In dit artikel, een aangepaste versie van een lezing gehouden op het Colloquium voor Naamkunde in 1990, onderzoeken we welke problemen er zich stellen bij de verklaring van plaatsnamen.
De doorsneeburger laat zich aan de betekenis van de plaatsnaam weinig gelegen. Voor hem houdt een eigennaam - en dus ook de plaatsnaam - geen begrip (meer) in. Het oude appellativische begrip is uit de naam verdwenen en de naam heeft zijn verwijzende karakter verloren. Dat de huidige plaatsnaam het resultaat is van allerlei taalkundige processen, ontgaat hem bovendien volkomen. Wil hij toch een betekenis aan de naam geven, dan speelt in de meeste gevallen zijn fantasie hem parten. Als de bewoners van de Eviestraat in Lommel - in het beste geval - aan de naam van hun straat een betekenis geven, brengen ze ‘evie’ in verband met ‘lichte haver’, een graansoort waarmee hun Kempense voorouders zo vertrouwd waren. Niemand herkent in het bestanddeel nog de psn. Neven en ziet nog in dat de straat in de middeleeuwen werd genoemd naar de aangrenzende eigenaar(1).
Belangrijker dan de zakelijke betekenisinhoud is voor de gebruiker de emotionele waarde die in de naam al of niet te vinden is. Namen moeten mooi klinken en iets prettigs oproepen. Denken we in dit verband maar aan de vloedgolf van zuiderse getinte voornamen in de jaren zestig (Anja, Sabrina, Sonja, Sandra, Marina) of Engelse voornamen vanaf de jaren zeventig (Ken, Tim, Roy). Daarnaast dienen bij voorbeeld moderne huisnamen om een zekere standing te verwerven. Hoewel in een aantal gevallen de eigenaars de historische plaatsnaam invoeren, kiezen de meesten voor modenamen die het maatschappelijke prestige helpen opvijzelen: Residentie Rubens,
Elite...
Anderzijds zal de burger zijn afkeuring laten blijken voor plaatsnamen met een semantische waarde, maar met een minder prettige bijklank. Zo verdwenen in de Kempen de meeste Lijkwegen en Dodenstraten, oude wegen vanuit de gehuchten naar de parochiekerk(2).
Niet iedereen benadert de (plaats)naam op deze subjectieve wijze. Voor de naamkundige of de amateur-onderzoeker die een monografie van zijn dorp of stad op stapel heeft staan, heeft de plaatsnaam een objectieve inhoud. De verklaring van de naam zal voor hem aan taalkundige normen moeten voldoen. Dat in een aantal gevallen ook extra-linguïstische factoren (geografie, geschiedenis, volkskunde, archeologie) een rol spelen, ontgaat hem niet.
We bespreken thans de taalkundige en de zakelijke invalshoek van waaruit de plaatsnaam dient te worden onderzocht aan de hand van namenmateriaal uit Lommel. We hebben hierbij aandacht voor:
| - | de klank-en vormwijzigingen, |
| - | de rol van de persoonsnaamgeving in de plaatsnamen, |
| - | het probleem van de zakelijke verklaring. |
De plaatsnaam heeft zich ontwikkeld uit een soortnaam of uit een samenstelling van soortnamen. In een aantal gevallen is de soortnaam in de plaatsnaam nog duidelijk aanwezig.
| akker: Kleinakker, Mudakkers, Septakkers, Vaarakker |
| broek: Broeken |
| put: Putten, Vriesput |
| ven: Dodeven, Enneven, Kranenven. |
Het Lommelse namengoed overspant een achttal eeuwen waarin de plaatsnaam aan allerlei taalkundige processen (klankwijzigingen, afslijtingsprocessen) blootstond. Zijn huidige vorm kan dan ook zeer ver van het oorspronkelijke etymon zijn afgeweken.
De taalgebruiker associeert het (niet meer) begrepen toponiem met een hem vertrouwde soortnaam.
| Vbn.: Dukaat: | < Mnl. bnw. quaet: ‘drassig’, vandaar ‘drassige grond’ |
| > muntstuk. | |
| Eviestraat: | < fn. Neven |
| > evie: ‘lichte haver’. | |
| Ruiterweg: | < Rijtenweg; rijt: ‘waterloop’ |
| > ruiter; de zandweg wordt nog door paardrijders gebruikt! |
| Weimortel: | < Mnl. wide, wyde: ‘wilg’ |
| > weide: ‘graasland’. | |
| Zeegolven: | < Mnl. znw. seg: ‘zegge’ plantnaam) + Mnl. znw. hornic: ‘hoek (land)’. |
| > destijds laaggelegen, bij hevige regenval overstromend land. |
Vormveranderingen zijn in het namenmateriaal zeer goed vanuit de Mnl. attestaties na te gaan en het aantal voorbeelden van afslijting en schijnbaar ondoorzichtige naamfossielen is dan ook legio. Inzicht in de klankprocessen die zich in het plaatselijke dialect hebben voorgedaan, is dan ook een absolute vereiste. We bespreken hiervan enkele gevallen.
