begin 

[p. 135]

Het boek alfa

[p. 137]

Aan het kruispunt had hij de modder zien samenstromen, de doorweekte aarde met de plassen, de kuilen, de karrensporen uit vier richtingen die op elkaar toe liepen, elkaar sneden, kwetsten, verder trokken, en overlegd of ze nu rechts zouden of links of gewoon rechtdoor, en toen heel lang geaarzeld en er beangst over gezwegen dat ze verdwaald waren, alleen gekeken, naar het kruispunt en naar de sporen in de modder en naar het drie paar modderschuitjes rond de zijne, rond zijn bespatte benen die de oudste waren en niet eens ouder dan acht. En in zijn benen de onwil om in beweging te komen, om het besluit te nemen dat hij toch en uiteindelijk nam, wijl hij de oudste was en hij ze veilig had thuis te brengen gelijk hij die morgen, uren, dagen, weken geleden beloofd had, met een ‘ja’ op de lippen en een ‘ja’ in de ogen en van boven tot onder een ‘ja’, ja en daarop dus niettemin in beweging kwam, een stap zette en nog een en al stappend rechtdoor koos, zonder waarom of daarom, tot de modder plotseling toehapte en zijn voet uit de schoen schoot, als een vingerwijzing.

Dat was het dus: een vingerwijzing. Hij hield zijn ene been opgetrokken, steunde op de schouder van zeven jaar die dicht tegen hem aan stond gedrukt, en keek toe hoe zes jaar zich bukte, de buidel voor diens buikje tussen de openstaande knieën klemde en de schoen uit de modder wrikte. Hij stak zijn voet weer in de schoen, wetend dat het een vingerwijzing was, dat het er niets meer toe deed of ze nu rechts gingen of links gingen of hoegenaamd niet gingen en dat ze

[p. 138]

pas licht zouden zien wanneer het volslagen donker werd. Hij zei: ‘Neem wat uit je buidel,’ tot de jongste die zachtjes begon te huilen, en hij ging de anderen voor naar het smalle baantje gras bezijden de weg, een onwaarschijnlijke halte tussen akkers zonder einde en wegen zonder einde, en opnieuw zei hij, omdat het kind niet ophield met huilen en er toch geen reden was om te huilen nu hij nog steeds niet had prijsgegeven dat ze verdwaald waren: ‘Neem wat.’ Maar de handjes bleven roerloos op de buidel rusten en hij merkte hoe verloren ze daar waren neergezet onder een hemel die vol modder stak, hun handen gevouwen over de buidels voor hun buik. Hij speurde de hemel af en rekende uit hoe lang het nog zou duren eer het volslagen donker werd.

Straks, tegen donker aan, zouden ze opnieuw in beweging komen, links de weg opgaan en halt houden ginds bij het groepje bomen, wat verderop verloren gezet in de modder, en zeven jaar en zes jaar zouden pootje voor hem staan en hij zou roepen, hoog uit de boom naar beneden, dat hij licht zag, om zo te zeggen vlakbij en dat hij het al die tijd precies geweten had: dat ze licht zouden zien zodra het volslagen donker werd. En dan rennen, recht op het erf aan, dwars door de akkers desnoods. Er zou ongetwijfeld een hond op het erf zijn, daar viel extra voor uit te kijken, tenzij ze zongen, het beest al van verre duidelijk maakten dat de dag nog steeds niet ten einde was want dat er immer nog waren die kwamen om hun buidels open te houden en te zingen en hij hoopte dat het beest er van langs om aan gewend was geraakt: aan het komen en gaan van kinderen die pas vijf waren en zes en zeven en acht en ouder ook, meisjes en jongens die zingend het erf opliepen, hun buidels openhielden en vluchtig ‘dank je’ zeiden of niets meer zeiden, slechts de hand uitstaken en haastig verder trokken; en dat er helemaal geen hond zou zijn hoopte hij, zodat hij niet aldoor dapper hoefde te doen alleen maar wijl hij de oudste was. Hij vond het wel grappig dat de hond (o ja, ze hadden daar vast een

[p. 139]

hond) nagenoeg de enige was die het doorhad dat de dag nog steeds niet ten einde was, want er kwam slechts geblaf uit het open deurgat met de dikke schaduwen erin en op slag was het erf gevuld met stroken geel licht en met handen die moederden en meelij hadden en in elkaar vielen met klapjes van ongeloof en bewondering en nog eenmaal werden de buidels opengemaakt, ofschoon er zo goed als niets meer bij kon, en toen was de kar er al, bespannen met de hond, de enige die begreep dat de dag nog niet ten einde was, al begreep hij wellicht dat dit nu toch en voorgoed de laatsten waren. Zij: de laatsten gelijk ze voordien de eersten waren geweest, die vroege ochtend toen ze zingend de deur uitgingen terwijl buiten de nacht nog over de aarde hing en in alle huizen en alle boerderijen de lampen waren opgestoken - licht dat walmde en rook naar petroleum, naar stalmest en baklucht en bedlucht en tantes - en tussen dit donker van de ochtend en het donker van de avond uren van lopen, kilometers van zang, een kabeltouw van liedjes dwars door het dorp gespannen, door de modder, de regen die dreigde, de grijsheid van de nieuwjaarsdag, en verder dan het dorp, langs akkers en erven en honden naar weer andere dorpen, aldoor zingend en buidels vullend, propvol, steeds zwaarder de molensteen van koekjes en fruit en chocola en muntstukken om de hals en toch nergens moe van.

Hij voelde plotseling hoe moe ze waren. De kleine hete vuist die vijf jaar bij hem in zijn jaszak had gestopt, brandde tussen zijn vingers. Hij gaf voorzichtig een drukje op de vuist, hoorde achter zijn rug zes jaar of zeven jaar langdurig in de modder plassen, zich omdraaien en weer postvatten naast zeven jaar of zes jaar die rechts en los van hem stond, niet tegen hem aan was gekropen gelijk de jongste wiens lichaampje zwaar tegen zijn lichaam leunde, te moe om nog te huilen, die nu uiteindelijk sliep met het hete hoofd bij hem in de elleboog gedrukt en met de slapende vuist bij hem in zijn jaszak gestopt zodat hij zich niet of nauwelijks durfde verroe-

[p. 140]

ren, niettemin gewaar werd hoe zes jaar en zeven jaar af en toe naar hem opkeken, hem ondervroegen zonder te vragen zoals hij op zijn beurt ondervroeg zonder te vragen wanneer hij af en toe opkeek naar de hemel en weer wegkeek over de vlakte en luisterde naar de stemmen die van alle zijden en dus van nergens kwamen. Stemmen daartussen vervuld van boosheid en onrust en vrees, in het halfduister samengetroept rond de kachel met de nog half gevulde eetketels op en vandaar weer uitzwermend in de richting van het venster met de opzij geschoven gordijnen en van de tafel met de besmeurde borden en de borden (merkte hij) die immer nog onaangeroerd stonden en op dat ogenblik, daar tussen venster en tafel, een opeenhoping van schrille en doffe en bijna fluisterende stemmen die een na een stilvielen, een poos lang zwegen, opnieuw opschoten en uitstroomden naar de deur hier en ginds en voor en achter het erf opliepen, tot het een van de stemmen te machtig werd, een fiets greep en het dorp inreed. Ja en vermengd met deze stemmen ook de stemmen die op hem afkwamen van diep uit de aarde en van laag uit de wind en van overal rond hem uit de grijze stilte, deze grijsheid die een stadium was tussen de nacht en de dag in en gans de dag door was het aldus een dag geweest die noch dag noch nacht was en wellicht bleef het nu zo, wie weet hoevele uren nog, grijs en maar steeds niet volslagen donker en zouden ze aanstonds toch weer in beweging komen, opstappen en aarzelen of ze nu rechts moesten of links of rechtdoor, wetend alleen dat ze verdwaald waren. En met de blikken van zes jaar en zeven jaar op zich gericht ontdekte hij dat ook zij het wisten: dat ze verdwaald waren en het niet anders kon of ze zouden vroeg of laat weer in beweging komen, wanneer hij maar eenmaal het sein daartoe gaf - en dat ze zwegen omdat hij de oudste was zoals hij zweeg omdat hij de oudste was. Scherp luisterde hij toe of hij tussen het praten van de aarde door niet het aanslaan van een torenklok hoorde en het was een nare gedachte, er ineens aan te denken hoe

[p. 141]

ze niet enkel verdwaald waren tussen hemel en modder maar ook verdwaald in de dag die nu zonder kleur en zonder uur en dus zonder tijd was en voor het eerst zeeg de angst op hem neer en dit was anders dan het bang zijn voor een hond op een erf of voor de hand van zijn vader en gelijkenis was er alleen met het beven dat over hem kwam iedere keer wanneer in de kerk het orgel een keel opzette of wanneer hij neerknielde in het duistere hokje om te biechten en nadacht over alles wat hij nooit had bedreven terwijl het daar in het hokje altijd weer leek of hij het wel had gedaan, keer op keer leek het zo en het bezwaarde hem dermate dat hij aan het eind van benauwenis loog en allerlei opbiechtte wat hij nooit had bedreven en hij ten slotte vergat dat hij loog, en toen meteen was ook de regen er, het wakker schrikken van vijf jaar die het hoofd bij hem uit de elleboog lichtte, de ogen naar hem opsloeg en niet huilde, alleen vroeg om naar huis te gaan, het moe vroeg, zich immer nog niet bewust dat ze verdwaald waren.

Met de vuist van vijf jaar tussen zijn vingers geklemd stapte hij opnieuw de modder in. Achter zich hoorde hij zes jaar en zeven jaar mee in beweging komen en even hield hij de pas in en toen ze naast hem liepen zei hij: ‘Zing.’ Hij zei het luid en onbedacht en proefde de warmte van het woord en voelde hoe nu en hier woorden slechts nodig waren om de warmte die ze gaven en nauwelijks om wat ze zeiden en opnieuw zei hij: ‘Zing,’ zette een lied in en zong, luider en krachtiger steeds tot de anderen hem bijvielen en ook vijf jaar de hete vuist losmaakte uit zijn vuist en zong, zodat alles weer net was als uren geleden toen ze van deur tot deur en van erf tot erf en van hoeve tot hoeve trokken, hoewel er thans heinde en ver geen deur of erf te bekennen viel. Na een poos drong het tot hem door dat ze reeds een heel eind aan het kruispunt voorbij waren getrokken en hij zich niet eens herinneren kon of ze nu rechts waren gegaan of links of rechtdoor en zo bleef er alleen het bewustzijn over dat ze in beweging waren

[p. 142]

en zongen, zingend opstapten door de modder, de regen, de grijsheid van de nieuwjaarsdag, hun handen gevouwen over de buidels voor hun buik.

[p. 143]

Dit ene ogenblik, dit ene ondeelbare lange ogenblik kromp de wereld, de niet-wereld, de niet-meer-wereld samen binnen het smalle vierkant van zijn gezichtsveld: toen triomfeerde het kleine huilen van het jongetje in het grote huilen van de straat, van de stad, van de wegen naar de stad en uit de stad en naar de steden verderop, het kleine huilen in het grote huilen van de trams die immer nog voorbijschokten, van de legercamions die toeterend op elkaar inreden, van de kinderwagens en fietsen en handkarren en onder de karren de honden en aan gene zijde van de honden de roffel van ergens een instortende muur, het grote huilen van de sirenes waar niemand nog naar luisterde en die ook wanneer ze zwegen voortdurend verder gilden, gilden door de keel van het jongetje; en in de blakende zon de koude onpersoonlijke stem uit de radio, de miljoenen stemmen (ook de hese, de dappere, de nooit vermoeide God-en-vaderland-stemmen) uit miljoenen radio's waarmee de ether was gevuld - en de lucht gevuld met het links-rechts links-rechts links-rechts binnen de muren achter zijn rug en ook nog, ver weg maar meegedragen door het stof van aftocht en opmars, het jammeren voor de altaren en het geweeklaag in de bedden der immobielen, en in de parken en tuinen het krijsen van opgeschrikte vogels en het piepen van uit hun nest gevallen jongen en geen geluid dat afwezig bleef, ook het zingen niet (het kwam aldoor nader, door de hemel, over het land, het rukte op in pantserwagens, op motorfietsen, achter propellers), heel het witte, verblindende gehuil van de opengebarsten dag dat uit het keeltje naar buiten gulpte zodat in die enkele seconden het kleine huilen gelijk was aan het grote huilen van de straat, de stad, van de wegen naar deze stad en de steden verderop. Toen verdween de handkar met bovenop het huilende jongetje en daarmee was de pijn er weer, in zijn rechterschouder waarover de riem zat en ook verder dan de riem, tot in de linkerschouder waarover geen riem zat, de pijn in zijn lenden, zijn kuiten, zijn voetzolen die brandden.

[p. 144]

En onophoudend de marsbevelen achter zijn rug, het bewegen binnen de muren achter zijn rug, hoorbaar, het bewegen vóór hem in de straat, hoorbaar, heel de omgewoelde stad die aan hem voorbijschoof, voorbijschokte, tolde, reed, rende. Hoorbaar. Nu zijn geweer afnemen, zich omdraaien, het geweer in het hok zetten en opstappen, langs de kazernepoort, meeplonzen in de stroom, de tram nemen en zeven halten ver rijden, uitstappen aan het Zuiderplein en de Kalenderstraat inslaan en even halt houden bij Schram, kijken naar het bloed op zijn witte slagersschort en zeggen: ‘Het is zover, Schram’ (maar misschien was Schram al weg), een pakje sigaretten kopen, bier kopen, een glimlach kopen, achteloos en argeloos kopen wat nog te kopen was overgebleven en het kleine meisje van Haling op de stoep van Haling over het hoofd aaien en maar weer verder stappen wanneer ook Haling en het meisje al weg waren (Haling weg en Brand weg en Vanna en Pacco en allen die een naam hadden waar vaag nog een gezicht op stond, één groot gezicht voor al de namen die in hem opkwamen; namen, klanken), stappen, niet meer de pijn voelen van het schildwacht staan, andere pijnen voelen, An voelen, met An in beweging komen. Hij wist dat daar de doodstraf op stond. Geen mens die het hem ooit had gezegd, hij kon zich niet herinneren dat het hem ooit was gezegd, maar hij wist het en het deerde hem niet, dat er de doodstraf op stond wanneer hij thans in beweging kwam, zich omdraaide en langs de kazernepoort naar de tramhalte liep: een soldaat die uit de rij stapte, een soldaat die zijn post verliet, zijn geweer in het wachthuisje had achtergelaten en plots in niets meer verschilde - tenzij verschilde door het uniform maar dit was geen verschil waar men acht op sloeg nu alle onderscheid was opgeheven in het onstuitbare bewegen waarmee de huizen leegliepen en de straten werden overspoeld en alle bestaan overspoeld, ook het denken en willen en voelen overspoeld zodat bewegen denken werd en er buiten dit bewegen geen denken meer aanwe-

