|
|
|
| |
| | | |
Straatnaamgeving in Vlaanderen en Nederland
| |
0.
Straatnamen genieten nog altijd een bijzondere belangstelling van degene die
zich met de studie van de plaatselijke geschiedenis, volkskunde of geografie
bezighoudt. De middeleeuwse, voor de leek meestal onherkenbare namen van
pleinen, stegen en straten zijn voor historicus en geograaf in vele gevallen
belangrijke bronnen voor het kleinschalige onderzoek van het verleden, de
levensgewoonten in een stad of het fysische landschap van een dorp. Het
volstaat in dit verband te verwijzen naar het artikel van P.J. MEERTENS(1) evenals naar de vele
naamkundig-historische studies die van het ouder straatnamen-arsenaal in
Noord en Zuid verschenen zijn.
Strikt genomen kunnen we in de Middeleeuwen natuurlijk niet spreken van
straatnaamgeving, wanneer men daaronder de moderne methode van
straatnaamgeving verstaat. Middeleeuwse straatnamen werden immers niet
‘gegeven’, maar ontstonden als vanzelf. Zo is de
Jodenstraat (Maastricht, in 1295: ‘vicus Judaeorum’)
reeds een mogelijke verwijzing naar een jodenghetto in de stad en dit reeds
vóór de 14de eeuw. De Steenstraat (Venlo) duidt, zoals
op zovele plaatsen, op de eerste straat van de stad die met stenen belegd
is. In de oude straatnamen vinden we dus geen andere systematiek dan die van
het oorzakelijke en logische verband tussen straat en naam. Aan straten gaf
de spraakmakende gemeente pas dan een naam, wanneer ze daaraan behoefte had.
In de alleroudste laag straatnamen vinden we nog niet de soortnaam van het
begrip terug, dat we vandaag ‘straat’ noemen. Cf. Achter
Sint-Jan (Maastricht, 1350). Ook vandaag is deze vorm van straatnaamgeving
nog zeer levendig in Maastricht: Aan de Dellinge, Aan de Dom, Aan de Maas,
Achter de Comedie, Achter het Vleeshuis ... De toevoeging van de soortnaam
gebeurde pas later; straat: ‘verharde weg’; steeg:
‘stijgende weg’. Dikwijls was (is) een bepaalde
soortnaam erg typisch voor een bepaalde stad. Zo bezit Amsterdam haar
‘burgwallen’, Antwerpen haar ‘leien’
en ‘ruien’ en Maastricht haar
‘ruwen’(2).
Doordat de volksmond destijds aan de basis van de naamgeving lag, kon
één en dezelfde straat onder verschillende namen
voorkomen, tot ten slotte een van hen bestendig bleef: cf.:
| | | |
| Hasselt: Vleminxstraat, later
Minderbroedersstraat |
| Maastricht: Mannartsruwe, Jacob Van
Buelstraatje en Sprewartstraatje waren in de 15de-16de eeuw benamingen
voor dezelfde straat (i.v.m. de respectieve rijke bewoners). |
In scherpe tegenstelling met de oude, organisch gegroeide straatnaam staat de
moderne, administratief geïnspireerde fantasienaam. Toen in de
loop van de 19de eeuw de overheid begon namen te geven, was het logische en
oorzakelijke verband tussen straat en naam in de meeste gevallen zoek. De
stedelijke agglomeraties kenden een sterke bevolkingsaangroei en aan de
periferie ontstonden nieuwe wijken, zodat het rijke reservoir van de
historische toponymie of de historische geografie onvoldoende bleek om alle
nieuwe wegen en straten te benoemen. In de beide Limburgen deden zich deze
problemen voor na de Tweede Wereldoorlog in snel groeiende centra zoals
Genk, Heerlen en Kerkrade, die ten gevolge van de mijnbouw een
explosieve groei kenden. Vanwege de demografische groei en de
industriële expansie werden trouwens in de jaren '60 heel wat
andere gemeenten met hetzelfde probleem geconfronteerd. In het laatste geval
werden, vooral in de Kempen, nieuwe wijken ingeplant op vroegere
heidegronden, waar de historische naamgeving bijna volledig ontbrak.
