De interviewer en de schrijvers


auteur: Ischa Meijer


editeur: Connie Palmen


bron: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers (samenstelling Connie Palmen). Prometheus, Amsterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 334]

Adriaan Venema

De schrijver Adriaan Venema: ‘Ik heb besloten te stoppen met leven. Ik ga er een eind aan maken. Dat besluit heb ik in wezen zo ongeveer dertig jaar geleden genomen - zo lang al leef ik met die gedachte. Dat is ook altijd mijn wisselgeld geweest; op die wijze schiep ik een zekere onaantastbaarheid bij mezelf.

Ik heb reeds op vrij jonge leeftijd begrepen dat iedereen doodgaat. Heel veel mensen hebben toch het idee: dat overkomt mij niet. Ik wist tevens dat ik niet zo oud zou worden; ik heb voortdurend geweten: ik word een jaar of vijftig. En enerzijds hanteerde ik permanent die mogelijkheid tot suïcide als pantser tegen akelige gebeurtenissen, en aan de andere kant zocht ik ook inderdaad met de regelmaat van de klok allerlei problematische toestanden min of meer bewust op. De kip en het ei. Maar hoe dan ook - wanneer ik het zwaar had, ontleende ik ongelooflijk veel rust aan dat eenmaal genomen besluit: als het werkelijk te veel wordt, neem ik het heft in eigen handen.

Het is eigenlijk een langzaam groeiproces geweest. En driekwart jaar geleden heb ik dan een datum vastgesteld. Op die wijze schiep ik voor mezelf de mogelijkheid om nog allerhande zaken te voltooien, om mijn leven, zo goed als mogelijk, af te maken.

 

Een grote angst is voor mij altijd geweest dat ik ineens zou omvallen vanwege een hersenbloeding of hartaanval - midden in een zin. Ik heb altijd bewust geleefd, en zo wil ik ook sterven. Ik heb daar wel ook discussies over gevoerd met mensen die het er dan over hadden hoe mooi het was dat iemand in zijn slaap was overleden. Ik moet daar niet aan denken. Ik ben ook wel eens acuut bang geweest dat mij zoiets zou overkomen. Ik voelde mij op een avond niet lekker en durfde vervolgens absoluut niet naar bed te gaan. De hele nacht opgebleven. Ik wil bewust doodgaan.

Vanaf het ogenblik dat ik het moment van mijn overlijden gemarkeerd had, kwam er met de dag meer harmonie in mijn bestaan. Ik voel me de laatste tijd heel prettig. Ik ben ook wel bang - maar die angst is alleen maar ge-

[p. 335]

richt op het ogenblik zelf. Hoe gaat dat? Is dat een vreselijke gebeurtenis? Maar dan zeg ik weer tegen mezelf: “Die afweer zou je altijd wel gehad hebben. Iedereen die doodgaat, maakt iets mee wat niemand kent.”

Als ordelijk en georganiseerd man ben ik in alle rust op zoek gegaan naar de pillen. Deels in Amsterdam, maar ook in het land. Dan kwam ik, zogenaamd op doorreis, met een of ander kletsverhaaltje bij zo'n vreemde arts. “Ik ben op weg naar Frankfurt om het vliegtuig naar de Antillen te nemen, en ik heb mijn medicijnen thuis te Amsterdam vergeten. Ik heb vreselijke vliegangst en ik krijg dat spul van mijn eigen dokter ook altijd.” En dan had ik er weer drie of vier. En ik ben in contact gekomen met een arts die ongeneeslijk ziek was en die het in de laatste fase van zijn leven helemaal geen bal meer kon schelen. Op die wijze heb ik toch wel met de zelfkant van de artsenwereld te maken gehad. Ik was immers een soort junk; ik was op zoek naar verboden middelen, en dan ga je nu eenmaal liegen en bedriegen. En die artsen liegen en bedriegen hoogstwaarschijnlijk met je mee - maar dat wist ik niet; ik kon niet in hun hoofden kijken. Somber - ja. Maar de potentiële zelfdoder in onze maatschappij ziet zichzelf praktisch voor het onvoldongen feit geplaatst dat hij bijna gedwongen is om van een hoog flatgebouw te springen of zichzelf voor de trein te werpen - want het is, zelfs voor een gehaaid iemand als ik, niet eenvoudig om aan die pilletjes te komen. En ik heb er - gezien mijn leeftijd, gewicht en vitaliteit - heel wat nodig.

