|
|
|
| | | | | |
De structuur van Bredero's Spaanschen Brabander
J. H. Meter (Rome)
| |
0.
Antwerpen, Amsterdam, de Nederlanden en
een stukje West-Duitsland weerspiegelen zich met scherpe of vage contouren in
Bredero's laatste toneelstuk, terwijl het niet
ontbreekt aan uitspraken over volken waarmee de Nederlanden contacten
onderhielden. Voor Polen is Gdansk op positieve wijze vertegenwoordigd door
haar bier
1, maar van de bewoners van het meer oostelijke
Oostzeegebied wordt minder hoog opgegeven vanwege hun
‘revelduytsch’
2, dat wel meer op Nederduits dan op
Nederlands zal geleken hebben. In het algemeen is de weerspiegeling veeleer in
donker dan in licht koloriet, eerder bewogen dan effen. De zeventiende-eeuwse
mens verschijnt er met al zijn tegenstrijdigheden van oud en nieuw, eerlijk en
doortrapt, rijk en arm, Noord en Zuid, Oost en West, en nog veel meer. Juist
die veelzijdigheid doet ons de afstand in de tijd vergeten en het stuk zou
zeker ook internationaal een grotere opgang gemaakt kunnen hebben, als het
taalgebruik wat toegankelijker was geweest. De dichter heeft in elk geval al de
registers van zijn kunst opengetrokken.
Die kunst heeft evenwel niet altijd waardering gevonden, zoals
Naeff ons heeft voorgehouden
3, soms vanwege de
inhoud, soms vanwege de vorm of ook wel om allebei. Over deze aspecten is ook
op wetenschappelijk vlak het laatste woord nog niet gesproken. Ondanks de
uitgebreide bibliografie blijft het | | | | verschijnsel
Bredero poly-interpretabel en zijn
Spaanschen Brabander deelt in dit lot. Deze
uitdaging moge de keuze van het onderwerp voor deze bijdrage ter ere van
collega en vriend Morciniec verklaren.
| |
1.
Het probleem van de structuur van het stuk wordt beheerst door de
verhouding tussen de verwikkeling en de uitweidingen, die afwijkt van de
classicistische norm van eenheid van handeling. Classicistisch ingestelde
critici hebben om die reden het stuk doorgaans afgewezen. Doordat de
uitweidingen in omvang en karakter de verwikkeling dreigen te overwoekeren,
lijkt de verhouding tussen centrum en periferie verstoord. Tot op heden wordt
dan ook beweerd dat het de dichter alleen om de uitweidingen en niet om
dramatische ontwikkelingen te doen is geweest
4. Van classicistisch
standpunt uit bezien is de dramatische structuur inderdaad onregelmatig, omdat
het optreden van de personages uit het Amsterdamse volksleven vaak losstaat van
de hoofdhandeling om de Brabantse opschepper Ierolimo en zijn Noordnederlandse
knecht Robbeknol.
Een der eersten die voor deze singuliere structuur begrip heeft
getoond, was de onconventionele Gidsredacteur
R.C. Bakhuizen van den Brink, die de
‘ingevlochten verhalen’ tot de waardevolste onderdelen van het stuk
rekende
5. In een vergelijking met Hoofts
Warenar kende hij aan
Hooft een grotere beheersing van de vorm toe, met name in
het ontwerpen van een samenhangende dramatische eenheid, aan
Bredero echter een grotere inventiviteit, blijkend uit
zijn ‘rijke, kwistige en dolle beschrijvingen’
6. Uit een debat
met de classicist
Matthijs de Vries over de waardering van de
zeventiende-eeuwse blijspelen kwam bij de romanticus
Bakhuizen de vraag op of de structuur daarvan naar de
normen van de classicistische poëtica dan wel op grond van andere criteria
beoordeeld dient te worden. Dit grondprobleem heeft tot nu toe het uitgangspunt
van de meeste beschouwingen gevormd.
Het verwijt van een gebrek aan eenheid van handeling treffen wij aan
bij
E. Verwijs
7,
W.J.A. Jonckbloet
8,
T. Terwey
9,
G. Kalff
10,
J.A.N. Knuttel
11
| | | | en
B.C. Damsteegt
12. Het koor van tegenstemmen is minder
krachtig, maar wel vindingrijk als het gaat om het opwerpen van
tegenargumenten, te beginnen met
J. ten Brink, die in zijn grote
Bredero-studie van 1888 zelfs spreekt van een
‘juiste aesthetische overeenstemming’ (tussen verwikkeling en
ingevlochten verhalen)
13. De eerste die ervan afzag het stuk te
beoordelen op zijn verwikkeling was
J. Prinsen. Hij zag in de geest van weemoed en
teleurstelling ‘de hoogere eenheid waarin al die schijnbaar
onsamenhangende delen zich oplossen’
14. Een
tussenoplossing werd voorgesteld door
J.J. Gielen, die weliswaar de compositie van het stuk
tweeslachtig noemde, maar deze toch positief waardeerde als uiting van
Bredero's gebroken persoonlijkheid
15. De meest fundamentele poging
de eenheid van het stuk te ‘bewijzen’ is gedaan door
R. Antonissen
16,
die daartoe wel het begrip intrige als eenheidstichtend principe opgaf en dit
verving door dat van thematiek. Ook
H. Prudon S.J. zag het stuk in de eerste plaats als
realisatie van enkele hoofdgedachten, waaraan een originele dramatische opbouw
beantwoordt, gekenmerkt door het op de voorgrond treden van de ruimtelijke
dimensie
17. Bij deze
benadering sloot zich ook de Amerikaanse vertaler van het stuk
H. David Brumble III aan
18.
C.F.P. Stutterheim beschouwde de combinatie van
structuurelementen als uniek, maar juist daarom was deze voor hem moeilijk te
definiëren
19. Het meest voelde hij nog voor de benadering die
Gielen had voorgestaan, maar dan zonder diens
psychologische implicaties.
De vele studies die aan het structuurprobleem zijn gewijd, hebben
duidelijk geen consensus opgeleverd. Wel kan opgemerkt worden dat het verwijt
van onsamenhangendheid en onoverzichtelijkheid minder frequent is geworden en
dat steeds meer gezocht wordt naar andere vormprincipes, zoals de symmetrie in
de opbouw van de scènes, de emblematische karakteruitbeelding en de
thematiek. Opvallend is dat in de meer recente studies zo weinig aandacht is
besteed aan de literair-theoretische context van het stuk, zoals door | | | | E.K. Grootes terecht is opgemerkt
20. Deze kan naar mijn mening nieuwe
gezichtspunten bieden.
| |
2.
De literairtheoretische benadering is laat op gang gekomen met als
uitgangspunt A.G. van Hamels
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over
letterkunde in Nederland ('s Gravenhage 1918). Na de studies van
W.A.P. Smit,
L. Rens en
M.B. Smits-Veldt
21 over de verbanden tussen de literaire theorieën en
het ernstige drama heeft A.J.E. Harmsen ook de komedie in het onderzoek
betrokken
22. Ten opzichte van de tragedie was de
komedie in het nadeel door het ontbreken van een uitgewerkte beschouwing van
dit genre in
Aristoteles'
Poetica. In deze leemte hebben de
poëticaschrijvers van de Renaissance trachten te voorzien door de
verspreide opmerkingen van Aristoteles aan te vullen met gegevens van latere
Romeinse theoretici als Cicero, Donatus en Euanthius.
Nu is het de vraag, of en in hoeverre
Bredero bij zijn pogingen de komische traditie te
vernieuwen, door aansluiting te zoeken bij de Romeinse komedie (zoals in het
Moortje van 1616), ook kennis heeft genomen van
de Renaissancetheorieën over de komedie. Hoewel hij niet geheel gespeend
was van kennis van het Latijn, mag men geen zelfstandige bestudering van in het
Latijn gestelde theoretische geschriften bij deze dichter veronderstellen. Het
is echter wel aannemelijk dat hij, zoals ook
G. Stuiveling veronderstelde, ‘door zijn vrienden
Heinsius en
Scriverius, door zijn contacten met
P.C. Hooft en
Hugo de Groot, en nog het meest door
Samuel Coster wel enigszins vertrouwd (was) geraakt met
het klassieke renaissancedrama’
23.