*
Wgm. a > /ae/ voor r + labiaal/velaar
Varkenshoef:
200 royen lants gen. verckenshoeve, 1628, Br.R. 50876, 2ov; in de verkens hoeff, 1777, H.G. 13, 173v.
Tarweakker:
den tarw acker, 1720, H.G. 5, 173r; den terfacker, 1776, H.G. 13, 95v; den terrebekker, 1839, Daels, 24.
*
Wgm. a > /ae/ o.i.v. morfologische umlaut (in diminutiva,
meervoud en afleidingen)
Hanskesland:
ackerland gent. hanskens lant, 1786, H.G. 16, 82r; land genaamt henskensland, 1799, H.G. 20, 58v.
Kleinakker:
pecia terre dicta die cleynacker, 1442, B.P. 1212, 204v; die cleynecker, 1459, B.P. 1229, 259.
Cf. Lommels ekker: ‘akker’.
Venger:
de venger beempt, 1662, B.P. 148, 55r; den vengher, 1707, H.P. 26, 370; weiland genaamd den vanger, 1822, Van Breugel, 56.
Cf. Mnl. vanger, venger: ‘hij die een of ander dier vangt’(3). In het Lommels is een dergelijke afleiding thans umlautloos.
*
Wgm. ë > /e/ in gesloten lettergreep
Zigven:
sigven, 1844, K.
Cf. zegge: ‘poelgras, rietgras, ook waterbies’; Oudengels secg: ‘sedge, a reed, a rush’(4).
*
Wgm. i > /ø/ voor l
Gildeveld:
het stuk genaamd gildeveld, 1876, Alen, 142; in de Putten, palende den weg, het guldeveld en de heide, 1877, Alen, 78.
Cf. dial. γøl = ‘gilde’.
*
Wgm. â > /o̧uə/ voor dentaal
Flaas:
bemt genaemt de flaes, 1710, H.G. 4, 67r; beemde gelegen alhier in de geerkens spoelen genaamd de floos, 1794, H.G. 18, 215v; weiland genaamd de vlaus, 1827, Van Breugel, 104.
Flaas: ‘stilstaande plas in bos en hei’. Vgl. Eng. flask: ‘a swamp, shallow water, a pool’(5).
Kwadekraam:
landt de kay kraem, 1662, Ha.R. 2140, I, 62r; de quaai kraem, 1773, H.P. 33, 58r; bouwland genaamd de kuykram, 1838, Daels, 96.
Vgl. kuy: benaderende weergave van dial. ‘kwade’. Het tweede bestanddeel drukt bovendien misprijzen uit voor iets dat in slechte staat is; hier betreft het de slechte kwaliteit van het bouwland.
*
Ronding van uit Wgm. î ontstane /ę:i/
Overrijt:
beempt genaampt den overuyt gelegen op het doode venne, 1731, H.G. 7, 14v; den overuit, 1818, Van Breugel, 57.
Overuit < overrijt; m.a.w. het ‘over’ of aan de andere zijde van de ‘rijt’ (waterloop) gelegen perceel.
Waterrijt:
inde luecke aende waeterryt, 1628, Br.R. 50876, 10v; in de water reyt, 1763, H.G. 11, 31r; de water ruit, 1844, K.
*
Palatalisering van Wgm. û voor r
Treurenberg
stuck erff op 't weyerken gent. den treuren burgh, 1761, H.P. 31, 226v; trurenburg, 1826, L.G. 11,7.
Pln. met kwalificerend karakter, die een minder rendabel stuk land aanduidt. Vgl. Lommels tryərə: ‘treuren’.
*
Ronding voor w van Wgm. ai tot au
Eusel
Deze evolutie vinden we in dit overvloedig geattesteerde Kempense toponiem, met -sel-suffix afgeleid van Mnl. ww. eeuwen ‘voederen’ (< *aiwjan). Het aantal spellingsvariianten is erg groot, wat erop wijst dat allerhande fonetische verschijnselen de uitspraak hebben beïnvloed. Zie hierover Pijnenburg(6).
bempt inde euselen, 1662, Ha.R.2140,I,16r; deussel, 1629, B.R. 147, 115r; inde ousels, 1702, H.G.3, 43v; het ousel, 1698, H.G. 2, 48v; bouwland, achterste jouwsel, 1867, Alen, 104; voorste jouwsel, id.
Opmerking: Verkorting van lange klinker voor dubbele consonant
Blokwaters:
dblaeckwater sit. aent weskens venne, 1450, Br.R. 45045, 377v; de blokwaters, 1773, H.G. 12, 162v.
Wgm. â > o̧: > o̧.
