|
|
|
| |
| | | |
Naamgevingsfactoren en naamgevingstypes in het grensgebied van
de Limburgse, Antwerpse en Noordbrabantse Kempen
| |
0. Inleiding
‘Hoewel het vaststaat dat de Kempen naamkundig geen
homogeen gebied is, lijkt het thans niet verantwoord op grond van het
naamkundige materiaal grenzen of grensbundels te
situeren’, aldus Dr. J. Molemans in zijn artikel De Kempense Toponomie, eenheid in verscheidenheid1.
Nu we ongeveer een kleine tien jaar verder zijn, blijft vergelijkend
naamkundig onderzoek nog even moeilijk, daar het toponymische veldwerk in de
Limburgse Kempen wel als bijna afgesloten kan worden beschouwd, maar in de
Antwerpse Kempen - we denken hier aan de Lommelse buurgemeenten Mol en Balen - en zeker in
de Noordbrabantse Kempen nog verre van volledig is.
Ook al kadert het Lommelse namengoed in de plaatsnaamgeving van de Kempen,
toch lijkt het de moeite na te gaan in welke mate de geografie - we denken
hier in de eerste plaats aan de bodemgesteldheid - en de politieke
grensligging - hun stempel op het namengoed hebben gedrukt.
We schetsen eerst Lommel historisch en geografisch. Vervolgens bespreken we
enkele raakpunten met de Kempense toponymie. Tenslotte onderzoeken we enkele
specifieke bestanddelen van het Lommelse onomasticon.
| |
| | | |
1. Korte historisch-geografische schets
| |
1.1. De politieke grensligging
Brabants dorp in de Middeleeuwen, gelegen tegen het graafschap Loon; na
de Vrede van Münster (1648) een Hollands Generaliteitsdorp,
dat aan de Zuidelijke Nederlanden grensde2.
| |
1.2. Het landschapsbeeld
Het landschapsbeeld, dat eveneens een grenskarakter vertoont:
- ligging aan de rand van het Kempens Plateau en de Kempense Vlakte van
54 m (zuidoosten) naar 40 m (noorden) en 37 m (westen). Het centrale
gedeelte vormt een plateau dat enerzijds afdaalt naar de slenk van
Mol-Rauw en anderzijds naar de vallei van Dommel en Tongelreep;
- hoge stuifzandrug van het zuidoosten naar het noordwesten (de Lommel-se
‘Bergen’); deze welving vormt
de waterscheiding tussen Maas- en Scheldebekken;
- hydrografisch: het centrale deel van Lommel vormt een brongebied en een
bovenloopsite; het net van (kleine) waterlopen (de zgn. ‘rijten’) is er minder dicht dan elders in
dit deel van de Kempen. Toch hebben ze een belangrijke betekenis: de
oudste nederzettingen ontstonden op het zgn. ‘Hoog-Lommel’, kleine waterlopen waren er een
belangrijke nederzettingsfactor;
- kaartenmateriaal toont ten slotte de afwezigheid van loofbos en de
enorme omvang van het heideareaal tot in het midden van de vorige
eeuw.
| |
2. Raakpunten met de Kempense toponymie
| |
2.1. De Lommelse nederzettingsgeschiedenis
In tegenstelling tot de nederzettingsgeschiedenis van Haspengouw, waar
alle gronden in de Vroege Middeleeuwen tegelijkertijd werden ingenomen,
heeft de nederzettingsgeschiedenis van de Kempense dorpen eerder | | | | een dynamisch karakter. In Zuid-Limburg lag m.a.w. vanaf het
begin het aantal nederzettingen reeds vast. Al deze vroegmiddeleeuwse
kernen ontwikkelden zich tot parochies en dorpen. In de Kempen
daarentegen voltrok zich de bewoningsgeschiedenis in verschillende
fasen. De oudste laag nederzettingen is er even vroegmiddeleeuws als in
Zuid-Limburg; de concentratie is er op de zandgronden minder dicht dan
op de zuidelijke lössgronden. Vanwege de veel geringere
economische draagkracht waren er in de Kempen ook veel meer entiteiten
nodig om in het onderhoud van een pastoor te voorzien en zo een parochie
te vormen.
Ook in Lommel krijgen we een ontwikkeling in verschillende stadia:
2.1.1. Eerste woonkernen: Kattenbos, Lommel, Lutlommel,
Heuvel (vrije boeren uit de ‘villa’ van Ansfried).
2.1.2. Laatmiddeleeuws: Einde, Wijerken, Heide,
Eltenbos-Vrijshorring, Adelberg-Dodeven.
Deze 9 kernen ontstonden op het meer vruchtbare, humusrijke centrale
plateau; het zgn. ‘Hoog Lommel’.
2.1.3. 1800-1850: Kerkhoven, Barrier, Stevensvennen,
Kolonie.
Deze waren ontginningen op privé- en overheidsinitiatief.
2.1.4. 1900: Werkplaatsen, Klein Duitsland, Glasfabriek
Gehuchten die hun ontstaan te danken hebben aan de industrialisering van
de Limburgse Noorderkempen na 1900.
2.1.5. 1960: Balendijk, Hezerbergen, Kleine
Landeigendom.
