|
|
|
| |
| | | |
Margriet de Moor
Margriet de Moor: ‘Zeven jaar geleden ben ik met schrijven begonnen -
gewoon vanuit de gedachte: wat zal ik nou weer eens gaan doen? Kom, laat ik
dát maar proberen.
Ik heb wel altijd van lezen gehouden; van boeken, van woorden, van letters. Maar
de drang om zelf auteur te worden, is er nooit geweest. Tot het moment dan dat
ik aan dat eerste verhaal begon. Sindsdien ben ik er niet meer mee opgehouden,
eraan verslaafd geraakt.
Het was een doordeweekse ochtend, om een uur of tien. Ik pakte een stapel a4'tjes en een pen, met het voornemen om een verhaal te gaan
schrijven. En ik nam een onderwerp dat toen toevallig bij me opkwam: een
anekdote die ik een paar dagen tevoren gehoord had; een geschiedenis die zich in
mijn familie had afgespeeld. En mij besprong helemaal niet het idee van: dit is
het einde, dit móet geschreven worden, maar ik vond het
wél een gebeurtenis die rijk en diep was; in ieder geval: er viel
iets van te brouwen. En ik wist: ik doe hier een week over, en het
wordt een short story van tien pagina's. En dat kwam precies zo uit.
Aan de ene kant was er zeker sprake van een bepaalde bezwering, maar anderzijds
verliep dat proces ook weer zeer nuchter, heel gewóón. En
die tweeslachtigheid hanteer ik eigenlijk nog steeds bij het schrijven. Min of
meer bewust. Want op die wijze verschaf ik me binnen de cocon van mijn
schrijverschap als het ware de mogelijkheid, of veeleer durf, om alles aan te
pakken. Zo overwin ik alle innerlijke barrières - door een bepaald
soort onbevangenheid te creëren dat mij tevens in staat stelt het
echte leven buiten te sluiten. Het gewone bestaan kan ik er namelijk niet bij
gebruiken. Het schrijven is voor mij het absolute tegendeel van de alledaagse
omgeving.
Ik had al het een en ander gedaan: muziek gemaakt, gezongen, videofilms over
beeldende kunstenaars vervaardigd, archeologie gestudeerd. En ik was huismoeder.
Mijn man leefde nog. De kinderen waren thuis, onze dieren leefden. Ik zat volop
in een huiselijk leven - en daar had ik helemaal geen bezwaar tegen.
| | | |
Nu is mijn echtgenoot overleden. De dieren zijn er niet meer. Mijn twee dochters
zijn het huis uit. En ik zit daar, in een groot leeg huis. Vreemd.
Ik was zeventien, had de hbs-a doorlopen en wilde psychologie studeren. Maar in
die zomer besloot ik van de ene dag op de andere naar het conservatorium te
gaan. Ik had een pianoleraar, die ineens, zo tussen neus en lippen, iets zei
van: “Waarom ga je eigenlijk niet door in de muziek?” En
ik dacht alleen maar: verdraaid. Het ging toen eigenlijk exact zo als later met
het schrijven.
Ik ben opgegroeid in Noordwijk. Mijn vader was hoofd van de ulo-school aldaar.
Mijn moeder heeft eerst tien kinderen gekregen - ik was de vierde - en
vervolgens heeft zij haar vak van lerares weer opgepakt. Een katholiek milieu,
hartstikke vroom. Nu zou ik dat niet meer leuk vinden, maar destijds had ik er
geen last van. Elke morgen naar de kerk; iedere dag - wel veel, hoor.
Het was destijds heel vol bij ons thuis. Er kwamen namelijk ook nog hele families
bij ons logeren, omdat we aan zee woonden. Veel neefjes en nichtjes, ooms en
tantes. En elke zomer trok oma bij ons in. Een broedplaats van menselijk beweeg.
En toch - of misschien wel juist daardoor - was ik meestal alleen. Heerlijk. Ik
ervoer dat niet als eenzaamheid; veeleer als privacy. Hoe dan ook, ik had als
kind geen last van de kolossale, diepgaande interesse in elk wissewasje die het
huidige opvoedingspatroon zo kenmerkt. Hoe was het op school? Zijn
alle vriendjes en vriendinnetjes wel aardig voor je? Is de juffrouw
lief? Voor dat soort belangstelling was geen plaats in mijn jeugd. En toch
heb ik me altijd veilig gevoeld daar in Noordwijk. En ik las altijd. Ik zie
mezelf nog zitten, in die propvolle burgermanswoning met al die mensen,
voortdurend een volle boel, en ik weggedoken in een boek. En iedereen liet mij
met rust.