In deze contacten zal zeker over de formele aspecten van het klassieke drama
zijn gesproken. Het experimentele klimaat waarin
Coster,
Hooft en
Bredero hun stukken schreven, vooronderstelt een levendige
gedachtenwisseling over de aard van de verschillende dramatische genres. Dat de
kennis van de dramatheorieën nog niet leidde tot een systematische
toepassing daarvan in de toneelpractijk, behoeft niet | | | | zozeer aan
onkunde toegeschreven te worden als wel aan onbedrevenheid, c. q. aan de wens
om de nieuwe inzichten aan te passen aan de bestaande dramatische traditie. Een
bekend voorbeeld van verschil tussen theorie en practijk levert, wat het
Latijnse schooldrama betreft, het werk van
Daniël Heinsius
24.
Ten aanzien van de voorkeur voor een bepaalde richting in de drama
theorie is de laatste decennia meer duidelijkheid gekomen dank zij de de
studies van
S.F. Witstein over Hoofts
Achilles en Polyxena en Bredero's
Palmerijndrama's
25 en die van M.B. Smits-Veldt over
Samuel Coster
26. Gingen Smit en Rens nog
vooral op zoek naar de mate waarin de aristotelische eenheden van handeling en
tijd en de door Castelvetro toegevoegde eenheid van plaats waren verwerkelijkt,
Witstein en Smits-Veldt verlegden het zwaartepunt in het vroege
renaissancedrama van de intrige naar de zedelijke lering, een aspect waarin dit
drama overeenstemde met het rederijkersdrama. Voorzover het vroege
renaissance-drama op theoretische vooronderstellingen gebouwd was, leken deze
eerder overeen te stemmen met de ‘retorische’ uitgangspunten van
de
Poetica (1561) van
Julius Caesar Scaliger, of althans met diens
laat-klassieke bronnen (Donatus, Euanthius), dan met de
‘aristotelische’ principes van
Heinsius'
De tragoediae constitutione (1611).
Als we deze uitkomsten van het recente onderzoek toetsen aan de
komedies van
Bredero en
Hooft, wordt het pedagogische karakter daarvan
bevestigd. Vooral Hoofts
Warenar kan beschouwd worden als een
exemplarische uitbeelding van het thema van de opvoeding van een gierigaard en
van de superioriteit van de liefde boven de geldzucht
27.
In de
Spaansche Brabander speelt, zoals Antonissen en
Prudon
28 hebben betoogd, de
thematiek van de rechtvaardige ordening van de stadssamenleving een
unificerende rol. Het exemplarische karakter van het stuk wordt overigens reeds
door de zinspreuk ‘Al siet men de luy men kentse daarom niet’
29 duidelijk onderstreept. Deze is
als een residu van het spel van sinne van de rederijkers in dit nieuwe drama
opgenomen
30 . Zoals in het spel | | | | van sinne het
dramatische gebeuren door middel van allegorische figuren gestalte moest geven
aan een zedelijke waarheid, samengevat in een zinspreuk, is dit ook het geval
geweest met de zinspreuk van de
Spaansche Brabander. Op de verwantschap van het
stuk met het oudere zinnespel heeft, in een stelling bij zijn proefschrift,
alleen
S.J. Lenselink gewezen. Deze onderzoeker vat het stuk niet
op als een blijspel of een revue, maar als een tragikomisch-realistisch
zinnespel
31.
De hoofdfiguur van het stuk, Jerolimo, is ook degene die de zin
ervan duidelijk maakt. Hij is de incarnatie van de schijn die niet met het
wezen van de persoon overeenkomt en als zodanig gesteld wordt tegenover zijn
knecht, die geheel zichzelf is. De voornaamste ondeugden die in het stuk
gehekeld worden, zijn de hoogmoed en het bedrog. De laatstgenoemde ondeugd is
niet alleen Jerolimo eigen, maar kenmerkt ook vele van zijn soortgenoten, meest
bankroetiers, die uit den vreemde in Amsterdam zijn neergestreken
en daar de gezonde kern van de stedelijke samenleving dreigen te overwoekeren.
Deze thematiek is neergelegd in een dramatische structuur die noch met de
retoricale noch met de Scaligeriaanse noch met de (vroeg) classicistische
geheel overeenstemt, maar daarmee wel punten van aanraking biedt.
| |
3.
Voor een begrip van het karakter van deze structuur lijkt het mij
zinvol deze te plaatsen in het kader van een experimentele wedijver tussen
Coster,
Hooft en
Bredero. De literaire en dramatische wedijver
(aemulatio), die in de literaire theorie van de Renaissance doorgaans
betrekking heeft op de relatie van de kunstenaar met zijn klassieke
voorbeelden, kan zonder bezwaar ook toegepast worden op de literaire
betrekkingen tussen de renaissance- en barokkunstenaars onderling. Men denke
aan het bekende voorbeeld van de
Jeptha (1659), waarmee
Vondel de gelijknamige tragedie van de humanist
Buchanan wilde overtreffen
32. Ook de dramatische produktie van
Hugo Grotius en
Daniël Heinsius in het eerste decennium van de
zeventiende eeuw staat duidelijk in het teken van de creatieve wedijver. Zoals
Grotius en Heinsius pogingen deden met hun Latijnse tragedies het schooldrama
nieuw leven in te blazen, zo beijverden de Amsterdammers zich een nieuw
repertoire op te bouwen voor het nationale toneel. Afstand nemen van het
rederijkerstoneel was daarbij onvermijdelijk. Ten aanzien van de mate waarin
afstand genomen moest worden en met betrekking tot de dramatische formules die
de voorkeur verdienden, namen
Bredero,
Coster en
Hooft ieder een eigen standpunt in.
Coster bleef met zijn
Teeuwis de Boer (1612) nog dicht bij de traditie
van de | | | | klucht, maar door de invoering van een uitgewerkte intrige
met karaktertekening trachtte hij het blijspel te benaderen.
Bredero en
Hooft, de één in het
Moortje (1616), de ander in de
Warenar (1617), sloten meer direct aan bij de
Romeinse comici Terentius en Plautus. Bleef het Moortje naar de geest
nog in vele opzichten schatplichtig aan de geest van de kluchten, naar de vorm
was het door zijn rijkdom aan amplificaties en uitweidingen vooral een
maniëristisch stuk
33. Van het
Moortje onderscheidde de Warenar zich duidelijk door zijn meer
classicistische opzet, waarin de amplificaties en de episoden meer functioneel
bij de dramatische handeling aansluiten. Het lijkt mij dan ook niet overdreven
te stellen, dat Hooft met dit stuk de structurele eenzijdigheden van Bredero's
Moortje heeft willen corrigeren en een meer classicistische vormgeving
heeft nagestreefd
34. Ik ga van de
veronderstelling uit dat, naar analogie van de samenhang tussen de
Warenar en het Moortje, de
Spaansche Brabander Bredero's reactie is geweest
op het voorbeeld dat Hooft hem in de Warenar had voorgehouden.
Dat
Bredero de onderlinge wedijver positief heeft opgevat en
openstond voor correctie, blijkt voor mij uit de keuze voor een duidelijke
morele samenhang, die in de
Spaansche Brabander in sterkere mate aanwezig is
dan in het
Moortje. In de kritiek is dit moralisme veelal
teruggevoerd op Bredero's bekommernis om de toestand van zijn geliefd
Amsterdam
35. Daarnaast mag gewezen
worden op het voorbeeld van de
Warenar als karakterstuk. In de Warenar
waren Warenar en Geertruyd typische voorbeelden van gierigheid en berekening en
tegenover hen was Rijkert gesteld als positieve pendant van grootmoedigheid.
Ook in de Spaansche Brabander is de kritiek op gierigheid en hebzucht
niet van de lucht, maar de allesbeheersende ondeugd die aan de kaak wordt
gesteld, is de zelfverheffing die tot (zelf) bedrog leidt en uitgebeeld is in
de figuren van Jerolimo en een aantal Amsterdammers, die zich als oppassende
burgers voordoen, maar achter hun fraaie façade minder fraaie trekken
verbergen. Ook in de Spaansche Brabander is de negatieve pool, die meer
geaccentueerd is dan in de Warenar, aangevuld met een positieve,
draaiend om de deugd van de aloude Amsterdamse eenvoud. Tot deze pool behoren
Robbeknol en de drie spinsters, die wel geen heiligen zijn maar in elk geval
niet aan zelfverheffing mank gaan en blijk geven van oprechte godsdienstzin.