De moderne straatnaamgeving, die in België en Nederland
respectievelijk berust op een besluit van het college van burgemeester en
schepenen en van burgemeester en wethouders, komt dus niet meer tot stand te
midden van een spraakmakende gemeenschap, maar wel in het bureau van de
ambtenaar. De relatie tussen straat en naam is daarbij verdwenen. Een
bijzondere reden waarom de ene straat de naam Joost van den Vondelstraat
krijgt en in de andere het bordje Hendrik van Veldekestraat hangt, is er
niet. In mijn eigen gemeente (Lommel) is de
Lindestraat met acacia beplant en de Acaciastraat met eiken...
| |
| | | |
1. Historiek van de moderne straatnaamgeving
Dat de overheid zich weinig aan het probleem van de straatnaamgeving gelegen
laat en onvoldoende overleg pleegt, is niet altijd het geval. Zowel de
Belgische als de Nederlandse gemeentewet geven trouwens de gemeente de
opdracht zich met de benoeming van straten en pleinen te belasten, al wordt
dit nergens expliciet gezegd.
Artikel 117 van de Belgische gemeentewet luidt: ‘De gemeenteraad
regelt alles wat van gemeentelijk belang is; hij beraadslaagt over elk ander
onderwerp dat de hogere overheid hem voorlegt’. Iets minder vaag
is artikel 174 van de in 1851 in Nederland tot stand gekomen gemeentewet:
‘Hij (de raad) maakt, in overeenstemming met algemene of
provinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling der
gemeenten in wijken en tot opmaking van volledige staten der bevolking en
harer behuizing’. De passus ‘verdeeling der gemeenten in
wijken’ roept thans nogal wat vragen op. We moeten echter
teruggaan naar de tijd waarin minister Thorbecke
zijn gemeentewet ontwierp. Het was immers bij de opstelling van een
bevolkingsregister (1 januari 1850) de bedoeling uit te gaan van een
wijksgewijze indeling der huizen, waarbij men naar Amerikaans model elke
wijk met een bepaalde letter of een bepaald cijfer wilde aanduiden. Doordat
men nooit verder dan een indeling in maximaal 26 wijken geraakte en heel wat
steden te snel groeiden, is men op de aanduiding in wijken teruggekomen. De
wijken kregen weer namen; op den duur werden deze weer beperkt tot een
straat en zo kreeg elke straat een naam.
Wat Nederland betreft, was W. HARTSINK
één der eersten die zich met de moderne praktijk van
de straatnaamgeving bezighield. Reeds in 1896 publiceerde hij in Arnhem zijn
‘Namen van straten. Handleiding voor
gemeentebesturen’. Hij stelt vast dat er over het algemeen
te weinig variatie in straatnamen bestaat en somt 20 categorieën
(namenvelden) op waaruit de gemeentelijke overheid kan putten. In 1953
publiceerde W. MOLL zijn artikel
‘De moderne praktijk van de
straatnaamgeving’. Hij kwam in dat jaar voor zijn stad
(Den Haag) reeds tot 42 categorieën,
een getal, dat zoals hij zelf zegt, ‘wellicht nog hoger (zal)
worden. Hoe | | | | moeilijk het ook zal zijn het nog noemenswaard uit
te breiden...’(3). Anderen zoals ZAALBERG
opteerden zelfs voor een volledige systematisering van het
straatnamenbestand door groepen van straatnamen met dezelfde letter te laten
beginnen. Zo zou men, aldus ZAALBERG, een wijk kunnen maken met een
Achterbergstraat, Amsterdamstraat, Alvastraat, Azaleastraat,
Aalsmeerplein...(4).