Geerkenspoel:
aenden gheerkens poel, 1448, Br.R. 45044, 185r; inde ger-
kens poele, 1699, H.P. 26, 97.
Geunenshoeven:
inde guenshoeven, 1662, Ha.R. 2140,I, 67r; de gunse hoeve, 1708, H.P. 27, 45.
Hulteren:
landt genaempt den hultere, 1662, Ha.R. 2140,I, 2r; den Hultere, 1802, H.P. 40, 68r.
Cf. Mnl. ho(o)le, huel(e), heul(e): ‘smalle sloot tot afvoer van water, gracht’(7) en Lommels hult ‘gracht’; hier als personificerende afleiding.
Koopman:
den coopman, 1733, H.P. 28, 189r; beempt genaemt den copman, 1775, H.P. 33, 111r.
Vgl. ook Lommels kobdax: ‘koopdag’
Sept:
die zypt, 1387, B.P. 1177, 323r; aent zept, 1734, H.G. 4, 123v; in 't sept, 1800, H.G. 20, 142v.
Cf. Mnl. sijp, zijp, sipe: ‘greppel, slootje’ en sipen, zipen: ‘druppelen, zijpelen’(8).
Syncope: in een aantal gevallen werden t,r,v,w,n uitgestoten
t
| Riebos: ontrent ribos, H.G. 1, 58r; riebosch, 1839, Daels, 69. |
| Riebos < riet-bos. |
| Riemaat: |
| op die riemaet, 1394, Br.R. 45041, 146; die rietmate, 1450, Br.R. 45045, 377v. |
| Riemaat <riet-maat: ‘moerassige, met riet begroeide grond waar heide (?) werd gemaaid. |
| Rijbeemden: de riet-bemt, 1650, Br.K. 5009, 45; inde rijdt beempt, 1686, H.P. 25, 6r; bemt genaemt de rijbemt, 1703, H.P.26, 278; in de rey beemde, 1800, H.G. 20, 118r. |
| Hooilandpercelen bij een rijt of kleine waterloop. |
r
| Rode Bron op ghenen rodenborne, 1331, Br.K. 5020, 85r; ontrent den rooden boirne, 1639, Br.R. 45059, 13v; aenden royen bon, 1723, H.P. 28, 68v; in den roode bon, 1831, Van Breugel, 48. |
| De Rode Bron was een ‘paal’ of grensteken op de scheiding van Lommel en Eksel. In dat gebied kwamen destijds veel bronnen of springputten met ijzerhoudend water voor. Vgl. Mnl. born(e), borre(n): ‘bron, bronwel, fontein’(9). |
| Mettevelden ter plaatse het broeck inde marte velden, 1749, H.P. 9, 147r; de mette velden, 1786, H.G. 16, 113v. |
| Mette: Brabantse vorm van de vn. (Martinus) naast Limburgs Marten en de Lommelse vorm Merten. De Mettevelden liggen in het zuiden van Lommel en waren wellicht destijds eigendom van inwoners van Balen. De pln. wijst op de grenspositie van het Lommelse dialect. Dit blijkt ook uit de geattesteerde persoonsnamen: metten kenens, 1487, A. 158, 29v; bastiaen marten schencx, 1628, Br.R. 50876, 27v; merte den hoendervercoper, 1731, L.G. OR. 17. |
v
| Hootgracht ontrent de hootgracht, 1629, B.R. 147, 110v; in de Lommelse Heyde ontrent den hooftgragt, 1759, H.G. 10, 204r; de Hoofd Gracht, 1850, VDM. |
| Hoot < hovet met syncope van intervocalische v. Cf. Mnl. hovetgrave, hooftgrave: ‘hoofdsloot’(10). Vgl. ook Lommels: he = (hij) ‘heeft’ < ‘hevet’. |
w
| Kaat ter plaetschen geheyten die loemelsche maije oft kaet, 1553, O. Lim. 13v; in die loemelsche kate, 1553, O. Lim. 46v; ontrent de caet, 1761, H.P. 31, 212r; agter de zoogenaamde caat, 1796, H.P. 38, 112v. |
| Kaat: met syncope van w na k < Mnl. quaet, ook als znw.