Bij een vergelijking tussen de morele strekking van de Warenar en de
Spaansche Brabander blijkt het verschil niet zozeer te liggen in de
negatieve als wel in de positieve pool. Is Rijkert in de Warenar vooral
een toonbeeld van humanistische magnanimitas, een bij uitstek
aristocratische deugd, in Bredero's stuk ligt | | | | de nadruk meer op de
morele betekenis van een onconfessionele vroomheid
36, zoals die voorkomt bij eenvoudigen van geest. Met dit
verschil is tevens een onderscheid in sociale achtergrond gegeven, waarbij
Hooft als regentenzoon zich voor de humanistische
deugdenleer van de Renaissance uitsprak en
Bredero als gewone burger de positieve waarde van de
volksvroomheid beklemtoonde. Het grootste verschil tussen beide stukken ligt
echter in de dramatische opbouw, die kenmerkend is voor het eigen karakter van
de beide dichters.
| |
4.
Kan Hoofts
Warenar gelden als een gaaf classicistisch stuk,
de
Spaansche Brabander wijkt weer sterk af van het
classicistische model door het voorkomen van een groot aantal, op het eerste
gezicht niet met de hoofdhandeling samenhangende en sterk uitweidende episoden.
Waar in de Warenar vijf amplificerende episoden voorkomen
37, zijn het er in de Spaansche Brabander niet
minder dan achttien, als men uitgaat van een verwijderd verband of de
afwezigheid van een direct verband met de hoofdhandeling
38; als men
evenwel ook alle uitweidingen op de tekstgegevens uit de
Lazarillo de Tormes, Bredero's bron voor de
Spaansche Brabander, tot de episoden rekent, wordt het aantal nog
aanmerkelijk groter. Als wij verder ook het
Moortje in de vergelijking betrekken, kan
opgemerkt worden dat dit stuk met 3335 verzen het langste van de drie is en de
Warenar met 1486 verzen het kortste. De Spaansche Brabander houdt
het midden met 2235 verzen. Ik leid hieruit af dat
Hooft Bredero op het punt van de lengte van het blijspel
heeft willen corrigeren en dat Bredero in zijn Brabander blijk geeft
deze correctie, althans gedeeltelijk, te hebben aanvaard.
Minder toegankelijk blijkt
Bredero te zijn geweest voor Hoofts opvatting inzake de
verhouding tussen de hoofdhandeling en de episoden. Evenals in het
Moortje wordt ook in de
Spaansche Brabander de hoofdhandeling van vele
episoden voorzien. Op zichzelf behoeft dit nog niet tegen een classicistische
opvatting te pleiten; de vraag is immers vooral of de episoden te
rechtvaardigen zijn in het licht van de hoofdhandeling en hoe ze daarmee
samenhangen.
Nu wordt een vergelijking tussen de
Warenar en de
Spaansche Brabander op dit punt gecompliceerd
door het feit dat het eerste stuk een vertalende bewerking is van een Latijnse
komedie (de
Aulularia van
Plautus), terwijl het tweede een dramatische bewerking is
van een Nederlandse vertaling van een Spaanse schelmenroman,
La Vida de Lazarillo de Tormes y de sus fortunas y
adversidades
39.
Bredero verschafte zich met deze keuze een ruimere
vrijheid | | | | van bewerking dan hij gehad zou hebben bij de bewerking
van een reeds bestaand drama. De dramatisering van een verhalende tekst gaf hem
niet alleen de gelegenheid bestaande uitweidingen over te nemen, maar ook de
bron zelf te transformeren. Het lijkt me dan ook, gezien Bredero's ideaal van
de poëtische vrijheid, alleszins aannemelijk dat de keuze voor een
verhalende tekst mede genomen is om te ontkomen aan de beperkingen die de
bewerking van een dramatische tekst stelde.
Bredero zal te meer de behoefte aan vrije armslag gevoeld
hebben, nadat
Hooft hem met de
Warenar op artistiek niveau had voorbijgestreefd.
De structuur van de
Spaansche Brabander bewijst dat Bredero zijn
kracht meer meende te kunnen vinden in een rijkdom aan episoden en
amplificaties dan in het opbouwen van een strak handelingsverloop. De kritiek
verklaart deze overvloed aan beschrijvende uitweidingen vaak uit de
schilderkunstige aanleg van de dichter, zonder te letten op eventuele
literair-theoretische achtergronden
40. Het feit dat Bredero, ondanks Hoofts
classicistische voorbeeld, toch bleef vasthouden aan een sterk uitweidende
bewerking van zijn bron, heeft m.i. ook te maken met de theoretische
rechtvaardiging die hij voor zijn wijze van bewerken vond in contemporaine
opvattingen, die afweken van de door Hooft nagestreefde classicistische norm.
In welke theoretische geschriften kan men een met Bredero's werkwijze verwante
opvatting vinden ten aanzien van de verhouding tussen intrige en episoden?
| |
5.
Het ligt voor de hand deze opvattingen te zoeken in geschriften
waarin het ideaal van de eenheid van handeling nog niet de boventoon voert.
Zoals bekend, is de theorievorming betreffende de zg. dramatische eenheden op
grond van
Aristoteles'
Poetica en
Horatius'
Ars Poetica in de zestiende en zeventiende eeuw
het eerst in Italië en Frankrijk op gang gekomen
41. Voor de ontwikkelingen in Nederland zijn
vooral de poëtica's van
Julius Caesar Scaliger,
Daniël Heinsius en
Gerard Vossius van belang geweest
42.
De literaire theorie van
J.C. Scaliger met haar nadruk op morele instructie en
retorische vormgeving kan als horatiaans worden gekarakteriseerd, terwijl
daarin aan enkele aristotelische gezichtspunten, zoals de eenheden van
handeling en van tijd, een ondergeschikte rol is toebedeeld
43.
Daniël Hein- | | | | sius' theorieën hebben
een ontwikkeling doorlopen van platonisch tot horatiaans en aristotelisch
44; vooral de laatste,
aristotelische fase wordt op grond van de grote invloed van de
Poetica-parafrase
De tragoediae constitutione (1611; 1643) als
toonaangevend beschouwd
45, maar dit mag de ogen niet
doen sluiten voor de invloed van zijn vroegere geschriften. De poëtica van
Vossius van 1647 kan hier als voor onze periode niet
relevant buiten beschouwing blijven.
Ten aanzien van het karakter van de hoofdhandeling stemmen
Scaliger en de vroege
Heinsius opmerkelijk overeen. Volgens Scaliger moet deze
gekenmerkt worden door beknoptheid en tot een bonte veelheid uitgewerkt worden
46. Hoe men zich de bewerking van de
handeling moet voorstellen, wordt duidelijk uit de (pseudo-)horatiaanse
episodentheorie van Heinsius, zoals die is uiteengezet in diens aantekeningen
op de
Ars Poetica
47.
Hierin gaat Heinsius, goed aristotelisch, ervan uit dat de compositie van
epische en dramatische intriges tot stand dient te komen via het opstellen van
een algemene opzet of ‘kale’ intrige, gekenmerkt door logische
samenhang, en vervolgens dient te worden voltooid door het
‘aankleden’ van de intrige met concretiserende episoden
48. Minder
aristotelisch en veeleer retorisch was zijn opvatting omtrent de realisering
van deze compositie. Terwijl
Aristoteles met de algemene opzet een korte schets van de
hoofdmomenten van het handelingsverloop had bedoeld, stelde
Heinsius deze gelijk met een beknopte samenvatting van
reeds bestaande verhalen. De esthetische waarde van zulke samenvattingen was
volgens hem gering; die diende veeleer verwerkelijkt te worden door een rijkdom
aan episoden, waarin de dichter zijn creativiteit zou kunnen uitleven
49. Het is duidelijk dat de zeer korte plot van
Scaliger gelijkgesteld kan worden met de opzet of
‘kale’ intrige van Heinsius en dat het uitwerken daarvan tot een
bonte veelheid dient te geschieden door middel van de episoden. In zoverre
Scaliger en Heinsius het zwaartepunt van de intrige verlegd hebben naar de
episoden, vertoont hun theorie een maniëristische inslag
50. De eenheid van handeling wordt daarin vooral een vereiste voor de
algemene opzet en de wijze waarop de episoden met de opzet worden verbonden,
terwijl in de episoden karakteriserende en onderhoudende vertellingen en
beschrijvingen volgens retorische procédés kunnen worden
gerealiseerd.