[p. 145]

zig was en geen willen en voelen meer, daarbuiten niets meer - en dus in niets meer verschilde van de man in de handkar, van de man op de fiets, van de man naast de fiets met op het zadel de koffer en op de bagagedrager de bundel in een laken geknoopt linnen en links aan de stuurstang de handtas en rechts aan de stuurstang de kooi met de vogel erin en aan de kant van de kooi de vrouw, duwend, pratend tot de vogel, tot de fiets, tot de man aan de andere zijde van de fiets, in niets meer verschilde van de lui op de tram en van de conducteur die een uniform droeg net als hij en het droeg voor het laatst wellicht, straks zijn post verliet zonder dat daar de doodstraf op stond en het maakte al evenmin een verschil en hij vermoedde dat het nu wel definitief de laatste tram zou zijn, de allerlaatste (Zuiderplein, zegt u? Ja, ja, met de remise in de buurt van het Zuiderplein is dat boffen, tot daar schopt u het nog wel, zelfs met de allerlaatste nog. Ik wil er namelijk ook vandoor), en het verbaasde hem dat het niet reeds uren geleden de allerlaatste was geweest die zich moeizaam een weg baande door de hitte, stilhield aan de zeven halten en even zoveel keer stilhield voor de sirenes telkens wanneer die hun waarschuwing over de daken joegen hoewel toch niemand daarvoor de tram verliet, en nog vele keren stilhield voor de steeds dichter wordende stroom van lichamen en voertuigen waarmee de straten waren versperd en de uittocht door de uittocht was versperd, totdat in het horten van de uittocht de straten uren werden, maanden, jaren werden met langgerekt daardoorheen, door de uren heen, de maanden en de jaren heen, het zevenmaal zeven keer herhaalde ik wil ervandoor ervandoor ervandoor: en immer nog huilde hij niet, nog altijd niet, alleen zijn knietjes hield hij verbeten tegen elkaar gedrukt. Hij had zijn broekje laten zakken opdat het echt zou lijken moesten ze komen om hem te verrassen en mogelijk werd het ook echt, straks, direct, hij wist het nog niet. Hij kneep zijn hele lichaampje dicht, luisterde naar het joelen aan gene zijde van het deur-

[p. 146]

tje, naar de kinderen waar hij niet bij hoorde, de juffrouwen en de heren waar hij niet bij hoorde, de school waar hij niet bij hoorde en heel even vroeg hij zich af waar hij bij hoorde, zijn vader? zijn moeder? zijn kleinere broer? ja, hij geloofde wel dat hij hoorde bij hen allen die hoorden bij het huis dat hij kende, de kamer die hij kende, de kachel die hij kende, het bed dat hij kende, en er was de grote jongen die hij kende en waar hij tegelijk bij hoorde en niet bij hoorde en wie weet hoorde hij juist nergens bij en bij niemand bij en was er alleen dat ene gevoel van hoegenaamd nergens bij horen en het andere gevoel van tegelijk wel en niet bij horen maar nooit van echt en helemaal bij horen en zo was er ook niet echt een verschil tussen zijn vader en het huis en de grote jongen die zei: ‘Jullie zijn van de stad, jullie durven niet.’

‘Durf jij wat?’

‘Ja,’ zei de grote jongen.

‘Wat durf jij?’

‘Alles,’ zei de grote jongen.

‘Ook iemand slaan?’

‘Iemand slaan is niets,’ zei de grote jongen. ‘Ik sla mijn ouwe soms wanneer hij bezopen is, dat vindt hij grappig. Ik vind het ook grappig.’

‘Wat durf je nog meer?

‘Ik zei het al,’ zei de grote jongen, ‘alles. Jullie durven niets, jullie zijn van de stad.’

‘Misschien wil ik niet durven.’

‘Zie je wel,’ zei de grote jongen, ‘jou moeten ze wel slaan.’

‘Zou jij mij slaan?’

‘Ja, vast,’ zei de grote jongen. ‘Waarom sla je me dan niet?’

‘Het heeft geen zin,’ zei de grote jongen.

‘Wanneer heeft het een zin?’

‘Pas wanneer je slaat,’ zei de grote jongen. ‘Niet daarvoor en niet daarna.’

‘Ga je iemand slaan vandaag?’

‘O,’ zei de grote jongen, ‘misschien vandaag, misschien morgen. Op een dag zal ik heel hard slaan.’

[p. 147]

‘Tot iemand dood is?’

‘Ja,’ zei de grote jongen, ‘tot iemand dood is. Op een dag zal ik iemand doodslaan, dat weet ik heel zeker.’

‘Vin je dat prettig?’

‘Dat weet ik nu nog niet,’ zei de grote jongen, ‘maar ik geloof niet dat ik het erg prettig vind.’

‘Waarom zal je dan iemand doodslaan?’

‘Omdat het moet,’ zei de grote jongen.

‘Waarom moet het?’

‘Je moet durven,’ zei de grote jongen.

‘Zal het iemand zijn die bezopen is?’

‘Dat hoeft niet,’ zei de grote jongen. ‘Iemand die bezopen is kan ook durven. Het zal iemand zijn als jij, iemand die van de stad is en niet durft. Ja, zo iemand zal ik doodslaan. Hier,’ zei de grote jongen, ‘houd deze haak vast.’

‘Dat is geen haak.’

‘Dat is waar,’ zei de grote jongen, ‘het is geen haak. Het is een speld waar ik een haak van gemaakt heb en dus is het toch een haak en heb je ook geen gelijk.’

‘Dan heb ik tegelijk wel gelijk en niet gelijk.’

‘Nee,’ zei de grote jongen, ‘je hebt geen gelijk. Hoe meer je praat hoe minder je gelijk hebt. Jullie in de stad doen niets dan praten. Houd asjeblieft de haak behoorlijk vast, het touw moet er stevig aan, anders lukt het niet.’

‘Wat ga je uitvoeren met de haak en het touw?’

‘Een spelletje,’ zei de grote jongen. ‘Heb jij maïskorrels in je zak?’

‘Hoeveel wil je er hebben?’

‘Eén is genoeg,’ zei de grote jongen. ‘Je kan maar één korrel tegelijk op de punt van de haak prikken. Het is een hele kunst, de korrel er goed op te prikken.’

‘Kan je met zo'n haak ook vissen?’

‘Niet met een maïskorrel op,’ zei de grote jongen, ‘met wormen. Met maïs voeder je kippen.’

‘Voeder je kippen met een haak en een touw?’

[p. 148]

‘Je bent dom,’ zei de grote jongen. ‘De haak is om de kip te vangen. Zie je die dikke daar? Die nemen we.’

‘Dat is geen spelletje, je weet al bij voorbaat wat je gaat vangen.’

‘Ja,’ zei de grote jongen, ‘maar de kip weet er lekker niets van.’

‘Waarom geef je die rukjes aan het touw?’

‘Om het spelletje te laten duren,’ zei de grote jongen.

‘Zie je, nu ben je te laat, de kip heeft de korrel al gepikt.’

‘Ja,’ zei de grote jongen, ‘en de haak ook.’

‘Wat doe je nu met de haak?’

‘Die blijft in de keel van de kip,’ zei de grote jongen, ‘daar zit die hartstikke vast. En nu lopen.’

‘Ik voel niets voor dit spelletje.’

‘Loop,’ zei de grote jongen, ‘dan moet de kip ook lopen. Als ze niet loopt wanneer wij lopen dan scheurt d'r hele bek open.’

‘Je doet het beest pijn.’

‘Beesten voelen geen pijn,’ zei de grote jongen.

‘Wel.’

‘Niet,’ zei de grote jongen.

‘Wel.’

‘Mij best,’ zei de grote jongen. ‘Als je nu ook maar een sikkepit geeft om de kip dan loop je. Wanneer je niet meedoet, als je weigert te lopen, dan scheur ik de kip d'r hele bek open.’

‘Dat is niet durven, dat is gemeen.’

‘Je bent dom,’ zei de grote jongen. Vandaag of morgen loop je net zo met een haak in je bek, let erop. Je zal gillen en in 't rond springen en met je armen slaan en je zal net een domme kip zijn met een haak in d'r bek. Zo zal het zijn, let erop.’

‘Schei ermee uit.’

‘Ja,’ zei de grote jongen. ‘Het is vervelend. Kippen zijn dom.’

‘Heb je nu al iemand doodgeslagen?’

‘Nog niet,’ zei de grote jongen, ‘maar dat komt. Wanneer je volgend jaar met vakantie komt zal ik zeker iemand hebben doodgeslagen.’

[p. 149]

‘Wat heb je daar in die zak?’

‘Ik zal het doen met een mes,’ zei de grote jongen.

‘Wat zal je doen met een mes?’

‘Iemand doodmaken,’ zei de grote jongen.

‘Waarom met een mes?’

‘Omdat ze ook mijn vader hebben doodgemaakt met een mes,’ zei de grote jongen.

‘Wanneer hebben ze je vader doodgemaakt?’

‘Vorige winter,’ zei de grote jongen. ‘Ik heb het van dichtbij gezien. Mijn vader was het vlugst, maar de ander werd gemeen. Ze waren allebei bezopen.’

‘Zijn de gendarmen geweest?’

‘Ja,’ zei de grote jongen, ‘en ze hebben me meegenomen ook. Maar ik heb ze lekker niets gezegd.’

‘Waarom heb je niets gezegd wanneer je toch gezien hebt hoe ze je vader hebben doodgemaakt?’

‘Wij zeggen nooit wat aan de gendarmen,’ zei de grote jongen, ‘ook niet wanneer we erbij zijn geweest. Ze wilden weten of ik misschien iets afwist van het mes en ik zei wat voor een mes jullie hebben toch al een mes en ze zeiden ja maar het tweede mes en ik zei dat ik helemaal niets afwist van een tweede mes en dat was natuurlijk niet waar want ik had het mes al lang weggestopt en nu heb ik zelf ook een mes om iemand mee dood te maken.’

‘Ga niet op die zak zitten, er beweegt iets in.’

‘Ik heb het bloed eraf gehaald met as uit de kachel,’ zei de grote jongen. ‘Ik heb het mes weer helemaal schoongemaakt.’

‘Wat zit er in die zak?’

‘De kat,’ zei de grote jongen.

‘Wat voor een kat?’

‘De kat om dood te maken,’ zei de grote jongen.

‘Je huilt.’

‘Ik huil nooit,’ zei de grote jongen.

‘Ik zie dat je huilt. Waarom wil je op die zak gaan zitten?’

[p. 150]

‘Om de kat te versmoren,’ zei de grote jongen.

‘Dat doe je niet.’

‘Ik voel de kop bewegen tegen mijn achterste,’ zei de grote jongen. ‘Kijk hoe ik me nu laat zakken, zo zwaar als ik ben, recht op de kop van de kat.’

‘Je huilt en ik zal je slaan wanneer je gaat zitten en dan zal je nog harder huilen.’

‘Als je me slaat haal ik het mes,’ zei de grote jongen, ‘en huilen doe ik niet.’

‘Heb je nu al iemand doodgemaakt?’

‘Neen,’ zei de grote jongen, ‘ik wacht tot ik soldaat word. Als ik soldaat ben zal ik iemand doodmaken, niet eerder. Als je soldaat bent kunnen ze je niets wanneer je iemand doodmaakt.’

‘Ik word geen soldaat.’

‘Wacht maar,’ zei de grote jongen. ‘Iedere jongen wordt soldaat.’

‘Ik niet.’

‘Je bent dom,’ zei de grote jongen. ‘Zal ik je eens wat vertellen? Als je soldaat wordt zullen ze je verplichten iemand dood te maken, dan moet je wel durven. Als je soldaat bent en je doet niet mee, als je weigert iemand dood te maken wanneer ze je zeggen dat je iemand moet doodmaken dan word je gewoon zelf doodgemaakt. En als je niet wil soldaat worden wanneer ze je zeggen dat je moet soldaat worden dan komen de gendarmen en jij bent bang voor de gendarmen.’

‘Jij ook.’

‘Ik niet,’ zei de grote jongen. ‘Was ik bang voor de gendarmen die keer toen ze me meenamen nadat ze mijn vader hadden doodgemaakt?’

‘Zal jij niet bang zijn als ze komen omdat je iemand hebt doodgemaakt en niemand je gezegd heeft dat je iemand moest doodmaken?’

‘Niet wanneer ik soldaat ben,’ zei de grote jongen.

[p. 151]

‘Als je soldaat bent is het nog altijd beter iemand dood te maken ook wanneer niemand je wat gezegd heeft dan het niet te doen als ze je eenmaal gezegd hebben dat je 't wel moet doen.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ik weet het,’ zei de grote jongen. ‘Kom je volgend jaar nog met vakantie?’

‘Neen,’ zei hij, ‘ik wil niet meer,’ en aldoor, de tanden op elkaar geklemd, herhaalde hij ik wil niet ik wil niet, en toen ging de bel en het joelen op het plein voor de school viel hortend stil en toen was het plotseling heel stil en hard tegen de stilte in klonken de bevelen van de heren en de juffrouwen en hij hoorde de kinderen voortschrijden naar de klassen, hoorde hen verdwijnen onder de bevelen en voor even verdwenen ook de bevelen en al direct waren ze daar terug, kwamen uit de openstaande ramen de speelplaats over, drongen bij hem binnen, stapelden zich op in het weeceetje waar hij volkomen vergeten zat neergehurkt en hoewel hij slechts zijn broekje had laten zakken voelde hij zich als het ware in zijn blote lijfje zitten, bloot onder de bevelen die op hem neerkwamen en het leek wel of hij op de wereld was gezet om voortdurend in zijn blootje te staan en voortdurend bevelen te aanhoren en hoe harder hij de oren dichtkneep hoe veelvuldiger ze werden; ze stroomden op hem toe uit de vensters van de klassen en ze klonken op uit de keuken en de slaapkamer en ook in de kerk en op de straat en op de speelplaats waren ze en er was haast geen minuut op de dag die zonder bevelen was en het begon al vroeg met hop uit je bed en hop bidden en hop een plasje doen en het ging voort met hop bidden en hop eten en hop bidden en hop een kus aan je vader die opstapt en hop een kus aan je moeder die thuisblijft en hop je tas en hop je broer en hop recht naar school met aan de hand je tas en je broer en voort met hop bidden en hop zwijgen en hop spelen en hop ophouden met spelen en hop aan het bord en hop je les en hop je kneukels en hop de

[p. 152]

armen omhoog en hop de armen omlaag en voort met hop bidden en hop zwijgen en hop zingen en hop ophouden met zingen en hop honderd keer schrijven ik moet behoorlijk leren zingen en hop tweehonderd keer schrijven ik moet zingen wanneer mij bevolen wordt dat ik moet zingen en hop driehonderd keer schrijven ik moet het gezag van mijn heer erkennen en hop drieduizend driehonderd keer schrijven ik moet ik moet ik moet ik moet en voort met hop bidden en hop recht naar huis en hop naar de kerk en hop op je knieën en hop je hoofd buigen en hop je zonden en hop vergiffenis vragen voor al je zonden (voor de bal die je gestolen hebt of voor de bal die je niet gestolen hebt maar waarvan iedereen zegt dat je hem gestolen hebt zodat je hem ten slotte toch gestolen hebt en voor de vuile manieren die je hebt gedaan toen de grote jongen zei dat meisjes het anders doen dan jongens en je daarop zei dat wil ik zien en de grote jongen zei kom mee dan laat ik je wat zien) en hop gehoorzaam zijn en hop voor één keer liegen, en hop voor één keer liegen dat je niets hebt gezien van wat je hebt gezien die nacht met je vader en je moeder en de tafella met het grote mes erin dat reeds op de vloer lag toen je binnensloop (en dat je niets hebt gehoord of gezien van wat je hebt gehoord en gezien die andere nacht toen het vakantie was en het kermis was en de vaders beneden in de herberg rond de biertafels zaten en ook de moeders in de herberg zaten en elkanders borsten maten en de vaders riepen en de moeders lachten en de vaders naar de moeders liepen en iedere vader een andere moeder nam om de borsten te meten) en hop in de processie en hop neerknielen in het stof en neerknielen in de modder en knielen op de keien en knielen in de sneeuw en hop lammetje zijn en hop engel zijn en hop Jezus zijn en hop heilig zijn en hop meedoen en heilig zijn en meedoen en heilig zijn en voort met hop bidden en hop de handen vouwen en hop bidden voor je grootmoeder die ziek is en hop bidden voor je grootvader opdat hij gezond moge blijven en hop bidden voor je andere