 

Iedereen in mijn naaste omgeving heeft een fase van grote kwaadheid doorgemaakt toen ik mijn beslissing kenbaar maakte. Dat kon me natuurlijk wel iets schelen - alleen, ik kon er niets aan doen. Ik wist ook zeker dat die boosheid weer snel voorbij zou gaan; ik had over dat onderwerp gelezen en nagedacht. En ik kreeg, vanzelfsprekend, allerwegen het advies om een psychiater te bezoeken - wat ik ook gedaan heb; nog van de week ben ik bij zo'n specialist geweest. Ik kan zeggen dat ik de balans uitermate zorgvuldig heb opgemaakt, en nog steeds check ik regelmatig de negatieve uitkomst. In theorie bestaat aldus nog steeds de mogelijkheid dat ik geen zelfmoord pleeg.

Geen van mijn vrienden is daadwerkelijk in opstand gekomen tegen mijn onwrikbare besluit. Men is verslagen. Dat merk ik de laatste weken vooral. Ik ben met veel van mijn kennissen gaan eten, om afscheid te nemen, en niemand van hen heeft mij de les willen lezen. Een enkeling heeft zich van mij afgewend en is gevlucht - die kon er gewoon niet tegen, en daar heb ik alle begrip voor.

 

Ik heb helemaal geen medelijden met mezelf. Ik zou met niemand willen ruilen. Ik acht mijn leven voor 80 procent geslaagd. En 100 procent haal je toch niet. Ik ben nu 52, één jaar jonger dan Maria Callas toen ze stierf, maar ne-

[p. 336]

gentien jaar ouder dan Christus en zeventien jaar ouder dan Mozart; nou, dat is toch niet slecht, zou ik zo denken.

Mijn leven is zeer verbonden geweest met mijn schrijverschap. Als auteur heb ik ten dele bereikt wat ik wilde - namelijk het pare dat te maken heeft met onderzoek en journalistiek: de non-fictiekant. Dat aspect vind ik ronduit geslaagd; die kant van mijn werk is ook almaar meer mijn levenshouding gaan bepalen. Mijn romanschrijverij is allengs meer op de achtergrond geraakt, omdat ik op dat terrein absoluut niet bij machte was te bereiken wat ik wilde - en dat is dan die 20 procent onvrede. En dat betekent géén smart. Ik had namelijk het grote geluk dat die journalistieke research daar al snel voor in de plaats kwam. Ik zag pasgeleden een eind jaren zestig op het Spui te Amsterdam genomen foto van mijn schrijversgeneratie, allemaal auteurs van wier schrijverschap maar bitter weinig terecht is gekomen. En ik sta daar tussen, samen met Wim Hazeu; twee jonge mannen die op tijd hebben ingezien dat je het schrijverschap dat je bezit en dat niet al te groot blijkt te zijn, in ieder geval kunt inzetten voor andersoortig werk, waardoor je dan ineens ook een voorsprong hebt. Want ik schrijf beter dan menig historicus van professie. En zo ontwikkelde zich allengs in mij de lust tot onderzoek én mijn verbetenheid dienaangaande en woede en gedrevenheid, én de zekerheid dat ik binnen dat werk geen enkel compromis sloot - als ik vond dat iets niet deugde, schreef ik dat meedogenloos op, al sneed ik mezelf daarmee in de vingers. Zo heb ik een boek over de kunsthandel gedurende de bezetting geschreven, waarin twee relaties met wie ik grote zaken deed, voor de bijl gingen; en daarmee kapte ik welbewust elke mogelijkheid tot verdere handel met ze abrupt af - dat wist ik tijdens het schrijven, en ik heb het toch gedaan.

Ik ben een typische speler, ja. Ik houd van het avontuurlijke leven, maar dat zeiden de fascisten ook altijd, dus ben ik nogal voorzichtig met het etaleren van die levenshouding. Ik heb altijd getendeerd naar het niet-burgerlijke bestaan. Op het moment dat iets bereikt is, gaat het me, onherroepelijk, vervelen. Ook die romanschrijverij verveelde me, evenals die kunsthandel.

De privé-kant van mijn bestaan is me niet gaan vervelen, integendeel, dat is steeds beter geworden, curieus genoeg. En dat heeft nu een soort hoogtepunt bereikt; ik ben op het moment, met name binnen mijn huwelijk, gelukkiger dan ooit; doordat ik door mijn beslissing bevrijd was van angsten en zorgen over de toekomst en kon genieten, voor het eerst, van het heden. Maar er is nog iets anders aan de hand. Mijn leven heeft altijd onwrikbaar uit twee componenten bestaan: het privé-leven én het schrijverschap, en toen dat laatste wegviel, hield ik als het ware al gedeeltelijk op met leven.