Wat de invloed van Scaligers en Heinsius' theorieën op
Bredero betreft, zal | | | | deze eerder indirect
dan direct zijn geweest. Bekend is de bewondering die
Bredero voor
Heinsius'
Lofsanck van Iesus Christus (1616) koesterde
51. Door zijn
opdracht van het
Moortje en de
Spaansche Brabander aan Heinsius' vriend
Jacob van Dijck (1564-1631)
52 gaf
hij bovendien duidelijk te kennen tot dezelfde vriendenkring te willen behoren.
Het mag dan ook niet uitgesloten worden geacht, dat hij door deze relaties ook
bekend is geworden met de hoofdtrekken van Heinsius' poëtica. Het is in
dit verband opvallend dat Bredero's behandeling van de ‘kale’
intrige en de episoden geheel overeenkomt met Heinsius' maniëristische
theorie daaromtrent.
| |
6.
Als de ‘kale’ intrige van de
Spaansche Brabander kan beschouwd worden de
hoofdlijn van de lotgevallen van Lazarillo de Tormes in Toledo en diens
anonieme, aan lager wal geraakte meester uit Oud-Castilië, zoals
beschreven in de hoofdstukken 15 t/m 24 van de Nederlandse vertaling (1609) van
de Spaanse schelmenroman (1554). Deze ‘kale’ intrige dient in het
stuk slechts als grondpatroon van het drama, geheel in overeenstemming met
Heinsius' theorie. Bij vergelijking tussen de hoofdstukken
van de schelmenroman en het drama blijkt dit grondpatroon te bestaan uit enkele
hoofdpunten van de handeling van de roman, die is teruggebracht tot drie dagen.
Ze draaien om de indiensttreding van de knecht op de eerste dag (1e
deel/bedrijf), de nadere kennismaking met de aard en levenswijze van de meester
op de tweede dag, geconcentreerd om het hoofdprobleem van de dagelijkse
maaltijd (tweede deel), de toenadering tussen meester en knecht als gevolg van
de strenge maatregelen van het stadsbestuur tegen de arme vreemdelingen op de
derde dag (derde deel), bezegeld door een goede maaltijd, die wordt onderbroken
door het verschijnen van de schuldeisers van de meester, een kort uitstel van
betaling en de vlucht van de meester (vierde deel); tenslotte wordt de
handeling afgesloten met een confrontatie van de knecht met de twistende
schuldeisers (vijfde deel). De tijdsdimensie van de handeling, die in de roman
duidelijk is aangegeven, is in het drama niet erg prominent, mogelijk als
gevolg van de bedoeling van de schrijver een niet te lang tijdsverloop te
suggereren om niet in strijd te komen met het aristotelische voorschrift van de
eenheid van tijd. Belangrijker is de lokalisering om enkele plaatsen in
Amsterdam: de huurwoning van de meester, de
Kloveniersburgwal en de Dam, waarvan enkele een
symbolische meerwaarde hebben: de woning als plaats van gebrek en de Dam als
ruimte van de stadsgemeenschap die zich keert tegen de arme vreemdelin- | | | | gen,
een sociale categorie waartoe de beide hoofdfiguren gerekend kunnen worden.
In overeenstemming met de klassieke traditie heeft de
‘kale’ intrige een duidelijk begin, een midden en een einde, op
grond waarvan zij een eenheid van handeling vormt. De kern van de handeling is
de geleidelijke ontmaskering van de pretenties van de meester. Geheel in de
lijn van de klassieke dramatische traditie verloopt de handeling volgens het
schema van prologus, protasis, epitasis en catastrophe, zoals dat
bij
Scaliger voorkomt in aansluiting op de drama-indeling
van de Romeinse grammaticus
Donatus
53. De prologus
of voorrede wordt uitgesproken door Jerolimo en is gericht tot het publiek met
als doel de hoofdpersoon aan het publiek voor te stellen en belangstelling voor
hem en zijn wedervaren op te wekken. Inhoudelijk draait hij om de
voortreffelijkheid van de Antwerpse levensstijl boven die van
Amsterdam
54. De protasis of voorspel bevat de presentatie van
de dramatische situatie en de motieven die Robbeknol ertoe brengen bij Jerolimo
in dienst te treden. De motivering is gelegen in de miserabele omstandigheden
waarin hij is geboren en opgegroeid. Verder bevat zij de confrontatie van de
Hollandse eenvoud met de zwier van de Antwerpse jonker
55. De
epitasis of middenspel biedt de verwikkeling van de handeling en omvat
de beginscènes van het tweede deel, waarin zich de ontluistering van de
meester in de ogen van de knecht voltrekt door de kennismaking met de armoede
van de huurwoning, de zedelijke onwaardigheid van de meester, die in plaats van
naar de mis te gaan het met een paar prostituées probeert aan te leggen,
en - last but not least - met de honger. Zij wordt voortgezet in het
derde deel, waarin Robbeknol het totale ontbreken van geld in Jerolimo's beurs
constateert
56, en bereikt vervolgens een hoogtepunt in
de afkondiging van de maatregelen tegen de arme vreemdelingen
57,
waardoor de ontluistering niet langer individueel is maar een sociale dimensie
krijgt. Een tweede hoogtepunt bereikt de epitasis in de confrontatie van
Robbeknol met een lijkstoet
58,
die als anticlimax werkt na het voorgaande gepoch van zijn meester en het
onverwachte voorhanden zijn van geld om aan eten te komen
59.
De gunstige keer in de strijd om het dagelijks brood is evenwel slechts schijn
en het verschijnen van de lijkstoet heeft dan ook een vooruitwijzende functie,
die voorbereidt op de volkomen nederlaag van Jerolimo en zijn schijnwereld.
Gezien het eigen karakter van dit derde deel, | | | | waarin de
ontluistering haar hoogtepunt bereikt, zou hierin de toepassing kunnen worden
gezien van de dramatische subcategorie van de catastasis of
voorbereiding van de ommekeer, een onderdeel van de epitasis waarin de
verwikkeling haar grootste intensiteit bereikt
60. Op de catastasis volgt in Scaligers
indeling de catastrophe of ommekeer van de handeling
61.
Deze is in de
Spaansche Brabander verdeeld over het vierde en
vijfde deel. In het vierde deel wordt Jerolimo gesteld tegenover zijn
schuldeisers en weet hij door de vlucht aan hen te ontkomen
62. De eigenlijke hoofdhandeling eindigt dan ook met
het vierde bedrijf. Omdat
Bredero had gekozen voor een drama-indeling in vijf
bedrijven of delen, zag hij zich genoodzaakt het stuk ook na de
beëindiging van de hoofdhandeling voort te zetten. Hij deed dit door de
gevolgen van de catastrophe voor Robbeknol en de schuldeisers uit te
beelden.
Op grond van deze analyse kan geconcludeerd worden dat de intrige
van het stuk te mager was om vijf bedrijven te vullen, jazelfs voor vier
bedrijven was zij te gering. Nu moge dit uit classicistisch oogpunt een gebrek
lijken, van maniëristisch standpunt uit was het eerder een voordeel,
aangezien de armoede van de hoofdhandeling de voorwaarde schiep voor een
rijkdom aan episoden, waarin immers volgens
Scaliger en
Heinsius de kunst van de dichter tot volle ontplooiing
kan komen. De vrijheid van de dichter in het opzetten van de episoden wordt
alleen beperkt door de eis deze op verantwoorde wijze met de hoofdhandeling te
verbinden
63.
| |
7.
De episoden in epos en drama hebben een dubbele functie, een
kwantitatieve en een kwalitatieve. De kwantitatieve functie bestaat erin het
stuk een passende omvang te geven, de kwalitatieve heeft ten doel de handeling
een grotere schoonheid en diepte te verlenen door haar betekenis met beeldende
kracht overtuigend voor ogen te stellen
64. De functie van de episoden in het | | | | dichtwerk is
analoog aan die van de ornatus in de redevoering: het verdrijven van de
verveling van het publiek door het brengen van afwisseling (delectare)
en het accentueren (amplificare) van de betekenis van het onderwerp door
het aanbrengen van emotionele momenten (movere)
65.
| |
7.1.
De kwantitatieve rol van de episoden kwam vooral in het geding in
die gevallen waarin de intrige op zichzelf niet rijk aan voorvallen was. Zo
maakt
Heinsius op grond van
Aristoteles'
Poetica onderscheid tussen een eenvoudige en een
ingewikkelde intrige. Van deze beide is de ingewikkelde intrige de rijkste door
het voorkomen van een herkenningsscène (agnitio) en een
plotselinge ommekeer (peripetia)
66. De
eenvoudige intrige dient te worden aangevuld met episoden teneinde een passende
omvang te krijgen
67.
