De evolutie van de woordenschat in het Hasselts dialect


auteur: Stefan Minten


bron: Stefan Minten, De evolutie van de woordenschat in het Hasselts dialect (Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 41). Hasselt 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

De evolutie van de woordenschat in het Hasselts dialect

De vragen die ik in dit artikel zal trachten te beantwoorden zijn: Wat gebeurt er met het Hasselts dialect, zit daar evolutie in, en zo ja, welke tendensen kunnen we dan opsporen?

 

Ik baseer me voor deze bijdrage op een persoonlijk onderzoek, waarin ik 82 begrippen, van zeer uitéénlopende aard (vanouds bekende begrippen zoals kikker, moderne begrippen zoals koffiezetapparaat, snelkookpan, ...) aan 80 informanten heb voorgelegd. Om de evolutie te kunnen onderzoeken werden de informanten gekozen uit vier leeftijdscategorieën, te weten:

L1: 15-20 jarigen
L2: 25-32 jarigen
L3: 40-50 jarigen
L4: 58-68 jarigen

In iedere categorie werkten 20 informanten aan de enquête mee. Er werd ook een onderscheid gemaakt volgens sexe, maar dat leverde achteraf bekeken nauwelijk bruikbare resultaten op.

 

In verband met de enquête moet ik nog wat extra uitleg geven om klaarheid te brengen in mijn verdere bespreking. De enquête verliep in twee fasen.

 

De eerste fase verliep mondeling. De 82 begrippen werden d.m.v. afbeeldingen of omschrijvingen aan de 80 informanten aangeboden. De gehele enquête verliep in het dialect om eventueel storende invloeden van het AN uit te schakelen. De informanten konden op eigen houtje de afbeeldingen bekijken en het begrip benoemen. Er werd wel gezegd, dat men meerdere benamingen mocht opgeven voor één bepaald begrip. Die mondelinge enquête was door de keuze van het onderwerp noodzakelijk, omdat de hoofdvraag was WAT WORDT ER GEZEGD? en niet wat denkt men te zeggen.

 

Indien ik in mijn verdere bespreking het zal hebben over ‘spontaan gebruik of spontaan opgegeven,’ bedoel ik daarmee de resultaten uit die eerste ronde.

 

In een tweede fase werden de verzamelde benamingen uit de mondelinge enquête opnieuw aan de informanten aangeboden. Dit gebeurde omdat sommige informanten in de mondelinge enquête zich misschien een bepaald woord niet konden herinneren. Bovendien hoopte ik op die manier woorden te kunnen elimineren die in een andere dialect thuishoren of eventueel iets anders betekenen.

[p. 2]

Ieder begrip werd voorafgegaan door een korte toelichting, zodat de informanten zich de afbeelding of omschrijving konden herinneren. Er werd aan de informanten ook meegedeeld dat de schrijfwijze van de woorden zoveel mogelijk aan de dialectuitspraak was aangepast. Daarom werd gevraagd de woorden eerste in het dialect uit te spreken, alvorens een uitspraak te doen over de verschillende woorden.

 

De opdracht was vierledig. Eerst en vooral werd gevraagd het woord aan te duiden dat men zelf denkt te gebruiken. De mogelijkheid bestaat, dat men meer dan één woord denkt te gebruiken. Men mocht dus bij ieder begrip meerdere woorden als eigen gebruik aanduiden.

 

Een tweede vraag betrof de bruikbaarheid van de woorden. De informanten werden gevraagd, de woorden die volgens hen niet in het Hasselts dialect worden gezegd te schrappen.

 

Het zou ook kunnen zijn dat bepaalde benamingen wat anders betekenen dan het bedoelde begrip. Gevraagd werd deze woorden tussen haakjes te plaatsen.

 

Ten vierde werd er gezegd dat bepaalde woorden mogelijk meer door jonge dan door oude informanten worden gebruikt, en dat dat voor andere omgekeerd is. Daarom werd er gevraagd bij deze ‘jonge’ woorden een J te plaatsen, en bij de ‘oude’ woorden een O. Op die manier konden we bijkomende diachronische gegevens verzamelen.