Die overgang naar het conservatorium was enorm. Dat was zo'n andere wereld; zo
leuk. Op dat Haags Conservatorium kon werkelijk alles toen, het begin van de
jaren zestig.
Een oud, krakkemikkig gebouw, geenszins geluiddicht; dus als je in Kamer Drie
zangles had, zat er rustig in het vertrek daarnaast een trombonist zijn etudes
te studeren; iedereen hoorde zowat alles van elkaar. Eigenlijk was het
wéér zo'n grote familie - misschien dat ik me er daardoor
ook als een vis in het water voelde. Het was daar ook heel huiselijk, grote
potkachels, marmeren vloeren, erg romantisch.
Ik studeerde piano. Middelmatig. Maar door de gangen liepen ook voortdurend
allerlei zangeressen zeer excentriek te doen. En die moesten voor hun
pedagogie-examen slachtoffers hebben op wie ze konden oefenen. Die ronselden dan
gewoon een organist of een violist van wie ze dachten: die heeft
wel een leuke stem. En zo ben ik ook een keer aangeworven. Op die wijze
belandde ik in Kamer Vier, bij zang. Een en al vrolijkheid; extravert,
extravagant gedrag. Ik ging zang studeren. Zalig. Ofschoon het ook wel iets
griezeligs had | | | | dat je je eigen instrument bent - om wanhopig van
te worden. Het was dus eigenlijk ook heel vreselijk, en dan vooral het optreden.
Het studeren was natuurlijk buitengewoon vrijblijvend. In wezen voel ik me
tijdens het schrijven even vrij als toen onder zangles, maar aan dat
schrijverschap hangt, godzijdank, niet het prijskaartje van de opvoering, de
performance. Ik kon niet goed performen. Ik was te zenuwachtig. Gewoon technisch
onvolmaakt. En ik had niet voldoende ambitie. Soms lukte het wél,
maar dan stond ik altijd weer paf.
Ik denk dat ik voornamelijk algemeen muzikaal geïnteresseerd was. Toch
heb ik nooit aan componeren gedacht; dat kwam gewoonweg niet in me op. Pas nadat
ik met schrijven begonnen was, realiseerde ik me dat het misschien tot de
mogelijkheden had kunnen behoren - nou ja, in een volgend leven word ik
misschien componist. Maar toch... als ik kan kiezen, prefereer ik zonder enige
twijfel het schrijven. Voor mij staat De Literatuur absoluut bovenaan.
Ik ben afgestudeerd in piano en zang. Je kon daar toen alles studeren wat je maar
wilde. Iedereen bleef daar eindeloos hangen. Ik heb er tien jaar gezeten; tot
aan mijn huwelijk - als ik daar maar twee keer per week heen kon. Het ideale
gezin. Oftewel: je hoefde niet volwassen te worden. Prettig.
Ik vind schrijven ook iets onvolwassens hebben. Wéér dat
wegzakken in een boek; nu dan in mijn eigen tekst; een andere wereld betreden,
precies zoals ik van jongs af aan als lezer gewoon was.
Ik vind het niet fijn om volwassen te zijn. De vrijheid behouden om te studeren,
te spelen, van allerlei proberen - flexibiliteit.
Dat ouderlijk huis in Noordwijk, het Haags Conservatorium, mijn huwelijk - ik
ben, denk ik, niet zoveel veranderd door al die instituten en jaren heen. Ik
geloof ook niet zo erg in de veranderbaarheid van mensen. Hoewel, de dood van
mijn echtgenoot heeft me toch wel anders gemaakt; alleen, ik weet niet precies
hoe. Zo'n breuk is zo definitief.
Mijn man was beeldhouwer. Hij maakte dingen. En dat heeft veel invloed op mij
gehad, dat Maken Van Dingen. Ik heb dus steeds dingen zien ontstaan, in de meest
letterlijke zin; dingen zien ontstaan door middel van arbeid. Het heeft mij zeer
geïnspireerd en gefascineerd. Het maken van dingen door puur
vakmanschap. Tientallen jaren lang.