Wijkinplantingen als gevolg van de demografische en economische
hoog-conjuctuur.
| |
| | | |
2.2. De aard van de oudste nederzettingsnamen
In stricte zin kunnen we de oudste laag van de Kempense
nederzettingsnamen niet als zodanig beschouwen, maar zijn het voor het
overgrote deel natuurnamen. Ze verwijzen naar de hydrografische
gesteldheid, het reliëf, de vegetatie. Deze primaire
namenlaag geeft ons dan ook een beeld van het vroegmiddeleeuwse
landschap in de Kempen.
In Haspengouw daarentegen kunnen we spreken van nederzettingsnamen in de
echte zin van het woord. Het zijn namen op -ingen,
-hoven en -heem, die we in de Kempen zeer
sporadisch aantreffen.
Laten we even de 2 oudste lagen van nederzettingsnamen onder de loupe
nemen.
| - | Lommel, Lutlommel: loofbosbegroeiing, lo-namen3 |
| - | Katttenbos, Eltenbos: bos4 |
| - | Heuvel, Adelberg: verhevenheid5 |
| - | Wijerken, Dodeven: waternamen6 |
| - | Einde: afgezonderde nederzetting7 |
| - | Heide: afgezonderde nederzetting8 |
| - | Vrijshorring: samenstelling van horring = hoek + persoonsnaam.9 |
Zeer gering in aantal zijn daarentegen in de Kempen de volwaardige
nederzettingsnamen met:
| - | een psn. als eerste lid (uitgang -ingen): Beringen, Gerdingen,
Kuringen, Geistingen |
| - | een bestanddeel als tweede lid dat op bewoning wijst:
| - | heem: Zelem, Boorsem, Stokkem, Rotem,
Ellikom, Erpekom, Zelm, Millegem |
| - | hoven: Veldhoven (Bocholt), Veldhoven
(Eindhoven), Riethoven |
|
Volwaardige nederzettingsnamen komen m.a.w. in het westelijke deel van
het Kempens Plateau niet voor. Dit wijst op een aanvankelijke
pleksgewijze bewoning, in tegenstelling tot een meer geconcentreerde
bewoning in Haspengouw10.
| |
| | | |
2.3. De grote rol van de persoonsnaam in de plaatsnaamgeving
Opvallend is in de Kempense landbouw de grote rol die de
eigengeërfde boer vanaf de Middeleeuwen heeft gespeeld. Dit
is in Lommel eveneens het geval geweest.
Plaatselijke boeren verwierven tegen een jaarlijkse cijns woeste grond
(de zgn. ‘uitvangen’) van de
hertog van Brabant. Anderzijds zullen ook de Noordbrabantse familie
Spierinc en de abdij van Averbode tegen een jaarlijkse, eeuwigdurende
cijns aan de Lommelaren gronden overmaken.
Door de afwezigheid van adellijke families die het landbouwareaal
monopoliseerden, geraakten en bleven ook de gronden in handen van lokale
ontginners. Dit verschijnsel heeft zijn invloed gehad op de naamgeving.
Bezitsaffirmatie is m.a.w. in de Kempen en in Lommel een belangrijke
naamgevingsfactor geweest.
716 pln. van het hele bestand van 2572 toponiemen bevatten een psn. (vn.,
fn., beroepsnaam, bijnaam), wat 28% betekent:
| - | 604 pln. (23,5%):
| * | Persoonsnaam + appellatief:
| 1. | Voornaam: Bettevennen, Bastensland,
Miekesveld |
| 2. | Familienaam: Hanegreefsakker,
Knapenhoef, Hammensland |
| 3. | Voornaam + familienaam: Jan Jorisakker, Peter Muijserf, Jakob
Engelenveld |
|
| * | Beroepsnaam (of titel) + appellatief: |
| - | Officiersakker, Secretarisakker,
Teppersland |
|
| - | 112 pln. (4,5%) behoort tot het type pln. gevormd door het
bepaald lidwoord + persoonsnaam, die dikwijls bij de
vorming tot toponiem en vormwijzijging onderging:
| - | Van voornaam afgeleid
De Lindert, De Mette, Den Har, De
Katrienekes |
| - | Van beroepsnaam of titel
Den Baron, Den Koopman, De Schutter, De Venger,
De Voerman(sakker) |
| - | Van bijnaam
Den Duitsen, de Waaltjes |
|
| | | |
|
| - | Van familienaam (met of zonder lidwoord)
Maltes (Maltus), Van Leemput, Kerkhoven, De
Boei, Den Bommel, De Luister, De Pereboom, De Rom, Den
Teundert |
| - | Van familienaam + voornaam
Rooien Hannes (Van Roy Johannes), Bellemans
Mieken (Maria Bellemans) |
|
Opvallend is het feit dat de associatie tussen plaats en persoon
hoofdzakelijk voor veldnamen heeft gewerkt en niet voor boerderijnamen.