gebruikt bnw.: ‘vuilnis, drek’(11). Hier met de specifieke betekenis van
‘moerassig, zompig’. Andere voorbeelden van syncope van w in het Lommels zijn: kəti:ər = ‘kwartier’; ko̧lək = ‘kwalijk’ en konsys = ‘kwansuis’. |
n
| Stevert stuck lant als groese genaempt steevoort, 1693, H.P. 25, 115v; weyde genaemt den steenvaert, 1815, Van Breugel, 69; bouwland genaamd de stevert, 1848, Daels, 76. |
| Stevert < Steenvoort: ‘ondiepe, doorwaadbare, met
stenen aangelegde overgang door een waterloop’. Vgl. ook n-syncope in Lommels stjȩwȩx = ‘steenweg’. |
Epenthesis of invoeging van d
| Keldersweg |
| noordwaertds op van den keldersweg, 1771, Van Velsen, 61. |
| Kelders: ontstaan uit Kellers, Kelleneers door samentrekking van de laatste twee lettergrepen en door invoeging van d tussen l-r. Vgl. wouter kelleners, 1487, A. 158, 17r; wolterus fil. wolteri kellers junior, 1497, Br.R. 45048, 324v; wolteri filii gerardi dicti kelders, 1505, B.P. 1274, 51r; henrick kelders, 1614, B.B. VI, 4. |
| Scheldershof ut scellers hoff, 1487, A. 158, 28v; acker inden wymortel achter den schelders hoff, 1608, Br.K. 5138, 2v; aenden schelders hoff, 1608, Br.K. 5138, 47r. |
| Schelders < Scellarts met verdoffing van tweede lettergreep en epenthetische d tussen l-r. De pln. heeft de psn. Scelarts als eerste lid. Vgl. lamberti scelarts, 1497, Br.R. |
| 45048, 422v. Naamgeving i.v.m. lichamelijke eigenschap. Cf. Mnl. scheel, scelu: ‘scheel’(12). |
Paragoge (achtervoeging) van l
| Schommel de agro dicto scommecker, 1521, Br.R. 45055, 34v; stuck lant genaemt de schommel, 1707, H.P. 26, 369; het schommeltie, 1717, H.P. 28, 14v. |
| Schommel: verlengde vorm van schom, Mnl. schom(me): ‘onvruchtbare heidegrond(13). Vg. dezelfde achtervoeging van l in va.stəla.vənt = ‘vastenavond’ en rα.yəl = ‘regen’. |
Wisseling van consonanten
nd > ŋ
| Engerveken ad locum dictum engerveken, 1426, B.P. 1197, 153r. |
| Enger- ontstond door velarisering uit einder-, ender-; de pln. verwijst dus naar de ligging van land (?) op het Lommelse gehucht Einde. Cf. de oude en bijna verdwenen uitspraak dχŋ voor ‘Einde’ en de pln. Endels die dialectisch nog voortleeft als ȩŋəls. |
r > l
| Adelberg den aderberch, 1446, B.P. 1217, 241v; opten aerberch, 1450, Br.R. 45045, 357v; ad locum dictum den adelberch, 1505, B.P. 1274, 51r; opten aelberch, 1521, B.R. 145, 28v; op den adelbergh, 1699, H.G. 2, 57r. Het eerste deel is wel degelijk een waternaam. Vgl. Mnl. ader: ‘ader, waaruit water opwelt’(14). De watertafels van het Kempens Plateau veroorzaakten stuwing op de randen, zodat vroeger springputten, bronnen en wateraders konden worden gevormd, waarbij het water uit een glooiing of ‘berg’ wegzijpelde. |
| Vrijshorring opten wreyshorninck, 1505, B.P. 1274, 52v; inden wreyshoirinck, 1628, Br.R. 50876, 37r; inde vrys horrick, 1686, B.R. 150, 6v; inde vreyselingh, 1707, H.P. 26, 365. |
| Weinig pln. hebben in Lommel een dergelijke taalkundige slijtageslag ondergaan als deze (vroegere) gehuchtnaam, die dialectisch als ‘vresseling’ voortleeft. Hij is te verklaren door verkorting van de oorspronkelijke tweeklank (Vrijs > Vres) voor dubbele consonant, r/l-wisseling en verdoffing van o in het tweede lid. |
Een belangrijk deel van de Lommelse (Kempense) pln. wordt ingenomen door toponiemen die van psn. zijn afgeleid. Tussen de psn. (naam van de eigenaar) en de pln. (huisnaam of veldnaam) kan namelijk een hechte band ontstaan, wanneer gedurende een lange periode dezelfde psn. met dezelfde plaats verbonden blijft(15). In pln. van het type Bettevennen, Klessenswijer, Stevensvennen is de aanwezigheid van een psn. overduidelijk. In een aantal zgn. ‘versteende’ vormen is de psn. veel minder herkenbaar ten gevolge van allerlei morfologische wijzigingen. Een kleine greep uit de grote voorraad van dit soort toponiemen:
Beer
die beyer, 1429, B.P. 1200,2v; in de beyers, 1709, H.P. 27, 62; aan de beer, 1815, Van Breugel, 21.
Vgl. Willem de beyeren, 1507, B.P. 1277, 149r; peter van beijeren janss en jan aerts van beijeren beide ingesetene inden dorpe van loemel, 1558, P.C. 8.
Boei
bempt genaempt de boeije, 1662, Ha.R. 2140,I,87r; driesse genaemt de boyde, 1687, H.P. 25, 28r; in de booij,, 1844, K; ter plaatse genaamd Boei of Kavel, 1865, Alen, 93.