 

In wat volgt zal ik nu 10 begrippen uitvoerig bespreken, en nadien zal ik het over enkele tendensen hebben, die ik meen te mogen vaststellen aan de hand van mijn studie. De begrippen die ik zal behandelen zijn:

 

veearts, armband, kikker, aardbeien, perzik, slagroom, zaklamp, stofzuiger, aansteker, fototoestel.

[p. 3]

Veearts

Het woord vitternèr is de meest gebruikte benaming voor dit begrip (42 opgaven). Maar deze benaming is op de terugweg ten voordele van het AN-woord veears. In de oudste leeftijdscategorie werd vitternèr 16 maal gebruikt tegenover slechts 2 maal veears.

 

In de leeftijdscategorie 3 en 2 gaat vitternèr reeds achteruit ten opzichte van veears: (nog 13 opgaven voor vitternèr tegenover 7 voor veears en in L 2 12 opgaven voor vitternèr tegenover 8 voor veears).

 

Bij de jongeren is het woord vitternèr ongebruiktelijk geworden. (nog één opgave). De AN-benaming veears heeft het hier duidelijk gehaald (12 opgaven).

 

De benaming artis wordt in alle leeftijdscategortieën nog gebruikt, maar lijkt ook op de terugweg (11 opgaven voor L4 en L3 samen, tegenover nog 5 opgaven voor L2 en L1).

 

Er werden nog een aantal benamingen opgegeven, te weten dierenars en diereverzorger.

 

Bij het gerapporteerd gebruik scoort vitternèr nog hoger dan in de mondelinge enquête. Het woord is overheersend in de leeftijdscategorieën 4, 3 en 2. Het woord is dus nog opvallend populair. 23 informanten (vooral uit L1) ervaren de benaming als oud.

 

Het woord artis werd door L1 en L2 slechts 1, respectievelijk 2 maal tot het eigen gebruik gerekend. Bij L3 en L4 steeg de benaming lichtjes in populariteit. 16 informanten verwierpen het woord, waarvan 10 × door L1. Maar liefst 50% van de informanten beoordeelt de benaming als oud.

 

De benaming dierenars wordt door L1, L2 en L3 af en toe tot het eigen gebruik gerekend. 20 informanten verwierpen het woord (vooral L4), terwijl het 22 maal als jong werd beoordeeld.

Armband

Voor het begrip armband zijn er twee benamingen: het dialectisch gekleurde AN-woord ermband en het Franse woord brasselet. Hier doet zich een evolutie voor ten voordele van de benaming ermband.

[p. 4]

In L4 was brasselet duidelijk dominerend met 20 opgaven tegenover slechts 4 opgaven voor ermband.

 

In L3 werd ermband even vaak gebruikt als brasselet met 12 opgaven voor elke benaming. De informanten uit L2 gebruikten vaker het woordermband met 13 opgaven tegenover nog 8 opgaven voor brasselet.

 

Door de jongste groep informanten wordt de benaming brasselet nog slechts 2 maal spontaan opgegeven. Het AN-woord ermband heeft hier met 17 opgaven de bovenhand gekregen.

Bij het gerapporteerd gebruik stijgen beide benamingen in populariteit.

 

De benaming ermband ging lichtjes vooruit in alle leeftijdscategorieën. In L1 en L2 is dit woord het gebruikelijkst. 16 informanten, meestal ui L3 en L4 beoordeelden het woord als jong.

 

De benaming brasselet stijgt ook lichtjes in alle leeftijdscategorieën. In L4 is deze benaming nog duidelijk overheersend, terwijl het bij de informanten uit 13 even populair is als ermband. In L2 is brasselet ook nog gebruikelijk maar bij de informanten uit L1 heeft het nog weinig succes. De benaming werd 58 maal als oud beoordeeld.

Kikker

Het dialectwoord kwaakvos is in alle categorieën overheersend (14, 20, 19 en 20 opgaven). Maar het gebruik van dit woord loopt bij de informanten uit L1 toch terug ten voordele van het AN-woord kikker, dat reeds 5 maal werd opgegeven.