Uiteindelijk is men in Nederland niet de weg van de totale vernummering
ingeslagen. Ook na de gemeentelijke herindeling bleef de straatnaam, indien
mogelijk behouden. Wel werden in overleg met de PTT 180 plaatsen in wijken
en een 30-tal grote woonplaatsen in districten ingedeeld.
| |
Voorbeeld: Maastricht
| jaar |
wijknaam |
namenveld |
| 1945 |
Mariaberg |
Ndl. Oost-Indië-bloemen |
| 1952 |
Nazareth |
Limburgse kastelen |
| 1957 |
Malpertuis |
Reinaert (plaatsen, figuren) |
| 1965 |
Malberg |
oude gewichten, maten, munten |
| 1971 |
Campagne |
Franse wijnstreken |
| |
In tegenstelling tot Nederland is er in België (Vlaanderen) op het
vlak van de straatnaamgeving meer gepubliceerd. Terwijl in het Noorden de
straatnaamgeving uitsluitend een gemeentelijke aangelegenheid is, kende en
kent België een aantal instanties, die als advies- of
controle-orgaan hebben gefungeerd of fungeren. Zo kreeg de in 1926
opgerichte Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie in 1942
adviserende bevoegdheid inzake straatnaamgeving en straatnaamwijziging.
Gemeentebesturen waren vanaf toen verplicht hun voorstellen voor te leggen
aan de Commissie (uit een Vlaamse en Waalse vleugel bestaande). Haar advies,
dat niet bindend was, werd meestal door het lokale bestuur opgevolgd. Een
belangrijke publikatie i.v.m. de beregeling van straatnamen was van de hand
van de Limburger J. LEENEN. In 1946 verscheen in
de reeks ‘Toponymica’, uitgegeven door de
toenmalige Vlaamse Toponymische Vereniging zijn ‘Theorie en
Praktijk van de Straatnaamgeving’. Belangrijk was o.m.
zijn pleidooi voor de modernisering van de spelling, die voor de Vlaamse
gemeentenamen reeds was doorgevoerd. Heel wat straatnamen waren immers
ontleend aan kadastrale benamingen uit de 19de eeuw, die door
Nederlandsonkundige ambtenaren op de kadas- | | | | trale kaarten waren
aangebracht. Afgezien van de archaïsche spelling was er bovendien
dikwijls een loopje genomen met de begripsinhoud(5).
Met ingang van 1 januari 1977 werd in België de fusiewet van
kracht. Een lawine van straatnamen rolde over het land, doordat honderden
bestaande gemeenten werden afgeschaft. Een van de gevolgen van deze
fusieoperaties was het ontstaan van heel wat homoniemen. Zo kreeg de stad
Gent 9 Kerkstraten, 6 Kapellestraten en 6
Kouterstraten binnen haar grondgebied. De wetgever, zich bewust van het
gevaar dat in vele gemeenten de straatnaamverandering al te willekeurig en
te doelloos ging verlopen, riep daarom een nieuw controle- en adviesorgaan
in het leven. Bij decreet van de Cultuurraad van de Vlaamse
Cultuurgemeenschap van 28 januari 1977 werd de Koninklijke Commissie voor
Straatnaamgeving opgericht. Deze bestaat uit een centrale commissie in
Brussel, een soort raad van beroep, en daarnaast 5 provinciale commissies.
In die periode verschenen er twee nieuwe handleidingen, respectievelijk van
M. GYSSELING en A.
STEVENS(6).
| |
2. Procedure bij de straatnaamgeving
Zowel in Nederland als in België maakt het schepencollege of het
college van burgemeester en wethouders een voorstel over aan de gemeenteraad
na advies te hebben ingewonnen bij een plaatselijke commissie. Hierin
zetelen leden van een historische of heemkring, culturele raad of een
daarvoor gevormde commissie, aangevuld met een ambtenaar van de burgerlijke
stand. In Nederland vinden we dezelfde vertegenwoordigers terug, hoewel hier
ook ambtenaren van de dienst ruimtelijke ordening en van de PTT te vinden
zijn.
Hiermee is in Nederland de kous af; de gemeenteraad neemt er autonoom een
beslissing steunende op het ingediende advies en is verder geen enkele
verantwoording verschuldigd. In uitzonderlijke gevallen (betwisting) beslist
de Raad van de Kroon.
