|
|
|
| |
| | | |
Henk van Woerden
De schrijver en schilder Henk van Woerden: ‘Na twintig jaar ging ik -
in 1990 - weer terug naar Zuid-Afrika. Dat gaf me een enorme schok. Niets was
veranderd. Niet alleen de wegen en de voorsteden bleken, in praktisch iedere
zin, hetzelfde te zijn gebleven, naar ook de taal; er reden nog dezelfde typen
auto als uit de jaren zestig, vanwege die langdurige nummerbordblokkade; maar
het meest verbaasden mij toch de spraakgewoontes, die sedert mijn jeugd hadden
standgehouden. Ik kon daar toen als het ware moeiteloos in de tijd terugschieten
- terwijl ik tussentijds te Amsterdam heel iemand anders geworden was.
Ik had pas behoefte om naar dat land weer te keren, toen ik kon vermoeden dat er
echte veranderingen op til waren. En bepaalde demonstraties dwars door het
centrum van Kaapstad, die daar toen plaatsvonden, zouden toen ik daar woonde
absoluut niet mogelijk zijn geweest. Ik dacht dus: het is daar fundamenteel
anders geworden. Maar dat bleek vervolgens een enorme vergissing. Dat land had
overduidelijk onder een tijdsstolp geleefd. Buitengewoon surrealistisch.
Oppervlakkig bleken er wél zekere veranderingen te bespeuren. Juist
toen ik daar drie jaar geleden was, werd de wet opgeheven die blank en zwart
verbood zich samen op eenzelfde strand te bevinden. Toen ben ik naar een strand
gegaan waar ik als kind vaak kwam, dat toentertijd een uitgesproken witte
bedoening was - een Victoriaans-kitscherige sfeer - en dat strand zag nu
letterlijk zwart van de mensen. Dat ontroerde mij hevig, ik heb daar wel een
traantje gelaten, ik had zoiets van: godzijdank, eindelijk mag het.
Ik ben indertijd uit Zuid-Afrika vertrokken, omdat het voor mij gewoonweg
onmogelijk was er te blijven. Ik vond die apartheid wanstaltig, maar ik ben nu
eenmaal geen activist; ik haat grote groepen, voel mij benauwd in een optocht.
En tegelijkertijd ervoer ik dat Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem als ronduit
obsceen.
Maar wat was nu precies dat obscene van die apartheid? Dat is een bij- | | | | zonder lastige vraag. Misschien heeft het ermee te maken dat me iets werd
verboden wat ik toch deed: contact opnemen met de zwarte bevolking. Men dwong
mij tot stiekem gedrag. Hetgeen ook een seksuele, althans erotische connotatie
had, met een parafrase op Lucebert: in ieders onderbewustzijn huist een neger.
Dat geldt absoluut ook voor Zuid-Afrika. De ontwerpers van de apartheid wilden
zich hoogstwaarschijnlijk ook afscheiden van het primitieve dat diep in henzelf
school. Ik denk dat die apartheid een puriteinse vorm van verschoning was; een
artificiële, geestelijke wasbeurt waarmee bepaalde dierlijke aspecten
van het menselijk gedrag drastisch ontkend werden. Terzelfder tijd voelde men
zich natuurlijk ook op een krankzinnige, nachtelijke manier tot dat primitieve
aangetrokken. Het is een complexe kwestie.
Ik was 21 toen ik uit Zuid-Afrika wegging; we schrijven het jaar 1968. Ik was een
naïeve, zelfingenomen snotaap. In veel opzichten was ik een nare
jongen - maar dat had ik zelf toentertijd allerminst door. Ik had geen enkel
besef van intermenselijke relaties. Ik was totaal verknipt.