[p. 153]

grootmoeder die al lang geleden is doodgegaan en je doopmeter was dat-weet-je-nog-wel en hop bidden voor je andere grootvader die nog altijd niet is doodgegaan en al bijna honderd jaar is en je dooppeter is dat-weet-je-toch-ook en hop bidden voor je ouders en je broer en de bisschop en de koning en de koningin en hop een kakje doen en hop naar je bed en hop op je rug en hop op je zij en hop de ogen dicht en hop naar de hemel en hop naar de hel en voort voort en nog was dit alles niet, nog oneindig meer bevelen waren er en er waren de vuisten van de vrouw die achter haar visstalletje vandaan sprong nu hij ijlings uit het weeceetje was gevlucht, over de speelplaats was gerend en de poort door en de straat op en daar op de straat de markt, de menigte, de stalletjes, de geuren, de stemmen die hem tegenhielden, en de vrouw die achter haar visstalletje vandaan was gekomen, de vuisten naar hem opstak en hem terug de school in joeg, dreigde met haar vuisten en haar buik en haar stem die bevelen gaf, riep dat ze de gendarmen zou roepen en luider riep toen hij opnieuw begon te rennen terwijl het zweet hem in de ogen drupte en pas de brug onderdoor had hij het allemaal achter zich, de school, de markt, de vrouw, het hameren van de bevelen door zijn hoofd, één ogenblik lang stond hij opgelucht te hijgen in de zon en dan was het ogenblik alweer voorbij, lag de dreiging opnieuw vóór hem: het thuiskomen en het opbiechten dat hij van school was weggelopen en erger en moeilijker dan deze biecht de vraag die onontwijkbaar zou volgen en erger en moeilijker dan de vraag het antwoord daarop dat nooit een antwoord zou zijn, zwijgen zou zijn, misschien huilen zou zijn, en weer de vraag en geen antwoord daarop en nog eens de vraag en geen antwoord en nog eens en aldoor waarom? waarom? waarom? (en desnoods ook van huis maar weggelopen, dat had hij daarstraks reeds overwogen maar het toen ineens niet gewild en het niet gewild omdat hij echt niet wist waarheen, er geen ander waarheen overbleef dan het huis dat hij kende, de ka-

[p. 154]

mer die hij kende, het bed dat hij kende), en tegelijk daarmee het besef dat het nergens toe diende dat je ergens van wegliep want dat zoveel nieuwe bevelen en zoveel nieuwe klappen al voor je klaar lagen terwijl je voor de vorige nog steeds op de loop was en je dus bestendig en zonder ophouden op de loop was en dat het een heerlijk ontsnappen moest zijn kon je uren en dagen en weken zo staan en net zoveel uren en dagen en weken zo staan als je zelf maar wilde, hijgend in de zon, alle spanning van je afgevallen, staan tot niets aan je lichaam nog bewoog, een pilaar uit de kerk in de zon gezet (pilaren, stelde hij zich voor, kregen nimmer wat te verduren, je zou er alleen moeilijk in slagen heel lang pilaar te staan want er zou al gauw iemand opdagen die je vader was of je heer was of een priester was of zo maar een jongen was en die niet wilde dat je daar pilaar stond en je een por gaf en zei dat je een luiaard was en een lafaard was en een verrader was omdat je daar pilaar stond in de zon en niet meedeed), of wel liggen, roerloos en eindeloos, ergens waar het nergens was en waar niemand je vroeg om mee te doen, en ineens floot hij, liep fluitend naar huis en de trap op en hij begreep dat hij zich voor de zoveelste keer verraadde, wist dat ook zij daarboven ervan wisten: dat het deuntje al zijn verdriet en zijn schrik en zijn ongeluk verraadde en hoe hij straks zou huilen wanneer de afstraffing er was maar nog floot zolang hij erop af ging en zich flink wilde houden, floot om aan te tonen dat er heus niets aan de hand was met hem en juist wijl hij floot verraadde hoeveel er wel aan de hand was zodat fluiten reeds gelijk stond met huilen, en misschien ook hadden zij het door dat het pas goed was wanneer hij niet floot, niet praatte, niet bewoog, zweeg, luisterde naar het zingen dat opklonk achter de deur die een poos geleden was dichtgegaan. Hij had het meisje bij de hand genomen maar ze had zich losgerukt en ze was gaan zitten op de berg van houtkrullen en zelf had hij zich neergelaten op de grond, leunde tegen het stapeltje planken aan en luisterde naar de stem die tot hem doordrong

[p. 155]

alsof het werkhuis geen deur had die was dichtgegaan of zelfs helemaal geen muur en hij deed sst! toen aan de overkant het meisje aanstalten maakte om te praten. Nu en dan trilde het timmergerei boven de schroefbank zachtjes mee en hij zag het gereedschap keurig in de rekken hangen - er glom wat licht op hier en daar in het schemerdonker waar de rekken waren, ginds tussen de lage ramen met de berookte ruitjes en met de tralies ervoor die bruin roest nalieten op zijn handen en dan haalde hij bruine strepen over zijn gezicht en speelde Indiaantje met het roest dat van de tralies kwam, en er hingen webben tussen de tralies met spinnen en met muggen en vliegjes die door de spinnen waren doodgezogen -, zag de houtbeitels en de winkelhaken en weer andere haken en de schroevendraaiers en de schaven en het hakmes en de boren en de hamers en nog meer gereedschap waarvan hij de naam niet kende en het hing daar of het nooit meer gebruikt zou worden en toch werd het nog bijna dagelijks gebruikt, dat wist hij wel, alleen werd het iedere avond zorgvuldig in de rekken gedaan en toen het daar eenmaal hing en het ernaar leek of het nu voor altijd was opgeborgen, deed zijn grootvader de deur van het werkhuis achter zich dicht, ging in de kamer ernaast in zijn zetel met links de grote staande klok en rechts de klok die nog veel groter was, ging midden in het getiktak van zijn klokken zitten en zong gelijk hij dat iedere avond deed nadat het gereedschap keurig was opgeborgen en dan bleven in het werkhuis alleen de houtkrullen onopgeruimd liggen, ze groeiden tot de hoge zachte berg waarop het meisje zat en die dag reikte de berg tot waar nu de knieën van het meisje wit opstaken onder de zwarte schort en hij vroeg zijn grootvader hoe hoog hij dacht dat de berg zou worden en zijn grootvader zei dat hij het waarachtig niet wist en er ook niet over had gedacht, maar het zou vast niet hoger dan de zoldering zijn en die kon hij raken met zijn vingertoppen wanneer hij eerst op het hakblok en van het hakblok op de schroefbank klom maar nu klom hij niet

[p. 156]

zo gauw meer, dat moest hij begrijpen, en daarop vroeg hij zijn grootvader waarom alleen de houtkrullen onopgeruimd bleven liggen tot ze een berg waren die voortdurend hoger werd en zijn grootvader zei dat iedereen mocht zien dat het werkhuis een werkhuis was waarin gewerkt werd en het was niet uitgesloten dat hij iedere morgen opnieuw begon juist omdat de krullen er al lagen en er de hele nacht door hadden gelegen zodat het leek 's morgens of hij niet eens was weg geweest, en daarop vroeg hij zijn grootvader wat hij alles maakte in het werkhuis en zijn grootvader zei dat het deuren en vensters waren, ook nog wel een dissel of een putgalg soms, maar toch vooral deuren en vensters, en daarop vroeg hij zijn grootvader voor wie de deuren en vensters waren die hij winter en zomer onverpoosd maakte en zijn grootvader zei dat ze waren voor de mensen die deuren en vensters nodig hadden voor hun nieuwe huizen, en daarop vroeg hij zijn grootvader waarom ginds naast de deur reeds zoveel deuren en vensters stonden die lang geleden gemaakt waren, het was niet te tellen hoeveel vakanties geleden al en waarom hij voortging met deuren en vensters maken voor mensen die niet kwamen en zijn grootvader zei: ‘Ik bezit een werkhuis en timmergerei en hout ook god zij dank en ik moet toch voortgaan met deuren en vensters maken zoals ik mijn hele leven gedaan heb zolang ik een werkhuis en timmergerei en hout heb en niet ziek word,’ en daarop vroeg hij zijn grootvader of hij nu gauw ziek zou worden en zijn grootvader zei dat hij vrijwel nooit ziek was geweest, ook toen de mensen wegbleven was hij niet ziek geweest, maar dat hij ziek zou worden moest hij ophouden met deuren en vensters maken, en daarop vroeg hij zijn grootvader of hij nu al honderd jaar was, keek naar het brilletje en het glas met de barst erin en naar de druppel tabakssap in de ene mondhoek die nauwelijks een mondhoek was omdat er bijna geen mond was met de dunne lippen die zijn grootvader had en daarop werd de druppel iets dikker, waarschijnlijk omdat zijn grootvader

[p. 157]

glimlachte, en hij deed sst! toen het meisje op de krullen alweer aanstalten maakte om te praten. Het zingen hield even op en het werd stilaan donker in het werkhuis en het meisje jammerde zacht zijn naam, maar hij antwoordde niet, en ze riep nog eens en toen zong zijn grootvader opnieuw en hij wist dat het een heel lang lied was en het was een treurig lied, vond hij, en wanneer het uit was zou het reeds erg donker zijn in het werkhuis en hij merkte dat het meisje rechtop was gaan staan. Ze spreidde haar benen, trok haar schort op tot hoog onder de kin, hurkte neer en hij hoorde haar water stroelen over de krullen en ook nadat ze klaar was bleef ze zo zitten, gehurkt en de knieën gespreid, en hij keek van onderop naar de witte vlek die haar buik was en ze verroerde niet, bleef aldoor naar hem staren met haar knieën uit elkaar en hij voelde de vlek die haar buik was wit en brutaal naar hem kijken en zijn grootvader zong tot het bijna volslagen donker was in het werkhuis en het tussen de knieën van het meisje reeds lang donker was. Toen was het lied uit en nog geruime tijd bleef het meisje zitten, kwam pas overeind toen ze nog slechts een zwarte schaduw was in haar zwarte schort en langzaam daalde ze de krullen af, schoof geruisloos langs hem zonder hem nog aan te zien en ze bleef staan voor de deur waarachter het volkomen stil was geworden en ook in het werkhuis heerste stilte, alleen de houtkrullen ritselden af en toe en hij kon horen hoe het meisje stond te ademhalen voor de deur waarachter zijn grootvader zat en zweeg en toen sloeg ze hard en met haar beide vuisten tegelijk op de deur, één keer sloeg ze en ze riep dat ene woord, langgerekt en zangerig met de lange zangerige o daarin, zot riep ze en ze vluchtte het werkhuis uit en het was of de stilte eerst nu en echt was ingetreden. Nog heel lang daarna bleef het stil en hij bad dat zijn grootvader zou opstaan uit zijn zetel, wel twintig keer bad hij daarom: eerst zouden de kasten van de klokken worden opengemaakt en de gewichten worden opgetrokken en daarop zou zijn grootvader een kruiste-

[p. 158]

ken maken en naar bed gaan zoals iedere avond nadat het gereedschap in de rekken was gedaan en de krullen waren blijven liggen en het zingen voorbij was en thans was alles voorbij en daarbinnen was er niets dat bewoog of verschoof. De planken waar hij tegenaan leunde drongen steeds dieper in zijn rug en hij speurde in het donker naar de deuren en de vensters die gisteren en eergisteren en lang voordien waren gemaakt en voor niemand waren en dus ook geen deuren en vensters waren, niet echt, keek naar de berg van houtkrullen waarop het meisje had gezeten met de vlek die haar buik was wit en brutaal tussen haar gespreide knieën, en naar het timmergerei in de rekken en naar de ramen met de tralies en daartussen de webben waarop de muggen en de vliegjes kleefden die door de spinnen waren doodgezogen en omzichtig, op handen en voeten, kroop hij door het werkhuis naar de deur toe en hij legde zijn oor tegen de deur. Aan de andere kant hoorde hij de klokken tikken, niets vernam hij dan het tikkend ademhalen van de klokken en hij bleef knielen tot de vloer van hardgestampte aarde zijn knieën gevoelloos maakte en hij wilde opstaan en naar binnen gaan, wilde zeggen dat er helemaal geen meisje was geweest dat hard op de deur had gebeukt en zot had geroepen - of zeggen dat het heus niets bijzonders was als ze zot riepen, vaak riepen ze wel erger dingen en soms bleven ze stom, kwamen gewoon op je af met hun handen in hun broekzakken en met hun vriendelijke gezichten waarmee ze naar de biechtstoel gingen en naar de communiebank gingen en naar de prijsuitreiking gingen om de beloning voor hun voorbeeldigheid in ontvangst te nemen en ze keken je vast in het wit van je ogen en eerst vroegen ze niets en daarop vroegen ze minzaam of je meedeed en ze gingen weer weg wanneer je neen zei en nadien kwamen ze met z'n allen terug, allen die ja hadden gezegd en het niet gedurfd hadden neen te zeggen kwamen op je af en dan kwamen de handen uit de broekzakken te voorschijn en zo begon het, omdat je neen had gezegd en het niet

[p. 159]

gedurfd had ja te zeggen en nu zag je zelf dat het niets om het lijf had als er eentje was die zot riep en meteen weer wegholde, dat was het meest onschuldige dat iemand je kon aandoen -, en hij wilde opstaan en wegsluipen in de avond daarbuiten over het land en hij wilde zijn hoofd tegen de deur te ruste leggen en inslapen misschien en het liefst toch was hij naar binnen gegaan, maar hij deed het niet, bleef zitten in het donker heel dicht bij de aarde en omgeven door de geur van hout en eindelijk, ver weg op het erf, werd zijn naam geroepen en hij begreep dat hij nu weldra in beweging moest komen dat hij dit steeds weer zou hoeven te doen, wanneer ze riepen en ook wanneer niemand om te roepen was overgebleven en ook je naam niet was overgebleven om te roepen, daar was geen ontsnappen aan, zelfs niet wanneer je soldaat was en schildwacht stond en je heel goed wist dat je de doodstraf kreeg zodra je in beweging kwam. En de gedachte hield hem bezig dat op dit ogenblik Haling en zijn dochter voorzeker reeds vertrokken waren, en Schram ook waarschijnlijk, en Vanna en de anderen, wellicht was de hele buurt reeds vertrokken en was alleen An gebleven, alleen An nog in het lege huis in de leeggelopen straat waar de zon op stond en hij ontkwam niet aan de straat waaruit alle leven en alle bewegen was verdwenen - de gevels dood in de rij (de deuren en de ramen dicht en de gordijnen toegeschoven en de rolluiken neergelaten, het rode bij Schram, het grijze bij Brand, het groene voor het pompstation, de groene poort van de school gesloten en alle groen van voor de vensters gehaald en voor de groentewinkel van Jolas de bakken weggebracht - bakken met appels erin, met peren erin, met tomaten erin, met witte kool en rode kool en groene kool en wortelen en aardappelen en sla, bakken met tuinen en seizoenen om te kopen erin - en boven het verlaten trottoir het tentzeil opgedraaid en kind noch dier op de stoeprand bij Haling, bij Brand, bij Varma, bij Pacco, voor de deur van Karcher de afval opgeruimd en de kratten opgeruimd met de kippen erin