De intrige van de
Spaansche Brabander wordt niet gekenmerkt door
een herkenningsscène en een plotselinge ommekeer. De ontluistering van
Jerolimo is daarentegen een continu voortschrijdend proces, dat wordt
waargenomen en beleefd door Robbeknol. Slechts in de nevenhandeling betreffende
Jerolimo en zijn schuldeisers kan van een ommekeer worden gesproken. In zijn
geheel valt het stuk dus onder de categorie van de eenvoudige intrige. Van de
door de literaire theorie geboden mogelijkheid deze op te vullen met episoden
heeft
Bredero een ruim gebruik gemaakt. Zijn episodenbehandeling
kan van classicistisch of zelfs maniëristisch standpunt uit gezien
overdadig genoemd worden, omdat hij de norm dat de episoden in het drama niet
te lang of te ver gezocht mogen zijn, heeft overtreden
68. De aristotelische leer veroordeelt immers de intriges
waarvan de episoden te los verbonden zijn
69.
We kunnen vaststellen dat sommige episoden van het stuk wel in het
gewenste waarschijnlijke verband met de hoofdhandeling staan, andere echter
niet. Zo is nog steeds niet duidelijk welke functie de scène met de
kwajongens Aart en Krelis
70 en de zg. knikkerscène
71 ten
opzichte van de intrige vervullen. Ook de scènes met de
‘klouwers’, bejaarde burgers die het wel en wee van de stad
bespreken, staan buiten het verband van de intrige
72. De uitweidingen | | | | over het leven en de
voorgeschiedenis van wel bij de intrige betrokken personages als de
prostituées, de spinsters en de schuldeisers zijn niet bepaald relevant
voor de handeling
73. Wat
ze alle gemeen hebben, is hun uitweidend karakter. Ze verschaffen geen
informatie die voor de intrige van belang is, maar des te meer over de sociale
context waarin deze zich voltrekt.
Ten opzichte van het
Moortje heeft
Bredero het digressieve karakter van de episoden nog
versterkt en we krijgen daardoor de indruk dat hij zijn eigen benadering van de
blijspelstructuur heeft willen handhaven tegenover die van
Hooft.
Bredero blijkt in zijn episodenbehandeling ook weinig
rekening te hebben gehouden met de eis dat deze niet te lang mogen zijn. De
lengte van de episoden is in vergelijking met de hoofdhandeling bepaald
aanzienlijk. We kunen ons dan ook afvragen of Bredero van de finesses van de
maniëristische episodentheorie op de hoogte is geweest of daarvan alleen
de hoofdzaken gekend heeft, zoals de theorie over de ‘kale’ intrige
en de rol van de episoden in verband met de dichterlijke vrijheid. Betekent nu
het autonome karakter van een aantal episoden, dat ook uit hun omvang blijkt,
dat
Bredero een revue-achtig stuk heeft willen geven, zoals
door Gielen is beweerd?
74
Gezien de opzet in vijf bedrijven of delen en de aanwijsbare
geleding in intrige en episoden, ligt het voor de hand ervan uit te gaan, dat
Bredero een renaissancedrama heeft willen maken. In
plaats van de toevlucht te nemen tot niet-historische verklaringen van
typologische aard, dienen wij te trachten de mogelijkheden tot een historische
verklaring, door aansluiting te zoeken bij de contemporaine theorieën,
zoveel mogelijk te benutten.
| |
7.2.
Bleek de kwantitatieve rol van de episoden in verhouding tot de
intrige overdadig en de samenhang met de intrige gering, de episoden hadden,
behalve een kwantitatieve en logische functie, ook een kwalitatieve, die van
variatio ten behoeve van een retorische ornatus en
persuasiviteit. Is deze in de classicistische poëtica's ondergeschikt aan
de hoofdhandeling, in de maniëristische theorieën is zij meer
autonoom en wordt bij de realisering ervan een belangrijke plaats toegekend aan
de retorica.
De retorische categorie waarmee de maniëristische
poëtica de episoden in verband brengt, is die van de expolitio
(verfijning), een gedachtefiguur waardoor een bepaald thema op steeds andere
wijze wordt uitgedrukt
75. Bepaalt de expolitio zich in de redevoering tot het
variërend weergeven van een gedachte, in de literaire genres van epos en
drama wordt zij vooral toegepast in het uitwerken van een gedachte in
bijzonderheden. Deze wordt dan als het | | | | ware opgesplitst in
afzonderlijke onderdelen (diairesis/partitio/divisio), die gedetailleerd
beschreven worden
76. Bij de
karakterisering van personen of zaken gaat het erom de behandeling zo levendig
mogelijk te maken door middel van de figuur van de evidentia of
descriptio (ecphrasis)
77. Wanneer de
beschrijving zeer uitvoerig is, gaat zij over in een digressio
(uitweiding), doordat dan in de beschrijving ook allerlei niet met het
hoofdthema samenhangende zaken worden opgenomen
78. Wanneer wij nu deze categorieën aan de episoden van de
Spaansche Brabander toetsen, kunnen wij
vaststellen dat deze daarin vrij consequent zijn gerealiseerd.
In de eerste plaats is het niet moeilijk een aantal episoden te
zien als beschrijvende uitweidingen van een hoofdgedachte: de ontluistering van
de wereld van de schijn. De retorische behandeling van de episoden als
uitwerkingen van een thema en niet als onderdelen van een
handeling brengt met zich mee dat het handelingsaspect van het drama
wordt achtergesteld bij het persuasieve aspect. De handeling krijgt daardoor
een emblematisch karakter. Ze dient immers om een bepaalde waarheid
aanschouwelijk te maken. De hoofdgedachte van de
Spaansche Brabander zou, retorisch gezien, zijn:
de ontluistering van de schijnwereld van sociale pretenties; de Antwerpenaar
Jerolimo zou daarvan dan de illustratie zijn. In de episoden zou deze
hoofdgedachte verder via het procédé van de
expolitio/partitio nader opgesplitst en uitgewerkt zijn. De
ontluistering van sociale pretenties is sterk aanwezig in de conversatie van de
‘klouwers’, die niet alleen hun gesprekspartners maar ook vele
andere medeburgers als bankroetiers aan de kaak stellen
79 en in de gesprekken van de
prostituées, die - als slachtoffer - de façade van het burgerlijk
fatsoen wegtrekken
80. De
onthulling van de levensopvatting van de schuldeisers Geeraert en Byateris, die
allebei beheerst worden door geldzucht, is al even ontluisterend en staat in
komische tegenstelling tot hun verontwaardiging als ‘fatsoenlijke’
burgers over de bedriegelijke praktijken van Jerolimo.
Mijn voorstel de episoden van het stuk te beschouwen als
toepassingen van de figuur der expolitio op dramatisch vlak sluit goed
aan bij de benadering die is voorgestaan door onderzoekers als Antonissen,
Prudon en Brumble, die de samenhang van het stuk vooral in de thematiek zochten
81.
Een tweede aspect van de kwalitatieve functie van de episoden is van
meer technische aard en betreft de wijze waarop de beschrijving is opgezet. De
retorische theorie beschikte op dit punt over een reservoir van gezichtspunten
of loci, die bij de opbouw van een beschrijving in acht genomen konden
worden en die de bepaling van tijd, plaats, oorzaak, middel en wijze | | | | betreffen
82. De invloed van deze techniek is duidelijk herkenbaar in de
beschrijving van de levenservaringen van de twee prostituées
83.
