|
|
|
| |
| | | |
Burgemeester Van der Werf als vaderlandse
toneelheld;
Een politieke autoriteit in belegeringsdrama's
Marijke Meijer Drees
| |
Een heldenbeeld geschetst
Het Centraal Museum te Utrecht bezit een negentiende-eeuws
schilderij waarop een tragisch hoogtepunt uit de geschiedenis van het beleg van
Leiden in beeld is gebracht. Het is het moment waarop
burgemeester Van der Werf zijn eigen lichaam met een
degen wil laten doorsteken opdat het als voedsel kan dienen voor de hem
omringende meute van uitgehongerde burgers, die de stad willen overgeven. De
zelfopoffering van burgemeester Van der Werf, zoals het schilderij genoemd is,
werd voor het eerst geëxposeerd in 1830.
1 Van der Werf was toen een
vaderlandse held. Men bewonderde hem om zijn vrijheidsliefde en zijn tolerante
houding tegenover de religieuze verdeeldheid in de stad.
Historische figuren als de Leidse burgemeester Van der Werf hebben
bijgedragen aan het vaderlandse gevoel of nationale zelfbewustzijn. In de
negentiende eeuw heeft het zich koortsachtig ontwikkeld, maar toen had het
evenals de bijbehorende heldenbeelden al een lange voorgeschiedenis. Niet
alleen de geschiedschrijving, ook de literatuur had helden gemaakt. Hieronder
wil ik demonstreren hoe in toneelliteratuur een politieke autoriteit als Van
der Werf tot nationale held kon uitgroeien. De door mij onderzochte
toneelstukken over het beleg en ontzet van Leiden bestrijken een periode die
begint in 1606 en eindigt in 1774,
2 het jaar waarin men feestelijk
herdacht dat de stad twee eeuwen eerder ontzet werd. Maar al voor 1606 was de
beeldvorming van Van der Werf begonnen, in pamfletten en gedichten.
| |
De eerste sporen
De oudste pamfletten
3 en de geuzenliederen
4, alle daterend van
1574, zeggen weinig over de houding van het Leidse stadsbestuur ten tijde van
het beleg en over
Van der Werf zwijgen ze helemaal. Toch laat
één pamflet wel iets doorklinken van wat er zich op politiek
niveau in Leiden heeft afgespeeld. In de kritieke maand september,
wanneer de stad al vier maanden wordt belegerd en volledig is uitgehongerd,
blijkt het stadsbestuur niet bepaald eensgezind op te treden. In
raadsvergaderingen tonen enkele niet bij name genoemde regenten zich tot
overgave bereid en daarbuiten spiegelen zij de gemeente voor dat de Spanjaarden
de stad wel genadig zullen zijn. Door het vastberaden optreden van vooral de
toenmalige gouverneurs van de stad,
Jacob en
Jan van der Does, wordt daadwerkelijk onderhandelen
met de vijand voorkomen.
5
Van der Werfs rol blijft hier onvermeld. Behoorde hij nu wel of
niet tot de onstandvastige regenten? Iemand die daar meer van wist, was de
zojuist al genoemde gouverneur Jan van der Does. Onder zijn dichtersnaam,
Janus Dousa, wijdde hij | | | | een aantal
Neolatijnse oden aan het beleg. Een van die gedichten geeft een zeer kritische
impressie van wat er zich tijdens de beslissende septemberdagen op politiek
niveau afspeelde. De meerderheid van het stadsbestuur bleef toen, aldus
Dousa, niet langer trouw aan de goede zaak. De
leidende
burgemeester Van der Werf hoorde daarbij, want hij gaf
toe aan de andere burgemeesters. Die waren, meent Dousa, alleen maar op eigen
gewin uit en speelden de vijand in de kaart.
6 Dousa's waardering voor Van der Werf is dus gering, ofschoon
diens collega's het in zijn ogen nog veel bonter hebben gemaakt.
De Leidse magistraat, Van der Werf niet uitgezonderd, zou door
Dousa's kritiek een slechte reputatie gekregen hebben als de geschiedschrijving
niet tijdig voor eerherstel had gezorgd. Dat begon al in 1577, twee jaar nadat
Van der Does zijn gedichten over Leiden had gepubliceerd. Toen
verscheen de
Corte beschryvinghe van de strenghe belegheringhe en de
wonderbaerlicke verlossinghe der stadt Leyden in Hollandt […] verbetert
ende vermeerdert […]. De historicus
Fruin, die deze tweede, vermeerderde uitgave met de eerste
(van 1574) heeft vergeleken, concludeerde dat de eerste uitgave van de Corte
beschryvinghe in de tweede is aangevuld met passages waarin het
stadsbestuur wordt gerehabiliteerd.