Dat schrijverschap stopte, toen ik merkte dat mijn drijfveren daartoe er niet meer bleken te zijn. Ik ben in een fuik gelopen; mijn eigen fuik, welteverstaan. Ik was namelijk met zulk een uniek en fantastisch object bezig geweest, dat ik bij aanvang al wist: zoiets krijg je nooit meer in handen; alles

[p. 337]

wat ik hierna zal ondernemen, is, onherroepelijk, minder. Bovendien realiseerde ik me dat men mij altijd zou blijven identificeren met die thematiek - waardoor de andere facetten van mijn kunnen nooit meer anderszins aan bod zouden kunnen komen. Zo werkt dat nu eenmaal. Dat wist ik al.

Nadat ik anderhalf jaar geleden - het thema was eindelijk uitgeput, althans, mijn nieuwsgierigheid ernaar - alles aan de kant had gedaan, zat ik ineens zonder werk. En ik had de guts niet om aan de telefoon te gaan hangen, teneinde mijn diensten aan te bieden, te bang om nee te krijgen. Zo ben ik. En überhaupt, naarmate je ouder wordt, neemt de kans dat men nee zegt gewoon toe.

 

Ineens was de zin in werken weg. Het feit dat ik, nu alweer drie jaar geleden, op die Hilversumse parkeerplaats door een fascist in elkaar geslagen ben, heeft daar ook zeker mee te maken gehad. Ik zakte nadien in een enorme depressie weg. Ik voelde me ontzettend in de kou gezet door justitie en de journalistiek. Dat was dan de druppel die de emmer deed overlopen, ik bedoel, er was tóch wel iets gebeurd waardoor er iets in mij zou springen. Ik was er rijp voor dat mij iets onvoorstelbaars overkwam. Ik voelde me vernederd, beschaamd. Zo steek ik nu eenmaal in elkaar. Jaren geleden is er eens bij me ingebroken. Toen heb ik onmiddellijk mijn huis opgegeven; dat vond ik zo besmet en vies. Datzelfde gevoel had ik, toen die man mij overvallen had. Van iemand die alles onder controle had werd ik opeens slachtoffer. Ik ben overtrots. Ik wil ook het moment vóór zijn dat ik niet meer aan de bak zal kunnen komen. Daar pas ik voor - dat wil ik onder geen beding meemaken. En ik verveel me gauw.

Toen de acteur George Sanders zelfmoord pleegde, schreef hij in zijn afscheidsbrief: “Ik verveelde me.” Dat heeft geweldige indruk op me gemaakt, dat herinner ik me nog.

 

Ik vond het prettig om alles voor mijn dood te regelen. Dat gedoe met de notaris, de accountant en allerlei lieden met wie van alles afgeregeld diende te worden. Daar had ik ronduit plezier in; ik houd van dat soort dingen.

Ik denk nu niet meer zoveel na over het verleden, en zeker niet gericht. Mijn herinnering spitst zich voornamelijk toe op de laatste tijd.

Ik heb een heel goed en vooral ook wonderlijk leven gehad, altijd op ambivalentie gefocust: twee huizen, het liefst in twee steden wonend, vroeger vaak twee verhoudingen tegelijkertijd, tweeërlei seksen hebbende bediend - zo zit ik nu eenmaal in elkaar, een congenitaal ambigue persoonlijkheid. Ik kan alleen maar kiezen in mijn werk. En daarom ook kan ik niet daarzonder. Ik heb wel schuldgevoel over wat ik mijn omgeving nu aandoe, maar het is, werkelijk waar, onontkoombaar, en die mensen om mij heen hebben uiteindelijk toch voor mij gekozen, nietwaar. Dus zullen ze dit erbij moeten nemen.

[p. 338]

Iedereen heeft voor- en nadelen. Welnu, deze zelfgekozen dood is dan mijn nadeel. Ik was gisteren met iemand aan het eten in wiens ogen ik, tot twee keer toe, tranen zag - en dat vond ik vreselijk. Ik wist absoluut niet wat ik doen moest.