Deze soort van naamgeving treffen we daarentegen vrij veel in het Oosten
van de Limburgse Kempen aan, vooral in kleine gemeenten.
| Kaulille: 36 - Kleine Brogel: 21 - Neerpelt: 13 - Overpelt: 4 |
| Cf. Kaulille: Hendrijck Bierkens, 1590; Een
boereplaats genaemd de Bierkens, 186411. |
Het is hier niet duidelijk of dit naamgevingstype gemakkelijker in een
klein agrarisch milieu ontstaat dan wel of hier de eeuwenlange band
tussen boerderij en eenzelfde familie heeft gespeeld. Mogelijk was de
demografische mobiliteit in Lommel na 1600 groter dan elders in de
Limburgse Kempen (omvang van de Teutenhandel, toenemende immigratie op
het einde van de 18de eeuw en begin van de 19de eeuw).
| |
2.4. De naamgeving van de woeste gronden en het cultuurland
- Woeste gronden
Het in de Limburgse Kempen zeer verspreide VROENTE komt in Lommel enkel
als appellatief voor. In Overpelt daarentegen
verschijnt het massaal als toponiem (afgeleid van Mnl. ‘vroon’ = ‘heerlijk,
van de heer’; vandaar: ‘heidegrond in gemeenschappelijk gebruik’12.
Cf. de vroent tot Loemel, 133113.
Ook AARD komt in Lommel weinig voor, maar dit woord is dan weer sterk
verspreid in de Antwerpse Kempen.
Cf. vicini de fine vande arde, 134014.
| | | |
Veelvuldig daarentegen geattesteerd is in Lommel GEMEENTE, dat zich het
best heeft doorgezet in Noord-Brabant.
Cf. op de heyde en (de) gemeynte van Loemel,
147015.
Als laatste verwijzing naar de gemeenschappelijke heidegronden is er
natuurlijk heide, dat na 1600 de meest gangbare benaming is geworden.
Cf. neue(n) tsant ter ghemeyne heyden waert,
139716.
- Bouwland
In het centrale gedeelte van de Kempen is akker de meest gangbare
benaming voor het bouwland. Het verwijst aanvankelijk naar het
gemeenschappelijk bouwland van een nederzetting. Op dit
gemeenschappelijk ontginningskarakter duidt nog de volgende attestatie:
in parochia de loemel in communibus agris,
150717.
In Lommel verwijzen dus de oude akker-toponiemen naar grote blokken
cultuurland bij de oudste nederzettingen (m.a.w. in Hoog-Lommel). Het
vormt een open akkercomplex bestaande uit drie delen:
Vaarakker - Mudakker - Zeptakker
Vanaf de Late Middeleeuwen krijgt ‘akker’ de secundaire betekenis van ‘perceel akkerland’.
Interessant voor de grenspositie die Lommel inneemt is de benaming van de
omheinde particuliere percelen akkerland, die na de Middeleeuwen zijn
ontstaan en onttrokken werden aan de ‘gemeynt’ of gemeenschappelijke heide. Vanwege hun
privé-ontginningskarakter werden deze percelen omsloten met
een gracht, langs beide zijden begroeid met eiken hakhout, dat als
brandstof en als bescherming tegen stuifzand diende.
| - | KAMP: zeer verspreid in het oostelijk deel van de Limburgse
Kempen, in mindere mate in Noord-Brabant, als appellatief slechts
eenmaal geattesteerd in Lommel. In de Antwerpse Kempen komt het niet
voor18. |
| - | LOOK: komt vrij veel voor in het westelijk deel van de Limburgse
Kempen, zeer verspreid in Lommel (40 maal): Look (12 maal) |
| - | Leuken (26 maal) - Leukske (2 maal)19. |
| | | |
| - | BLOKSKE: 3 maal als simplex. Blook is verder vooral verspreid in
Midden-Limburg20. |
| - | BOCHT: nomen afgeleid van ww. (cf. het Ndl. ‘buigen’); van daar ‘buiging’, ‘gebogen vorm van omheining’, ‘omheining’. In de landbouwtaal met de
volgende betekenissen: ‘afgesloten ruimte
voor schapen en zwijnen, een met staketsel omheinde ruimte,
huisweide of akker’. In de toponymie van
Brabant zeer verspreid als aanduiding van ‘een door heggen en aarden wal afgepaald stuk
land’. Cf. attestaties in Lommel:
| - | ‘het aangelag genaamd den dries
of hoenderbocht’ 179421. |
| - | ‘...den selven bocht plach
rontsomme wel in houtgraften staende omheympt te syn die
nu vervallen syn...’ 161122. Dat
het het in de toponymie vooral gaat om particuliere
ontginningen in de heide, blijkt uit: |
| - | ‘bocht genoemt het
heijken’23. In Lommel: 3
maal als plaatsnaam; in het Naamkundig
Repertorium in Limburg in Maaseik en Lummen24. Bocht is
echter vooral verspreid in de prov. Antwerpen en
Noord-Brabant: in Bergeyk (bij
Eindhoven) vormen de
bocht-namen 10% van het hele namenbestand25. |
|
| |
3. Karakteristieke bestanddelen in de Lommelse plaatsnamen
| |
3.1. De aanduiding van de lokale bestuurseenheid: zavel
De meest gangbare benaming in de Kempense zanddorpen voor de lokale
entiteiten waren ‘gehucht’, in
mindere mate ‘rot’ of
‘hoek’.