De personages om wie het gaat, zijn Bleecke An en Trijn Jans
(locus a persona); de zaak die zij te behandelen hebben, is de wijze
waarop zij tot hun beroep zijn gekomen (locus a re). Plaats en tijd van
hun vroegste avonturen (loci a loco et a tempore) komen in de
beschrijvingen het eerst aan de orde. Bij An is de plaats het huis waar ze als
dienstbode inwoonde en meer in het bijzonder de kamer waar ze de bedden
opmaakte, bij Trijn daarentegen is het een herberg in Haarlem. De
tijdsaanduidingen zijn enigszins vaag gehouden: An is al sinds haar veertiende
jaar in het ‘leven’, Trijn was eerst vijf jaar dienstbode en
‘raakte pas op 't wilt’, toen ze daarna op zichzelf ging wonen
84. Daarna volgt een uitvoerige beschrijving van de wijze waarop
de meisjes voor het eerst verleid zijn (locus a modo): bij An is dat het
dagelijks contact met het dienstpersoneel en de zoon des huizes, dat leidt tot
een slaapkamerscène
85, bij
Trijn ging het wat minder lichtzinnig toe: zij werd met een trouwbelofte
verleid en vervolgens in de steek gelaten. De locus a modo bood in beide
gevallen de gelegenheid de descriptio te verrijken met een levendige
narratio
86. In het verhaal van An vallen de loci a modo en a
causa samen, in dat van Trijn worden twee oorzaken opgegeven van haar val:
de noodzaak om aan geld te komen, nadat ze door haar vriend was bestolen en in
de steek gelaten, en de behoefte aan troost bij een nieuwe vriend
87.
De verschillende wijzen waarop de zedelijke val van de meisjes
plaats heeft, dienen niet alleen ter variatie van de
descriptio/narratio, maar ook ter illustratie van hun karakter en als
waarschuwend voorbeeld. De thematiek van de ontluistering komt in beide
gevallen goed tot haar recht, terwijl de beschrijving bijdraagt tot een goede
karaktertekening en inzicht verschaft in de maatschappelijke verhoudingen. De
toepassing van de retorische systematiek heeft bij
Bredero niet geleid tot vervreemding van het leven, maar
tot een goed doordachte doorlichting daarvan. De indruk van levensechtheid
wordt vooral bewerkt door de soepele wijze waarop de dichter de systematiek
heeft aangepast aan de bijzondere gevallen. Ieder personage heeft zo zijn eigen
descriptio gekregen.
Een belangrijk element van de episoden vormt verder de figuur van de
enumeratio of opsomming, waardoor een effect van levensvolheid wordt
bereikt in de opeenvolging van anecdotische verhaaltjes, die alle een bepaalde
grondidee of een karakter moeten uitbeelden. Dit is het geval in de weerkerende
chronique scandaleuse van de klouwers, de spinsters en de schuldeisers.
De | | | | overdaad aan anecdoten accentueert het digressieve karakter van
de episoden waarin ze voorkomen en draagt zo verder bij tot de overwoekering
van de hoofdhandeling, die typerend is voor de maniëristische structuur
van het stuk.
| |
8.
Tegen een karakterisering van de structuur van het stuk als
maniëristisch zou bezwaar aangetekend kunnen worden op grond van de stijl,
die in zijn realisme weinig overeenkomt met het kunstmatige en naar
sierlijkheid strevende karakter van het maniërisme. Inderdaad is de
Spaansche Brabander op het niveau van de
microstructuur niet typisch maniëristisch. In dit opzicht wijkt het stuk
dan ook af van grote gedeelten van het
Moortje, die wel een maniëristisch stempel
dragen
88. Heeft op dit punt de meer
bij de komedie passende stilus humilis of lage stijl
89 van Hoofts
Warenar als - bevrijdend - voorbeeld gediend?
90.
Een belangrijk verband tussen macrostructuur en microstructuur is
blootgelegd door G. Kazemier
91, die constateerde dat ‘ongeveer de helft van het spel is
geschreven in min of meer regelmatig gebouwde alexandrijnen, de rest in vrije
verzen. De gebonden verzen (volgen) meer van nabij de
Lazarus en de vrijere verzen (komen) ook naar de
inhoud uit Bredero's eigen koker of beschrijven personen en gebeurtenissen die
in het voorbeeld slechts zeer terloops worden genoemd’
92. Kazemier leidde hieruit af dat
Bredero bij zijn compositie eerst de hoofdhandeling op
basis van de gegevens van de Lazarus zou hebben samengesteld en daarna
de meer episodische gedeelten hebben toegevoegd. Deze wijze van compositie, zo
kunnen wij concluderen, volgt getrouw de raad die
Scaliger en
Heinsius op voorgaan van
Aristoteles hadden gegeven, dat de dichter eerst een
‘kale’ intrige moet opzetten en die later met episoden opvullen.
Uit deze compositie kan verder afgeleid worden dat in Bredero's conceptie de
intrige inderdaad de harde kern van zijn stuk uitmaakte, stilistisch gekenmerkt
door een meer formele | | | | versificatie. Daaromheen groepeerden zich de
stilistisch en compositorisch vrijere gedeelten: de episoden. Wij mogen dan ook
concluderen dat de intrige, hoezeer ook overwoekerd door de episoden,
structureel gezien het uitgangspunt vormde bij de compositie van het stuk.
De doorbreking van de klassieke proporties heeft overigens niet
geleid tot onsamenhangendheid of vormloosheid. De samenhang tussen de intrige
en de episoden als peilers van de dramatische structuur wordt op originele
wijze gewaarborgd door de emblematische verbinding daarvan met de thematiek van
schijn en wezen.
Een ander belangrijk tegenwicht tegen het diffuse karakter dat de
nadruk op de episoden aan de structuur van het stuk verleende, is
Bredero's symmetrische schikking van de onderdelen van
de intrige en de episoden, die door B.C. Damsteegt is ontdekt
93. Het gaat hier om het principe van de zg.
omsluiting, op grond waarvan het Lazarusthema als kernelement aan het begin van
het eerste bedrijf en aan het einde van het vierde bedrijf de episoden omvat.
Dezelfde figuur is aanwezig in het tweede en derde bedrijf, waar ook het
Lazarusthema de episoden omsluit. Het eerste en vierde bedrijf op zichzelf zijn
niet aldus gestructureerd, aangezien ze met een episode beginnen en eindigen.
Alleen het vijfde bedrijf is niet via deze techniek aan de voorgaande bedrijven
gekoppeld. Dit bevestigt mijn indruk dat de hoofdhandeling inderdaad eindigt
met het vierde bedrijf en dat het vijfde een toegift is. Wel wordt, zoals
Damsteegt opmerkt
94, het vijfde
bedrijf intern weer door de omsluiting gekenmerkt. Hij concludeert dan ook
terecht dat ‘bij de vormgeving van de
Spaansche Brabander
Bredero (heeft) getracht door een overwogen structuur de
twee heterogene hoofdelementen tot een eenheid samen te smeden’
95.
Bredero blijkt dus bij zijn compositie de dramatische
samenhang duidelijk op andere wijze dan
Hooft gestalte te hebben willen geven door de eenheid
van handeling te doen opgaan in een eenheid van thematiek. Hierdoor verkreeg
hij meer ruimte voor het invoegen van episoden. De daardoor ontstane
disproportie tussen hoofdhandeling en episoden heeft hij willen opvangen door
een symmetrische schikking, waarbij door centrale plaatsing van de onderdelen
van de hoofdhandeling deze als dragende elementen van de structuur naar voren
werden geschoven. In deze in hoge mate experimentele structuur gingen
dichterlijke vrijheid en theoretische bezinning op originele wijze samen
96.
|
1G.A. Bredero's
Spaanschen Brabander, ingeleid en
toegelicht door Prof. Dr. C.F.P. Stutterheim, Culemborg, 1974, p. 171 (vss.
252-254): ‘En as daar een paar vaans kan is / Met Dantsicker smockuel of
met dat mannelijck Rosticker bier, / Daar kan ick het me wel of sien voor een
uur, drie of vier’.
2Ibid., p. 244 (vss. 1176-1177):
‘Wat comter vrijdaachs en gherit ter poort indringhen, / Van
revelduytsche en van vreemde hommelinghen’. ‘Revelduytsch’ is
een woordspeling, die zowel op de inwoners van Reval / Tallin in Estland slaat
als ook op het gebroken Nederduits (revelen is wartaal uitslaan. Vgl. J. de
Vries,
Nederlands Etymologisch Woordenboek,
Leiden, 1971, p. 574 s. v.).
3J.P. Naeff,
De waardering van Gerbrand Adriaenszoon
Bredero (diss. Leiden), Gorinchem, 1960.
4Ibid., p. 98 (J. Prinsen); R.P.
Meijer,
Literature of the Low Countries, The
Hague/Boston, 1978, p. 125: ‘Actually, one can hardly speak of a plot.
What there is of it is no more than a framework in which the characters can
move. Consequently the play had little dramatic structure … it would be
the best to regard the play as a kind of revue, a series of scenes held
together by the two central characters’.