In België neemt de gemeenteraad een princiepsbeslissing die aan de
provinciale commissie wordt overgemaakt. De provinciale commissie dient van
advies, dat voor een aanvraag tot straatnaamwijziging bindend is, evenwel
niet bij het toekennen van een nieuwe straatnaam.
| |
| | | |
3. De straatnaamgeving in Belgisch- en Nederlands-Limburg(7)
| |
Begripsinhoud
Zowel in Nederland en België heeft men zijn toevlucht moeten
nemen in een groeiend aantal uit de fantasie geboren NAMENVELDEN in een
tijd van toenemende verstedelijking en gemeentelijke herindeling. Iedere
gemeente heeft hier de verbeelding de vrije loop gelaten: naast de
klassieke bloemen-, vogel-, bomen- en schilderswijken vinden we een
aantal semantisch verwante straatnamen die min of meer typisch zijn voor
bepaalde gemeenten:
Tongeren: - namen i.v.m. het Romeinse
verleden: Ambiorixstraat, Cesarlaan, Eburonenlaan |
Maastricht: - namen i.v.m. de papierindustrie (Kon. Ndl.
Papierfabriek): Bobinedonk, Riemdonk, Vezeldonk, Papyrussingel
- namen i.v.m. Franse wijnen: Chablislaan, Emilionlaan,
Pomerollaan |
In Nederland is ook vrij dikwijls gebruik gemaakt van een afleiding op
er/se van de naam van de deelgemeente om een onderscheid te
creëren:
| Maastrichter Brugstraat X Wycker Brugstraat |
| Maastrichter Pastoorstraat X Wycker Pastoorstraat |
Dit procédé is echter niet algemeen verspreid in
Nederland. Zo heeft men in Eindhoven na de gemeentelijke herindeling
(1911), zo nodig, naar een nieuwe naam gegrepen. In Belgisch-Limburg
werd deze werkwijze, evenals elders in Vlaanderen, zelden toegepast,
omdat de straatnaam dan te lang uitviel. Wel kennen we de Hasseltse
Beverzakstraat (Hasselt) naast de
Beverzakstraat (Zonhoven).
Nummering van straten, min of meer naar Amerikaans model, komt in de
beide Limburgen niet voor.
| |
Namen die een psychologische hinder oproepen
In de Limburgse Kempen verdwenen tientalen
‘lijkwegen’ of ‘lijkstraten’
(oorspronkelijk: wegen waarlangs de overledene bij de begrafenis naar de
kerk werd gevoerd). Hetzelfde gebeurde met de Dodestraat in Alken.
In Genk verdween de Schurfstraat vanwege zijn
mogelijk denigrerend karakter (schurft als huidziekte). Schurf is in de
| | | | Kempen een gangbare verwijzing naar een ‘harde
grondlaag’. In Lommel bleef de
Stortstraat behouden ondanks het verzet van sommige bewoners.
‘Stort’ heeft echter niets te maken met het storten
van vuilnis, maar met de in de 19de eeuw door het graven van het
Maas-Scheldekanaal ontstane zandophopingen. Ook in Overpelt werd de ietwat sinistere Weerwolfstraat niet
afgevoerd. In 1979 besliste Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Beegden geen namen van bosplanten of
onkruid voor een nieuw namenveld te gebruiken. In Meijel besloot B. en W. het wat minder fraai klinkende
kazemat af te voeren, dat de plaats ruimde voor Bosrand. In 1984 kwam er
in Maastricht verzet tegen de politiek geladen
Salvador Allendestraat (in 1987 wel ingevoerd als Salvador
Allendedomein). Hetzelfde gebeurde met de Werner von Braunstraat, die
door Kelvinstraat werd vervangen.
MEMORIENAMEN herinneren aan een historisch feit, een instelling of een
verdienstelijke lokale personaliteit. Deze naamgevingsvorm ontaardt
echter soms in een echte manie en dreigt wel eens alle andere
mogelijkheden te overwoekeren. In België moest de naamdonor
50 jaar overleden zijn, later 20; sinds het decreet van 1977 moet hij
overleden zijn; ditzelfde geldt voor Nederland. In tegenstelling tot
enige psychologische hinder speelt bij deze memorienamen de gevoeligheid
of glamour mee die met een bepaald persoon verweven is.
| - | Gingelom: Pater Gillardstraat i.p.v.