Als aanduiding van de lokale nederzettingen die Lommel op het einde van
de Middeleeuwen kende, kwam naast ‘gehucht’ vooral het woord ‘zavel’ voor.
Cf. door het zaevel van luttelommel, 1770
het zaevel van den huevel, 1770
het zavel van de vrijshoring, 1785
| | | |
onder het zavel van het eijnde, 1785
het zaevel van de heijde, 1785
het zavel van cattenbosch, 1785
in de Hees onder 't savel vant dorp, 1789
het savel vanden adelberg en hoven, 178926.
Hoe is dit ietwat bevreemdende appellatief voor die lokale kernen te
verklaren? ‘Zavel’ en
‘zand’ zijn de gewone
benamingen voor de voor de Kempen zo typische zandvlakte met de witte en
gele kwartszanden. Uit de oorspronkelijke bet. van zand heeft zich - en
dit enkel in Lommel - die van ‘buurtschap,
woonkern, gehucht’ ontwikkeld. De (Hollandse)
dorpssecretaris laat hierover in 1770 geen twijfel bestaan:
‘... het savel dat zijn de inwoonders van haar
gehugt’27. Deze betekenisuitbreiding is vanwege de
plaatselijke fysisch-geografische omstandigheden gemakkelijk te
begrijpen. Geregeld moest immers de strijd worden aangebonden tegen
zandverstuivingen, die door het onoordeelkundige plaggen van de heide
het akkerland teisterden. Echo's hierover vangen we op bij de
Noordbrabantse geschiedschrijver Ackersdijk (1808):
‘... gelijk de Meijerijsche dorpen in rotten en
herdgangen verdeeld zijn, en over dezelfde rotmeesters gesteld, zoo
noemt men te Lommel die afbeeldingen Zavels en de hoofden derzelven
Zavelmeesters, een benaaming, welke haar oorsprong schuldig schijnt
te zijn aan een oude gewoonte, te weeten: het vervliegen der
zandbergen in de heide bracht dikwijls aan bouw- en weilanden groote
schade toe, en midsdien, wanneer er zandbergen in de heide los en
aan het verstuiven raakten, kwamen de luiden van 't naburig rot,
of 't geen aan de beurt lag, te zaam, en stelden middelen, om zulks
te beletten, in 't werk, 't geen de naam had van zand of zavel
stoppen, en hier van werd de rotmeester, die daar over het opzigt
had, zavelmeester en zijn rot het zavel
genoemd...’28
| |
3.2. Uitvang
Deze plaatsnaam moeten we situeren in de laatmiddeleeuwse
sociaal-economische geschiedenis van de Kempen, en meer bepaald van de
Antwerpse Kempen, waarbij Lommel eveneens aansluit.
| | | |
Het woord ‘uitvang’ heeft
betrekking op de privatisering van de woeste gronden. Toen in de loop
van de 13de en de 14de eeuw de Brabantse hertogen de heide aan de dorpen
uitgaven, konden deze hieruit stukken woeste grond aan de plaatselijke
boeren verkopen. Hiervoor moest jaarlijks echter aan de hertog een
grondcijns worden betaald. De hele administratie die met deze
inbezitneming gepaard ging, kunnen we in Lommel volgen in de cijnsboeken
vanaf 1340. De grootste landhonger deed zich blijkbaar in de 15de eeuw
voor.
Deze geprivatiseerde percelen werden in Lommel steeds met het appellatief
‘uitvang’ aangeduid; het woord
is daarna als toponiem versteend geraakt en als dusdanig nog bekend in
de volksmond.
Betekenis:
Mnl. ute - vaen: ‘buiten’
(het bereik) - vaen ‘vangen’. Dus:
‘wat buiten het bereik van het individu
ligt’, grond van de gemeenschap’. Later: de
benaming van de percelen die privaat bezit werden. Cf. Helsen:
‘stuk grond van beperkte uitgestrektheid,
gelegen meestal voor huizen, dat van gemeentegrond in privaat
gebruik is overgegaan om er een schob, schuur of stal op te
timmeren, druivelaars op te kweeken of er boomen te plaatsen,
waarvoor particulieren dan nog lang een cijns moeten
opbrengen’29
Lokalisering:
Helsen situeert de geprivatiseerde uitvangen als bij de woning
gelegen percelen, wat o.m. uit volgende attestatie blijkt in
Lommel: ‘... de utevanc ante domum
suum’, 134030.
In Lommel werden echter veel meer uitvangen uitgegeven die op een grote
afstand van de nederzetting lagen:
| - | de 25 virgate wtfang...sit. ad locum dictum aen
geen loeck, 1497; |
| - | de 50 virgate vutfang ... biden hogen cattenbosch
aenden gheerkens poell, 1497; |
| - | de tribus partibus uni bonar. utfangs ... ad locum
dictum die rietmate, 1497. |
| | | |
Het gaat hier dus telkens om percelen uit een groot complex uitgegeven,
dat zeer ver van de bestaande gehuchten lag.
De 2 belangrijkste complexen in Lommel: Wijerkense Uitvang (32 ha) en
Eltenbosser Uitvang (17 ha).