7 Op
welke wijze Van der Werf, nu overigens wèl bij name genoemd, in deze
rehabilitatie deelt, moge blijken uit het volgende. Nadat, precies als in de
eerste uitgave van het pamflet, eerst verteld is dat in september een aantal
regenten van weinig standvastig gedrag blijk hebben gegeven, volgt deze
inlas:
Sommighe [ontevreden burgers - MMD] quamen oock op desen tijt by
den Borghermeester
Peeter Adriaensz. hem voorhoudende heuren grooten
honghernoot / die sy hem met claechlijcken ende dreychlijcken woorden
vertoonden / meynende dat sy hem hier door beweghen zouden dat hy middelen
soude soecken om met den vianden te handelen. Hy antwoordede hun cort ende
vromelijck: Siet lieve Medeborghers / ick hebbe eedt ghedaen / dat ick verhoope
door den ghever alder goeden ghaven stantvastelijck te houden: Soo ghy met mijn
doot beholpen zijt / ick moet eens sterven / ende het is my even veele oft
ghijt doet op alsulcker mate ofte de viant: Want mijn sake is goet. Sijt ghy
dan met mijn doot beholpen / neemt mijn lichaem snijdet dat ontstucken / ende
deylt daer van soo veele als strecken mach / ick bens ghetroost. Met dese
antwoorde waren de voorsz. Borgheren alsoo in heur ghemoet gheslagen / dat sy
sonder eenighe verder woorden van daer ginghen. Dit is een schoon leere voor
alle regenten / bysonder in desen onsen tijt der beroerten om heuren eedt wel
te betrachten / getrou ende stantvastich te blijven / ende heur Burgeren op
sulcker wijse te gemoet ende voor te gaene […]
8
Het goede voorbeeld van de moedige en standvastige Van der Werf is
dus leerzaam voor alle regenten in deze onrustige tijden, aldus de
pamfletschrijver. Deze burgemeester heeft het blijkbaar verdiend om in
positieve zin onderscheiden te worden. Door dit pamflet is Van der Werfs goede
naam voorgoed gevestigd, niet alleen in de geschiedschrijving,
9 maar ook in de toneelliteratuur.
| |
Van der Werf als toneelfiguur: twee extremen
De onderzochte toneelstukken geven zonder uitzondering een
positief beeld van de Leidse burgemeester. Daarbinnen doen zich evenwel
interessante verschuivin- | | | | gen voor. Aan het begin staat een bijna
anonieme toneelfiguur, en aan het eind een absolute held.
In de
Benoude belegheringhe der stad Leyden, in 1606
gepubliceerd door de Leidse rederijker
Jacob Duym,
10 treedt
Van der Werf op als de ‘Eerste der
Borgermeesteren’. Alleen in de tweede scène van het vierde bedrijf
staat in een toneelaanwijzing zijn naam vermeld, en dit is ook de enige
scène waarin de burgemeester mag soleren tegenover een tweetal
verontruste burgers, want overal elders wordt hij altijd vergezeld door de
‘Tweede der Borgermeesteren’, die overigens niets laat blijken van
bereidheid tot overgrave van de stad. Duym wijdt dus geen woord aan de wel wat
dubieuze rol die de collega's van Van der Werf (door Duym tot een gereduceerd)
in werkelijkheid gespeeld zouden hebben. Toch blijkt Van der Werf in Duyms
toneelstuk wel een klein streepje voor te hebben op de andere burgemeester.
Het is denk ik niet toevallig dat hij juist in de voornoemde
scène even uit de anonimiteit tevoorschijn treedt. Hierin wordt namelijk
de gebeurtenis beschreven die in latere toneelstukken tot tragisch hoogtepunt
verheven is en de burgemeester welhaast mythologische roem bezorgd heeft: zijn
zelfopoffering. Duym echter maakt er nog weinig ophef over. Hij legt de nadruk
op Van der Werfs vertrouwen in God en maakt diens retorische
‘gebaar’ daaraan ondergeschikt. De burgemeester zegt dan ook
herhaaldelijk dat God de stad spoedig zal ontzetten (vss. 934-37, 941, 974-78),
terwijl hij zijn offerbereidheid slechts kort en eenmalig naar voren brengt
(vss. 962-965) en onmiddellijk laat volgen door de verzekering ‘Maer
d'ontset is naer by, dat is miin vast gheloof’. Met zijn rotsvaste
vertrouwen in God wil hij de burgers, die, zoals Duym aangeeft in een
toneelaanwijzing, ‘seer bedroeft’ zijn, in hun geloof sterken.
‘Laet ons God bidden, doch, dat hy ons wil bewaren’, zegt hij als
hij samen met hen het toneel verlaat (‘Gaen in’ luidt de
toneelaanwijzing bij vs. 975).