Enerzijds waren er permanent die veilige burchten van het ouderlijk huis, de
romantische muziekopleiding, het eigen gezin, maar aan de andere kant voelde ik
voortdurend die drang om daar uit te breken. En dat overgoot ik dan steeds met
een sausje van: ach, laat mij nu maar dit onbenullige karweitje
klaren, laat mij maar zo'n beetje rommelen. Die houding. Ik deed altijd
maar of het een rare bevlieging was. En vanuit die attitude ben ik ook gaan
schrijven - alleen, dat is finaal uit de hand gelopen.
| | | |
Ik houd van dubbellevens. Iedereen wil toch dolgraag een dubbelleven. Dat is toch
de reden waarom mensen boeken lezen of voorstellingen bezoeken. Op die manier
kun je jezelf alle vrijheid permitteren, hoe dan ook, veel meer dan in het echte
leven.
Zo ben ik op een gegeven moment klassieke archeologie gaan studeren. Ik ben tot
en met het kandidaatsexamen gekomen - verder ging niet, want ik beheers het
Grieks en Latijn niet. Ik heb dat met veel inzet gedaan, en zeker ook met
pretentie. Ik koos bijvoorbeeld een heel moeilijk scriptieonderwerp: een
interessant motief op Griekse vazen; de god Hermes, die een weegschaal vasthoudt
teneinde de zielen van Achilles en Hector te wegen, een gegeven dat ook voorkomt
bij de oude Egyptenaar en later in het katholicisme: Michael als zielenweger. De
keuze tussen goed en kwaad.
Ik denk dat ik Hermes ben, degene die het evenwicht onderzoekt, de balans tussen
elkaar tegenstrevende krachten en passies. Dat zeg ik nu zo, maar eigenlijk denk
ik niet zoveel na over mezelf. Misschien komt dat wel door dat volle huis in
Noordwijk. Daar werd mijn ik al zo vaak gereflecteerd in allerhande figuren om
mij heen. Wat voor een schrijver nog zo slecht niet is. Ik heb me al heel vroeg
kunnen identificeren met zo veel merkwaardige lieden.
Het schrijven lost voor mij niets op. Het is pure verdoving. Onder dat werken
gaat de tijd zo waanzinnig snel. In principe weet ik niet of een alinea mij acht
uur kost dan wel een kwartier. Net als tijdens het lezen. Voor mij persoonlijk
bestaat er ook niet zo'n groot verschil tussen lezen en schrijven. Je zou dus
kunnen zeggen dat mijn keuze voor het schrijven nauwelijks een keuze is geweest,
behalve dan dat ik nu dingen maak. Over Het Schrijverschap an sich maak ik me
geen enkele illusie. Wat is De Schrijver meer dan die sukkel achter een
typemachine? Het Schrijverschap, dat klinkt ook zo hol en gezwollen. Mijn
adoratie geldt ook nooit de auteur, maar Het Boek. Alleen Het Boek betekent
iets. Nogmaals, ik ben in wezen een lezer gebleven en zolang ik die instelling
behoud, kan ik blijven schrijven. Ik ben echt dol op boeken. Sommige pagina's
doen mij evenveel als bepaalde passages van Mozart; die kan ik steeds weer
opnieuw lezen, in mij laten opklinken.
Ik heb Eerst grijs, dan wit, dan blauw geschreven terwijl mijn
man doodziek was. Maar hij leefde toen nog. En dat is nu niet meer zo. Dat is
het grote, diepe verschil.
Ik ben bezig aan een divertimento; de mededeling kan serieus
zijn, maar de toon dient voor alles licht te blijven. Die vorm heb ik met opzet
gekozen. Het verhaal speelt zich af in een andere eeuw. Maar het gaat over
muziek en dat ligt weer zeer dicht bij me.
Dus het schrijven gaat door. Godzijdank. En eigenlijk bevreemdt me dat ook niet.
Het schrijven is zo vreemd voor me, nog steeds, dat niets ervan me | | | |
vermag te verbazen - van meet af aan is dat zo geweest. En dan heb ik het puur
over het metier zelf. Dat vak herbergt zo veel onverwachte momenten, onoplosbare
raadsels. Alleen al het feit dat al mijn verhalen in een bepaald patroon blijken
te vallen.