Deels had dat te maken met mijn emigratiegeschiedenis, afgesneden van een eerste
bestaan in Europa. En verder moest ik nog eens twee keer van taal veranderen:
van het Nederlands in het Zuid-Afrikaans en van het Zuid-Afrikaans in het Engels
- waarbij steeds weer een bijkans kameleontische verandering hoorde; iedere taal
eist immers een totaal ander gedrag en ik probeerde mij zeer nauwgezet van die
taak te kwijten. De mentaliteit van het Nederlands is prozaïsch. Die
van het Zuid-Afrikaans vrij poëtisch, uiterst beknopt in de
dagelijkse omgang en met veel gevoel voor landschappelijke zaken. En het Engels
is vooral formeel. Die drie taalkundige plattegronden voor gedrag heb ik dus in
mijzelf opgesloten; aanvankelijk in verschillende compartimenten, pas veel later
heeft zich een zekere synthese voltrokken. Ik was op mijn twintigste vooral
onuitstaanbaar door dat Engelse gedragsjasje van me. Ik was, kortom, een kleine
snob. Dat voelde toen prettig aan. Ik bewoog mij dan wel te midden van dat
kleine groepje dissidenten dat ageerde tegen de apartheid, maar mijn
medestanders waren, net als ik, allemaal kleine klootzakjes,
naïevelingen, pretentieuze blaaskaken, snobjes. Over obsceniteit
gesproken. Ik walgde ten slotte vooral ook van al die activisten die zich zo
onuitstaanbaar trots lieten voorstaan op hun fraaie status van dissident. Dat
vond ik ontzettend naar. Daar was ik mij oprecht bewust van. Ik voelde
instinctmatig aan dat dat niet pluis was. Op het moment dat Verwoerd in het
parlement werd neergestoken, vierden de studenten van de Engelse universiteiten
feest. Er hing zo'n sfeer van: goddank, gebeurt er eindelijk eens iets; en van:
wat is het toch heerlijk om jong te zijn. En die sfeer van opgewonden,
zelfingenomen, zelfverheerlijkend activisme heb ik altijd zoveel mogelijk
vermeden. Ik heb mij nooit met die vorm van antiapartheid willen bemoeien. | | | | De hysterische toon die in deze contreien pleegde te heersen, heb
ik altijd naargeestig gevonden. Ik kan nu eenmaal niet in een rijtje staan met
de vuist omhoog.
Ik heb het mijn ouders nooit kwalijk genomen dat ze indertijd, toen ik een jaar
of tien was, naar Zuid-Afrika zijn geëmigreerd. Ik heb daardoor veel
boeiende ervaringen kunnen opdoen en dingen meegemaakt waarvan ik in Nederland
niet had kunnen dromen. En ook voor mijn beeldende werk zijn die Zuid-Afrikaanse
jaren een zegen geweest. Zuid-Afrika is, nog steeds, een fascinerende bron voor
mij. Zonder de ervaringen van het landschap daar had ik ook nooit de Europese
verhoudingen tussen mens en natuur kunnen begrijpen.
In Afrika ligt dat anders dan hier. Hier beïnvloedt de mens het
landschap, ja, bestaat het landschap voornamelijk uit mensen. In Afrika
domineert het landschap en bestaat de mens eigenlijk nauwelijks. Wat ook weer
die hele gescheiden ontwikkeling, oftewel de apartheid, relativeert. Ik denk ook
dat het landschap een directe invloed daarop heeft uitgeoefend. Hetgeen moeilijk
uit te leggen is - laat staan te vatten.
De verschillen in Afrika zijn zo extreem. Om maar een ampel voorbeeld te noemen,
dat op zichzelf al behoorlijk ingewikkeld is: wanneer je in Afrika op een bank
in de schaduw zit, ligt de wereld die zich daar in het licht buiten die schaduw
bevindt, op een geheel ander plan dan wanneer je in Nederland op een bankje in
de schaduw zit - hier beschouw ik dan het landschap om mij heen als
één totaal en in Afrika biedt dezelfde situatie iets
gespletens. Het is precies zoals het jongetje dat ik in mijn boek beschrijf; dat
is ook door het landschap van Afrika gevormd. Zonder de ervaring van dat, scherp
buiten de mens liggende, landschap had ik me ten slotte ook niet kunnen
opsplitsen in die drie taalpersonages van me, waardoor ik me uiteindelijk heb
kunnen ontwikkelen tot degene die ik nu ben.