In de Noordbrabantse Kempen komt ‘uitvang’ geïsoleerd voor. Verwant met het
Brabantse ‘uitvang’ is het in de
Limburgse Kempen zeer verspreide ‘vurrit’, afgeleid uit Mnl. ‘vorehovet, voorhoot’ met verdoffing van het 2de lid
en palatalisering van o. ‘Vurrit’
betekent dus letterlijk ‘wat voor de boerenwoning
(tegen de straat) ligt’.
| |
3.3. Maai - maat
Een toponiem met voor Lommel een wel zeer
specifieke betekenisinhoud.
Maai, maat horen bij het ww. maaien
en worden dus algemeen geïnterpreteerd als ‘land waarvan gras gemaaid wordt, grasland,
hooiland’.
Made, maai, maat komen zeer verspreid in de Kempen voor
en krijgen overal de betekenis van ‘grasland dat
gemaaid wordt’.
In Lommel - en o.i. ook elders - moet echter de betekenis veel ruimer
gezien worden als deze die door de meeste auteurs wordt opgegeven.
Betekenisvol is wat A. Bach hierover zegt: ‘Das
Wort Matte und seine Varianten meinte in alter Zeit wohl nicht
‘Mahdwiese’ sondern schlechthin ‘Land das
gemäht wird’31
Deze visie blijkt in heel wat gevallen in Lommel te kloppen. De meeste
maai-toponiemen zijn inderdaad te situeren in gebieden waarvan de
terreingesteldheid (bodem, begroeiing) in het verleden op alles behalve
hooiland duidt.
Attestaties:
| - | beempt genaempt de pelters maeyen, 171232; |
| - | ...dat hij over lange jaren heeft heij staan meijen
ontrent de groene maij, 176533; |
| - | een sille en vyfftig moerlants gelegen opde
maye, 162834; |
| | | |
| - | may of moervelt gelegen ter plaetse genaempt de may
onder lommel, 173435; |
| - | heyde bekent onder de naam van overmaai,
183636 |
Enkel in het eerste geval heeft maai betrekking op hooiland. In alle
andere gevallen worden hiermee natte heigronden aangeduid.
Verspreidingsgebied van de Lommelse Maaien:
| - | Gemeentemaai - Hoevermaai - Overmaai: 154 ha met hierin
honderden perceeltjes heide en moerasgrond; de veenlaag gaat zeer
diep; op sommige plaatsen tot 125 cm. |
| - | Oude Maai - Groene Maai: een gedeelte van de vroegere Heuvelse
Heide, waarop zowel Bergeyk als Lommel aanspraak maakten. |
| - | Hoge Maat: 604 ha! |
| - | Hakmeiten: in verband te brengen met het loshakken of
‘vlaggen’ van heidezoden
met de hakselhak. |
De Lommelse maaien waren dus op de eerste plaats heidegebieden die hun
betekenis hadden voor de plaatselijke potstaleconomie.
| |
3.4. Dam
Dam betekent zoveel als ‘verhoogd voetpad langs
het water’. Als toponiem daarom zeer verspreid in
Nederland, maar het komt zelden in de Kempen voor. Een dam is er te
onderscheiden van een dijk, die ‘een
verbindingsweg tussen dorpen of gehuchten door de hoge
heidegronden’ vormt37.
In Lommel krijgt dam de betekenis van een ‘opgehoogde weg met een breedte van ongeveer 3 meter door een
moerassig gebied’.
Het woord heeft dus een zeer specifieke betekenisinhoud. Opvallend is het
feit dat het toponiem ‘dam’ enkel
voorkomt in het zuiden van de gemeente, in het gebied van de
Gemeentemaai, Hoevermaai en Overmaai.
De oorspronkelijke betekenis blijkt nog uit:
‘een moervelt gelegen in de maye
reenende deen zyde aen seecker damme oft vaerwech
aldaer’, 162838
| | | |
Het eerste lid verwijst
| - | naar aard en ligging: Gaffeldam, Halve Dam, Hoog Damke, Korte
Dam, Kromme Dam, Plattedam; |
| - | naar aanpalende eigenaar: Armendam (Armenbestuur), Klessensdam,
Olmsdamke, Smoldersdam. |
| |
3.5. Klachtloop
De meest gewone benaming voor een kleine waterloop zijn in Lommel en in
de hele Kempen ‘loop, beek, rijt,
vliet...’.
Klachtloop komt blijkbaar als waternaam in de hele
Kempen en in het stroomgebied tussen Dijle en Nete voor. Het is evenmin
terug te vinden in het Naamkundig Repertorium. Ook in
Noord-Brabant blijft het achterwege.
In Lommel verwijst het naar 4 kleine waterlopen, die nochtans van
levensbelang waren voor de ontwikkeling van enkele nederzettingen:
| - | akker genaamd den berg of haagdoorn gelegen aan de
heide, ten zuiden den klagtloop, 1822 (Hondshoevenloop); |
| - | akker, genaamd den Zeptakker, ten zuiden
klagtloop, 1822 (Einderloop); |
| - | noord den klagtloop, 1817 (Elzenloop); |
| - | Klag Loop, 1845 (Hezerloop)39 |
De betekenis van het eerste deel moet in de juridische taalsfeer worden
gezocht en staat in verband met het onderhoud van de beken en met de
inspectie hierop door de dorpsoverheid. Dit onderhoud was ten laste van
de aangrenzende perceelseigenaar of ‘boordeigenaar’. Hierbij konden er klachten of
grieven rijzen, wanneer het onderhoud van de waterloop te wensen
overliet. In het archief van de Noordbrabantse buurgemeente Bergeyk
treffen we nl. stukken aan ‘betreffende klachten
over en maatregelen ter verbetering van de waterlossing van rivieren
in en om Bergeijk’40.