Duyms toneelstuk toont ons dus een bijna anonieme burgemeester die
het diepste vertrouwen stelt in Gods heilsplan met de Leidenaren. Door hem (en
trouwens alle personages aan Leidse zijde) zo uit te beelden, benadrukt Duym in
feite voortdurend de teneur van zijn stuk: God, die zijn volk van ware
gelovigen al eeuwenlang beproeft, heeft uiteindelijk de trouwe, eendrachtige
Leidenaren ontzet. Die strekking staat aangegeven in de opdracht aan het Leidse
stadsbestuur, in de proloog en de epiloog. De Leidenaren, die ‘vroom voor
Gods naem hoogh ghebenedijt’ streden en vergelijkbaar zijn met de
Makkabeeën, worden door God begunstigd, aldus de
‘dicht-stelder’ in de proloog. En in de epiloog plaatst hij het
beleg van Leiden opnieuw in Gods heilsgeschiedenis door het te
vergelijken met de belegeringen van Betulië en Samaria. Ten slotte spoort
hij de Leidenaren aan om in de eerste plaats God te danken en te prijzen en
daarna de aardse overheden: de Staten, de omliggende steden,
Willem van Oranje, geuzenadmiraal
Boisot en, als laatste, de Leidse magistraat.
Duyms geïdealiseerde voorstelling van zaken past in een van de
tradities die in de vroege geschiedenis van het Nederlandse nationale besef
onderscheiden worden: de gereformeerde traditie.
11 Maar Duyms bedoeling was in de eerste plaats een propagandistische,
zo weten we uit andere bronnen: de context namelijk van het
Ghedenck-boeck waarin dit toneelstuk is
opgenomen. In een tijd waarin steeds meer stemmen opgingen voor
vredesonderhandelingen met de Spanjaaden, wilde hij juist laten zien dat
voortzetting van de oorlog noodzakelijk was.
12
| | | |
Kijken we nu naar het laatste toneelstuk dat ik
onderzocht heb. In het
Beleg der stad Leyden (1774)
13, geschreven door
Lucretia Wilhelmina Van Merken, is
Van der Werf de centrale held. Bij hem thuis wordt de
gehele handeling gesitueerd (‘Het Tooneel is in de Stad
Leyden, in het Huis van den
Burgemeester Pieter Adriaansz. van der Werf’) en
het beeld dat Van Merken van hem oproept is dat van de in en buitenshuis voor
iedereen zorgzame burgervader. Zijn zorg geldt bovenal het stadsbestuur,
waarbinnen ernstige verdeeldheid heerst.
14 Die komt meermalen tot uitdrukking in
felle discussies tussen aan de ene kant de overige drie burgemeesters van
Leiden en aan de andere de secretaris,
Jan van Hout, en
Jan van der Does, die de stadsverdediging aanvoert (I,
4-6, III, 1 en 4).
Boven deze partijen uit torent Van der Werf als de alom geliefde
vredestichter die volstrekt belangeloos voorspoed beoogt voor
‘Nederland’ (b.v. in vs. 331) oftewel ‘'t lieve
Vaderland’ (vs. 740). Als iemand ook die boven religieuze geschillen
staat: ‘Nooit heeft de bittre twist den Godsdienst nut gedaan’, is
zijn stelling (vs. 808). Als de vader van zijn volk: ‘De burgers eren hem
als hunn' geliefden Vader’ en ‘boven allen toonde uw Vader 't volk
hun pligt’, zegt Jan van Hout al in het eerste bedrijf tegen Van der
Werfs dochter Elizabeth (vss. 122 en 167). Van haar vernemen we een detail dat
aan Van der Werf als pater familias een vleugje tragiek verleent: hij mist al
zijn andere kinderen en ‘zyn zwangre Gade’, die buiten de stad
verblijven (vss. 39-44).
De scène over Van der Werfs zelfopoffering (IV, 6) kan dit
beeld illustreren. De burgemeester staat tegenover vijf morrende burgers, die
klagen over hun ellende en verontwaardigd zijn omdat dat sommige
stadsbestuurders ‘in d'algemeenen nood hun eigen nut bejaagen’
(1242). Dit laatste bestrijdt Van der Werf: jullie moeten geen geruchten van
muiters geloven, zegt hij; houd je rustig, vertrouw op God en op de ijver van
de regenten, want die zal binnen afzienbare tijd vruchten afwerpen. En dan zet
hij zijn kalmerende woorden als volgt kracht bij:
[…] Doch duld de nood zulks niet,
Aanvaard dan 't eenige dat my nog overschiet.
Daar is myn zwaard. Komt, slagt me, om u den dood te
ontrukken.
Scheurt dan myn lyk vanéén, en deelt het om aan
stukken;
Zo word ge, als ik u niet kan redden met myn bloed,
Ten minsten met myn vleesch, 't geen ik u schenk, gevoed.