Die apartheid is ook, en misschien wel vooral, een indeling van de natuur. En dat
geeft ook meteen de onmogelijkheid van die constructie aan: de natuur laat zich
immers nooit ofte nimmer indelen. De gedachte vanuit de Verlichting dat je de
natuur moet indelen, dat je beesten categoriseert, dat je planten en bomen namen
geeft - dat is ook de idee waaraan de apartheid is ontsproten. En dan heb ik het
over de klassieke apartheid, niet over de opportunistische apartheid. De
klassieke apartheid is een eerlijke gedachte - en dat begrijpt men maar niet;
het was een direct gevolg van die Verlichtingsachtige indeling - men zag dat in
Zuid-Afrika echt als de werkelijkheid. Later is die zuivere manier van denken
verworden tot de gore wijze van politiek voeren door een corrupte bende.
De apartheid van de Zuid-Afrikaanssprekende lieden van vlak na de oor- | | | | log tot 1960, de “bantoestan”, vloeide niet zozeer voort
uir de opportunistische neiging om het beste land voor witte mensen op te eisen
- ik ben ervan overtuigd dat de mensen die deze ideologie formuleerden, eerlijk
waren en oprecht goede bedoelingen hadden. Ze geloofden heilig in die indeling,
ze vonden die werkelijk noodzakelijk. Maar het blijft in essentie viezig; die
indeling gaat te ver, druist tegen alle menselijkheid in. Die apartheid is dus
in wezen een hevige spanning tussen de opvatting van medemenselijkheid en een te
ver doorgevoerde indeling van de natuur. Had ik dat door, toen ik daar woonde?
Nou ja, ik had wel door dat bepaalde mensen goudeerlijk waren - en dan heb ik
het over doorgefourneerde racisten. Er wordt altijd zo gemakkelijk gedaan over
racisten - alsof ze allemaal per definitie pure schoften zijn. Maar heel veel
racisten, heb ik mogen ervaren, zijn erg aardig en beminnelijk en eerlijk in hun
bedoelingen. En ik probeerde dan te vatten hoe het kon dat die aardigheid,
beminnelijkheid en eerlijkheid uiteindelijk tot zo'n abject standpunt leidden.
Op die wijze, door het contact met die mensen, is mijn situatie gevormd. En veel
heb ik later moeten reconstrueren, toen ik daar allang niet meer woonde.
Ik kwam daar aan in 1956, als kleine jongen. En er heerste daar in die tijd niet
zozeer een diepe scheiding tussen wit en zwart, als wel een zeer geraffineerde
en genuanceerde opdeling in mensen die iets witter waren en mensen die iets
minder wit waren: je had Indiërs, islamieten, allerlei soorten zwarte
mensen, en noem maar op. Het ging niet voornamelijk tussen degenen die van
oorsprong Europeaan waren en De Neger, De Inboorling, of De Naturel, zoals de
zwarte heette - het speelde zich allemaal veeleer af in een groot, grijs
tussengebied. En daarin was een enorm aantal schakeringen op welhaast
wetenschappelijke wijze aangegeven - nou ja, op quasi-wetenschappelijke manier;
sibbenkundig.
Als klein knaapje maakte ik zo kennis met een geweldig ingewikkeld menselijk
stelsel. Je wist niet alleen wat een Zoeloe was of een Kosa of een Tswana of een
Indiër die door de Britten daarheen gehaald was uit
Brits-Indië om de suikerplantage te bewerken, of een islamiet die
door een Hollandse koloniaal op de boot was gezet - maar ook wat een jood was,
een katholiek, een Engelsman. Je leerde te categoriseren; van meet af aan heb ik
daar gecategoriseerd.
Ik weet eigenlijk niet of me dat nu verminkt dan wel juist verrijkt heeft. Ach,
natuurlijk heeft het me rijker gemaakt, want toen Nederland volsijpelde met
allerlei andersoortige mensen ben ik daar alleen maar verheugd over geweest. Het
Nederland dat ik in '56 verliet, was homogeen, monolithisch. En toen ik in
Zuid-Afrika arriveerde, plonsde ik meteen in een uitermate rijkgeschakeerde
samenleving.