 

Bij het gerapporteerd gebruik rekenen L2, L3 en L4 kwaakvos voor 100% tot het eigen gebruik. Bij L1 waren er 17 informanten die zeiden kwaakvos te gebruiken.

 

Het AN-woord kikker wordt alleen door de 7 informanten uit L1 als eigen gebruik aangeduid. Het woord wordt 14 maal verworpen en 34 maal als jong beoordeeld.

[p. 5]

Aardbeien

De meest gebruikte benaming is jaesbeere. Dit woord werd door 73 van de 80 informanten opgegeven. Het heeft dan ook in geen enkele categorie een tegenhanger. De jongste leeftijdscategorie gaf echter ook 4 maal het AN-woord aardbeie op, naast 16 opgaven voor jaesbeere.

 

Het woord fraise verdwijnt uit het taalgebruik van de jongere informanten. Vier informanten uit L4 gaven het woord nog op. In L2 en L3 waren er nog telkens 2 opgaven voor de benaming fraise. Bij de jongste informanten is het woord uit het spontane taalgebruik verdwenen.

 

Bij het gerapporteerd gebruik steeg de populariteit van de benaming jaesbeere. Dit woord is in alle leeftijdsgroepen duidelijk dominant. 18 informanten uit L1, 19 uit L2 en telkens 20 uit L3 en L4 rekenen het tot het eigen gebruik. Alle informanten beoordeelden het woord als bruikbaar. 12 maal werd het als oud beoordeeld.

 

De benaming fraise en aardbeie vertonen vergelijkbare resultaten met de eerste ronde.

 

Fraise wordt niet meer als eigen gebruik beoordeeld door L1. In L2 waren er 3 informanten die dachten dit woord te gebruiken, in L3 2 informanten en in L4 5. 10 informanten, waarvan 6 uit L1, verwerpen de benaming als onbruikbaar. 28 maal werd fraise als oud beoordeeld.

 

Het woord aardbeie werd slechts sporadisch tot het eigen gebruik gerekend. 22 maal verwerpt men dit woord als onbruikbaar, terwijl 26 informanten het woord als jong beoordeelden.

Perzik

Voor dit begrip zijn er drie benamingen. De belangrijkste is het woor pesj met 64 opgaven. Een andere benaming is pjarsel (15 opgaven) en de AN-benaming perzik (4 opgaven).

 

Het gebruikelijke woord is voor alle leeftijdscategorieën de benaming pesj. In de categorieën 2, 3 en 4 wordt naast pesj ook telkens een viertal keer pjarsel opgegeven.

[p. 6]

In de jongste leeftijdsgroep verdwijnt het gebruik van pjarsel (nog 2 opgaven) ten voordele van het AN-woord perzik.

 

Bij het gerapporteerd gebruik werd pesj door vrijwel alle informanten als eigen gebruik beschouwd. In L1 rekende men het woord 20 maal, en in alle overige leeftijdscategorieën telkens 19 maal tot het eigen gebruik.

 

De benaming pjarsel scoorde ook hoger dan in de eerste ronde. Het woord kende een stijging in L3 en L4, terwijl de resultaten in L1 en L2 behouden bleven. Deze benaming wordt door 10% van de informanten als onbruikbaar beoordeeld en door zo wat 25 informanten als oud.

 

De benaming perzik is erg marginaal. 3 informanten uit L1 dachten dit woord zelf te gebruiken. 32 informanten verwerpen de benaming als onbruikbaar en 21 informanten waren van mening dat het alleen gebruikt wordt door jonge informanten.

Slagroom

Het dominerende woord is her krème fresj met 70 opgaven. Het dialectisch gekleurde AN-woord slaagroem wordt door de categorieën 2, 3 en 4 samen slechts 4 maal opgegeven. In de jongste leeftijdscategorieën werd dit woord echter al 9 maal gebruikt, tegenover 15 opgaven voor krème fresj, dat toch nog dominant is.

 

Bij het gerapporteerd gebruik is de benaming krème fresj nog populairder dan in de eerste ronde. In alle leeftijdscategorieën kende het woord nog een stijging. L1 en L2 rekenen het nu elk 19 maal tot het eigen gebruik en L3 en L4 elk 20 maal!