Ik ga aan het werk, punt uit.
En dan blijkt alles, alles ineens te kloppen. Verbazingwekkend, toch? Maar ik
blijf het zien als een stiel, een handwerk.
Mijn echtgenoot en ik spraken samen veel over zijn werk. Ik geloof dat mijn
manier van werken zeker overeenkomsten vertoont met dat beelden
creëren van hem.
Achteraf bezien heeft zich in mijn leven een patroon ontwikkeld waaruit je kunt
concluderen dat ik die breuk met hem als het ware voorspeld heb door zelf dingen
te gaan maken, waardoor nu nog enigszins met die definitieve scheiding te leven
valt. In ieder geval nu werkt het zo.
Het schrijven heeft me beslist niet gelukkig gemaakt. Het schrijven heeft voor
mij niets met geluk van doen; wél met geluksmomenten. Die keuze heeft
vooral een periode van grote eenzaamheid ingeluid - ja, dat is absoluut zo. Het
was ook het moment dat mijn kinderen het huis uit gingen.
De keuze voor het schrijverschap was toch ook: een moment van gekte. Ik maakte me
vanbinnen leeg, schoon; alles wat ook maar enigszins met de muziektechniek te
maken had, moest eruit; alles wat met beeldhouwen te maken had, moest weg uit
mij. Maar nu weet ik dat mijn schrijven met al die zaken op de meest wezenlijke
wijze verbonden is gebleven. Ik denk tijdens het werken zowel aan muziek als aan
het ontstaan van beelden. Een beeld is zo vakmatig bepaald; het moet, om te
beginnen, kunnen blijven staan. En muziek moet klinken. Muziek is vooral:
volgorde; en een beeld kan dat, per definitie, niet zijn.
De hoofdpersoon in mijn nieuwe boek is een zanger. Het thema is de virtuositeit.
Het gaat over Het Kunnen. De conclusie van deze romans luidt: het leven draait
in principe om Genot en Schoonheid. Leuk toch, om aan zo'n triviale bewering een
hele roman te wijden.
Het verhaal speelt zich af in de achttiende eeuw; het tijdperk dat gekenmerkt
werd door het conflict tussen Barok en Verlichting. De Barok: speels, licht. En
de Verlichting, nou, daar zitten we nu nóg mee. Mooi spanningsveld,
niet? En ik verdedig een soort Alice in Wonderland-achtig
hedonisme, een zekere smakeloosheid, mits die gepaard gaat met virtuositeit.
Als mijn eerste verhalenbundel niet was uitgegeven, zou ik zeker niet zijn
blijven schrijven. Ik zie het schrijven niet louter als zelfexpressie. Een
musicus moet toch ook kunnen optreden, anders verkommert hij.
Mijn schrijven is niet vrijblijvend gebleken, zó is het. Ik laat
kennelijk toch veel over aan anderen.
| | | |
Ach, je kunt heel lang discussiëren over het verschil tussen
“actief” en “passief”; de voor- en
nadelen die met beide begrippen verbonden zijn. Degene die actief is, verbeeldt
zich dan wel dat hij ik-weet-niet-wat meemaakt, en dat lijkt ook zo, maar de
passieveling maakt volgens mij veel en veel meer mee. Omdat je je eigen gedrag
en hebbelijkheden wel kent; die van anderen zijn doorgaans veel interessanter.
Ik zie het schrijven als gezelschap. Hetgeen ik schrijf, is voor mij zeer
aanwezig. Ik leef ermee. Het is een hartstocht. Het is zelfs meer dan de muziek.
Noem het privacy. Een dubbelleven. Een dubbelleven is immers het summum van
privacy. Je kunt in elk geval nooit ervan gescheiden worden. Het complete andere
ik. Ik hoef er nooit afscheid van te nemen.
Het gaat allemaal grotendeels buiten mezelf om. Het is eigenlijk nog precies zo
als op die maandagmorgen dat ik aan dat eerste verhaal begon. En zo wil ik het
graag houden. Niemand kijkt over mijn schouder mee. Er is niemand.
Het schrijven is voor mij, uiteindelijk, tóch een performance. Ik denk
niet dat de zangeres die echt op dreef is, zich bewust is van zichzelf of het
publiek.
Langs een heel grote omweg durf ik toch nog op te treden.’
|
|
|