Pln. afgeleid van een gefamiliariseerde vn. Boye, verkorte vorm van Boudin, Boidin, met d-syncope. De naam gaat terug op een tweeledige Germaanse naam Bald-win. Cf. Henrick Boden, 1382, B.P. 1177,122; Johannes Boudenssoen junior, 1417, B.P. 1190, 321v; Johannes boyens, 1429, Br.r. 45043, 135; Buyen den tollenaer van Loemel, 1553, O. Lim. 53v.
Kebben
groes genaampt den cebben, 1737, H.P. 29, 105v; weiland genaamd den kebben, 1825, 75; weide, genaemd
keb, 1865, Alen, 80.
De vn. Keb, Kep is een voorbeeld van regressieve afleiding bij vertrouwelijke naamgeving: i.p.v. voor familiarisering een suffix toe te voegen wordt een gesuffigeerde vorm verkort door weglating van het suffix. Jacob: diminutief Keupke en daaruit regressief en augmentatief Keup. Kep is de ontronde vorm van Keup. Cf. petrus verhoeven, alias kebben, 1679, L.G. DR. 54.
Luister
een weiland genaamd de luister, 1893, Trouwers, 170. Van fn. afgeleide pln. met weglating van het tweede deel. Vgl. johannes lusterborchs, 1705, L.G. DR. 10; Gregorius...zoon van Jan Luijsterborgh, 1836, L.G.B.S.32.
Luijsterborgs: een thans in Lommel verdwenen migratienaam. De fn. is wel verspreid in het zuidelijke deel van Noord-Brabant(16)
Teundert
land genaemt den thuindert, 1815, Van Breugel, 67; akker genaamd den theundert, 1827,id. 116.
Van psn. afgeleide pln. met verdoft -aard-suffix en epenthesis van d tussen n-r. De familie Teunen was een bekend teutengeslacht in Lommel. Vgl. margriet teunen, 1693, H.G. 1, 117r; Thuntje Teunen, 1734, L.G. OR. 19.
De toponymie is een interessant toeleveringsbedrijf voor andere wetenschappen zoals o.m. de geografie. Plaatsnamen voeren ons nu eenmaal terug naar een tijd waarin de geograaf het landschap niet meer kan reconstrueren. Anderzijds is de plaatsnaamkunde schatplichtig aan de aardrijkskunde (bodemkunde) om een juiste inhoud te kunnen geven aan terreinwoorden die bij voorbeeld bodem en de oorspronkelijke begroeiing aanduiden. Verkenning van het terrein - voor zover ze vandaag nog mogelijk is - en inzicht in het bodemgebruik zijn daarom al even belangrijk als de taalkundige interpretatie van de betekenisinhoud die de toponymist achter zijn schrijftafel aan een plaatsnaam kan geven. Een beknopt overzicht van de in Lommel en in de Kempen ruim verspreide plaatsnaam Maai maakt het belang van het onderzoek van de zaak duidelijk.
Made (maat, maai) behoort etymologisch bij maaien en wordt dus algemeen geïnterpreteerd als ‘land waarvan gras gemaaid wordt, grasland, hooiland’, in tegenstelling tot de graasgronden voor het loslopende vee(17). Made, maai en maat komen zowel in Noord-Brabant als in de Antwerpse en Limburgse Kempen voor. Ook in West-Nederland is het toponiem zeer produktief geweest(18). De ruime verspreiding van maai-namen over bijna het hele nederlandstalige grondgebied en hun hoge ouderdom doen dan ook de volgende vragen rijzen. Wat is de precieze betekenisinhoud van deze pln. in de verschillende landschappen en is zijn betekenis in de loop der eeuwen niet geëvolueerd?
In Lommel (en de Kempen) moet de betekenis van maai veel ruimer worden gezien dan de door de meeste auteurs gegeven omschrijving ‘grasland dat gemaaid wordt, hooiland’. Belang-
rijk is in dit verband de opmerking van Bach(19): ‘Das Wort Matte und seine Varianten meinte in alter Zeit wohl nicht “Mahdwiese” sondern schlechthin Land das gemäht wird’. Een onderzoek van de typologie van de Lommelse (en Kempense) maainamen lijkt zijn visie te bevestigen: maai en varianten hebben in Lommel geenszins op steeds dezelfde terreingesteldheid betrekking.
pro henrico vander graft de maden, 1380, Br.R. 45040, 52v; op die may, 1394, Br.R. 45041, 133r; op die mayen, 1394, id. 148; op die maey, 1429, Br.R. 45043, 122r; in gheen maye, 1452, B.P. 1222, 214; opte maeye, 1628, Br.R. 50876, 13v; may off moervelt gelegen ter plaetse genaempt de may onder Lommel, gelegen bij de schaeps driften, 1734, H.G. 139r; moeras genaamd de maaijen, 1843, L.G. 21.