Ook in Lommel werden ingezetenen die hun deel van de waterloop niet
reinigden, door de andere bewoners van de buurtschap beboet. Dit
gebeurde door het zgn. ‘uitpanden’, d.w.z. door het wegnemen van een | | | | belangrijk onderdeel van de huisraad, o.m. de koeketel. Cf.
‘....alle de comparanten verklaren dat de
gesamentlijke Rotsgesellen steven driesmans daar op hebben gepand
volgens het oud gebruijk met een koeijketel uijt sijn huijs te
nemen...’41
Tot voor de Tweede Wereldoorlog stond in Lommel de veldwachter in voor de
inspectie of de ‘schouw’ van de
waterlopen. Aan Klachtloop moet dus dezelfde inhoud gegeven worden als
het meer verspreid voorkomende ‘Schouwloop’.
| |
3.6. Stee
Stee is de verkorte vorm van Mnl. hofstede, hofstat en is in Vlaanderen een algemeen gangbare
benaming voor ‘grond waarop een hof met
bijgebouwen (schuur, stallen) staat’, bij uitbreiding ook ‘de boerenwoning, de boerderij’ (M.W. III, 501-502).
In de Kempen is de primaire bet. ‘een stuk
land’. Cf. de volgende attestaties voor Lommel:
| - | pecia terre dye hofstat, 1442; |
| - | stuck lants opde cattenbosch genoempt de
hoffstadt, 1629; |
| - | perceel land gelegen alhier op den eltenbosch
genaamd de steede, 179642. |
In Lommel moet de stee beschouwd worden als de
nederzettingsvorm bij uitstek. Het hart van elke middeleeuwse woonkern
of buurtschap vormden enkele boerderijen langs de straat, rond een open
ruimte of een min of meer driehoekig plein. Het eerste stadium was, na
de bouw van de woning, de ontginning van de bij de boerderij gelegen
dekzandgronden. Het eerste in gebruik genomen akkerland waren opvallend
grote blokvormige percelen van 1 tot 2 ha. Van een systematische
indeling hoefde er in dit stadium van de nederzettingsgeschiedenis nog
geen sprake te zijn en dit vanwege het enorme potentieel aan
akkerareaal. De tweede ontginningsfase kwam tot stand met akkers die
veel verder van de woning verwijderd lagen en waarbij de stroken nog
woeste grond veel nauwkeuriger werden afgebakend. Hierdoor ontstond het
Kempense type van de langrepelakker, in Lommel doorgaans aangeduid met
pln. Lange Voren.
| | | |
Stee slaat dus op grote percelen akkerland,
onmiddellijk achter het aangelag en de tuin gelegen. Het wordt ook
steeds met het intern-lokaliserende voorzetsel ‘in’ verbonden, in tegenstelling tot akker, dat naast
‘in’ ook aan het isolatieve
‘op’ wordt gekoppeld.
In Lommel hebben we 78 stee-toponiemen (simplex) kunnen
lokaliseren. Ook in Noord-Brabant komt het vrij veel voor. In de
Limburgse Kempen daarentegen veel minder (wel de door syncope uit
‘hofstee’ ontstane vorm
‘hostie’). Daar zijn echter
‘huisveld, huisblok en
huiskamp’ de meest gangbare benamingen voor de achter de
boerderij gelegen percelen akkerland.
| |
3.7. Veldnaam afgeleid van voornaam met vooropgeplaatste
collectiefhaam
We beëindigen dit lang niet exhaustieve overzicht met een
interessant naamgevingstype, dat elders zelden (nog) wordt aangetroffen
en dat in Lommel in de persoonsnaamgeving (toenamen) in heel wat
relictvormen is bewaard gebleven. Het betreft enkele veldnamen, afgeleid
van een voornaam met vooropgeplaatste gegenitiveerde collectiefnaam.
Enkele gevallen in de plaatsnaamgeving
| - | weiland gelegen in de leuken genaamd de leuk van Linsengond, 1851; |
| - | een perceel bouwland genaamd veld van louwkens
mieke, 1851; |
| - | weiland gelegen in de leuken genaamd danensgriet, 1851; |
| - | stuck lant gelegen in de acker genaemt Ploegh Jaens
stede, 1708; |
| - | bouwland genaamd Pruikhein, 185843. |
In alle gevallen bestaat de pln. uit een vn. als tweede lid, voorafgegaan
door fn., andere vn., huisnaam, of beroepsbijnaam.
In de persoonsnaamgeving kwam dit patroon met vooropplaatsing zeer
verspreid voor:
| - | Jan Oijen alias Esel Jan, 1719; |
| - | Francis Jansen, alias moesel sus, 1788; |
| - | bouwland gelegen in het ven, afkomstig van patersjan, 185644. |
| | | |
Dit naamgevingstype is enkel mogelijk, wanneer tussen de beide delen van
de toenaam nog een duidelijk gevoelde relatie bestaat. Deze relatie
slaat op de afkomst, de woning of de activiteit die men ontplooit.
