Misschien zullen uwe lezers het niet ondienstig of geheel van belang ontbloot achten, indien ik in de volgende regelen, hoe onvolledig dan ook, eene verzameling geef van woorden allen aan de Kaap bekend, sommigen waarvan in t' Kaapsche dialect het burgerrecht hebben verkregen, maar welk ook hun vaderland, tot ons zijn overgekomen uit Indië.
Lang vôôr het misnoegend teweeg gebracht door den onbesuisden aanval op de Nederlandsche taal en letterkunde, eenige weken geleden, had ik de weinige oogenblikken die ik morgens in de openbare boekerij doorbracht, terwijl mijn kantoor gelucht werd, besteed om zulke woorden bij elkander te zoeken die nog alle dagen in de stad en omstreken worden gehoord, en toch niet aan de Nederlandsche of andere Westersche talen - uitgenomen de Portugeesche - zijn ontleend. Maar het was geenszins mijn plan om de verzameling in 't licht te geven. Eerst toen het met zoveel nadruk werd beweerd dat het Kaapsch Hollandsch niet anders dan eene Hottentotsche Verbastering onzer schoone moedertaal is, en als zoodanig der veroordeeling moet worden prijs gegeven, meende ik mijnen landgenooten geen ondienst te doen, door den oorsprong aan te toonen van een groot deel onzer Kaapsche woorden.
Uit het maleisch woordenboek van Dr. Marsden heb ik het volgende gehaald.
Tevens zijn er in 't Kaapsch Hollandsch vele woorden die aan 't Fransch of Nederlandsch ontleend zijn, maar in veranderden vorm zich aan ons voordoen, bijv. kajangs, Holl. ‘kanen’; Eng. ‘greaves’, en kraffie, Holl. ‘karaf’; Fr. ‘carafe’.
Dit stuk zal echter te lang worden indien ik ook deze lijst uitschrijf.
Buitendien zijn de Fransche en Nederduitsche talen alhier zoo wel bekend dat waarschijnlijk voor de meeste lezers zulk eene verzameling overbodig zou wezen, en zijn woorden als ‘kombuis’, ‘resiko’, enz. in de woordenboeken vermeld.
Komen wij nu tot het eigenlijke Boeren Hollandsch, dan geloof ik dat menigeen, die althans instaat is om over de zaak te oordeelen, zich heeft verwonderd hoe zuiver over het algemeen het Nederduitsch in de buiten districten gesproken wordt. 't Is waar, men heeft geen denkbeeld van de kunstmatige verbuiging der woorden, zoodat de fouten die gevolgelijk gemaakt worden altijd het enkelvoud, meervoud en de geslachten gelden; maar dit neemt niet weg dat de blanke bevolking de taal, en wel meest in haar verouderden vorm, zeer juist spreekt. Die ooit een aanspraak of debat in de Synode of lagere kerkelijke vergaderingen heeft aangehoord, zal dit gereedelijk erkennen.
Jaren geleden heb ik uit liefhebberij eene tamelijk lange lijst gevormd van de eigenaardige en dikwijls amusante uitdrukkingen en woorden der Bastaards, langs de oevers der Oranje Rivier. Het spijt mij dat ik haar verlegd heb. Die ‘taal’ is een eigenaardig mengsel van Hollandsch en Hottentotsch, waarbij ik vooral de aandacht wensch te bepalen van allen die meenen dat het Hollandsch door de blanke bevolking in Zuid-Afrika gesproken een sterk Hottentotsch element in zich bevat. In den regel was het mij moeielijk en dikwijls haast onmogelijk, om een wezenlijken Bastaard te verstaan, die met mij ‘Duitsch,’ d.i. Hollandsch, wilde spreken.
Bij nauwkeurig onderzoek zal men vinden dat in 't Kaapsch Hollandsch haast geen enkel Hottentotsch woord te vinden is, indien men de namen van gewassen, rivieren, plaatsen, enz. buitensluit. Het woord ‘kirie’ is Hottentotsch, maar heeft zich burgerrecht verzekerd, ook onder 't Engelsch gedeelte der bevolking.
En nu ten slotte. 't Is een welbekend feit dat Europeërs in Indië woonachtig, - zegge bijv. de Engelschen in Britsch Indië - hunne kinderen, zoolang zij in de Oost blijven, niet anders dan de Hindoesche taal laten leeren en spreken, en ik heb meer dan één Engelsch kind in Engeland ontmoet, uit de Oost overgekomen, dat haast geen enkel Engelsch woord kon spreken. Ik geloof dat dit ook meer regel dan uitzondering is in Neêrlandsch Indië. Hoe dit zij, de Maleische taal werd altijd voor eene zeer beschaafde gehouden, waarover niemand zich behoefde te schamen, en zoo was het even natuurlijk voor den Oost Indischen Europeër om Maleische woorden met zijne moedertaal te gebruiken, als het voor Engelschen, Hollanders of Duitschers nog natuurlijk is om zich af en toe van Fransche of Latijnsche uitdrukkingen, of woorden, te bedienen.
Bijna drie honderd jaren geleden gaf Linschoten eene beschrijving van de stad ‘Malacca’, die eerst een klein gehucht is geweest, door zes á zeven visschers familiën bewoond. Naderhand werd het door visschers uit Siam, Pegoe, en Bengalen, vergroot. ‘Deze laatste personen bouwden eene stad, en vormden eene eigenaardige taal ontleend aan de sierlijkste taalvormen en uitdrukkingen van andere naties; zoodat werkelijk op het oogenblik de meest beschaafde, de nauwkeurigste en de vermaardste van alle Oostersche talen, de taal der Maleiers is.’
't Is dus geen wonder dat er in 't Kaapsch Hollandsch zoo vele Maleische woorden zijn bewaard.
(Uit Het Volksblad, Dinsdag 11 Juli 1882.)