5R.C. Bakhuizen van den Brink,
M. de Vries: P.C. Hooft's Warenar, in De
Gids, VII (1843), p. 554-579.
7G.A. Bredero,
Spaansche Brabander, m. inl. en aant. door
Eelco Verwijs, Leeuwarden, 1869, p. XX.
8W.J.A. Jonckbloet,
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,
II, Groningen, 1872, p. 148.
9G.A. Bredero,
Spaansche Brabander, Uitg., inl. en aant.
door T. Terwey, Groningen, 1892, p. XV.
10G. Kalff,
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,
IV, Groningen, 1909, p. 169.
11J.A.N. Knuttel,
Bredero. Poëet en Amsterdammer,
Amsterdam, 1948, p. 164.
12B.C. Damsteegt,
G.A. Bredero's Spaanschen Brabander Jerolimo,
Zutphen z. j. (= 1978), p. 18.
13J. ten Brink,
Gerbrand Adriaensz Bredero. Historisch-aesthetische
studie van het Hollandsche blijspel der XVIIde eeuw, Leiden,
1888 2, p. 213.
14J. Prinsen J. Lz.,
Handboek tot de Nederlandse letterkundige
geschiedenis, 's Gravenhage, 1916, p. 283.
15J.J. Gielen,
Bredero en zijn Spaansche Brabander, in De
nieuwe taalgids, XXIX (1935), p. 391.
16R. Antonissen,
Bredero se Brabander, in Dietse
Studies. Bundel aangebied aan Prof. Dr. J. du P. Scholtz by geleentheid van
sy sestigste verjaardag, 14 mei 1965, Kaapstad/Assen, 1965, p. 1-24.
17G.A. Bredero,
Spaanschen Brabander Ierolimo, ingel. en van
toel. voorzien door H. Prudon S.J., Assen, 1968, p. 8-10.
18G.A. Bredero,
The Spanish Brabanter. A Seventeenth Century
Dutch Social Satire in Five Acts, translated by H. David Brumble III (Medieval
and Renaissance Texts and Studies 2), New York, 1982, p. 18-19.
19G.A. Bredero's
Spaanschen Brabander, Culemborg, 1974, p.
87-88.
20E.K. Grootes,
Zeventiende-eeuws drama: Bredero's Spaanschen
Brabander, in M. Spies (red.), Historische letterkunde,
Groningen, 1984, p. 65: ‘Het zou de moeite waard kunnen zijn deze vier
stukken (t.w. Teeuwis de Boer, Moortje, Warenar en de Brabander)
nog eens nauwkeurig te vergelijken, tegen de achtergrond van contemporaine
uitspraken over de comedie’.
21W.A.P. Smit,
Van Pascha tot Noah, 3 dln., Zwolle, 1956,
1959, 1962; L. Rens,
Genres in het ernstige renaissancetoneel der Nederlanden
tot 1625, Hasselt (B), 1977; M.B. Smits-Veldt,
Samuel Coster ethicus-didacticus. Een onderzoek
naar dramatische opzet en morele instructie van Ithys, Polyxena en Iphigenia,
Groningen, 1986.
22A.J.E. Harmsen,
La théorie du ridicule chez Madius et le classicisme
néerlandais, in Acta Conventus neo-latini
Bononiensis, ed. R.J. Schoeck, New York, 1985, p. 491-499; idem,
De tweeling van Plautus. Twee
zeventiende-eeuwse Plautus-bewerkingen, uitg. door B.F.W. Beenen en A.J.E.
Harmsen met een inl. van A.J.E. Harmsen en met taalk. medewerking van Prof. Dr.
B.C. Damsteegt, Utrecht, 1985; idem,
Onderwijs in de toneel-poëzy. De
opvattingen over toneel van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (diss.
Amsterdam), Rotterdam, 1989.
23G. Stuiveling e. a.,
Rondom Bredero, Culemborg, 1970, p. 35.
24J.H. Meter,
The Literary Theories of Daniel Heinsius. A
study of the development and background of his views on literary theory and
criticism during the period from 1602 to 1612 Assen, 1984, p.
71-72.
25S.F. Witstein,
Het erotisch-ethische referentiekader in Bredero's Stommen
Ridder en de betekenis daarvan voor het handelingsverloop van dit
spel, in De nieuwe taalgids 67 (1974), p. 439-448 en idem,
Bredero's Ridder Rodderick, Groningen,
1975.
27J.H. Meter,
Le matrici del Warenar, in Annali dell'Istituto
Universitario Orientale Filologia germanica, XXVIII-XXIX (1985-1986), p.
497.
29Spaanschen Brabander (ed.
Stutterheim), vs. 2223 en vss. 41-42.
30In zijn interpretatie van Bredero's
bedoelingen met het stuk houdt Stutterheim ( a.w., p. 90-91) m.i. te
weinig rekening met de unificerende functie die zulke zinspreuken hadden in het
rederijkersdrama.
31S.J. Lenselink,
De Nederlandse psalmberijmingen in de 16de eeuw van de
Souterliedekens tot Datheen met hun voorgangers in Duitsland en
Frankrijk, Assen, 1959, stelling XV.
32W.A.P. Smit et P. Brachin,
Vondel (1587-1679). Contribution
à l'histoire de la tragédie au XVII siècle, Paris, 1964,
p. 107-118; F. Akkerman,
Jefta bij Buchanan en Vondel. Van vroeg-klassiek naar
laat-barok, in M. Spies e.a., Joost van den Vondel
1587-1987, Leiden, 1987, p. 36-55.
33J.H. Meter,
Bredero e la ‘libertà
poetica’, in Annali dell'Istituto Universitario Orientale,
Studi nederlandesi/Studi nordici, XXV, Napoli, 1982, p. 15-287 en idem,
Amplificatietechnieken in Bredero's Moortje, in
Spektator, 14 (1984-85), p. 270-279.
35Zie o.a. J. Prinsen J. Lz.,
Gerbrand Adriaensz Bredero, Amsterdam, 1919, p.
140 en J.A.N. Knuttel, a.w., p. 168.
36Spaanschen Brabander,
vss. 1360-1361.
37P.C. Hooft,
Warenar, m. inl. en aant. van Dr. J. Bergsma,
herz. door Dr. C.A. Zaalberg, Zutphen, z.j., vss. 500-523; 694-753; 811-840;
950-979; 999-1015.
38Spaanschen Brabander, I, vss. 1-46,
175-243, 285-305, 306-453, 454-485; II, vss. 566-609, 618-713, 726-825,
840-869; III, vss. 1006-1141, 1150-1229, 1252-1377, 1416-1437; IV, vss.
1478-1539, 1646-1810; V, vss. 1950-2005, 2006-2092, 2224-2235.
39De door Bredero daaruit gebruikte passages
zijn als bijlage afgedrukt in Spaanschen Brabander, ed. Stutterheim, p.
367-385.
40J. ten Brink, a.w., III, p. 167; G.
Kalff, a.w., dl. 4, p. 168-169; vgl. ook de voorrede Tot den
goetwillighen Lezer: ‘Ic stel u hier naacktelijck en schilderachtich voor
ooghen, de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt’ ( Sp.
Br., ed. Stutterheim, p. 133).
41R. Bray, La formation de la doctrine
classique en France, Paris 1966 (1e ed. 1927); B. Weinberg, A History of
Literary Criticism in the Italian Renaissance, 2 dln., Chicago, 1961; K.
Meerhoff, Rhétorique et poétique au XVIe siècle en
France, Leiden, 1986.
42J.C. Scaliger,
Poetices libri septem, Lyon, 1561 (facs. ed.
Stuttgart, 1964); D. Heinsius,
De tragoediae constitutione liber, in quo inter caetera
tota de hac Aristotelis sententia dilucide explicatur, Leiden,
1611; editio auctior multo, Leiden, 1643; G.J. Vossius,
Poeticarum Institutionum libri tres, Amsterdam,
1647.
43M. Fuhrmann, Einführung in die
antike Dichtungstheorie, Darmstadt, 1973, p. 202-211.
45Aldus E.G. Kern,
The Influence of Heinsius and Vossius upon French
Dramatic Theory, Baltimore, 1949.
46J.C. Scaliger,
Poetices libri septem, III, cap. 97, p. 145b
(ed. 1964): ‘argumentum ergo est brevissimum accipiendum: idque maxime
varium multiplexque faciundum’.