De Maai vormde eeuwenlang een uitgestrekt heide-en moerasgebied in het zuiden van Lommel tussen het gehucht Kattenbos en de 18de-eeuwse nederzetting van Kerkhoven. Op de bodemkaart van 1975(20) is het een groot gebied van venige heidegronden in de buurt van de Balengracht, die in de middeleeuwen werd gegraven voor de ontwatering. De veenlaag met minimum 30% organisch materiaal is er zeer dik en bereikt zelfs meer dan 1 m.
Het gebied bestond destijds uit 3 delen, nl. de eigenlijke Maai of Gemeentemaai, de Hoevermaai en de Overmaai.
De Gemeentemaai was blijkens de Tafel der Grondeigenaars van 1844 eigendom van de gemeente Lommel en bestond in die tijd enkel uit percelen heidegrond (18 ha 23 a 50 ca). De Hoevermaai was eigendom van de twee in Lommel gelegen abdijhoeven van Averbode en had een oppervlakte van 20 ha 60 a 30 ca. Ten slotte omvatte de Overmaai 93 percelen (merendeels moeras) met een gezamenlijke oppervlakte van 16 ha 11 a.

In totaal beslaan deze 3 maai-gebieden dus meer dan 50 ha heide-en moerasgrond. Niettemin was het areaal van woeste grond in de buurt nog veel uitgestrekter; omliggende gebieden worden immers eveneens als ‘maaien’ geattesteerd. In de ‘Tafel der Eigenaars’ worden ze genoemd naar hun respectieve ligging bij een ‘dam’ of ‘dijk’, d.w.z. een ietwat hoger gelegen toegangsweg waarlangs de boer zijn moerasperceeltje kon bereiken om de zwarte turf of ‘klot’ af te graven. Cf.
een maey of moervelt geleegen in de maey booven cattenbosch ontrent smolders damke, 1771, H.P. 32, 217r; moervelt gelegen in de may groodt een half zille aenden hgeest dam, 1717, H.G. 5, 127v; in de maeij op den crommen dam, 1784, H.P. 35, 81v; in de maey aghter cattenbosch ter plaatse genaamd den plattendam, 1784, H.P. 35, 86r; drie moerassen aan de Zillekens, Krommenhoek en Plattendam, 1896, Trouwers, 1.
De Tafel der Grondeigenaars geeft in 1844 voor deze in de buurt van de Maai gelegen moeras- en heidegronden de volgende oppervlakte:
| Aan de Drift | : moeras en heide | ; 3 ha | 93 a | 60 ca; |
| Aan Gaffeldam | : moeras en heide | ; 9 ha | 14 a | 30 ca; |
| Aan H.-Geestdam | : moeras | ; 7 ha | 86 a | 40 ca; |
| Aan Klessenswijer | : moeras en heide | ; 44 ha | 71 a | 70 ca; |
| Aan Krommedam | : moeras | ; 2 ha | 56 a | 60 ca; |
| Aan Mostdijk | : moeras | ; 3 ha | 7 a | 80 ca; |
| Aan Olmsdijkske | : moeras | ; 2 ha | 99 a | 40 ca; |
| Aan Plattedam | : moeras en heide | ; 6 ha | 90 a | 50 ca; |
| Aan Smoldersdam | : moeras | ; 4 ha | 26 a | 20 ca; |
| Kromme Hoek | : moeras | ; 4 ha | 24 a | 75 ca; |
| Zillekes | : moeras en heide | ; 9 ha | 95 a | 30 ca. |
De totale oppervlakte van deze, eveneens als ‘maai’ geattesteerde percelen bedraagt 99 ha 66 a en 15 ca. Tellen we daarbij de oppervlakte van de Gemeentemaai, Hoevermaai en Overmaai, dan beslaat het hele gebied meer dan 154 ha. Zoals
uit de kaart blijkt, is de versnippering in kleine percelen zeer opvallend. Slechts in enkele gevallen bedraagt de oppervlakte ervan meer dan 1 ha, maar in de meeste gevallen zijn de perceeltjes niet groter dan 20 a. Lommelse ingezetenen kwamen vanuit hun respectieve gehuchten (op meer dan 5 km van de Maai gelegen!) hier turven en heide maaien. Ook waren destijds vrij veel percelen eigendom van inwoners uit de buurdorpen Overpelt, Balen en Olmen. Het vee (schapen) werd uit de Maai geweerd. In haar zitting van 1 juli 1843 verbood de Lommelse gemeenteraad er de weidegang, daar dit moeras de beste ‘moer’ of ‘turf’ had. Bovendien was het onmogelijk het vee te laten weiden ‘zonder de gemeente dijken of dammen te beschadigen’(21). Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het afgelegen Maai-gebied dienen voor het halen van turf en heide, maar werd het nooit gebruikt als hooiland. Graslanden kwamen er pas in de loop van deze eeuw dankzij een betere ontwatering van het gebied. Slechts enkele drassige percelen met rietbegroeiing herinneren vandaag nog aan het vroegere landschap.
oude meij, 1738, B.L. 293; ...ook niet sullen durven ontkennen dat die van Bergeijk, Westerhoven, Borkel en Scaft, den turf hebben gestooken en naer huys gehaelt soo wel in de oude en groene maij, als in de heijde van toirkens hoek.., 1765, E. Bergeyk, 49a; marais dit: oude-maay, 1843, L.G. 20.