Onder dit retorische geweld bezwijken de burgers en zij knielen voor
de burgemeester (toneelaanwijzing p. 95). Maar uit hun reactie blijkt bovendien
dat hij hen inspireert tot vergelijkbare woorden. Eerder dan het bloed
‘des trouwsten vaders’ te plengen, zou het hele volk moeten
zweren
Den eenen arm 't gebrek groothartig toe te wyden,
Terwyl wy 't Vaderland met d'andren arm bevryden. (vss. 1341, 42)
15
Een aardig detail bij dit alles is dat gedurende deze scène
ook nog een zwijgend personage, een weesjongen, ‘zich allengs aan de zyde
van Van der Werf voegt’ (toneelaanwijzing). Dit is niet zonder betekenis
omdat het, zo blijkt een scène later, het beeld van de zorgzame
burgervader Van der Werf versterkt. De weesjongen wilde hem namelijk uit
dankbaarheid voor vroeger genoten steun beschermen tegen eventueel geweld van
de burgers: ‘Ik wilde u hoeden voor 't geweld der muitelingen. / Gy
spijsde ons huis en my’ (vss.1358, 59).
| | | |
Van der Werf lijkt overigens wel te
concurreren met een vergelijkbaar tragisch-heroïsche heldin,
Magdalena Moons genaamd. Zij zou volgens de
geschiedschrijving de geliefde van de Spaanse opperbevelhebber
Valdez geweest zijn en ervoor gezorgd hebben dat
Leiden niet door een bestorming werd ingenomen.
16 Bij
Van Merken is zij niet alleen de geliefde van Valdez (de
‘verloofde Bruid’ om precies te zijn), maar ook Van der Werfs nicht
en huisgenote. Bij de burgemeester thuis ontmoet zij nota bene de als bode
vermomde Valdez en werkt hem zo op zijn gemoed dat hij zijn voornemen de stad
te bestormen opgeeft (III, 9). Met deze daad, verricht tot ‘heil van 't
Vaderland’ (vs. 872), laat Magdalena zien dat zij, zoals ze het zelf
uitdrukt, als ‘Nederlandsche vrouw’ haar ‘pligten’ kent
(vs. 873). Zo maakt zij zich dus uitermate verdienstelijk, maar Van Merken laat
wel zien dat zij niet boven Van der Werf uitstijgt. Magdalena spreekt
bijvoorbeeld niet op eigen initiatief met de zogenaamde bode, maar omdat haar
oom de burgemeester het haar verzoekt en haar zelfs officieel tot
onderhandelaarster aanstelt (II, 2; III, 6).
Van Merken schildert in haar toneelstuk een achttiende-eeuws
ideaalbeeld van burgemeester Van der Werf. Zijn ‘vaderlijke’
optreden bevordert het algemene welzijn, hij bezit een door tolerantie
gekenmerkte godsvrucht en is zeer gesteld op zijn huisgezin. Dit nu waren
kwaliteiten die in Van Merkens tijd als nationale deugden golden.
17
| |
Van der Werf in de overige toneelstukken
Tussen 1606 en 1774 doet zich een wijziging voor in het
perspectief van waaruit het beleg en ontzet beschreven worden; tegelijk
verandert ook de uitbeelding van Van der Werf.
In de vroege toneelstukken worden personages en gebeurtenissen op
afstand bezien; er is wisselende aandacht voor zowel de Leidse als de Spaanse
kant en al naar gelang de partij die zij vertegenwoordigen, zijn de personages
helemaal goed of door en door slecht. Alles wat er met de Leidenaren gebeurt,
wordt ingebed in het grote geheel van Gods heilsgeschiedenis. God beproeft hen
zoals hij het volk Israël beproefde, Leiden is een
tweede Samaria. Deze afstandelijke voorstelling van zaken vinden we in
het toneelstuk van
Duym, terwijl in de twee toneelstukken van
Jacob van Zevecote,
Belegh van Leyden en
Ontset van Leyden (1626; 1630)
18 misschien nog wel meer distantie
wordt betracht. Zo treden bij Duym concrete personages op, die (de Spanjaarden
natuurlijk uitgezonderd) de gebeurtenissen steeds zonder omwegen aan Gods
voorzienigheid relateren. Van Zevecote daarentegen brengt voornamelijk
personificaties en reien op het toneel, die ver van het beleg afvoerende
bespiegelingen ten beste geven.
19 Afstand is er ook in
Bontius'
Belegering ende het Ontset der Stadt Leyden
[…] (1645),
20 dat
weer meer in de trant van Duyms toneelstuk is opgezet.