- Afkomst: VOORNAAM + VOORNAAM
| - | Beikesdriekske: Beike (dim. van Beije, ontronde
vorm van Boije (Boidin, Boudin) + Driek (Hendrik) |
| - | Doreskesgon: Theodoor en Aldegonde |
| - | Kebbespeer: Keb, ontronding van Kup (Jacob) en
Petrus |
| - | Kupkesgriet: dim. van Jacob en Margriet |
| - | Heldestee: Held (Hildebrand) en vn.
Theodora |
- Afkomst: FAMILIENAAM + VOORNAAM
| - | Dekkersmus: fn. Dekkers + vn.
Anselmus |
| - | Koksesjaantje: fn. Cox + vn.
Adriaan |
| - | Kuilderstes: fn. Cuylaers + vn.
Matthijs |
| - | Poortersheintje: fn. Poorters + vn.
Hendrik |
- Herkomst: (WONING, PLAATS) + VOORNAAM
| - | Hutmie: hut = ‘schamele
woning’ + vn. |
| - | Kruiskesmie: herbergnaam (‘Het Kruiske’) + vn. |
| - | Schansjan: woonplaats, bij schans gelegen |
| - | Sleutelpeer: herbergnaam ‘De Sleutel’ |
- Beroep: BEROEPSBIJNAAM + VOORNAAM
| - | Bessemlies: beroep van familie; moeder was
bezembindster |
| - | Kalverpeer: beroep van veehandelaar |
| - | Kuipersdriek: beroep van tonnenmaker |
| - | Kiezelkees: beroep (vervoer van grind voor de
aanleg van kiezel-wegen) |
| - | Pekdrieske: pek: zwarte, kleverige stof
waarmee garen van schoenmakers werd bestreken |
| - | Potsus: handelaar in
‘potten’ of aardewerk: cf. 19de-eeuwse
bevolkingsregisters, met vermelding van het beroep van
‘pottenkruyer’ |
| - | Smaatkoob: smaat = smout; smout- of olieslager |
| - | Voddefrans: opkoper van lompen |
| | | |
- Verdwijning van het nominale patroon met vooropplaatsing
In alle gevallen verwijst de verbinding met vooropplaatsing naar een
overleden generatie van autochtone Lommelaren.
De vooropplaatsing met vn. of bijnaam is in de jongste decennia vervangen
door een verbinding, al of niet met het vz. ‘van’. Cf.
| oude generatie |
jonge generatie |
| Beikesdriekske |
Suska van Beike |
| Boerkesjanneke |
Harrie van Boerke |
| Bokjaan |
Fons van den Bok |
| Kruiskesmie |
Mie van het Kruiske |
| Kuipersdriek |
Jef van de Kuiper |
| Nollekestrien |
Trien van Nollen |
| Pekdrieske |
Dolf van de Pek |
| Sleutellies |
Fons van de Sleutel |
| Voddefrans |
Anna Vod, Anna van de Vod |
| |
4. Besluit
Het zou vergezocht zijn het Lommelse naamkundige materiaal een
eiland-karakter te geven. Een aantal plaatsnamen blijken een specifiek
Lommels karakter te hebben (Klachtloop, Zavel); andere
komen elders voor, maar hebben in Lommel hun eigen betekenisinhoud (Maai, Stee, Uitvang, Dam). Ook de persoonsnaamgeving met
vooropplaatsing lijkt een sterk relictkarakter te hebben. In elk geval wordt
hiermee de waarde van een monografische studie nog maar eens onderstreept,
omdat met kleinschalig onderzoek de ‘naam’ veel beter vanuit verscheidene, ook niet-taalkundige
invalshoeken aan de ‘zaak’ kan worden
gekoppeld. Hopelijk komt het plaatsnaamkundig onderzoek, vooral in
Noord-Brabant, wat meer van de grond. Enkel in dit laatste geval zal een
vergelijkende studie voor de hele Kempense regio een echt wetenschappelijke
onderbouw kunnen krijgen.
Victor MENNEN | |
| | | |
Afkortingen van gebruikte archieffondsen:
| - | A.A.A.: Archief van de abdij van Averbode. |
| - | B.P.: Stadsarchief van 's-Hertogenbosch, Bossche Protocollen. |
| - | B.R.: Rijksarchief van Noord-Brabant ('s-Hertogenbosch). Archief van de
Raad en Rentmeester-Generaal. |
| - | P.: Archief van de abdij van Postel. Bundel Lemmel. |
| - | Br.R.: Rijksarchief van Brussel. Rekenkamer van Brabant. |
| - | Br.K.: Rijksarchief van Brussel. Kerkelijk archief. |
| - | H.G.: Rijksarchief van Hasselt. Gichten. |
| - | H.P.: Rijksarchief van Hasselt. Protocollen van Transporten. |
| - | E.: Streekarchief van Zuid-Oost Brabant (Eindhoven). Archief van
Bergeyk. |
|
1Verschenen in Mededelingen van de Vereniging
voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, nr. 25, 1985, 175.
