In de zomer van 1600 trok een kilometerslange legerstoet door het Vlaamse platteland, op weg naar een veldslag die de leider van de expeditie, Maurits van Nassau, het liefst niet had willen, maar toch moest voeren en die hij op het nippertje zou winnen. De Slag bij Nieuwpoort werd het beroemdste wapenfeit uit de Tachtigjarige Oorlog, mede dankzij de nog in hetzelfde jaar verschijnende pamfletten. De meerderheid bestaat uit reportages in proza, in de titels veelal als ‘waarachtig verhaal’ aangeprezen. Maar gedichten zijn er ook en daarbij kan net zo goed sprake zijn van een ‘verhaal’. Zo'n staaltje van reportagepoëzie is bijvoorbeeld een reeks van vijfentwintig sonnetten over de krijgsverrichtingen rond de ‘Vlaamse tocht’ tot en met de Slag bij Nieuwpoort. De reeks biedt een combinatie van enerzijds
chronologische verslaggeving, heet van de naald en op basis van concrete feiten gepresenteerd, en anderzijds propaganda voor de prins, die wordt voorgesteld als de door God aangewezen, voortvarende en geestdriftige legerleider. Het bijzondere is de sonnetvorm, een zeldzaamheid voor pamfletten uit deze tijd en getuigend van literaire pretentie. Maar er moest in vliegende haast gedicht worden en daar draagt het resultaat alle sporen van.
De dichter verschuilt zich achter de initialen N.S.V., die staan voor ‘niemand zonder vlek’ (niemand is onberispelijk). Dit was de spreuk waarmee de Goudse rederijker Michiel Vlack zijn werk ondertekende. De kern van zijn ‘verhaal’ over Nieuwpoort begint bij sonnet xvi, waarin Maurits de Spaanse vijand over het nabijgelegen strand benadert, en eindigt in xx met het tellen der gevangenen en gesneuvelden.