21 Toch is er een opvallend
verschil met Duym aanwijsbaar. Bontius' weergave biedt meer ruimte aan een
menselijke factor: er wordt uitvoeriger stilgestaan bij het lijden in de stad
ten gevolge van pest en hongersnood. Bontius illustreert dit bijvoorbeeld met
een drietal hoogst pathetisch becommentarieerde vertoningen van uitgehongerde
en gestorven vrouwen en kinderen.
In de latere toneelstukken worden beleg en ontzet met steeds meer
aandacht voor menselijke factoren gepresenteerd. Daarbij gaat het niet alleen
om nog meer | | | | en nog schrijnender demonstraties van menselijk lijden,
maar ook om voorbeelden van actief handelen van reële mensen. Om dit
laatste te laten zien vergelijk ik het begin van de eerste druk van het
toneelstuk van
Bontius (Bontius 1645) met het begin van de uitgave van
Bontius' stuk uit 1660, dat in dat jaar overigens onder grote toeloop werd
opgevoerd in de Amsterdamse schouwburg, opgesierd met spectaculaire vertoningen
van
Jan Vos.
22 Bontius 1645 opent met een korte
monoloog van de Leidse maagd, die angstig reageert op het oorlogstumult en
troost probeert te putten uit de gedachte dat ‘den Heer die 't al
regeert’ wel zal zorgen dat de wrede vijand wegblijft uit ‘onse
ware kerck’ (vss. 31-34). Die gedachte blijft in Bontius 1660 weliswaar
nog naar voren komen, maar dit toneelstuk begint opvallend realistischer. Een
concreet en reëel personage, de bevelhebber van de stadsverdediging
Andries Allertsz, vertelt hoe moedig er ‘voor
Godts ware licht’ (vs. 2) is gestreden en nog gestreden zal worden door
aardse helden.
Lodewijk van Nassau, ‘Hollandts hoop’ (vs.
34), moest jammerlijk sneuvelen op de Mokerhei, de Leidenaren,
‘Beschermers van Godts leer’ (vs. 54), zullen zich dood vechten, en
over zichzelf zegt Allertsz: ‘Mijn leven staet voor 't Lant […]
voor mijn Vaderlandt’ (vss. 65, 70). Tot zover dit voorbeeld. De
slotscènes van beide toneelstukken verschillen op vergelijkbare
manier.
Een verdere toespitsing op menselijke omstandigheden is waar te
nemen in de twee stukken van
H. Brouwer,
Het belegh van Leyden en
Het ontset van Leyden (beide in 1683 gedrukt).
23 Dit komt in de eerste
plaats tot uitdrukking in de genuanceerdere weergave van personages die in
voorgaande stukken een negatieve rol speelden: de uitgeweken Leidse burgers,
die ‘glippers’ genoemd worden, en de Spaanse bevelhebber
Valdez. Zijn de glippers bij Bontius nog aartsbedriegers
die hun vaderland verzaken, in Brouwers Belegh zijn juist zij het, en
dan vooral hun leider
Jan Wybisma, die er bij Valdez voor pleiten dat
Leiden niet aan de roof- en moordzucht van Spaanse soldaten wordt
overgegeven. En de Spanjaard Valdez, in de vroegere toneelstukken uitsluitend
als wreed en leugenachtig afgeschilderd, blijkt nu in aanmerking te komen voor
gunstige kwalificaties als moedig en oprecht.
24 Brouwers
Ontset is het eerste toneelstuk waarin een liefdesintrige wordt
verwerkt. Ook dit verschil met de eerdere stukken duidt op een toegenomen
belangstelling voor menselijke factoren.
In de twee achttiende-eeuwse toneelstukken die ik onderzocht heb,
komt deze belangstelling het sterkst tot uitdrukking. Dit zijn
Leiden verlost (1711) van
Cornelis Boon en het al besproken stuk van
Lucretia van Merken. Boons stuk is helemaal gesitueerd in
het Spaanse legerkamp van Valdez en is toegespitst op een innerlijke tweestrijd
bij de Spaanse bevelhebber. Hij moet kiezen tussen zijn plichtsgevoel, dat hem
zegt Leiden te bestormen, en zijn liefde voor
Magdalena Moons, die hem doet besluiten de stad te sparen.
Met Van Merken ten slotte, komt de handeling weer terug in Leiden. Zoals we
gezien hebben zijn Valdez en Magdalena nu in de belegerde stad geplaatst en
worden de gebeurtenissen aldaar zo weergegeven dat
Van der Werf er de hoofdrol in speelt.
Hiermee zijn we terug bij de Leidse burgemeester. Hoe verandert hij
van de vrome bijna-anonymus bij
Duym in de vaderlandse deugdheld Van der Werf bij Van
Merken? Ik geef de belangrijkste tussenstadia kort weer.