2Zie
KNAEPEN R. (1990) Het geografisch profiel van
Lommel. In: Door het zand getekend. Bijdragen over
landschap en verleden van de Kempense grensgemeente Lommel.
Lommel, 2-3.
3Cf. de oudste vormen van de namen Lommel ( Lummele, A.A.A. Sectie I, charter 106, anno
1227) en Lutlommel ( Luttellumele, A.A.A.
Sectie I, charter 403, anno 1293).
4Vgl. johan van den cattenbossche, P., charter 3,
anno 1346; aen gheen elten bosch, Br.R., nr.
45043, f. 135r, anno 1429.
5Vgl. opte(n) ayerberch, B.P., nr. 1211, f. 84r,
anno 1441; vanden houel, Br.R., nr. 45038, f.
54r, anno 1340.
6Vgl. aen gheen dode ven(n)e, Br.R., nr. 45043, f.
135r, anno 1429; aen gheen widerken, id., anno
1429.
7Vgl. in pascua(m) dicta(m) tghene(n) eynde, B.P.,
nr. 1197, f. 153r, anno 1426.
8Vgl. aen gheen heyde, B.P., nr. 1209, f. 220, anno
1439.
9Vgl. opten wreyshorninck, B.P.,
nr. 1274, f. 52v, anno 1505.
10Dit wordt onder meer
bevestigd door het in de Noordbrabantse Kempen gedane onderzoek van
F. Theuws uit Bergeyk.
11Zie hiervoor het artikel van MOLEMANS J. (1970) Van persoonsnaam naar toponiem. In: Naamkunde, nr. 2, 192-207.
12Zie VERDAM (1932) Middelnederlandsch
Handwoordenboek. 's Gravenhage, IX, 1412.
13Br. K., nr. 5020, f. 85, anno 1331.
14Br.R., nr. 45038, f. 56r, anno 1340.
15Br.K., nr. 5074, f. 10r, anno 1470
(copie dd. 1604).
16A.A.A. Sectie I, charter 1118, anno
1397.
17B.P., nr. 1277, f. 149r, anno
1507.
18Zie hiervoor het artikel van
MOLEMANS J. (1970) Kamp en look in een
menggebied. In: Naamkunde, nr. 2,
13-33.
19Cf.
MENNEN V. (1987) Toponymie van de vrijheid
Lommel, Onuitgegeven doctorale dissertatie, Leuven.
20Cf. MOLEMANS J. (1970)
Kamp en look in een menggebied. In: Naamkunde, nr. 2.
21H.P., nr. 38, f. 19r, anno 1794.
22A.A.A., Lias 70, anno 1611
23B.R.,
nr. 148, f. 74v, anno 1662.
24MENNEN V. (1987) o.c., Glossarium, 90-91.
25Vriendelijk meegedeeld door dhr.
Daniël Van Gheluwe, die het Bergeykse
toponymische materiaal heeft
geïnventariseerd.
26Bronnen: notariaat A. Van Velsen, annno 1770, minuut 43;
H.G., nr. 16, f. 33v, anno 1785; H.G., nr. 17, f. 64v, anno
1789.
27H.G., nr. 12, f. 78r,
anno 1770.
28ACKERSDIJCK W.C.
(1807) Korte beschrijving van het dorp Loemel en
deszelfs omtrek. Nijmegen, 15-16.
29HELSEN J. (1935)
Rond het woord uitvang. In: Mededelingen, uitg. door de Vla. Top. Ver. te Leuven,
Bijlage 6, 5.
30Br.R., nr. 45038, f.
55v, anno 1340.
31BACH
A. (1953) Deutsche Namenkunde, II, 1-2. Die deutschen Ortsnamen, Heidelberg, 378.
32H.P., nr. 27, f. 235, anno 1712.
33E.
Archief van Bergeyk, 49a, anno 1765.
34Br.R., nr. 50876, f. 25r,
anno 1628.
35H.G., nr. 7, f.
139r, anno 1734.
36Notariaat van Breugel, anno 1836,
minuut 15.
37Slechts korte
stroken van deze vroegere toegangswegen zijn in de Maai van
Kerkhoven nog bewaard gebleven.
38Br.R., nr. 50876,
f. 38r, anno 1628.
39Notariaat Van Breugel, anno 1822, min. 44; id., anno
1822 min. 61; Lommel, Gemeentelijk Archief, reg. 2, f. 112v,
anno 1817; Lommel, Gemeentelijk Archief, Buurtwegenatlas,
1845.
40E. Archief
van Bergeyk, nr. 1752.
41H.G., nr. 18, f.
26r-27r, anno 1788.
42B.P., nr.
1211, f. 204v, anno 1442; B.R., nr. 147, f. 108v, anno 1629;
H.G., nr. 19, f. 13v, anno 1796.
43Notariaat Daels, anno 1851, min. 20; id., anno 1851,
min. 111; id., anno 1851, min. 20; H.P., nr. 27, f. 28, anno
1708.
44B.R., nr. 151, f.
114r, anno 1719; H.G., nr. 17, f. 24v, anno 1788; Notariaat
Alen, anno 1856, min. 96.
|
|