarde laten beërven die door louter muren van haat wordt beheerst en verstoord. Want dan wordt het inderdaad alleen maar een kwestie van wit-tegen-zwart. Nu is het nog mogelijk om daar enige nuance in aan te brengen. Er moet
écht iets gebeuren. Ik wil dat dat een onderwerp wordt waar ieder fatsoenlijk mens zich serieus over buigt.’
Hoe rijm je dat in jezelf? Aan de ene kant een hang naar uiterst geacheveerd leven, en anderzijds die hete maatschappelijk angehauchte verontwaardiging.
‘Ik ben op mijn manier actief, ik zit op mijn manier in clubjes, met mensen die heel anders over die materie denken dan ik: belerend en van geef-me-je-gironummer-maar. Terwijl ik denk dat het gaat om gelijkwaardigheid en respect. Waarom demonstreren die Marokkanen in Brussel? Omdat ze respect eisen, omdat ze het vreselijk vinden om elke keer weer hun identiteitspapieren te voorschijn te moeten halen. Respect! Wanneer iemand in Australië dwarsgezeten wordt vanwege zijn of haar overtuiging maakt Amnesty International daar - terécht - een case van. Maar wanneer er vijf miljoen mensen in Afrika doodgaan van de honger, dan wordt alleen geappelleerd aan ons gironummer. Het speelt geen rol in ons intellectuele leven. En al die intellectuelen daar hebben we ook in de steek gelaten.
Ik heb die verontwaardiging, ik heb die betrokkenheid - en hoe vallen die te rijmen met mijn geacheveerde leven, met mijn zogenaamde decadentie? Voor een deel is die decadentie ook een cliché. Niet dat ik een eenvoudig mens ben, die 's ochtends van een blankhouten tafel één macrobiotische boterham eet, en vervolgens al zijn geld overmaakt naar een Beter Doel. In het geheel niet! Maar juist omdat ik gesteld ben op een enigszins aangenaam leven, ben ik zo - omdat ik veel en veel aangenamer nog leef wanneer ik weet dat anderen dat ook doen. Ik leef ook veel aangenamer wanneer ik weet dat ik mij over tien, twintig jaar nog veilig kan voelen in de diverse Europese steden. Ik vind het een buitengewoon onaangename gedachte wanneer wij van Europa een soort blanke vesting gaan maken, alleen erop gericht om anderen buiten te houden; dat we onze, inmiddels onnutte, legers gaan gebruiken om de stranden te bewaken - wat Italië al doet, om de Noord-Afrikanen van de kust te houden. Dat vind ik een angstige gedachte. Ik kom niet prettig terug van een buitenlandse reis, wanneer ik zie dat de zwarte mensen op Schiphol er door de douane praktisch automatisch worden uitgepikt. Ik wil prettig leven, en ik leef prettiger wanneer een ieder ander het ook plezierig heeft.’