In Bontius 1645 is de burgemeester geheel uit de anonimiteit verlost
en meer op | | | | de voorgrond geplaatst. Dat laatste blijkt bijvoorbeeld
uit het feit dat hij nu monologen mag uitspreken (vss. 575-619; 722-743;
913-935). Als type is hij echter niet veranderd: hij blijft standvastige
vroomheid demonstreren, alleen frequenter en in gruwelijker situaties dan bij
Duym en
Van Zevecote. Zo vormt de scène met zijn
zelfopoffering (vss. 955 e.v.), waarin
Van der Werf overigens niet een maar twee keer zegt dat
de burgers zijn lichaam mogen verdelen (991-999; 1020-22), de climax van een
aantal uitvoerige schilderingen van hongersnood en pest. Dat zijn niet alleen
vertellingen maar ook vertoningen. Tussen al deze gruwelijkheden door komt de
burgemeester op zeker moment ook tegenover een groep zogenaamde vrijbuiters te
staan en dan blijkt er binnen het type dat hij uitbeeldt ook een beetje ruimte
te zijn voor strijdbaarheid. De vrijbuiters, die tot de stadsverdediging
behoren, willen Leiden verlaten en betogen daarom dat zij meer dan
voldoende krijgsprestaties hebben geleverd. In zijn antwoord wijst de
burgemeester hen niet alleen op hun plicht, hij vertelt hun ook hoe hij zelf
tegen de vijand gevochten heeft en zijn leven ‘voor 't lieve
Vaderlandt’ waagde (vss. 771 e.v.). De combinatie van standvastige
godsvrucht en strijdbaarheid blijft in
Bontius l660 herkenbaar. Maar Van der Werfs rol is hier
wel prominenter geworden. Dat zien we bijvoorbeeld aan het eind, in de
scène waarin
Willem van Oranje de Leidenaren komt vereren met de
universiteit. In Bontius 1645 heeft Van der Werf in deze scène niet eens
de rol van zwijgende toeschouwer, terwijl hij in Bontius 1660 wel tot de
aanwezigen behoort en zelfs het woord mag richten tot de prins.
25
In de volgende fase verandert er weinig in de uitbeelding van Van
der Werf. De aandacht voor menselijke factoren is weliswaar toegenomen, maar
voor de uitbeelding van Van der Werf heeft dat geen consequenties. De
burgemeester is een stereotiepe figuur geworden. In
Brouwer 1683 komt hij alleen nog voor wat extra
gruwelijke situaties te staan, en in de liefdesintrige speelt hij geen rol van
betekenis. In
Boon 1711, het stuk dat als gezegd in het Spaanse
legerkamp speelt, is Van der Werf zelfs helemaal van het toneel verdwenen.
26 Valdez staat in Boons toneelstuk centraal; aan hem kon een
conflict tussen liefde en plicht gedemonstreerd worden.
Maar dan volgt er toch nog een nieuwe impuls. In
Van Merken 1774 is Van der Werf de absolute protagonist.
Bovendien geeft de schrijfster hem de vaderlandse deugden mee van een ideale
achttiende-eeuwse regent. Zo is de Leidse burgemeester daadwerkelijk
uitgegroeid tot een nationale held.
| |
Epiloog
In het voorafgaande zijn alleen de toneelstukken over Leiden aan
bod gekomen en heeft alleen de rol van burgemeester Van der Werf aandacht
gekregen. Maar er bestaan ook stukken over andere stadsbelegeringen
(Haarlem, Bergen op Zoom, Naarden etc.)
en in dit soort drama's komen ook heroïsche personages voor. Hoe nu zijn
belegeringstoneelstukken in het algemeen opgezet? Kan mijn bevinding inzake de
toenemende aandacht voor menselijke factoren bevestigd en nader gepreciseerd
worden? Vinden we in al deze stukken prototypes van latere nationale helden?
(zo ja, welke en hoe worden ze gepresenteerd?). En ten slotte rest er
natuurlijk nog de vraag naar mogelijke verklaringen van dit alles. Ik hoop er
op terug te komen.
|
1Het Vaderlandsch gevoel.
Vergeten negentiende-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis.
[Catalogus van de tentoonstelling in het] Rijksmuseum Amsterdam, 24 maart-25
juni 1978. Amsterdam 1978, p. 100-103.
2Voor de titels en een beknopte typering
van alle toneelstukken, muziekstukken etc. kan ik verwijzen naar: W.
Hogendoorn. ‘Leiden in last op de planken.’ In:
Jaarboekje voor de geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken
60 (1968), p. 65-85. En: L.H.J. Lamberts Hurrelbrinck. ‘Het beleg
en ontzet van Leiden ten tooneele gebracht’. In: Handelingen
en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te
Leiden (1891-1892), p. 17-51.