[p. 160]

die de morgen door kakelden dat ze doodgingen zodat de hele buurt er een morgen lang aan doodging, een zee van niets meer langsheen de gevels) en de plaveien en de kinderhoofden dood aan elkaar in de grond en dood daaroverheen de schaduw van de huizen, en van de daken de schaduw van de schoorstenen en de antennes en een duivenhok hier en daar waaruit ze de duiven hadden losgelaten vooraleer ze vertrokken waren - en hij voelde zich beroerd om deze straat met niets meer daarin in het hart van de stad die dreunde zonder verpozen en gaandeweg harder en harder dreunde. Even moest hij de ogen sluiten voor de opkomende pijn in zijn hoofd en dan waren ook de andere pijnen er weer, de pijn in zijn schouder, zijn lenden, zijn voetzolen die brandden; de pijn van het uniform dat kneep rond zijn nek, zijn lichaam beknelde en de angst in hem opdreef. Steeds heviger werd nu het schudden van de grond onder zijn voeten, onder de straat, onder de huizen in de rij die een ogenblik lang over de straat naar elkaar toe helden, wankelden en zich weer oprichtten, tot het opgeworpen stof zijn ogen prikte en hij het door zijn tranen heen stond aan te zien hoe de muren in elkaar stortten en de schoorstenen op hun schaduw ploften en de gevels neerkwamen op de kinderhoofden, steen dat beukte en brak op steen. En al die tijd geen geluid dat bij hem binnendrong. Niets was er te horen van het geweld waarmee het geweld door de straat joeg, vernietigde wat al vernietigd was en wegnam wat niet eens meer bestond sedert de ramen waren dichtgedaan en de deuren gesloten en de rolluiken neergelaten en alle groen voorgoed was weggebracht, zodat nog eens en zonder zin werd gedood wat reeds eerder op de dag was doodgegaan en dus daarom wellicht geen geluid bij hem binnendrong, daarom niet: wijl nog eens en zonder zin werd gedood wat al vroeger op de dag was doodgegaan en het wel nooit was te horen wanneer de dood door de dood werd omgebracht. Ook toen het schudden van de grond onder zijn voeten stilaan minder werd, de muren waren neergehaald en

[p. 161]

het puin de straat had dichtgelegd was er niets te horen, slechts het schrapen van zijn keel en het proesten van zijn mond die het stof uitspuwde en verder niets. Er waren geen kreten om te aanhoren en er zouden ook geen tranen zijn om te drogen, er zou geen bloed zijn om te stelpen moest hij op zijn knieën zoekend het puin in kruipen, geen zou er zachtjes zitten jammeren omdat er een onder de muren was verdwenen niet één die ooit zou weten dat en hoe en wanneer de straat uit de stad was genomen. Tenzij An. En nu hij de ogen weer opsloeg en de aanval van beklemming uit hem was weggevloeid, was het hem bijna een opluchting dat er tenminste iemand was en dus de straat nog niet volkomen was uitgestorven, al was het ook ontstellend dat het An was die daar was, alleen An nog. Hij moest nu spoedig bij haar zien te komen, opdat ze niet alleen zou zijn om bang te zijn in het lege huis tussen de huizen die alle waren leeggelopen en niet alleen om er bij te zijn wanneer straks de lege buurt met geweld uit de stad werd genomen, en ineens verlangde hij dat ze zouden blijven, samen, niet weggaan: roerloos aan het raam de straat in leven houden, de gevels in leven houden, de deuren en de ramen in leven houden, en het trottoir en de kinderhoofden en het dienstmeisje rechtover dat de stenen schrobt en zich bukt en haar dijen laat zien, dijen om Schram in leven te houden - (voor één pond gehakt, Schram, iedere vrijdag hier aan het raam en kijken maar, voor één pond gehakt, vlees om vlees) en An die foei! zegt (en ach! zegt wanneer ze komen met het ophaalkarretje voor de reu van Vanna die oud is en dik en grote harde knoedels heeft rond zijn geslacht en te oud en te dik is om nog voort te leven), foei Schram zegt en ach Vanna en neen Pacco en ja Haling -, Schram en Vanna en Pacco en Haling in leven houden, winkeltje spelen en huwelijkje spelen en begrafenisje spelen, leven spelen, roerloos op een stoel aan het raam en op het raam de zon en zij beiden in de zon zwijgend, de handen in de schoot gevouwen en luisterend naar het praten van

[p. 162]

de straat; en hij wist dat hij voortaan altijd en overal de straat zou horen, dat zij er altijd zou zijn, zolang hij luisterde, en behoedzaam zei hij: ‘Dag!’ Dag, zei hij, maar ze hoorde niet, en hij zei het nog eens, niet te luid, en toen ze nog steeds niet antwoordde liep hij wat dieper de kamer in en hij bleef staan bij het tafeltje met het crucifix op en met aan weerszijden van het crucifix de kaarsen die brandden, en even stak hij de hand uit naar het palmtakje bovenop het kopje met het gewijde water erin, maar hij nam het takje niet op, liep door naar het bed en hij legde zijn arm rond haar schouders en ook dan bewoog ze niet. Ze had de handen in de schoot gevouwen en onafgebroken hield ze de blik daarop gericht, alsof zijn vader op haar schoot lag waar haar handen lagen en haar handen, zag hij, waren gevouwen gelijk die van vader, met de vingers wat stram in elkaar gestrengeld en de kneukels wit, en alles was nu wit waar zijn vader voor het laatst mee te maken had gekregen: zijn zuivere hemd en het kussen en de lakens en de zakdoek waarin het gebedenboek was gewikkeld dat zijn kinnebak schoorde en ook de baardstoppels op zijn kin waren wit, alleen de witte handen van moeder lagen in haar zwarte schoot en ze hief het hoofd niet eens op toen hij ‘dag’! zei en ook niet toen An zei: ‘Nu moet je eten, ma,’ en ze zei pas ja toen hij vroeg of de doodbidder was geweest. ‘Ja,’ zei ze, ‘twee keer,’ en daarop zweeg ze weer, en praatte vader die op haar schoot lag waar haar handen lagen en nu weer aldoor luisterde naar haar en misschien al eens ja zei of neen zei wanneer ze vroeg of hij wat wilde, maar waarschijnlijk wilde hij niets, zoals hij vrijwel nooit meer iets had gewild sedert die keer en nooit meer anders was geweest sedertdien dan een man die luisterde en niet ophield met luisteren zolang zij praatte en het dus haar beurt was om te praten tot hem, en ook daarna nog luisterde hij, nadat er niemand meer praatte en ze allen zwegen wijl ze reeds vele keren die dag aan de beurt waren geweest, en vaak zwegen ze allen, allen die in de kamer waren. In zulke ogen-

[p. 163]

blikken keek zijn vader luisterend de kamer rond en dan bleven zijn ogen geduldig luisteren bij zijn moeder die zweeg en ze dwaalden naar zijn broer die zweeg en ze kwamen ook bij hem die zwijgend met de anderen in de kamer zat en alleen hierom huiverde: dat ze nu allen zwegen en het zijn beurt was om te praten tot zijn vader en hij hoegenaamd niets wist te bedenken dat luidop te zeggen was. En het liefst nog had hij luidop gezwegen, niet de lippen op elkaar geklemd alles gezegd waarvan zijn gedachten waren vervuld en al de woorden bovengehaald die diep in hem aanwezig waren en er toch niet waren om er luidop mee te praten en er ineens niet meer waren zodra hij eraan dacht hoe ze nu allen zaten te wachten op hem. En omdat het zijn beurt was om te praten en niemand wat zei, zei hij: ‘Ze hebben nu fietsen met twee versnellingen.’ Om ermee tegen de wind in te rijden, zei hij, en glimlachte, en praatte maar, en zijn lippen werden droog en al gauw sloeg hij de ogen neer voor de ogen die aan zijn lippen hingen en niet weken en niets vroegen, niet keken, luisterden, ginds in de zetel aan het raam waarin zijn vader zat die luisterde naar hem met zijn hele lichaam, met zijn knieën die hij stijf tegen elkaar hield gedrukt en zijn vingers die gestrekt op de leuningen lagen en met de leuning waartegen zijn rug lag en niet alles wat in de kamer aanwezig was, de portretten aan de muur, Lourdes aan de muur, Jezus en Maria aan de muur, en Maria op de kast onder een stolp en naast de kast de naaimachine, en de stolp van de naaimachine op de vloer tegen de grote klok aan die hard tikte en hardop luisterde, harder en harder tikte, oorverdovend luisterde. Tot aan het eind zijn adem stokte en hij blij was toen zijn vader al eens ja zei of neen zei. ‘Zo,’ zei hij, ‘twee keer.’ ‘Ja,’ zei ze nog, zonder op te kijken van de handen in haar schoot waarop de kou van de kamer en de kou van het bed zich hadden neergezet, ‘en hij heeft twee keer de maat genomen.’ En opnieuw zei An: ‘Nu moet je eten, ma,’ keek dan hulpeloos naar hem op en zei: ‘De koffie is alweer

[p. 164]

koud,’ en alweer en alweer zei ze en zijn vader zei: ‘We mogen Ons Heer niet verzoeken,’ legde zijn krant opengespreid op tafel, fixeerde de breinaalden die op zijn borst waren gericht, en zijn moeder zei: ‘Het geld hoort in de kleerkast te liggen,’ en zijn vader zei dat het zo hoorde, ‘daar horen we naartoe te gaan,’ zei hij, en zijn moeder zei: ‘Zie je wel,’ en zijn vader zei en zijn moeder zei en aldoor dacht hij: monden, ik heb geen ouders maar monden, andere jongens hebben een vader en een moeder maar ik heb een vader die een mond is en een moeder die een mond is, ja en dat was het wat hij bezat, een mondma en een mondpa die niet ophielden met praten tot elkaar, zo maar en nergens over, en eindeloos ermee doorgingen en zich nauwelijks bewust waren dat hij daar zat, ergens op de vloer tegen de muur geleund en het stelletje lucifers gereed in zijn vuist, wachtend tot de eerste trein kwam. En hij legde een lucifer naast zich op de vloer, rechts tegen zijn dij aan, toen de eerste trein kwam en over de stem van zijn vader reed, en hij legde een lucifer links tegen zijn dij aan toen de tweede trein kwam en over de stem van zijn moeder reed, en ook de volgende lucifer legde hij links, en dan rechts weer, en links weer, en daarop kwam het donker bij hem in de kamer zitten, wat op afstand nog, in de hoeken het eerst, en onder de tafel, en achter de kachel die niet brandde omdat het bijna zomer was en hij vond het jammer dat de kachel niet brandde en er geen rode paarden meer waren op het plafond en de ketel geen stoom gaf die zacht sissend over hun stemmen reed en even wachtte hij nog, haalde uit zijn linker broekzak een doosje te voorschijn en borg de treinen erin op die over de stem van zijn moeder hadden gereden, en hij diepte een doosje op uit zijn rechter broekzak en stopte daarin de treinen die over de stem van zijn vader hadden gereden en omzichtig; op zijn knieën, kroop hij naar de tafel toe, borg zich op in de donkere doos tussen de poten, liet hun stemmen roffelen op zijn dak, en hoog daarboven was er het grote dak waaronder zijn broer

[p. 165]

sliep en straks, tussen een ja en een neen in, zouden ze de lamp opsteken en hem naar boven jagen, naar het grote dak waaronder zijn broer sliep en hoog boven het dak daarboven sliep de stem van God en op een dag zou de stem van God over hen heen rijden, het zou ontzettend donker worden en ze zou komen als een ratelende donderslag, zonder bliksem en zonder verwittiging, ineens en verschrikkelijk, en over de tafel zouden hun stemmen stilvallen, niet eerder, pas wanneer de stem van God kwam en de muren beefden en de ruiten trilden in de ramen en het ganse huis trilde, en later werd het heel stil, alsof er niemand meer op de wereld was en ook in de kamer niemand meer, tenzij de klok, en hij wist dat ze nu een kruisteken maakten in het donker en bang waren, ze hielden de adem in en zwegen, lang nadien nog, lang nadat de stem van God over hun stemmen had gereden, en eindelijk zei ze: ‘Dat had je nooit mogen doen, man.’ Ze zei het ergens hoog boven hem terwijl hij met zijn gezicht tegen de aarde lag gedrukt en de prikkeldraad in zijn bovenlip drong en het nog eens gebeurde, in een flits, nog eens zijn vader die zei: ‘Zeg het’, en hij die neen zei, en eerst niets zei maar hardnekkig het hoofd schudde, neen met het hoofd naar het ja uit het rode hoofd dat nu dicht bij hem was en niet ophield met ja zeggen zodat hij niet ophield met neen schudden en dan was er niets meer dat telde dan dit ja van zijn vader en dit neen van hem en hij begreep dat niet eens meer telde wat hij gedaan had of niet gedaan nu alleen nog telde dat hij neen zei wanneer ze wilden dat hij ja zei, en hij bleef maar schudden met het hoofd en neen zeggen, hoewel het misschien toch ja was, een ander ja dan hun ja, en dus was het neen, wijl ze nooit zouden begrijpen dat het ja van zijn vader een ander ja was dan zijn ja wanneer hij eenmaal bekende en ja zei; tot hij zich losrukte en wegliep en het nog één keer riep, het schreeuwde bijna toen hij opnieuw werd vastgegrepen en de klap zijn gezicht trof zodat hij languit in het gras tuimelde met zijn mond op de prikkeldraad en hoog in de lucht boven