47Q. Horatii Flacci Opera Omnia; cum notis
Dan. Heinsii. Accedit Horatii ad Pisones Epistola; Aristotelis de Poetica
libellus; ordini suo nunc demum ab eodem restituta, Leiden, 1610.
48J.H. Meter,
Literary Theories, p. 118-123.
49D. Heinsius,
Notae ad Horatii ad Pisones epistulam, Leiden,
1610, p. 133: ‘Artificium enim poetae in exodiis (= episodiis). Reliqua
accipit, non format’.
50J.H. Meter, Literary Theories, p.
123.
51Spaanschen Brabander
(ed. Stutterheim), p. 130: ‘VVat mensch is so lomp of duyster van
vernuft, die sonder bevveging en groot aandachticheyt, en recht-schapene
soeticheyt souvv konnen hooren of lesen de goddelicke Lofsang van Iesu Christo,
door den hoogen en uytgheleerden Daniel Heynsius gemaact? … Voor mijn,
ick mach vvel seggen dattet mijn hoogste Poësie is geweest, daar ick mijn
opperste ghenoegen in gehadt hebbe van mijn leven’.
52Over Van Dijcks mecenaat zie D. Hoek,
Haags leven bij de inzet van de gouden eeuw. Rondom Mr.
Jacob van Dijck (1564-1631), Assen, 1966, p. 135-152.
53J.C. Scaliger,
Poetica, I, cap. 9 en Euanthius, De
Fabula in
Donati Commentum Terenti, IV, 5 (ed. P.
Wessner, Leipzig, 1902-1908): ‘Comoedia per quattuor partes dividitur:
prologum, protasin, epitasin, catastrophen’.
54Spaanschen Brabander,
I, vss. 1-46.
56Ibid., vss. 486-565; 612-725;
826-955 en III, vss. 956-1005.
57Ibid., III, vss. 1144-1149.
58Ibid., III, vss. 1440-1477.
59Ibid., III, vss. 1378-1415.
60J.C. Scaliger,
Poetica, I, cap. 9: ‘catastasis est
vigor ac status Fabulae, in qua res miscetur in ea fortunae tempestate in quam
subducta est’.
61Ibid., 1.c.: ‘catastrophe
conversio negotii exagitati in tranquillitatem non expectatam’.
62Spaanschen Brabander,
IV, vss. 1812-1879.
63D. Heinsius,
Notae ad Horatii ad Pisones epistulam, p.
130: ‘Omne … episodium extra rem est: et cum ipso tamen argumento
cohaerere debet’. Cf. ibid., p. 131: ‘Nam in episodiis, tum
ut accurata sint per se, tum ut recte cum argumento cohaereant, totum, teste
Aristotele, artificium est’.
64V. Madius,
In Aristotelis librum De Poetica communes
explanationes, Venetië, 1550, p. 251: ‘iure factum fuit,
ut actio episodiorum interventu pulchrior ac perspicue magis appareret. Non
enim poetae munus est aride ac ieiune res exprimere, sed ornate ac expolite eas
ob oculos ponere’. Deze uitbeelding valt in de retorica onder de
categorie van de evidentia of descriptio. Zie hiervoor H.
Lausberg,
Elementi di retorica, Bologna, 1969, p.
197-198. Het systeem van de klassieke retorica is in 1587 door
H.L. Spiegel ook in het Nederlands uiteengezet in
Rederijck-kunst in Rijm opt kortst vervat,
Leiden, 1587, dat Bredero, naar ik veronderstel, gekend moet hebben. Over de
descriptio merkt Spiegel op: ‘Beschrijving/klaar bewerpt al s'zaax
omstandicheyd./ En schildert die voor oghen met bescheyd’ (H.L. Spiegel,
Twe-spraack - Ruygh-bewerp - Kort Begrip -
Rederijck-kunst, uitgegeven door W.J.H. Caron, Groningen, 1962, p.
205).
65H. Lausberg, a.w., p.
95-99.
66D. Heinsius,
De tragoediae constitutione liber, Leiden,
1611, p. 65: ‘Simplicem vocamus, quae cum sit continua ac una, sine
manifesta in contrarium mutatione aut agnitione ad finem deducitur;
ibid., p. 68: Implexa siue non simplex est fabula, quae cum aliqua
mutatione, quae fit in contrarium, aut agnitione, aut utraque simul, ad finem
procedit’. Cf. Aristoteles, Poetica, 1452a, 12-21.
67D. Heinsius, a.w., p. 66: ‘Erant
praeterea amplificandae. Hae amplificationes, quae nec necessariae neque tamen
praeter rem erant, episodia ab Aristotele dicuntur’.
68Ibid., p. 68: ‘Quo fiebat, ut
nonnunquam minus aptis, etiam subinde longe admodum petitis
uterentur’.
69Ibid., p. 67: ‘In porro istis
Episodiis, quae non minimum hodieque habent usum, duo sunt spectanda: primum,
ut cum argumento, tum ut secum vel verisimiliter vel necessario cohaereant. In
quibus autem hoc est praetermissum, episodicae ab Aristotele
dicuntur’.
70Spaanschen Brabander,
I, vss. 285-305.
71Ibid., I, vss. 454-485.
72Ibid., I vss. 306-453 en III,
1006-1229.
73Ibid., II, vss. 566-609, 726-825;
III, vss. 1252-1347; IV, 1646-1718, 1764-1809; V, vss. 2014-2041.
74J.J. Gielen,
Bredero en zijn Spaansche Brabander, in De
nieuwe taalgids XXIX (1935), p. 385-404.
75A.D. Leeman en A.C. Braat,
Klassieke retorica, Groningen, 1987, p.
130-131.
78H. Lausberg,
Elementi di retorica, par. 365, 369,
441.
79Spaanschen Brabander,
I, vss. 353-379, 1013-1090.
80Ibid., II, vss. 731-824.
82H. Lausberg, a.w., par.
40-42.
83Spaanschen Brabander,
II, vss. 731-823.
84Ibid., vss. 731-740;
780-800.
86Ibid., vss. 736-744 en
795-815.
89Ten aanzien van de bij de komedie passende
stijl was er geen eenstemmigheid onder de renaissancetheoretici. Er bestond
evenweel een sterke stroming ten gunste van het genus humile. Deze zette
reeds in bij Dante ( De vulg. eloq., II, 4, 5) en werd gevolgd door
Jodocus Badius Ascensius, Tommaso Correa e.a. in de zestiende eeuw (zie B.
Weinberg,
A History of Literary Criticism in the Italian
Renaissance, Chicago, 1961, p. 83 en 94). G.A. Viperano daarentegen
achtte de middelbare stijl ( genus medium) eerder passend voor de komedie
en reserveerde de lage stijl voor de klucht (G.A. Viperano,
De Poetica libri tres, Antwerpen, 1579 (facs.
ed., München, 1967), cap. XIV). Dit verschil hangt samen met de sociale
status van de personages die in de komedie optreden; voor de welgestelde
burgers is de middelbare stijl meer gepast, voor de gewone man de lage stijl.
Over de lage stijl merkt H.L. Spiegel,
Rederijck-kunst, p. 200 op: ‘Des spraax
slechte gedaant/Bruyckt daghelyxe reden/Duydlijke woorden naackt/Zonder die te
bekleden/Met pronck van sprueken cierlyck of gestalten vrij/Doch mijtmen dattet
niet heel zonder murgh en zij’.
91G. Kazemier,
De compositie van Bredero's Spaanschen
Brabander, in De nieuwe taalgids XXVIII (1934), p.
1-16.
92H. Prudon S.J., a.w., p.
11-12.
93G.A. Bredero's
Spaanschen Brabander Jerolimo, m. aant. van
Dr. F.A. Stoett, herzien en van een inl. voorzien door Dr. B.C. Damsteegt,
Zutphen, 1978, p. 14-16.
96Mijn conclusies, verkregen via een
retorische analyse, liggen geheel in de lijn van de benadering van het stuk
door E.K. Grootes,
Zeventiende-eeuws drama: Bredero's Spaanschen
Brabander, in M. Spies (red.), Historische letterkunde,
Groningen, 1984, p. 66: ‘Ik heb de indruk dat door Bredero
vormgevingselementen uit de klassieke komedie “gevuld” worden met
het nadrukkelijk presenteren van (verkeerd) menselijk gedrag. Hij doet dit via
verhalende beschrijvingen … De aanpak vertoont overeenkomst met die de
rhetorisch-belerende tragedies uit dezelfde periode’.
|
|