Dorpsstraat (naar de in Colombia vermoorde geestelijke); |
| - | Heusden-Zolder: hier leidde de afwijzing van het voorstel om 30
lokale verzetslieden in de straatnaamgeving te vereeuwigen tot nogal
wat frustaties in vaderlandslievende kringen; uiteindelijk koos men
voor 1 memorienaam: Heldenplein; |
| - | Gennep: hier herinnert de
Israëlstraat aan een aantal tijdens de Tweede
Wereldoorlos omgekomen joden; |
| - | Born: Huub van Doornestraat (naar de
grondlegger van het Daf-concern); |
Vanzelfsprekend doen het lokale politieke grootheden overal goed en dit
ten koste van historische namen:
| - | Simpelveld: Scheelenstraat
(burgemeester) i.p.v. Beemdstraat |
| - | Stevensweerd: Burgemeester van
Bovenstraat i.p.v. Mandenmakersstraat |
| | | |
| - | Ubach: Van 't Hooftplein i.p.v.
Groenstraat |
Het omgekeerde komt ook wel eens voor. Zo voerde in
1983 Maaseik de historische namen opnieuw
in: Majoor Aertsplein en Deputé Moorsplein werden
respectievelijk vervangen door Bospoort en Eikerpoort.
| |
| | | |
Vorm van de straatnaam
| - | Over het algemeen spelt men in Nederland archaïscher dan in
het Zuiden (cf. de gemeentenamen). Cf. voor Maastricht: Biesenweg,
Cruyshaag, Drenckgaard, Eykelberg, Savelstraat, Symphoniesingel. Wel
wordt in Noord en Zuid de spelling van de familienaam gerespecteerd. |
| - | Hoewel gewestelijke taalvarianten meestal worden vermeden, blijft het
regionale woordtype in Noord en Zuid behouden. Cf.
Limburgs ‘bamd, bemd’ (hooiland):
Bemdekenstraat (Genk) Op de Bannet (Maastricht) |
| Limburgs ‘ald’ (oud): Aldestraat (Hasselt),
Aldeweg (Venray) |
| Limburgs ‘graag’ (gracht): Pauwengraaf (Maasmechelen) |
Toch is de hang naar lokale taalvormen in Nederlands-Limburg groter dan
in Belgisch-Limburg. Cf. voor Maastricht: Het Kempke (dim. van
‘kamp’), Vlieguutruwe, Sproetepad
(sproet=‘spruit’).
Daartegenover in Dilsen (Belg. Limb.):
Lodderkuil i.p.v. het dialectische ‘koel’. |
| - | Wat het al of niet aaneenschrijven betreft, is er tussen Noord en Zuid
meer eenheid gegroeid, waarbij van de in Vlaanderen toegepaste regel
(twee woorden) wordt afgeweken.
| Straatnaam met bnw. op s, afleiding van gemeentenaam +
appellatief: Tongersesteenweg (Hasselt), Tegelseweg (Venlo). |
| Hetzelfde geldt voor samenstellingen met als eerste bestanddeel een
verbogen bnw. en het tweede aen appellatief (weg, straat). Deze zijn
echte composita geworden, waarbij ook accentverschuiving en
betekeniswijziging zijn opgetreden (type: hoge school >
hogeschool): Bredestraat (Maastricht), Nieuwesteenweg (Hasselt). Deze
regel geldt echter niet voor straatnamen, waarbij het tweede deel nog
echt al proprium wordt aangevoeld: Hoge Barakken (Maastricht), Grote
Hoef (Lommel). |
| Wel treedt er een verschil op, wanneer het verbogen bnw. in een
straatnaam wordt gevolgd door een onz. znw.: Kleine Dijkje (Maastricht)
X Neremsbroek (Tongeren). |
|
| |
| | | |
Bibliografie
EBELING R.A. 1986 Naamkundige schetsen: Kan men namen
beschermen?, in: Driemaandelijkse Bladen, 38, 188-189. |
GOOSSENS J. 1986 Die Namen der belgischen Gemeinden und ihre
Schreibung, in: Amtlicher Gebrauch des geografischen Namengutes (E.
Kühebacher), Bozen, 225-242. |
GRAUWELS J. 1980 De straatnamen van Nieuw-Hasselt. Hasselt. |
GYSSELING M. 1979 Principes van de straatnaamgeving te Gent,
in: Naamkunde, 11, 88-117. |
HAREN C.C.A. VAN 1941 De Nederlandse Gemeente op de helling.