[p. 166]

hem zijn moeder zei: ‘Dit had je nooit mogen doen, man.’ En één ogenblik lang voelde hij niets, rook de geur van de aarde en de geur van de zomer die opsteeg uit het gras en met zijn lichaam onbeweeglijk in het gras leek het of hij voortaan nooit meer iets zou voelen, zijn hele verdere leven niet, en hij moest eraan denken hoe hij straks zou opstaan uit het gras als iemand die niets meer voelde en niets zou voelen van wat met hem ook gebeurde en hoe hij voortaan en wat met hem ook gebeurde alleen nog zou zien wat ze deden en zou horen wat ze zeiden en hoe het nooit meer erg zou zijn wat ze deden of zeiden, want het zou zijn alsof hij er niet bij was, niet echt, niet als iemand die voelde. Ver weg hoorde hij de woorden van zijn moeder zich vermengen met de geluiden in de lucht en terwijl de woorden langzaam afdreven en daarop het branden in zijn mond voorgoed kwam opzetten en ook het branden van de klap in zijn aangezicht hevig opkwam, drongen de geluiden dichter en dichter op hem toe. Ze doken één na één naar beneden en ze hielden stil bij zijn oor en het was alsof er slechts één geluid tegelijk in de lucht was en hij hoorde ze alle, alle die in de lucht waren en er toch niet samen waren, hoorde de vogel die floot, de kerkklok die luidde, de vrouw die zong, de auto die toeterde, het kind dat huilde, de hond die blafte, de radio die schetterde, de stem die riep, de stem die lachte, hoorde de plons in de vijver en het joelen op het plein en de trein door de grond en heel even was er niets meer te horen en daarna was er niets meer dan het zwijgen van zijn vader waarmee de lucht was gevuld, urenlang, dagenlang, - en maanden en jaren nadien nog de kamer gevuld en het huis gevuld met dit zwijgen dat luider had geklonken dan alle stemmen die hij kende en dwingender was geweest dan alle bevelen die hij ooit had gehoord en geen uur meer was er verlopen waarin ze niet allen en ieder om beurt aan dit zwijgen gehoorzaam waren, zijn moeder gehoorzaam, zijn broer gehoorzaam, en hij gehoorzaam telkens wanneer zijn vader de ogen bij hem te luisteren had gelegd en dat was

[p. 167]

vele keren op een dag en het waren ook vele nachten geweest, wanneer iedereen sliep en hij duidelijk hoorde hoe het huis stond te luisteren in het donker en hij stilletjes was beginnen te praten tot het donker dat in de kamer was en tot de ogen die ook in het duister van de nacht niet ophielden met luisteren, nooit meer hadden opgehouden sedertdien en ook thans nog luisterden: nu ze voorgoed waren dichtgegaan en zijn moeder roerloos op haar stoel naast het bed zijn vader in leven hield, de witte handen gevouwen in haar zwarte schoot en onafgebroken de blik daarop gericht, zodat ze niet eens opkeek toen hij ‘dag!’ zei en ook niet toen An zei: ‘Nu moet je eten, ma,’ en niet één keer opkeek zolang hij daar stond met zijn arm rond haar schouders geslagen, wegkijkend over de tafel met het crucifix op, de kaarsen die niet brandden, het palmtakje bovenop het kopje met het gewijde water erin, en het teken betastte dat voor altijd in zijn bovenlip was gegrift, een scherpe witte lijn van zijn neus naar zijn mond die nooit meer was weggegaan; en reeds lang was zijn vader die dag van hen weggegaan toen hij aan de hand van zijn moeder door de straten naar huis trok, de rooddoordrenkte zakdoek tegen zijn mond gedrukt en in zijn mond de smaak van de aarde en de smaak van het bloed dat onstelpbaar vloeide en bij iedere stap zijn zakdoek roder kleurde, tot langs de weg steeds meer voorbijgangers de pas inhielden en bleven staan, het hoofd schudden en verder gingen, en hij toch aldoor dacht: dit heeft niets te betekenen. Dit had niets te betekenen omdat het al eerder was gebeurd, en vaker. Het deed ook geen pijn, niet noemenswaard, er was alleen het beetje pijn in zijn arm die ze daarstraks met een snok hadden opgedraaid tegen zijn rug, maar dat had er niet wezenlijk mee te maken, bleef er om zo te zeggen buiten. Niet langer dan een halve minuut en het zou voorbij zijn, dertig seconden. Dertig seconden lang zou de fabriek de adem inhouden, toezien hoe hij gehoorzaam zijn hoofd in de lijm dompelde, dieper en dieper, zijn lippen vissend naar het muntstuk dat

[p. 168]

op de bodem lag. Ze hadden het muntstuk onder luid gejubel in de teil geworpen en iemand in een besmeurd blauw werkpak gehuld had als een gek rond hem gedanst en gezongen: Je hoofd gaat de lijm in de lijm in de lijm in, maar hij had niet bewogen, zich ook niet verweerd, ook niet voor deze doop. Dertig seconden rekende hij, of misschien niet eens, twintig wanneer hij geluk had. Wat betekenden twintig seconden, of dertig, wat betekende één minuut zonder adem in de eindeloosheid van dit middaguur, van deze dag, deze week, de maanden die kwamen, wanneer de tijd stilstond en het al eerder was gebeurd, elders en een beetje anders omkleed maar in de grond toch eender, en het straks opnieuw zou gebeuren, elders en een beetje anders en toch weer eender, en daarna opnieuw en opnieuw? Twintig seconden waren niets, of dertig, ook wat daarna kwam was niets, wat daarna kwam zou gelijken op wat ervoor was geweest omdat wat ervoor lag reeds lang een daarna was, en ook wat daarvoor lag en daarvoor en daarvoor, alle voor een na voor zover hij zien kon en dus bestond er geen voor, slechts een na, en ook geen na, wijl alle na er al geweest was, daarvoor, van de baarmoeder af en aan haar voorbij, altijd, morgen ook. Het had niets te betekenen. Hij moest nu stevig de ogen dichtknijpen, er blind aan beginnen met de lippen op elkaar geperst en zijn mond pas opendoen op het allerlaatste ogenblik, desnoods zijn tong er met een tipje laten uitsteken, of de lippen stulpen. Hij mocht vooral niet aarzelen. De klem waarin zijn pols zat schroefde dicht en nog eens werd zijn arm met een snok opgedraaid tegen zijn rug, zodat hij opnieuw door de knieën ging en schreeuwde, kort, om het mes dat door zijn nekspier sneed. De klem ontspande wat en hij greep blindelings naar de teil, schoof haar over de werkbank naar zich toe, drukte haar met zijn vrije hand tegen de borst aan en probeerde de walm die opsteeg van zich af te houden, kon het niet beletten dat de weeë lucht zich vastzette in zijn maag, vocht met zijn ingewanden. Ook dit

[p. 169]

was al eerder gebeurd, en vaker, dit misselijke vechten van zijn ingewanden, dit krampen binnenin dat geen pijn deed - en daarna het trage leeglopen van zijn lichaam dat geen pijn deed en telkens weer was hij verbaasd daarover: dat het leek alsof hij langzaam leegliep en het bloed uit hem wegtrok en zijn gebeente en zijn spieren en alles uit hem wegtrok wat hem samenhield en hij toch en ondanks alles overeind bleef; en omdat het geen pijn deed was vaak dit het erge: dat hij toch en ondanks alles overeind bleef, hoe dan ook. Zijn neus raakte het lauwe oppervlak dat zacht tegendrukte en bijna weldadig aandeed, als een huid, en vanzelf stulpte hij de lippen, verstijfde dan weer onder de druk op zijn achterhoofd. Het bevel klonk ineens ver weg en de druk op zijn hoofd verdween, alleen de pijn in zijn arm bleef nog, even, tot hij ook geen arm meer bezat en niets meer bezat en niets meer was dan een hoofd dat behoedzaam lager zakte in de brij die zich vastzoog aan zijn mond, zijn aangezicht, vloeibaarder werd naarmate hij dieper zonk, warmer ook. Ergens werd nog geroepen, gejuich klonk op en verstomde meteen toen de vloeistof zijn oren vulde en hij voorgoed alleen was met de donkere, eindeloos diepe schoot die ontvankelijk voor hem openging en hem opnam, teder bijna. Zijn lippen en zijn neus raakten gelijktijdig de bodem. Zijn slapen begonnen te kloppen en tussen zijn benen spande het. Het tipje van zijn neus moest nu ongeveer in het midden op de bodem staan, op het punt in de teil waar de seconden samenkwamen. Tastend schoof hij zijn neus een eindje vooruit, naar de rand van de teil toe, schoof hem terug naar het midden, naar links dan, en weer over het midden naar rechts, tekende zoekend een kruis op de slijmerige bodem. Rode vlekken doemden op voor zijn ogen, rode vaandels die wapperden in de wind, en blauwe vaandels, gele vaandels, witte vaandels; trommels roffelden en kwamen nader, marcheerden dreunend dicht aan hem voorbij, stierven weg, en keerden weer, overroepen nu door de stemmen die de straten vulden, optornden tegen

[p. 170]

de gevels, uitsloegen over de daken, rode stemmen en blauwe stemmen en gele stemmen die zongen in koor en riepen, schreeuwden. Broeders hoorde hij, verworpenen hoorde hij, arbeiders hoorde hij, burgers! Hosanna zongen de scharen, Hosanna tegen de gevels, over de daken, boven de straten waar de gelovigen waren samengedromd, rode en blauwe en gele gelovigen dicht op elkaar geperst, de vaandels wapperend boven hun hoofden, boven de menigte, de duizendkoppige, kleuren en leuzen boven de koppen van de burgers, de soldaten, de arbeiders, de priesters, de hoeren, de knapen, de maagden, de devoten die riepen dat ze van alle devoten de broeders en de zusters waren. Luid hamerden de kreten door zijn hoofd terwijl zijn lippen en zijn neus zoekend over de bodem schoven, nieuwe kruisen tekenend diep in de warme vochtige schoot. Tussen zijn dijen werd de spanning haast ondraaglijk. Eindelijk daalde de stilte terug naar de bodem van de teil, slechts een dof zoemen was er nog, ergens, en heel ver. Zijn neus gleed over het muntstuk en werktuiglijk hield hij het hoofd stil. Met moeite opende hij de mond, zette zijn tanden rond het muntstuk en beet het los van de bodem die even nog weerspannig was. Opnieuw was er het beetje pijn in zijn arm toen hij zich oprichtte. Hij voelde zijn hoofd vrijkomen uit de stroperige massa, voelde hoe kleverige draden hem nog verbonden hielden met de teil, hem niet prijsgaven. Dan stond hij weer rechtop, de ogen verzegeld, de mond verzegeld, zijn aangezicht klevend onder de lijm. Iemand duwde een spaan tussen zijn tanden, wrikte zijn mond open en traag, het hoofd achterovernijgend, stak hij de tong uit, toonde de heilige hostie die ze hem jubelend ontnamen terwijl de fabriekssirene de gelovigen opriep en de machines begonnen te stampen, de fabriek haar Te Deum Laudamus aanhief, feestelijk, triomfantelijk, een gigantisch orgel dat alle registers openzette. Moeizaam, zijn huid barstend onder de opdrogende lijm, probeerde hij te lachen, zich vaag bewust van de schaamte die heet wegvloeide tus-

[p. 171]

sen zijn benen. En nauwelijks hoorbaar, met lippen die moeilijk opengingen en met woorden die niemand kon verstaan in het stampen en steunen waarmee het werkhuis was gevuld, fluisterde hij: ik heb dorst... Toen riep de vrouw die hij niet kende - ze was bovenop haar stoel geklommen en ze had de handen als een trechter aan haar mond gezet -: ‘De koster heeft dorst,’ en allen in de gelagzaal gierden het uit van de pret. Links en rechts werd er wild door elkaar geroepen en sommigen riepen Mattheus! of Johannes! en één ogenblik had hij de indruk dat er een was die Judas! riep, maar daar was hij niet zeker van, en toen riep zijn oom iets dat verloren ging in het proesten en lachen waaraan geen einde kwam en nog nooit had hij zo massaal en zo onstuimig horen lachen. Omdat hij de koster wilde zien en er nu toch niemand acht sloeg op de deur waar hij dicht tegenaan was gekropen, stiet hij de deur voorzichtig een ietsje verder open, maakte centimeter na centimeter de kier wat wijder en hij stak zijn hoofd in de kier zo diep hij kon, en voortschuivend op zijn knieën werkte hij zijn hele lichaampje in de nauwe opening, en daarop moest hij eerst zijn tenen losmaken die in de zoom van zijn nachtjapon haakten. Maar dan nog zag hij de koster niet. Hij zag zijn oom schaterend op de verchroomde tapkraan slaan, zag het rode gezicht van zijn tante boven de spoelbak en wat verderop naast de toonbank het rode gezicht van zijn andere tante die gillend met een schenkblad tegen haar dij kletste, zag de lachende gezichten boven de kaarttafel en boven de tafels dieper de herberg in, gezichten die hij kende en gezichten die hij nooit eerder had ontmoet en die, nu ze lachten, alle op elkaar geleken en daardoor leek het alsof er in de gelagzaal maar één gezicht was en er zaten wel honderd monden in dat ene gezicht en honderd kelen die dronken en joelden en alle lachten ze om de koster die van hieruit niet te zien was, niet vanuit de kier. Het lachen luwde wat en bovenop haar stoel riep de vrouw die hij niet kende: ‘Beminde parochianen,’ op een

[p. 172]

plechtige toon die echt bijna de toon was zoals je die hoorde in de kerk, vond hij, wanneer de priester de preekstoel beklom en neerkeek op de gelovigen en beminde parochianen zei op een toon die plechtig klonk en streng was en hoegenaamd niet vriendelijk, hoewel hij beminde zei, beminde parochianen, of beminde gelovigen, en iedereen het hoofd boog en luisterde, al waren er ongetwijfeld die het hoofd bogen en niet luisterden maar erg hun best deden om ergens aan te denken dat niets met de kerk en niets met de hel en niets met zonde of straf of verdoemenis te maken had zoals hij in de kerk vaak dacht aan de vakantie die gauw zou komen of aan de vakantie die weldra voorbij was of dacht aan het gloednieuwe mes in zijn broekzak dat groter en mooier was dan het mes waarmee de grote jongen op hem toe was gestapt (die keer toen hij sprakeloos had neergekeken op het glimmende lemmer in de handpalm onder zijn neus en hij vele tellen lang geen woord had uitgebracht en ook niet had geluisterd naar wat de grote jongen aldoor tot hem zei en de hemel weet wat allemaal zei waar hij geen acht op sloeg wijl hij slechts oog had voor het mes onder zijn neus en voor het lemmer dat blonk in de zon en zo fel en ongenadig blonk dat hij aan het eind vastberaden zei: ‘Volgend jaar heb ik een mes dat groter en mooier is dan jouw mes,’ en zodoende bewaarde hij in zijn broekzak een mes dat groter en mooier was) en heel de duur van de predikatie door aan allerlei dacht om de woorden niet te horen en het vermaan niet te horen en de dreigingen niet te horen die neerkwamen op zijn hoofd en op het hoofd van allen die met hem in de kerk waren en thans schudden allen het hoofd en gierden het uit van de pret. Ze beukten met de vuisten op de tafels zodat de glazen dansten en zijn tante, zag hij, plofte haar handen in de spoelbak en het vaatwater spatte hoog op tot tegen haar kin, zelfs tot in haar opengesperde mond spatten er druppels van het water, en onophoudend hamerde zijn oom met de vuisten op de tapkast en vroeg om stilte, ‘Stilte, mensen,’ riep