De Oude en Groene Maai liggen in het noorden van Lommel tegen de Nederlandse gemeente Bergeyk. Ze vormen volgens de bodemkaart(22) natte lemig-zandgronden met een duidelijke humus-of/en ijzer B horizont; de bovenlaag (heidezode) is over het algemeen veenachtig en is diep ontwikkeld. Tot in de eerste helft van deze eeuw bleven de Groene en Oude Maai heide en moeras. Eeuwenlang waren ze het voorwerp van burentwisten tussen de Lommelaren en de inwoners van Bergeyk. Slechts na 1950 werd het gebied grotendeels in bouwland en grasland gelegd.
Oude Maai duidt op een vroegere ingebruikneming van bepaalde stukken. Groene Maai daarentegen verwijst naar de begroeiing met allerlei grassen en kruiden. Bij de gemeentelijke verkoop van turf in de heide in 1819 werd uitdrukkelijk verbod opgelegd ‘de weide of groentens’ aan te raken, m.a.w. in delen die voor de weidegang van schapen dienden, mocht geen turf gestoken worden.
in de heijde alhier ontrent de soogenaemde hoge maet, 1765, H.G. 11, 116v; aan de hoge maten, 1824, Van Breugel, 57; hoogmaet heide, 1844, K.
De Hoge Maten (thans grotendeels zandwinningsgebied) waren destijds matig droge zandgronden, nat in de winter, maar uitdrogend in de zomer. Het enorme heidegebied van meer dan 606 ha vormde in het verleden de weidegrond voor schapen, o.m. van de buurtschap Adelberg. Op de kaart van Vandermaelen (1845) wordt trouwens het hele gebied ‘Adelberg Heyde’ genoemd. Door bebossing vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, door de vestiging van industrie en door de aanleg van bouwland (na 1970) is er van dit reusachtige heideareaal weinig overgebleven.
De toevoeging van het bestanddeel hoog is te verklaren door de relatief hogere ligging van deze heidegronden t.o.v. de omgeving. Maat, variant van maai, is het gevolg van een proces van morfologische reïnterpretatie, waarbij made optrad met een suffixloze nom. en als woord met t-auslaut werd aangevoeld. Nadat de herinnering aan de oorspronkelijke -d verloren ging, kon maat in de casus obliqui van het enk. en later ook nom. mate opleveren en in het mv. maten.
in de hakmeiten, 1823, Van Breugel, 45.

Tot omstreeks 1900 waren de Hakmeiten gemeentegrond, waar jaarlijks turf en ‘heikarrelen’ (bakstenen) werden verkocht. De jongere vorm meit is afgeleid van het ww. ‘meien’, dialectisch voor maaien. Het bestandddeel hak herinnert aan een typische agrarische activiteit van weleer: het loshakken of ‘vlaggen’ van gras- en heidezoden met de hakselhak of vlagzeis. De losgehakte zode (heidevlag, schad) werd dan in de zon te drogen gezet en diende vervolgens als strooisel in de potstal. Ook turfschadden werden uitgestoken om als brandstof te dienen.
op die riemaet, 1394, Br.R. 45041, 146; in loco dicto ryemaet, 1436, B.P. 1206, 194v; die rietmate, 1450, Br.R. 45045, 377v; op riemhout, 1628, Br.R. 50876, 10r; op riemet voort broeke, 1628, id. 23r; eenen beemt genaemt den riemert, 1710, H.G. 4, 135r; de riemhoudt, 1697, H.P. 25, 180v; inden riemert, 1712, H.P. 27, 239; in den riemhoek, 1839, Daels, min. 101.
Riemaat, ontwikkeld uit riet-maat met syncopering van t, is een terreinwoord waarin zich duidelijk een betekenisevolutie heeft voorgedaan. Oorspronkelijk duidde het op drassig, met riet en heide begroeid land in de Lommelse Broeken. Blijkens de bodemkaart bevat het veel minder venig materiaal dan het turfwinningsgebied van de Maai. Door afwatering via de Grote Nete is de Riemaat vanaf de 17de eeuw grasland geworden.
erfenisse op cattenbosch genaempt de meye, 1629, B.R. 147, 104r; beempt genaempt de mey dries, 1698, H.P. 26, 22; land en groes genaamd den maaidries, 1827, Van Breugel, min. 37.