Dat Zuid-Afrika is, naar mijn mening, nooit echt goed beschreven, omdat | | | | iedere schrijver zijn eigen deelaspect verkiest. Iedereen -
Breytenbach, Brink of Van Dis - doet een poging, maar het is te groot, te
genuanceerd ook - net als een landschap. Het is, zo schreef ik in mijn boek,
niet te vatten in één oogopslag, laat staan door iemand
met één oog, zoals ik. Je krijgt iedere keer weer een
ander deel voor je kiezen, en waar je ook om je heen kijkt, zit die
schizofrenie, dat opgedeelde in het landschap. En die opdeling verdwijnt
nóóit; dat is nu eenmaal geworteld in het land zelf. Ik
weet wel dat mijn boek ook niet veel verder reikt dan één
bepaald segment van die maatschappij, dat land, maar ik móest het
schrijven. Ik heb er in ieder geval het schilderen twee jaar voor laten liggen.
Ik herinner me nog zeer goed hoe het was, toen ik - mei '68 - weer in Nederland
kwam. Uit dat Zuid-Afrika dat zo lang niet in de pas met de tijd had gelopen. Ik
dacht: nu komt alles samen, nu begrijp ik alles. Maar ik begreep er de ballen
van. Ik zat naast mijn grootmoeder voor het eerst tv te kijken. En ik snapte
niets van die beelden, het flitste zo'n beetje aan me voorbij. Ik kon pas na zes
maanden een beetje behoorlijk tv-kijken. Die beeldradio bestond namelijk
toentertijd niet in Zuid-Afrika. Men dacht hoogstwaarschijnlijk dat dit medium
de zwarten te zeer omhoog zou tillen in de vaart der volkeren, of te veel liet
zien van het leven der blanke mensen. Het was, hoe dan ook, verboden. Radio
mocht wél, want radio kun je als het ware opdelen; aparte programma's
voor verschillende talen. Met televisie lukt dat per definitie niet: het beeld
is ondeelbaar. Pas in het begin van de jaren tachtig is er televisie gekomen in
Zuid-Afrika - misschien eind jaren zeventig. Ik weet het niet precies.
Wij zijn als gezin nooit Zuid-Afrikaans geworden - omdat je je daar automatisch
laat voorstaan op je Europese afkomst, vanwege de status die daarbij hoort.
Blanken heten daar ook Europeanen. Als dissident was ik zeker een buitenbeentje
binnen de familie.
Mijn vader is indertijd vanuit Nederland vooruitgegaan. Hij zou eerst negen
maanden in Zuid-Afrika rondkijken en als het hem daar beviel, konden wij hem
nareizen. Vanaf dat moment had die man voor mij afgedaan. Ik weet eigenlijk nog
niet exact waarom. Misschien had ik het gevoel dat hij mijn moeder in de steek
liet, dat hij haar wilde meesleuren in een avontuur waarvan ik wist dat ik het
wel aan zou kunnen, maar mijn moeder naar alle waarschijnlijkheid niet. Toen
heeft het conflict al wortel geschoten. En later werd het nog aangescherpt door
zijn gedrag. De kerel vertoonde voortdurend vluchtgedrag; hij rende van het ene
geloof de andere religie in - dat valt in feite met geen pen te beschrijven. Hij
was volstrekt onverantwoordelijk; een afgrijselijke egoïst. Mijn
vader was een slecht mens. Onbedoeld, hoor - maar toch. Misschien was hij wel
een typische exponent van die opportunistische | | | | apartheidsbeweging.
Hij was in ieder geval een meeloper. En dat was gemakkelijk daar, toen. Het was
daarentegen verschrikkelijk moeilijk om je te ontwikkelen tot een zelfstandig en
andersdenkend mens binnen die Zuid-Afrikaanse samenleving.
Alhoewel, mijn vader stelde ook permanent pogingen in het werk om zich toch maar
niet te voegen naar de ideeën die in dat land heersten. Maar hij deed
dat zó stuntelig. De zwarte meid aan tafel vragen. Dat
dééd je daar niet, de zwarte bediende met het blanke gezin
laten mee-eten. Dat was een gênante vertoning. Hoe oud was ik toen?
Tien, elf, twaalf? Maar de gêne had ik meteen door, die deelde zich
onmiddellijk ook aan mij mee. Op die idiote wijze demonstreerde mijn vader zijn
eigen apartheid. Hij vond zichzelf nog aparter dan de rest. En ik dacht alleen
maar: als ik later groot ben, bestaat dit niet meer.’
|
|
|