[p. 173]

zijn oom, maar het duurde nog geruime tijd voor er iemand luisterde en nog een paar keer riep hij stilte! stilte! en toen het eindelijk stil was, niet stil maar stiller, boog zijn oom zich ver over de toonbank en zijn vinger wees dreigend naar de koster die niet te zien was, niet vanuit de kier. ‘Koster,’ zei zijn oom, ‘dit is alweer heiligschennis,’ en opnieuw dreunde de herberg onder het lachen en onder het stampen van de voeten en zijn tante die naast de tapkast stond liet gillend haar schenkblad vallen en een poos lang lag het schenkblad krankzinnig te lachen op de vloer. Hij durfde het niet de deur nog verder open te stoten en met de ogen dicht probeerde hij zich voor te stellen hoe de koster daar stond, de pet in zijn handen tegen de borst gedrukt en zijn hoofd naar de grond gebogen en ongetwijfeld huilde hij, altijd huilde hij wanneer ze rond hem kwamen samengetroept en elkaar aanstieten en knipoogden en Mattheus zeiden, of Johannes, of Simon, en keer op keer zeiden ze dat en soms was er een bij die Judas zei en dan lachten ze als gek terwijl de koster huilde en hoe harder hij huilde hoe harder ze lachten en in het begin huilde hij heel zachtjes, alsof zijn ogen een weinig traanden van de kou, en zijn benen hingen slap uit het valluik naar beneden en het jongetje op de ladder onder het luik drukte zijn buik stevig tegen de sporten aan en keek lachend omhoog naar de koster die dronken in het luik zat te huilen. Af en toe greep het jongetje een van de benen boven zijn hoofd, gaf een rukje aan het been en zei: ‘Mattheus,’ of het gaf een rukje aan het andere been en zei: ‘Johannes,’ en het lachte daarbij en knipoogde en deed gelijk het zo vaak had zien doen in het dorp wanneer de koster huilde. Het jongetje kroop een sport hoger op de ladder en met de benen van de koster nu vlak bij zijn gezicht gaf het een ruk aan het been dat het dichtst bij zijn oor hing en tegelijk was er een hapje schaamte dat oprispte met het lachen doch al direct was het hapje verdwenen en opgeslokt en dan was er weer volop de pret om de koster die huilde en toch was het geen pret om het

[p. 174]

verdriet dat de koster had maar om het huilen dat nu alleen voor het jongetje was: het stond daar op de ladder onder het luik met zijn buik tegen de sporten gedrukt en het hoofd achterover in de nek gebogen en het rukte aan het been en lachte maar en het hoopte in stilte dat de koster zou voortgaan met huilen en heel even nog zou voortgaan daarmee want nog nooit was er iemand geweest die voor het jongetje had gehuild en ook nooit had het zich zo sterk en zo zeker gevoeld en het voelde zich zo onbedreigd en volwassen nu het zich gelijk voelde aan de mannen uit het dorp voor wie de koster huilde zodra ze elkaar aanstieten en knipoogden en Mattheus zeiden. En knipogend gaf het jongetje een ruk aan het been naast zijn oor en wilde weten wie de koster het eerst had verkocht: ‘Wie heb je 't eerst verkocht?’ vroeg het jongetje, en snikkend zei de koster dat het Mattheus was geweest, dat hij Mattheus het eerst had verkocht, lang geleden al en dat het toen en daarmee was begonnen, en harder rukte het jongetje aan het been en wilde weten wie de koster daarop had verkocht, en snikkend zei de koster dat het Johannes was geweest, dat hij Mattheus het eerst had verkocht en daarna Johannes, en harder en harder rukte het jongetje aan het been en wilde weten wie de koster daarop had verkocht, en snikkend zei de koster dat het Lucas was geweest, dat hij Mattheus het eerst had verkocht en daarna Johannes en daarna Lucas en dat hij ook Thomas en Andreas had verkocht en Filippus en Bartolomeus, dat hij op één na al de apostelen had verkocht die op de zolder geborgen waren maar dat hij toch nooit één apostel had verkocht zolang niet de dorst hem had gekweld, dat hij het pas had gedaan wanneer de nood het hoogst was geweest en nu bezat hij nog slechts één apostel om te verkopen wanneer straks nog één keer en dus voor het laatst de nood het hoogst zou worden en daarna zou hij nooit meer dorst mogen hebben want hij zou niets meer hebben om te verkopen en eens zover zou hij eindelijk kunnen doodgaan zoals hij reeds jaren terug had

[p. 175]

willen doodgaan toen in het dorp de nieuwe koster was gekomen en de nieuwe kerk en de nieuwe pastoor en de nieuwe heiligen en de nieuwe apostelen en toch was hij niet doodgegaan, niet zolang de oude apostelen er waren, en ach, thans bleef van de oude apostelen alleen Petrus nog over, de rots waarop Hij zijn kerk had gebouwd, tweeduizend jaar geleden bijna toen de nood het hoogst werd; en onbedaarlijk schaterde nu het jongetje, het stond trots en recht op de bok met de benen breed gespreid en het liet de zweep zoevend door de lucht gaan en de wind zoefde langs zijn slapen en het lachte tegen de wind die van hem was en de zweep die van hem was en het paard dat van hem was en de kar die van hem was en tegen alles waarmee de kar was beladen -: de op elkaar getaste bakken met de bierflessen erin, de lege flessen en de volle die er waren overgebleven, en tussen de bakken zijn slapende oom met het gezicht dat een rode ballon was en de buik die een ballon was tot barstens toe gevuld met het bier dat ze gedronken hadden in de dorpen op hun weg en overal in de herbergen van de dorpen waar ze van het bier op de kar hadden verkocht -, lachte tegen de wereld die een volgepropte buik was en niets was er daarbinnen in de buik dat hem niet toebehoorde nu hij de teugels in zijn vuist hield geklemd en de zweep liet neerkomen op de dansende rug van het paard en ju! riep, ju paard en ju kar en ju oom en ju bier in de buik van mijn oom en ju bomen langs de weg en ju vogels in de bomen en ju bessen in het bos en ju oppers die ik doorkropen heb en ju sloten die ik doorwaad heb en ju takken die ik verbrand heb en ju alles wat mijn is op deze wonderlijke dag waarop ik de zweep door de lucht jaag en ik niets kan bedenken wat mij niet toebehoort, mij en de zweep die mijn vriend is zoals ik nooit een vriend heb gehad, in de stad niet waar ze menen dat ik woon en hier op het land niet waar ik de hemel op mijn schouders over de aarde draag en deze dag horen de aarde en de hemel mij toe, de zon, de maan, de sterren, de planeten die ik ken en de planeten die ze

[p. 176]

me nog niet geleerd hebben, en de seizoenen horen mij toe, de lente, de zomer, de herfst, de winter, en ook de wolken, de regen, de hagel, de sneeuw, de vorst, de ijzel, de donder, de bliksem, de rivieren en de stromen horen mij toe (de Gele Stroom en de Congostroom, de Amazone, de Mississippi, de Ganges, de Wolga, de Donau, de Rijn), de oceanen en de zeeën horen mij toe, de meren, de kapen, de vissen (de duivelvissen, de karpervissen, de klompvissen, de platvissen, de longvissen, de brasems, de baarzen, de zalmen), de bergen en de ravijnen horen mij toe, de vennen, de moerassen, de ijsvelden, de woestijnen, de oerwouden, en in de oerwouden de orchideeën, de slangen, de olifanten, de buffels, de leeuwen, de tijgers, de miereneters, de hyena's, de chimpansees, de okapi's (wonen ook de okapi's in de oerwouden?), de dorpen en de steden horen mij toe, de iglo's, de piramiden, de kathedralen, de moskeeën, de triomfbogen, de fonteinen, de bruggen, de molens, de fabrieken, de lantaarns, de hoogovens, de akkers en de tuinen horen mij toe, de zaden, de bloemen, de bijen, de dauw, de wormen, de kikvorsen, niets kan ik bedenken of het hoort mij toe want ik ben het lachende jongetje met de zweep en de zweep zegt me dat ik heer ben over de aarde en de hemel en telkens wanneer ik haar met een knalletje laat neerkomen op de schokkende rug van het paard zegt ze dat: dat ik heer ben over de aarde en de hemel want dat ik een zweep bezit die mijn vriend is en dat je pas heer bent over alles wat je bedenken kunt wanneer je een zweep bezit die je vriend is en zo ben ik heer over de reuzen en de dwergen, over de heksen, de spoken, de draken, de hofnarren, de dieven, de stropers, de moordenaars, de gifmengers, de beulen, de bulten, de blinden, de doven, de stommen, de manken, de vondelingen, de landlopers, de bedelaars, de waarzeggers, de clowns, de acrobaten, heer ben ik over de ridders en de monniken, over de generaals, de admiraals, de kardinalen, de keizers, de Paus, de heiligen, de profeten, de martelaren, over de Turken en de Hollanders, de

[p. 177]

cowboys, de orgeldraaiers, de ketellappers, de liedjeszangers, de marktkramers, de vaders, de moeders, de tantes, de ooms, het bier in de buik van de ooms en het bier in de flessen op de kar, en reeds hotste de kar de steenweg af en het pad op naar het erf en zo hevig slingerde plots de kar dat de zweep hem ontglipte en hij lomp achterover tuimelde tussen de bakken en de flessen en de benen van zijn oom die verschrikt overeind kroop en wel een minuut lang stond zijn oom met de armen hoog boven zijn rode hoofd geheven achter de tapkast en pas toen er in de gelagzaal niemand meer praatte en er niemand meer lachte en ook de vrouw die hij niet kende van haar stoel was gedaald en zweeg, zodat er in die korte tijdspanne iets plechtigs lag en iets heiligs bijna in het zwijgen dat opsteeg naar de tapkast, liet zijn oom de armen zakken en zei: ‘Er wordt thans overgegaan tot de verkoop van de apostel Petrus,’ en daarop deed zijn oom een teken naar de koster om naderbij te komen. De gezichten in de gelagzaal draaiden van de toonbank naar de koster en ergens achter de deur, in het gedeelte van de herberg dat vanuit de kier niet te zien was, moest nu de koster in beweging komen. Een korte pauze nog was er niets te horen dat daarop leek, maar dan kwam toch en aarzelend het schuren van de klompen over de vloer en ook een gekreun dat moeilijk te bepalen was, en toen piepte eindelijk het wiel en dan wist hij dat de koster de apostel Petrus op zijn kruiwagen naar de tapkast reed zoals hij jaren voordien de apostel Mattheus op zijn kruiwagen naar de tapkast had gereden en ook de apostel Johannes en de apostel Lucas en al de apostelen die eenmaal op de zolder geborgen waren dwars door de herberg naar de tapkast had gereden en thans kon ieder ogenblik de kruiwagen aan de kier voorbijkomen. Ineens voelde hij hoe koud en hard de vloer was waarop hij zat neergeknield, voelde de pijn van het knielen piepend door zijn lichaam gaan, en nog vooraleer het wiel de deur had bereikt werkte hij zich uit de kier het halve donker van de keuken in en struikelend

[p. 178]

over zijn veel te lange nachtjapon vluchtte hij naar buiten in de nacht, liep op zijn blote voeten rond het spoelhuis en de stallingen, stak dwars het erf over, en onder het afdak liet hij zich neer op de dissel van de kar, plantte zijn hoofd in de handen en staarde naar de geelverlichte vierkanten in de vleugel van het huis waar de herberg was en hij luisterde naar de stem van zijn oom die door de vierkanten naar buiten drong en naar de andere stemmen die invielen tot het rumoer weer vrolijk oplaaide daarbinnen en soms zwiepte de deur open en stroomde een vlek lawaai geel en luid het erf op, dan zwijmelde een donkere gestalte naar buiten en plaste tegen de gevel. Vele uren bleef hij zo zitten, ineengedoken op de kar die eens op een middag van hem was geweest en in de stallingen reilde de zweep die ook die andere middag van hem was geweest toen hij met zijn buik tegen de sporten van de ladder stond gedrukt en rukte aan het been en lachte om de koster die in het luik zat te huilen en misschien waren het niet eens uren die aldus voorbij gingen maar minuten die kwartieren waren en kwartieren die uren schenen en nooit meer zou hij het lachende jongetje met de zweep zijn dat ju! riep tot alles wat hem omringde en hij zou ook geen heer meer zijn over de aarde en de hemel omdat je pas heer daarover was wanneer je een zweep bezat die je vriend was en voortaan en voor altijd weigerde hij een vriend waarvoor hij zich schamen moest dat hij ooit een vriend was geweest en ook nooit meer wilde hij zich sterk en zelfzeker voelen en nooit meer onbedreigd of volwassen want op een keer zat je in elkaar gedoken op de dissel van de kar en je tenen staken weggestopt in het zand dat kil was van de nacht en er was geen ander geluid om je heen dan het roepen van de kikkers in de poel en het lachen in de vleugel van het huis waar de herberg was en je voelde de schaamte in je opstijgen omdat je eens op een middag volwassen was geweest en een jongetje was geweest dat zich sterk en onbedreigd had gevoeld en veel liever schaamde hij zich omdat hij klein was en bang en

[p. 179]

al eens huilde af en toe dan dat hij zich schamen moest omdat hij één ogenblik volwassen was geweest en ju! had geroepen tot de man die in het luik zat te huilen, en opnieuw zwiepte de deur open en hij wist al direct dat het de koster was: een donkere gestalte die even nog onbeweeglijk op de drempel stond, klein en wat in elkaar gedrukt, de rug gekeerd naar het licht in de gelagzaal dat stil was nu zodat alleen het roepen van de kikkers was te horen in de poel achter het huis, en hij schrok van de klap waarmee het licht verdween toen de deur in het slot viel en hij plots alleen was met de koster die zwijmelend het erf op kwam, een paar passen in de richting van het afdak deed, dan het pad op strompelde naar het dorp toe. Het weerkerend gestommel in de herberg bleef als een verre donder in de lucht hangen terwijl hij zijn tenen dieper onder het zand duwde en zijn hoofd dieper op de borst liet zinken en met de kin tegen de borst gedrukt zei hij: Je bent dronken, ik zie heel goed dat je dronken bent en ik ruik het ook, je adem ruikt als de adem van mijn oom en dus ben je dronken. Misschien is je hoofd wel helemaal rood, zo rood als het hoofd van mijn oom wanneer hij terugkeert uit de dorpen en uit de herbergen van de dorpen waar hij van het bier op de kar heeft verkocht, maar dat kan ik niet zien in het donker, ik zie alleen dat je dronken bent doordat je zwijmelt over de weg en haast tegen me aan valt. Als je straks tegen me aan valt dan tuimelen we samen in het gras, of in de gracht hier. Het is niet erg wanneer we samen in de gracht tuimelen, ze staat al weken en weken droog en soms, wanneer ik niet wil dat ze mij vinden, ga ik languit op de bodem liggen, ik duw mijn neus in de grond en ik hoor mijn tante roepen, en dan tel ik tot drie en ze roept opnieuw, en wat later komt mijn grootmoeder en begint ook te roepen, en mijn moeder ook, en na een tijdje zegt mijn grootmoeder: ‘Hij komt wel naar huis wanneer hij honger heeft,’ en dan roepen ze niet meer. Als je straks tegen me aan valt en we tuimelen samen in de gracht dan zal ik opspringen en jij