De Meidriezen vormen gras- en bouwland op het gehucht Kattenbos.
aen pelsers maye, 1628, Br.R. 50876, 16r; stuck erffve gelegen int eynde genaempt die pelsersmaye, 1628, Br.R. 50876, 39r; aende pelters mey, 1691, H.P. 25, 82v; beempt genaempt de pelters maeyen, 1712, H.P. 27, 235; de pelser mey, 1733, H.P. 28, 189r; de pelters may, 1794, H.G. 18, 216r; Pelters Mei, 1844, K.
De Peltersmei was tot in de 20ste eeuw gras- en bouwland (ook nog gedeeltelijk heide) tussen de gehuchten Einde en Kattenbos. Het eerste bestanddeel verwijst naar de vroegere bezitter. Cf. Mnl. pelser: ‘bewerker van huiden, vellen of vachten’ (M.W. VI, 238) en Mnl. pilter: ‘werkman die de dierenvellen of huiden en pelzen bewerkt’ (M.W. VI, 347). Vgl. de in Lommel meermaals geattesteerde beroepsnaam: Johannes die pelser, 1429, Br.R. 45043, 130v; jan hendrick pelser, 1521, B.R. 145, 126r.
In de hierboven besproken terreinwoorden heeft made (maai, maat, meit) slechts in de laatste twee behandelde namen (Meidriezen en Peltersmei) de betekenis van ‘gemaaid grasland, hooiland’, maar verwijst het terreinwoord voor de rest naar heide- en moerasgronden. Het arbeidsterrein om te maaien was in de Kempen niet enkel het grasland voor de hooiwinning, maar ook de heide, waaronder meestal veen zat. Dit heimaaien vormde de basis van het Kempens landbouwbedrijf, dat eeuwenlang steunde op het systeem van de potstal. Afhankelijk van de kwaliteit van de heide waren voor elke ha bouwland wel 25-30 ha heiveld nodig en het duurde 10 tot 20 jaar voordat een afgeplagd veld opnieuw plagbaar was(23). De boer kon echter na het afplaggen ook overgaan tot het turfsteken. O.i. moet in deze sociaal-economische, specifiek Kempense context de pln.
Maai in de meeste besproken gevallen worden verklaard: ‘van gemaaide of geplagde heide tot uitgebaggerde moer- of turfgrond’. Dezelfde betekenis geldt trouwens voor het gebied van de Maten in Mol en Genk.
Dit beknopte overzicht van enkele belangrijke aspecten die bij de studie van plaatsnamen niet uit het oog mogen worden verloren, toont nogmaals aan hoe multidisciplinair de aanpak bij het toponymisch onderzoek van een gemeente moet zijn. Inzicht in de klankleer van het plaatselijke dialect en verkenning van het terrein - voor zover dit vandaag nog mogelijk is - zijn daarbij onontbeerlijk.
V. Mennen
| B.L. | Rijksarchief van 's-Hertogenbosch. Archief van de Leen-en Tolkamer |
| B.P. | Stadsarchief van 's-Hertogenbosch. Schepenprotocollen |
| B.R. | Rijksarchief van 's-Hertogenbosch. Archief van de Raad en Rentmeester-Generaal |
| Br.R. | Algemeen Rijksarchief van Brussel. Rekenkamer van Brabant |
| Br.K. | Algemeen Rijksarchief van Brussel. Kerkelijk Archief van Brabant |
| E.Bergeyk | Streekarchief van Zuid-Oost Brabant (Eindhoven). Archief van Bergeyk. |
| Ha.R. | Algemeen Rijksarchief van Den Haag. Rechterlijk Archief. |
| H.G. | Rijksarchief van Hasselt. Gichten. |
| H.P. | Rijksarchief van Hasselt. Protocollen van Transporten |
| K. | Dienst van het Kadaster (Hasselt) |
| L.G. | Lommel. Gemeentelijk Archief. Losse Stukken |
| L.G. BS. | Lommel. Gemeentelijk Archief. Burgerlijke Stand |
| L.G. DR. | Lommel. Gemeentelijk Archief. Doopregisters |
| L.G. OR. | Lommel. Gemeentelijk Archief. Overlijdensregisters |
| O. Lim. | Overpelt. Gemeentelijk Archief. Vermeet ende Recht der ingesetenen van Peelt op ende teghen die van Loemel (1553-1555). |
| P.C. | Abdijarchief van Postel. Charters betreffende Lommel |
| Daels | Notariaat van J. Daels |
| Trouwers | Notariaat van G. Trouwers |
| Van Breugel | Notariaat van J. Van Breugel |
| VDM. | P. Vandermaelen. Cartes topographiques de la Belgigue au 1/ 20.000. Bruxelles (1850). Kaart van Lommel 4/11 (S. III.131). Koninklijke Bibliotheek, Brussel. |