Een inleiding op de reorganisatie van gemeenten en haar indeeling,
Alphen aan de Rijn. |
HUISMAN J.A. 1986 Gemeindenamengebung im Rahmen der
Planverstädterung, in: Ortsnamenwechsel (Schutz-Eichelt),
Heidelberg, 54-70. |
JANSEN J.C.G. 1984 Kleine gemeenten in discussie, in:
Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg. Jaarboek
van het sociaal-historisch centrum voor Limburg, 11, Assen. |
KROGT P.C. Van-ORMELING F.J. 1982 Spelling van
aardrijkskundige namen in het Nederlands, in / K.N.A.G. Geografisch
Tijdschrift, 16, 20-34. |
LEENDERS K.A.H. 1987 Van Gemeynten en Vroonten, in: De
Oranjeboom, 40, 45-78. |
LEENEN J. 1946 Theorie en praktijk van de straatnaamgeving,
in: Toponymica. Bijdragen en bouwstoffen uitgegeven door de Vla. Top.
Vereniging te Leuven, 10, Brussel-Leuven. |
MALVOZ L. - VERBIST C. 1981 Een België van 589
gemeenten. Bestuursgeografische aspecten van de samenvoegingen. Uitg.
v.h. Gemeentekrediet van België, Brussel. |
| | | |
MEERTENS P.J. - MOLL W. 1953 Middeleeuwse en moderne
straatnaamgeving, in: Bijdragen en Mededelingen der Naamkunde-commissie
v.d. Koninklijke Academie v. Wetenschappen te Amsterdam, Amsterdam. |
NUYENS E.M.T. 1956 De staatkundige geschiedenis der
provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839.
Uitgave v.h. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap,
Maastricht. |
POELJE G.A. Van 1956 Snoer zonder einde. Beschouwingen over
gemeentelijke indeling en gemeentegrenzen, Alphen aan de Rijn. |
STEVENS A. 1982 Leidraad bij de straatnaamgeving en
-wijziging, in: Mededelingen v.d. Vereniging voor Limburgse Dialect- en
Naamkunde, 22, Hasselt. |
THOMAS J.B.J. 1971 Straat en nummer. Beknopte handleiding
voor de naamgeving van straten en de nummering van gebouwen,
Vuga-boekerij, 's Gravenhage. |
| Belgische Gemeentewet |
| Hergroepering van gemeenten. Mededeling door het provinciebestuur van
Belgisch-Limburg. |
| Kleine atlas voor de geschiedenis van beide Limburgen, samengesteld
door een redactiecommissie onder leiding van Drs. J.H.M. Wieland,
Leeuwarden-Maastricht, 1989. |
| Nota bij het advies v.d. Bestendige Deputatie betreffende de
samenvoeging van gemeenten in Limburg, 23.1.1975. |
| Postcode. PTT Postuitgave. |
| Straatnamenlijst van Maastricht, 1988. |
|
(1)Zie
bibliografische verwijzing.
(2)Mnl. rouwe:
‘sloot, smal watertje’; in Limburgse tongvallen ook
in de bet. ‘gangetje’. ‘Misschien is het
woord hetzelfde als Fr. ru (lat.virum) of is het verwant met roye (reye,
ruye): ‘waterloop, vliet, gracht’ (Mnl. Wdb. VI,
1567 en VI, 1656).
(3)P.J. Meertens- W. Moll,
1953, 38.
(5)Op
de kadastrale kaart van Lommel (sectie A) van 1844 werd de Reytenstraat
(Mnl. rijt: ‘waterloop’) omgedoopt in Ruytenstraat,
wat in deze eeuw tot Ruiterstraat leidde! Thans (gedeeltelijk) Nieuwe
Kopen.
(7)Het materiaal werd door Belgisch-Limburg geput uit
de verslagen van de Provinciale Commissie voor Straatnaamgeving. Voor
Nederlands-Limburg namen we enkele regionale dagbladen door
(Stadsbibliotheek van Maastricht).
|
|