[p. 180]

blijft liggen want je bent te dronken om weer op te staan. Ik zal je niet eens kunnen helpen, op mij hoef je niet te rekenen, ik ben niet sterk genoeg om je weer uit de gracht te halen, dat komt omdat ik van de stad ben. Misschien zal ik kwaad op je worden en weglopen, of misschien zal ik naast je neerhurken en mijn hand op je voorhoofd leggen zoals mijn moeder doet wanneer ik koorts heb. Ik weet nog niet wat ik zal doen. Dronken mensen kan je beter laten liggen tot ze niet meer dronken zijn zegt mijn tante. Ze zegt ook dikwijls: ‘Ik zal je hebben’ en dan steekt ze dreigend haar vuist op. Wanneer ik heel lang in de gracht heb gelegen en het eten al helemaal koud is geworden zegt ze dat, of wanneer in de herberg een van de boeren in haar dij knijpt, maar ze meent het niet denk ik. Heb jij wel eens in de dij van mijn tante geknepen? Daarstraks keek ze naar jou alsof je hard in haar dij had geknepen. Of zou je willen dat ik je droeg, de hele weg lang naar je huis, dwars door het dorp? Je bent veel te oud opdat ik je zou kunnen dragen. Je bent niet groot en dik ben je ook niet, maar je bent oud en hoe zou je willen dat een jongetje als ik al die jaren op zijn rug door het dorp droeg? Het zijn er zeker vijftig, of honderd, dat denk ik wel eens, dat je honderd en honderd en honderd jaar bent en dat je zo oud bent als de wereld denk ik wel eens, ik weet niet waarom, zo maar denk ik, omdat je zo'n lange dunne haar hebt, het hangt je tot over de oren en tot diep in de nek, en omdat je ogen hebt die altijd vol water staan en handen die beven en een stem die beeft en dikwijls loop je rond met een baard van vele weken en dan lijk je op de apostel Petrus. Ze zeggen ook dat je gek bent. Als je gek bent, zeggen ze, kan je wel kwaad doen maar het kwaad dat je doet is geen zonde want je bent gek en dus weet je niet wat je doet en wie niet weet wat hij doet kan ook geen zonde doen. Moest ik gek zijn dan zou ik neerknielen in de biechtstoel en zeggen: In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest mijn vader ik ben gek. Of ik zou helemaal niet meer neerknielen in de biechtstoel, of niet

[p. 181]

meer naar de kerk gaan, alvast de zondag niet wanneer de anderen er zijn, de boeren en de meisjes en de grote jongen die de mis dient terwijl ik toch heel goed weet dat hij iemand wil doodmaken, en ik zou nergens meer bang voor zijn, voor de hel of de duivel of God, en ik zou nergens meer spijt over hebben. Daarom weet ik dat ik niet gek ben, al roepen ze het nog zo dikwijls, omdat ik altijd weer bang ben, voor de hel ook, en spijt heb. Ik moet je nog zeggen dat ik spijt heb. Je bent dronken en je luistert niet eens en toch moet ik het zegeen: dat ik spijt heb omdat ik die middag aan je been heb getrokken en ju! heb geroepen en net heb gedaan als de anderen en als vanzelf doe je dat soms: net doen als de anderen, ik weet niet goed waarom. Om niet meer bang te zijn? Wie weet ben je niet daarom dronken en heb je niet daarom al je apostelen verkocht: om niet meer bang te zijn. Wie weet - en nog altijd staken zijn tenen weggestopt onder het zand en het leek hem toe of zijn voeten aan de aarde waren vastgegroeid en of ze nooit meer van de aarde zouden loskomen leek het en hij rilde in zijn veel te lange nachtjapon - wie weet, misschien was de dorst erger dan de dood. Misschien was het stof dat zijn lippen prikte erger dan de dood, was de hitte die brandde in zijn nek erger dan de dood (een kind holde de straat over en riep poes! poes! naar een poes die op hol sloeg tussen de fietsen en de handkarren en tussen de soldaten en de vrachtwagens door en de vrouw op de overkant schreeuwde naar het kind dat poes! poes! riep en plots was verdwenen en toen rende ook de vrouw de straat over, ze botste hard tegen een fietser aan en viel, en ook de fietser viel en vloekte en hij sloeg de vrouw naast zich op de grond die nog altijd op het kind riep en terugsloeg, riep en sloeg, sloeg) en was dit alles erger: het schudden van de aarde onder zijn voeten, het leeglopen van de stad rondom hem, het dreunen hoog in de lucht daarboven, en erger nog en luider dan het dreunen het links-rechts links-rechts links-rechts van de laarzen over het plein, door de straten, over het land (er

[p. 182]

kwam een man uit het huis met een hond en met een witte stok en met een deken op de rug gebonden en hij trok de deur achter zich dicht en aarzelde niet, keek ook niet om, liep rechtop langs de gevels met aan zijn linkerkant de hond en in zijn rechterhand de witte stok en bij elke stap tokte hij met zijn stok tegen de gevels waar hij langs trok, rechtop de gevels langs en de straat uit, tok-tok tok-tok) links-rechts links-rechts links-rechts en in de pas het stappen van de laarzen over het land, kolonnes van laarzen, legers van lichamen die in beweging waren gekomen en die, nu ze eenmaal in beweging waren, al lang geen lichamen meer waren, laarzen waren, stappen waren, gehoorzaamheid waren, links-rechts en in de pas, de banieren voorop en de geweren geschouderd en in wolken het stof over de rangen en links en rechts van de rangen zuilen en zeeën van stof, en niets of niemand om de legers te stuiten tenzij weer andere kolonnes en weer eendere bevelen en opnieuw en van ergens het duizendvoudig links-rechts links-rechts links-rechts waarmee het stof in beweging werd gebracht; en hij proefde op zijn lippen het stof dat van de laarzen kwam, proefde de laarzen op zijn tong, en in zijn mond was het branden van de dorst het branden van alles wat deze dag in beweging was gekomen, deze dag en ook de dagen daarvoor en de jaren daarvoor en de eeuwen daarvoor en al wat de eeuwen door beweging was geweest en stof geweest en al wat de eeuwen door stof van de laarzen was geweest en opmars was geweest en bevel was geweest en al wat de eeuwen door dorst was geweest en huiveren was geweest voor het stof dat in beweging kwam en voor de dorst die kwam met het stof, en hij wist dat alleen dit ene mogelijk was: mee op te stappen in het stof, de eigen laarzen te proeven op de tong, het branden te verdragen van de dorst die ook de dorst was van het stof dat van de eigen laarzen kwam en een andere mogelijkheid was er niet, gisteren niet, nu niet, straks niet, tenzij dit ene nog: nu met An in beweging komen en in het ritme van hun lichamen te vergeten wat be-

[p. 183]

weging was, wat stof was, wat stof van de laarzen was en wat dorst en doodstraf was en alles te vergeten - het uniform dat hij droeg, het geweer dat hij droeg, het hemd dat hij droeg, de sokken die hij droeg - in dit ene bewegen dat nauwelijks bewegen zou zijn, verglijden zou zijn, verdwijnen zou zijn, zijn zou zijn en niet zijn zou zijn en zoveel meer zijn dan al wat zijn was daarbuiten, het lichaam naakt en voor het eerst weer lichaam nu het voor het eerst sinds lang weer naakt was en misschien het lichaam weer naakt als voor het eerst, als voor het eerst weer de hand van het meisje voelen op zijn huid en luisteren naar het praten van haar hand en zeggen: ‘achttien’, omdat ze vroeg hoe oud hij nu was hoewel ze toch heel goed wist hoe oud hij was. ‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg het meisje.

‘Achttien,’ zei hij.

‘Je bent laat,’ zei het meisje. ‘Je bent niet eens jonger dan ik en dus ben je wel erg laat ermee. Of wel lieg je. Het kan best zijn dat je liegt en het al meer hebt gedaan.’

‘Ik lieg niet,’ zei hij.

‘Goed, dan niet,’ zei het meisje. ‘Nu moet je eerst maar weer rustig worden, je niet aldoor zitten opwinden want daardoor komt het. Met jongens heb je dat soms, ze stormen op je af en ze zijn opgewonden en ineens gaat het niet. Eigenlijk was je vroeger al vreemd, je kwam naar me toe en je begon heel erg lief en dan was er altijd iets waardoor je ophield. Je deed nooit wat een meisje wilde dat je zou doen, nooit dat wat je nu wilt. Nu moet je me rustig laten begaan, je hand hier op mijn buik houden en niet verroeren tot ik helemaal met je klaar ben. Jouw hand was de eerste hand die ik daar gevoeld heb, maar dat weet je niet meer.’

‘Toch,’ zei hij, ‘het was die keer in de herberg. We zaten aan de tafel bij het raam en we lazen samen een boek.’

‘Jij las,’ zei het meisje, ‘je las hardop. Er was niemand in de gelagzaal en het was al bijna donker en de deur naar de keuken stond open en je las hardop zodat ze konden horen dat

[p. 184]

we lazen en niet iets anders deden. Je kon erg mooi lezen toen. Weet je dat je erg mooi kon lezen?’

‘Dat zeiden ze altijd,’ zei hij, ‘dat ik erg mooi kon lezen.’

‘Ze waren trots op je,’ zei het meisje. ‘Ze stonden zeker in de keuken naar je te luisteren terwijl je las, en je hand lag tussen mijn benen en af en toe drukte je me een beetje, niet hard, en mijn hand stak in jouw broekzak en er was een groot gat in je broekzak, van het mes dat je altijd droeg, en ik kreeg bijna al mijn vingers door het gat in je broekzak.’

‘Ineens begon je te dreigen,’ zei hij, ‘toen ik ophield met lezen. Je dreigde dat je ze alles zou vertellen.’

‘Niet omdat je ophield met lezen,’ zei het meisje.

‘En dan was er die andere keer, die keer op de weide achter het huis. We hadden ons verscholen onder de deken en je had mijn jurk hoog opgeschoven en ik had niets meer aan onder mijn jurk omdat het zo warm was. Je deed niets en ik wachtte maar, maar je deed niets. Je hoofd lag op mijn buik en ik had mijn been over je heen geslagen, maar je deed niets.’

‘Neen,’ zei hij, ‘ik deed niets, misschien dacht ik er wel aan maar ik deed niets.’

‘Wist je al hoe het moest?’

‘Ja,’ zei hij, ‘ik wist wel hoe het moest.’

‘Waarom deed je niets?’ vroeg het meisje.

‘Misschien vond ik het goed zo,’ zei hij, ‘met mijn hoofd op je buik te liggen en niet te verroeren. Misschien verwachtte ik dat jij wat zou doen. Neen, dat zal wel niet. Ik verwachtte niets en ik deed niets, en ineens waren ze daar.’

‘Je huilde,’ zei het meisje. ‘Je schreeuwde als gek en je riep maar dat je niets gedaan had, je zwoer en je huilde en ze geloofden je niet eens maar het was waar, je had niets gedaan, alleen maar je hoofd op mijn buik gelegd. Als je toen wat gedaan had en niet zo had geschreeuwd zou ik misschien voor altijd van jou geweest zijn, je zou de eerste geweest zijn die het deed bij mij. Had je dat gewild, dat je de eerste was geweest die het deed bij mij?’

[p. 185]

‘Voor mij ben je nu de eerste,’ zei hij, ‘de eerste bij wie ik het doe.’

‘Straks,’ zei het meisje, ‘als je niet meer opgewonden bent. Je moet nu aan niets meer denken, er alleen aan denken dat je me mooi vindt. Vin je me mooi?’

‘Mooier dan vroeger,’ zei hij.

‘Vroeger heb je me nooit zo gezien,’ zei het meisje, ‘niet zo.’

‘Jawel,’ zei hij, ‘maar dat weet je niet eens.’

‘Ik zou het weten, moest je me ooit zo gezien hebben,’ zei het meisje.

‘Het was een zondag,’ zei hij, ‘het was nog heel vroeg en bij jou waren ze naar de kerk en bij mij ook en toen ben je stiekem naar de vijver gelopen.’

‘Je verzint maar wat,’ zei het meisje. ‘Jongens verzinnen altijd wat om indruk te maken.’

‘Je had je kerkboek mee,’ zei hij. ‘Je had je zondagse jurk aan en toen heb je je jurk uitgedaan en je andere kleren ook en daarna heb je het kerkboek boven op je kleren gelegd.’

‘Waarom kwam je niet?’ vroeg het meisje.

‘Je bent niet eens in het water gegaan,’ zei hij, ‘en een zwempak had je ook niet. Je hebt maar even je tenen in het water gedompeld en dan ben je gaan rennen, je rende heel de vijver rond en je klapwiekte met je armen en je hield niet één keer stil, niet voor je de vijver helemaal rond was.’

‘Je durfde niet,’ zei het meisje, ‘dat was er met jou, je durfde nooit wat.’

‘Toen je helemaal rond was ben je naast je kleren in het gras gaan liggen, eerst op je rug en daarna op je buik en toen je op je buik lag heb je je kerkboek genomen en je begon halfluid te lezen. Ik kon horen hoe je halfluid de gebeden las uit je kerkboek.’

‘Je stond achter de struiken naar me te spieden en je deed niets,’ zei het meisje. ‘Misschien voelde je zelfs niets. Misschien ben je iemand die niet eens wat voelt wanneer hij achter de struiken staat te spieden. Voelde je wat?’

[p. 186]

‘Ja,’ zei hij.

‘Wat voelde je?’ vroeg het meisje.

‘Dat weet je,’ zei hij.

‘Toen heb je het zelf gedaan,’ zei het meisje.

‘Dat deed ik niet,’ zei hij.

‘Heb je het nooit zelf gedaan?’ vroeg het meisje.

‘Een keertje wel,’ zei hij.

‘Dacht je aan mij toen je het zelf deed?’

‘Aan jou ook,’ zei hij.

‘Je was gek dat je niet kwam,’ zei het meisje. ‘Of vond je me niet mooi? Was het daarom dat je niet kwam, omdat je me niet mooi vond?’

‘Daarom niet,’ zei hij. ‘Maar nu ben je mooier, mooier dan toen.’

‘Toen was ik nog geen vrouw,’ zei het meisje. ‘Een meisje wordt pas mooi wanneer ze een vrouw is en als jij wat gedaan had toen, dan was ik al veel eerder een vrouw geweest en jij zou het geweest zijn die me zo gemaakt had en ik zou voor altijd van je gehouden hebben, ook al was ik niet altijd bij jou gebleven, omdat je van mij een vrouw had gemaakt.’

‘Je had puisten,’ zei hij.

‘Niet op mijn buik,’ zei het meisje.

‘Neen,’ zei hij, ‘niet op je buik.’

‘Wat was er nog lelijk aan mij?’ vroeg het meisje.

‘Je was brutaal,’ zei hij.

‘Niet tegen jou,’ zei het meisje.

‘Tegen mij ook,’ zei hij.

‘Nu ja, soms,’ zei het meisje, ‘omdat je er altijd mee ophield, omdat je nooit deed wat een meisje verwacht dat je zou doen. Wil je dat ik er nu mee ophoud?’

‘Neen,’ zei hij, ‘nu niet.’

‘Wil je dat ik weer voortdoe?’

‘Ja,’ zei hij.

‘Omdat je me mooi vindt?’

‘Omdat ik het wil,’ zei hij.

[p. 187]

‘Nu moet je nog even heel rustig blijven,’ zei het meisje. ‘Straks mag je alles met me doen wat je wil, wanneer ik helemaal met je klaar ben. Je moet alleen maar je hand op mijn buik houden en denken aan wat onder je hand ligt, dat het van jou is. Je mag ook een andere naam voor me bedenken als je mijn naam niet mooi vindt. Dan mag je hardop de naam zeggen die je zelf hebt bedacht terwijl ik met je bezig ben. Ik ga nu gauw verpleegster worden en dan zal ik veel mannen zien, misschien zal ik een hele tijd niets geven om mannen, het kan best gebeuren dat ik een hele tijd niets geef om mannen. Zie je wel, ik voel al dat je niet meer opgewonden bent. Voel je 't? Voel je hoeveel ik om je geef? Nog een beetje en dan mag je weer wild worden, dan mag je alles met me doen wat in je opkomt, dan kan het. Nu moet je me gauw kussen, wil je? Wil je?’