3Zie: ‘Een waerachtich verhael
[…]’ (1574), de ‘Corte Beschryvinghe’ (1574) en het
‘Dag-Verhael’ (1574) in:
De oude verhalen van het beleg en ontzet van Leiden,
bij gelegenheid van het derde eeuwgetijde in hun oorspronkelijken vorm
herdrukt. Uitgegeven door R. Fruin e.a., 's-Gravenhage 1874 (i.h.
vervolg aangehaald als Fruin 1874).
4Het geuzenliedboek.
Naar de oude drukken uit de nalatenschap van E.T. Kuiper uitgegeven door P.
Leendertz jr. Eerste deel. Zutphen 1924, p. 233-242.
5Fruin 1874 (zie noot 2), p. 18, 19 van de
‘Corte beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende
wonderbaerlicke Verlossinghe der Stadt Leyden in Hollandt
[…]’(1574).
6Zie: C.L. Heesakkers. ‘Janus
Dousa, dichter van Leidens beleg en ontzet.’ In: Jaarboekje
voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken 69 (1977), p.
114, 116.
7Fruin 1874 (zie noot 2), p. 11.
8Geciteerd uit Fruin 1874 (zie noot 2), p.
36, 37.
9De
Corte beschryvinge heeft de latere
geschiedschrijving geheel en al getoonzet, zo blijkt uit Fruin 1874 (zie noot
2), p. 15 en uit N.C. Kist. ‘Letterkundig en beoordelend overzicht
der geschiedenis van het beleg en ontzet der stad Leiden’, p. 5,
in: Nieuwe reeks der werken van de maatschappij der Nederlandse letterkunde
te Leiden. Zesde deel. Leiden 1850, p. 1-57. Ik heb de bronnen die Kist
noemt (Orlers, van Meteren, Bor, Hooft etc.) nagekeken op de passages over Van
der Werf.
10Het is als derde toneelstuk opgenomen in
Een Ghedenck-boeck, het welck ons leert aen al het quaet en
den grooten moetwil van de Spaingaerden en haren aenhanck ons aen-ghedaen te
ghedencken ende de groote liefde ende trou vande Princen uyt den huyse van
Nassau, aen ons betoont, eeuwelick te onthouden door Jacob Duym
(Leiden 1606).
11Zie b.v. G. Groenhuis. De Predikanten.
De sociale positie van de gereformeerde predikanten in de republiek der
verenigde Nederlanden voor ca. 1700. Groningen 1977, p. 77-107 (‘'t
Neerlandts Israël’). S. Groenveld. ‘Natie en nationaal gevoel
in de zestiende-eeuwse Nederlanden’. In: Nederlands Archievenblad.
Tijdschrift van de vereniging voor archivarissen in Nederland 84 (1980), p.
380, 381; C. Huisman, Neerlands Israël. Het natiebesef der
traditioneel-gereformeerden in de achttiende eeuw. Dordrecht 1983, p. 51
e.v.
12Dit geldt ook voor de andere stukken uit
Duyms Ghedenck-boeck. Vgl. M. Meijer Drees. ‘Liever een
rechtvaardige oorlog dan een geveinsde vrede. Politieke propaganda in een vroeg
zeventiende-eeuws toneelstuk over het turfschip van Breda’. In:
Jaarboek van de geschied- en oudheidkundige kring van stad en land van Breda
‘De Oranjeboom’. Jaargang 1990, p. 1-15.
13Opgenomen in: Nicolaas Simon van Winter en
Lucretia Wilhelmina van Merken.
Tooneelpoëzy. Amsterdam 1774, p.
1-122.
14Van Merken geeft in het Voorbericht bij
haar toneelstuk een opsomming van de bronnen die zij geraadpleegd heeft.
Daarbij noemt ze ook ‘de Latynsche Gedichten van Janus Douza’, de
Odae Lugdunenses dus, waarin ze heeft kunnen lezen hoe weinig
standvastig de Leidse magistraat zich had gedragen. Dousa's kritiek op Van der
Werf heeft zij echter genegeerd.
15Dit beroemde gezegde staat ook in de
meeste andere toneelstukken, maar dan niet als reactie op Van der Werfs
zelfopoffering. Volgens de geschiedschrijving werd het in de beginfase van het
beleg uitgesproken door
Mees Havicxz, die luitenant of wachtmeester der
schutterij was en eind juli sneuvelde bij een uitval op de Boshuizer
schans.
16Van Magdalena Moons wordt voor het eerst
melding gemaakt in een geschiedwerk van de Jesuïet Famianus Strada uit
1632 ( De bello Belgico decas prima […]). Zij is daar een nog
anonieme adellijke dame uit Den Haag, op wie Valdez verliefd is en met wie hij
ook niet lang daarna getrouwd is. De Leidse stadshistoricus J.J. Orlers heeft
dit gegeven overgenomen in zijn in 1641 gepubliceerde, tweede uitgave van de
Beschryvinge der stad Leyden
[…] (p. 504); het eerste belegeringsstuk waarin het is vermeld is
de tweede uitgave van Bontius'
Belegering ende het Ontset der Stadt Leyden
[…], Leiden 1646.