 

Ik leef momenteel heel sterk bij de dag. Ik weet dat ik op dit ogenblik nog ruim een week te leven heb, en dat is voor mij net zo lang als, bij wijze van spreken, tien jaar. Zolang als het er nog niet is, is het er ook echt niet. Het moment suprême komt toch op de dag zelf, denk ik maar, en ik weet niet wat er dan gaat gebeuren. Ik hoop niet dat ik dan bang zal zijn of in paniek zal geraken. Ik heb nu hooguit angst voor mijn angst. Misschien ga ik twijfelen, hetgeen zeker niet betekent dat ik een sluimerende onzekerheid heb, maar ik ben op mijn hoede. Je ziet dat wel in tekenfilms: iemand die zich van een hoog gebouw naar beneden stort, en dan bedenkt hij zich onderweg en schiet weer naar boven. Eén onderdeel van een seconde zal de zelfmoordenaar toch wel denken: Mijn god, waar ben ik in 's hemelsnaam mee bezig? En dat moge dan wel een onderdeel van een seconde zijn, maar een seconde kan duizend jaar duren. Dat is mijn grote angst. Dat is dan geen werkelijke spijt, maar veeleer een puur lichamelijke reactie, die zich psychisch vertaalt. Het lichaam is ingesteld op voortleven; het lichaam is op alles voorgeprogrammeerd, behalve op sterven, want dat heeft het nog nooit meegemaakt. Ik ben zo bang dat mijn lichaam op een bepaald moment zal zeggen: “Maar dit is de bedoeling niet. Ik bepaal zelf wel wanneer ik zal sterven.” En dat heb ik niet in de hand.

Ach, je gaat tweemaal dood. Na het lichamelijke sterven komt er een andere dood; namelijk wanneer de laatste mens die je gekend heeft, overlijdt, en dat is een veel sterkere dood, want dan weet niemand meer hoe je stem klonk.

 

Een hele tijd heb ik een vernauwend gevoel gehad: dit is de laatste januari die ik meemaak, de laatste winter, de laatste verjaardag van die, het laatste bezoek aan dat land, maar dat heb ik nu niet meer. Lang was ik me bewust van allerlei dat ik niet meer zou meemaken; heel lang ook had ik er last van als ik mensen dingen hoorde zeggen als: “Volgend jaar gaan we daar naartoe op vakantie”, dan werd ik jaloers. Lange tijd hoopte ik ook dat het Nederlands elftal op zijn bek zou vallen in de voorronden - nu moet ik toch met de onzekerheid de dood in dat we toch nog wel eens wereldkampioen zouden kunnen worden. Maar zelfs dat heb ik nu niet meer.

De tijd die mij rest, is zo kort geworden, dat alles voor mij een platte aanblik biedt: ééndimensionaal. Alleen Het Moment - en verder niks. Ik weet niks meer van twee of drie dagen geleden. Het minst roesachtige leven dat ik tot nu toe geleid heb, eigenlijk. Heel traag. En ik ben blij dat het zo is. Alles gaat heel, heel, heel langzaam. Alsof iets traags tot stilstand komt. Ik droom

[p. 339]

nauwelijks meer. Ik slaap erg veel en bijzonder goed. Ik ben in ieder geval verlost van mijn nachtmerries, terwijl ik die vaak had. Claustrofobische nachtmerries. Kennelijk verschaft de naderende dood mij ruimte. En ik voel mij ongelooflijk onaantastbaar, ja, ik ben de baas. Wat ik altijd nagestreefd heb in mijn leven, bezit ik nu echt. Controle. Over mijn lot. Over mijn omgeving.

Het is een ritueel dat volkomen vaststaat. Ik weet precies wat ik die laatste dag ga doen. Ik weet met wie ik wil zijn. Ik weet welke wandeling ik van tevoren ga maken. Alles, alles is mij nu duidelijk. Ik voel mij totaal superieur.

Ik ben content met mijzelf. En men is in mijn omgeving ook wel tevreden met mij, merk ik nu. Naast alle boosheid is er zo veel liefde om mij heen. En ik maak tenslotte alle rouw mee die doorgaans na de begrafenis komt. Dat heb ik allemaal georganiseerd. Ik weet hoe men na mijn dood over mij denkt, dat wordt nu al gemeld. Ik merk hoeveel het ze doet. En naast alle schuldgevoelens geeft dat ook zeker genoegdoening.

Ik heb zeer lang geaarzeld of ik mijn zelfmoord zou aankondigen. Ik heb daar ten slotte toe besloten, omdat ik de ravage heb gezien die zelfmoordenaars achterlieten, nadat ze, zonder enig bericht vooraf, er een eind aan hadden gemaakt. Mijn vrouw, die mij toch al langer in leven heeft gehouden dan ik voor mogelijk hield, hoeft nu geen schuldgevoelens te hebben. Zij heeft niet gefaald. Niemand heeft gefaald. Ik ook niet.’