Hij zei niet ja, hij zei nu niets meer wijl toch zijn hele lichaam een ja was, een ononderbroken ja, heftiger en heftiger nu hij eindelijk het ja zei dat hij nooit voordien had gezegd en ook ja zei om het neen van zich af te schudden dat er nog altijd was, zo lang daarna nog, het neen dat bleef hameren in zijn hoofd, dat brandde in zijn keel, hem verlamde, zijn lippen hard en droog maakte van de dorst en de kamer wazig maakte, alsof hij koorts had, maar dat kon ook van het glaasje zijn: de fles met de scheefzittende kurk erop stond nog op de tafel, het boek ernaast lag nog opengeslagen, de stem van de man die de gedichten las hoorde hij nog, de tabaksadem uit de mond van de man rook hij nog, was ineens dichtbij gekomen, net als de hand, die was ook dichtbij gekomen, eerst op zijn knieën, kneepjes gevend, dan stilaan hoger, hoger op zijn dijen, de hand die hem had neergedrukt in de zetel en behoedzaam de knoopjes losmaakte, dan zei: ‘Je bent een flink jongetje.’ Je bent een flink jongetje zei de man (de hand gespte zijn broeksband los en terwijl hij de ogen dichtkneep en de hand hem in de lenden optilde werd zijn broek omlaaggeschoven tot op zijn schoenen en even

[p. 188]

verraste hem de kou die langs zijn benen streek), je hebt een mooie stem wanneer je leest zei de man, misschien word je nog zelf een dichter, of een toneelspeler, later zei de man, wanneer je alles van het leven weet (de hand deed hem geen pijn, niet daar, in zijn keel deed ze pijn, en op zijn borst, en achter in zijn hoofd deed ze pijn en soms kneep ze heel hard en dan wilde hij opspringen en wegrennen maar omdat de hand ook op zijn borst was en hem neerdrukte bleef hij onbeweeglijk liggen, de ogen dichtgeknepen), het leven is heilig zei de man, je weet toch dat het leven heilig is?, dat het lichaam heilig is?, dit hier is ook heilig zei de man en weer harder kneep de hand, achter in zijn hoofd, en in zijn keel (wanneer hij de ogen opsloeg zou hij ze zien, hij zou de hand zien en aan zijn voeten de man die met hem bezig was en hij zou zichzelf zien en de kamer en hen beiden in de kamer die rook als de kamer van de buurman die pas geleden gestorven was en die middag was het geruime tijd stil in de kamer, het bleef zo lang stil tot zijn moeder zei, luid en met de neus in de lucht alsof ze niet wist dat achter haar rug, de neus naar de grond gericht, de buurman stond die nog altijd niet gestorven was, toen nog niet: ‘Je ruikt het dat hier nooit een vrouw is geweest’ zei ze, maar hij rook het niet, hij rook het nergens aan dat er nooit een vrouw was geweest, was er ineens zeker van dat de kamer rook als de kamer van de buurman die pas geleden gestorven was en hij was bang dat alles weer wazig zou worden wanneer hij de ogen opsloeg, alsof hij koorts had, maar dat zou wel van het glaasje zijn), dit hier is van God zei de man, we moeten God dienen met heel ons lichaam, met heel ons hart en met heel ons lichaam, altijd zei de man, hoor je me?, altijd (nu hij de ogen hield dichtgeknepen en dus de kamer niet meer wazig werd, zag hij weer duidelijk hoe oud en donker alles was, hoe donker het behang en hoe oud de kast met het crucifix op en met de koffiekan en de kopjes en de pijpen die links en rechts tussen de kopjes lagen en hoe oud de klok en de radio en de tafel onder de lamp

[p. 189]

die een rood licht afgaf en hoe oud het kleed waarop de tafel stond, hoe oud de stoelen waren en de gordijnen en de prenten aan de muur en hoe oud de zetel was waarin hij lag neergedrukt, aan zijn voeten de man die bezig was God te dienen hier op aarde, en hij zag ze allen door de kamer stappen die God dienden hier op aarde, die God smeekten hier op aarde, God loofden hier op aarde: ze trokken zingend en biddend aan hem voorbij en de vrouwen droegen witte gewaden die tot op de enkels reikten, om de lenden droegen ze een gouden gordel en ze wuifden met hun palmtakken naar de huizen die bevlagd waren en overal in de huizen stonden de ramen open en de kaarsen waren ontstoken rond de beelden die voor de ramen stonden en ook op de balkons en in de straat waren beelden neergezet en de vrouwen wuifden met hun palmtakken naar de menigte op de balkons en in de straat die neerknielde en het hoofd boog, zich bekruiste en God loofde hier op aarde (er kwam ook een jongetje voorbij met een schapenvacht over het naakte lichaam, het strompelde op zijn naakte voeten over de weg die bestrooid lag met snippers en het hield in de hand een gouden bol met een kruisje daarop en bijwijlen sloeg de zon een gouden bliksem uit het kruisje en uit de bol, dan rolde een traan uit de verblinde ogen van het jongetje); ze kropen op hun knieën door het stof en ze hielden stil bij iedere statie, ze spreidden breed de armen uit en ze zaten als zwarte kruisen op de witte weg en ze zegden luid de gebeden die hoorden bij de statie en dan weer zwegen ze, weer kropen de knieën door het stof, weer werden de armen gespreid en baden de kruisen, kropen en baden, kropen en baden; ze wierpen zich op hun buik voor het altaar en hun voorhoofd raakte de grond, hun lippen kusten het marmer dat koel en glad was en hun adem besloeg het koele marmer waarop ze lagen, het lichaam onbeweeglijk onder de rode lamp waarin God altijd brandde; ze schreden zingend door de avond en ver over de velden waren de liederen te horen die ze zongen, van overal uit de omtrek

[p. 190]

kwamen hoog boven de velden de liederen samen en waar aan één boom langs de weg een kapelletje hing bleven de groepen staan, een meisje legde een krans van blauwe en witte bloemen onder het beeld van Maria en allen baden ze tot Maria aan de boom die van God en van hen allen de Moeder was en die de Moeder was van alle moeders en van alle vaders en van iedereen op de wereld de Moeder was: Heilige Maria baden ze bid voor ons Heilige Moeder van God baden ze bid voor ons Heilige Maagd der Maagden baden ze bid voor ons Moeder van Christus baden ze bid voor ons Moeder der goddelijke genade baden ze bid voor ons Allerreinste Moeder baden ze bid voor ons Allerzuiverste Moeder baden ze bid voor ons Ongeschondene Moeder baden ze bid voor ons Onbevlekte Moeder baden ze bid voor ons Minnelijke Moeder baden ze bid voor ons Wonderbare Moeder baden ze bid voor ons Moeder van goede raad baden ze bid voor ons Moeder van de Schepper baden ze bid voor ons Moeder van de Zaligmaker baden ze bid voor ons Allervoorzichtigste Maagd baden ze bid voor ons Eerwaardige Maagd baden ze bid voor ons Lofwaardige Maagd baden ze bid voor ons Machtige Maagd baden ze bid voor ons Goedertierene Maagd baden ze bid voor ons Getrouwe Maagd baden ze bid voor ons Spiegel der rechtvaardigheid baden ze bid voor ons Zetel der wijsheid baden ze bid voor ons Oorzaak van onze blijdschap baden ze bid voor ons Geestelijk vat baden ze bid voor ons Eerwaardig vat baden ze bid voor ons Uitmuntend vat van godsvrucht baden ze bid voor ons Geestelijke roos baden ze bid voor ons Toren van David baden ze bid voor ons Ivoren toren baden ze bid voor ons Gulden huis baden ze bid voor ons Ark des Verbonds baden ze bid voor ons Deur des hemels baden ze bid voor ons Morgenster baden ze bid voor ons Behoudenis der kranken baden ze bid voor ons Toevlucht der zondaren baden ze bid voor ons Troosteres der bedrukten baden ze bid voor ons Hulp der Christenen baden ze bid voor ons Koningin der en-

[p. 191]

gelen baden ze bid voor ons Koningin der patriarchen baden ze bid voor ons Koningin der profeten baden ze bid voor ons Koningin der apostelen baden ze bid voor ons Koningin der martelaren baden ze bid voor ons Koningin der belijders baden ze bid voor ons Koningin der maagden baden ze bid voor ons Koningin van alle heiligen baden ze bid voor ons Koningin zonder vlek der erfzonde ontvangen baden ze bid voor ons Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans baden ze bid voor ons Koningin van de vrede baden ze bid voor ons Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld baden ze Spaar ons Heer, Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld baden ze Verhoor ons Heer, Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld baden ze Ontferm U onzer, Bid voor ons baden ze, Heilige Moeder van God opdat wij de beloften van Christus waardig worden, Laten wij bidden baden ze, en hij zag hoe het meisje dat de bloemen onder het beeld van Maria aan de boom had gelegd nu mee achteraan kwam lopen. Er werd opnieuw gezongen en hoewel het meisje nog een paar passen voor hem uit liep - hij was de laatste in de processie die over het smalle pad weer naar het dorp trok - kon hij reeds duidelijk haar stem van de andere stemmen onderscheiden. Ze bleef maar trager lopen, met haar blote benen waarop hier en daar rode schrammen zaten, en een van de vrouwen die nog tussen haar en hem in liep schoof haar zingend voorbij, trapte in een greppel naast de weg, geraakte weer achter en verhaastte zingend haar pas, en toen ineens liep het meisje al naast hem. Ze zong vurig met de anderen mee maar haar lippen bewogen haast niet, ze keek strak voor zich uit en het kruisje van haar rozenkrans slingerde heen en weer onderaan de handen die ze op haar buik had gevouwen, en doordat ze zo traag liep en hij naast haar wilde blijven, en hij wel dacht dat ze zo traag liep omdat ze naast hem wilde lopen, groeide met iedere stap de afstand die hen scheidde van de ruggen voor hen op de weg. Wanneer ze zo traag bleven lopen en niemand merkte wat - zijn

[p. 192]

moeder niet die mee vooraan was en haar moeder niet die ook vooraan was - dan zou hij met haar alleen zijn wanneer straks het pad een bocht beschreef rond het bos, ze zou ophouden met zingen en misschien zou ze vragen waarom hij niet zong en hij zou zeggen dat het was om naar haar te luisteren, maar ze zou daar hard om lachen en het niet geloven, of ze zou helemaal niets vragen, traag naast hem opstappen en niets zeggen, wachten tot hij wat zei, en het zou aldoor donkerder worden terwijl ver weg de processie zong en dan zou hij haar hand nemen, dat zou hij beslist doen, haar hand in de zijne nemen en daarmee zou het beginnen, het diende ergens mee te beginnen en het kon dus best daarmee zijn, met haar hand die warm was en zijn hand die warm was en misschien hoefde hij dan niets te zeggen. Ze waren al een flink eind achterop geraakt en nog voor ze het bos bereikten hield het meisje op met zingen, ook vooraan werd niet meer gezongen, nu baden ze, het zoemen van hun stemmen drong duidelijk tot hem door, alleen het meisje zweeg. Nog altijd hield ze de handen tegen haar buik gedrukt maar de kralen van haar rozenkrans verschoven niet tussen haar vingers en dus bad ze niet, ze bleef strak voor zich uit kijken en ook nadat de ruggen uit het gezicht verdwenen waren en het bidden niet meer te horen was keek ze strak voor zich uit, alsof ze alleen was, alsof er niemand naast haar liep en ze heel alleen over het pad weer naar het dorp trok, traag stappend langs de donkere stille wand van het bos, en hij wist dat hij nu gauw iets zeggen moest. Ze merkte niet eens dat hij voortdurend naar haar keek en glimlachte, tot hij na een poos de ogen weer neersloeg en naar zijn voeten keek, en neerkijkend op zijn voeten en op haar voeten die naast de zijne rustig voortbewogen over de weg, voelde hij hoe ze eindelijk het hoofd naar hem toe wendde en glimlachte, al die tijd was hij er zeker van dat ze naar hem liep te glimlachen, doordat het zo warm werd in zijn nek, maar toen hij de ogen weer opsloeg keek ze strak voor zich uit en het was of er niets bewo-

[p. 193]

gen had aan haar, niets dan haar voeten die rustig voortstapten over de weg, en daarop maakte ze haar handen los: ze hield haar ene hand met de rozenkrans tussen de vingers tegen haar buik gedrukt en met de andere hand streek ze vluchtig over haar voorhoofd, dan liet ze haar arm losjes langs het lichaam hangen zodat hij maar even de vingers had uit te steken om de hare te raken en wanneer hij het gauw deed zou hij niets hoeven te zeggen. ‘Je benen staan vol schrammen,’ zei hij, maar ze luisterde niet, ze deed maar of ze niets had gehoord en bijna twijfelde hij of hij het wel gezegd had. ‘Morgen ga ik weer weg,’ zei hij, iets luider, ook niet heel luid, omdat het zo stil was rond hen. ‘Misschien kom ik de volgende zaterdag al terug, of de zaterdag daarop, ik weet het niet zeker, met mijn vader weet je dat nooit.’ Haar arm hing onbeweeglijk naast haar lichaam, vlak bij zijn arm, er was niets dat bewoog aan haar tenzij haar benen, en hij werd kwaad omdat ze niets zei, het kon toch best dat zij wat zei wanneer hij niets zei, maar ze zei niets. ‘Je zegt niets,’ zei hij. ‘Ik weet zeker dat je zo traag hebt gelopen om naast mij te lopen en nu het zover is zeg je niets. En bidden doe je ook niet. Of zou je willen dat ik je hand nam, dat ik eerst je hand nam en je daarna een kus gaf? Je kon me beter vertellen wat je eigenlijk wilt. Er zijn meisjes van wie ik precies weet wat ze willen en wanneer ik weet wat ze van me willen dan doe ik het ook, of ik doe het niet, om ze te plagen, of ik doe iets dat ze niet willen, maar van jou weet ik niet eens wat je wilt, misschien omdat ik je nog niet zo goed ken, dat kan wel.’ Haar passen werden kleiner en kleiner en één ogenblik dacht hij: nu houden we stil, we stappen nog een beetje ter plaatse terwijl het bos langzaam aan ons voorbijschuift naar het dorp toe, zo langzaam dat ik haast niet merk hoe in de plaats van de ene boom een andere boom verschijnt, al de bomen die we langs zijn gegaan en nu achter ons staan en terugkomen, totdat straks het bos opnieuw begint, en als ik niet gauw wat zeg, of haar hand neem, of haar

[p. 194]

een kus geef, dan zullen de bomen verstoord stilhouden en de passen van het meisje zullen weer groter worden en mijn passen ook, we zullen voort opstappen naar het dorp toe en alles zal voorbij zijn, voorgoed, omdat ik niets heb gezegd. Hij stak haar zijn hand toe maar ze ging wat dichter aan de donkere rand van het bos lopen, hoe verder hij zijn hand naar haar uit stak hoe meer ze van hem week, en hij werd bang dat ze tussen de bomen zou verdwijnen en daar hij niet wilde dat ze tussen de bomen verdween drukte hij zijn arm weer stijf tegen zijn lichaa