17Vgl. J.J. Kloek. ‘Letteren en
landsbelang.’ In: F. Grijzenhout, W.W. Mijnhardt, N.C.F. van Sas (red.).
Voor Vaderland en Vrijheid. De revolutie van de patriotten. Amsterdam
1987, p. 81-95.
18Iacobi Zevecoti.
Belegh van Leyden. Treur-spel. Leyden 1626. Ook
opgenomen in
Gedichten van Jacob van Zevecote. Voor de
eerste mael verzameld uitgegeven door Jonkh. Ph. Blommaert. Gent, Rotterdam
1840, p. 217-277. Van dezelfde auteur:
Ontset van Leyden, Bly-eindich spel,
Harderwijck 1630. Dit stuk heb ik in de uitgave van Blommaert geraadpleegd (p.
279-337) omdat een vindplaats van de oorspronkelijke druk niet bekend is (vgl.
H. Meeus. Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden
1600-1650. Leuven 1983, p.203).
19Het nationaal-historische onderwerp, de
Senecaans-klassieke opzet, het optreden van allegorische figuren en van een
‘Rey van gevluchte uyt Vlaenderen’ (alleen in het Belegh)
verraden de invloed van Van Zevecotes ‘neef’ en leermeester
Daniël Heinsius. Diens treurspel over de moord op Willem van Oranje,
getiteld Auriacus sive libertas saucia (Leiden 1602), beantwoordt aan
dezelfde karakteristieken en is Van Zevecote bekend geweest (vgl. G.C. Kuiper.
‘Heinsius' Auriacus. Oranje, of de Gewonde Vrijheid.’ In:
Hermeneus 56 (1984), nr. 4, p. 252, 253).
20Belegering ende het ontset der
stadt Leyden, geschiedt inden jare 1574. Beginnende den 27. may /
ende eyndigde den derden octobris / seer levendigh afgebeeldt door Reinerius
Bontius. Gedenckwaerdig voor alle vrome Christenen. Leiden 1645.
21Bontius gebruikt vergelijkbare personages
(zij het met aanvullingen) en sommige scènes lijken inhoudelijk erg op
elkaar, zie b.v. het overleg aan Spaanse zijde in I.1 bij Duym en in de 2de
uitkomst bij Bontius, de uitval naar de Boshuizer schans in III, 3 bij Duym en
de zevende uitkomst bij Bontius en het doden van de Spaanse soldaat in III, 4
bij Duym en de veertiende uitkomst bij Bontius.
22Bontius 1660: R. Bontius.
Beleg en ontset der Stadt Leyden.
Treur-Bly-eyndend-spel. Gespeelt op d'Amsterdamsche Schouwburg. Den laetsten
druck, oversien en verbetert. Amsterdam 1660.
Beschryving der vertooningen, die voor, in, en na 't spel
van de beleegering en 't ontzet van Leiden, t'Amsterdam, in de Schouwburg
vertoont zijn. Door Jan Vos. Amsterdam 1660. Over de uiterst
complexe drukgeschiedenis van Bontius' toneelstuk: J.T. Bergman.
‘Reinier Bontius en zijn toneelstuk op Leidens beleg en
ontzet.’ In: Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij
der Nederlandsche letterkunde te Leiden (1870), p. 185-198. Over de
vertoningen: W. Hogendoorn. ‘Sieraaden van het tooneel. Iets over
vertoningen in de Amsterdamse schouwburgen van 1637 en 1665.’ In:
Scenarium 2 (1978), p. 70-82.
23Het belegh van Leyden.
Treurspel. Door H. Brouwer. Zpl. 1683 (met vignet ‘Perseveranter’,
d.i. van de Amsterdamse schouwburgdrukker Lescaille).
Het ontset van Leyden, bly-eindent treurspel.
Door H. Brouwer. Zpl. 1683. (met hetzelfde vignet; ingebonden achter het
Belegh maar wel afzonderlijk gepagineerd).
24‘De Valdees is te vroom, en ongewoon te
liegen’ (vs. 2645) zegt een burger tegen
Van der Does, die het niet ontkent.
25Hij krijgt dan de (enigszins veranderde)
tekst van Van der Does, wiens rol in deze scène hiermee gereduceerd
wordt tot die van zwijgende getuige.
26Wel wordt hij in de eerste scène nog
even vermeld als ‘die Burgerheer [die], om zich te laten doden, / (Wie
kende een heldedaet, zoo groot?) had aangeboden / Aen 't muitend graew’
(vss. 93-95).
|
|