 

De benaming slaagroem viel terug in de tweede ronde. Nog 7 informanten uit L1, en telkens 1 informant uit 12 en 13 beschouwen het als eigen gebruik. 15 informanten verwerpen de benaming. 26 maal werd het woord als jong beoordeeld.

Zaklamp

Voor dit begrip werden er drie benamingen opgegeven, nl. pitslamp (60×), tasjlamp (20×), en zaklamp (1×).

 

De oudste informanten gaven nog 14 maal tasjlamp op. Het woord

[p. 7]

pitslamp werd door deze informanten 7 maal opgegeven.

 

In de overige leeftijdscategorieën is het woord tasjlamp stilaan uit de gebruikstaal verdwenen. L3 geeft het nog 5 maal op en L1 nog 1 maal. Pitslamp heeft dus duidelijk de voorkeur gekregen met 15 opgaven in L3, 20 in L2 en 18 in L1.

 

Het AN-woord zaklamp werd slechts 1 maal opgegeven (L3).

 

Bij het gerapporteerd gebruik zijn pitslamp en tasjlamp de populaire woorden.

 

Pitslamp blijkt ook nu de dominante benaming te zijn met 20 opgaven door L1, 19 door L2 en 17 door L3. In L4 dachten 9 informanten dit woord zelf te gebruiken.

 

De benaming tasjlamp kende een sterke stijging in L2, waar nu ook 6 informanten dit woord tot het eigen gebruik rekenden. In L3 dachten ook 6 informanten dit woord te gebruiken, terwijl in L4 maar liefst 15 informanten dit als eigen gebruik aanduiden. In L4 is tasjlamp dus het populairste woord. 29 informanten, waarvan 13 uit L1 ervaren de benaming als oud.

 

De benaming zaklamp mogen we verwaarlozen. 2 informanten uit L3 beschouwen het woord als eigen gebruik. Maar liefst 25 maal werd het woord verworpen. 24 maal werd de benaming als jong beoordeeld.

Fototoestel

De vier opgegeven benamingen voor dit begrip zijn kodak (66×), fotoapparij (12×), fototoestel (5×), en portrettentrekker (3×).

 

Het woord kodak scoort het hoogst in alle leeftijdscategorieën met 17, 17, 19 en 13 opgaven.

 

Naast de overheersende benaming kodak werd ook foto-apparij door alle leeftijdscategorieën enkele malen gebruikt (2, 3, 2 en 5 opgaven).

 

De andere benamingen zijn marginaal. Portrettentrekker wordt zelfs niet opgegeven door L1 en L2. Fototoestel werd 3 maal gebruikt door L4, en 1 maal door L2 en L1.

[p. 8]

Bij het gerapporteerd gebruik stegen de benamingen kodak, foto-apparij en portrettentrekker in populariteit. De benaming fototoestel vertoont vergelijkbare resultaten met de eerste ronde.

 

De benaming kodak is veruit de gebruikelijkste benaming in alle leeftijdscategorieën.

Het woord foto-apparij kende een stijging in L2, L3 en L4.

 

Het woord portrettentrekker wordt niet meer als eigen gebruik herkend door L1 en L2. Bij L4 is het woord echter nog zeer populair. Er waren 13 informanten die het woord als onbruikbaar verwierpen.

 

De benaming portrettentrekker werd door ruim 25% van de informanten als oud ervaren.

Het woord fototoestel vertoont vergelijkbare resultaten met de eerste ronde. 23 informanten verwerpen het woord als onbruikbaar.

Stofzuiger

Het AN-woord stofzuiger werd door 75 informanten opgegeven. De leeftijdscategorieën 3 en 4 gaven nog een ander woord op, nl. aspirateur (5×). Bij de informanten uit L1 en L2 is dit woord uit het spontane taalgebruik verdwenen en is stofzuiger het enige gebruikelijke woord (telkens 20 opgaven).

 

De resultaten van de tweede fase zijn voor stofzuiger en aspirateur vergelijkbaar met de resultaten uit de eerste fase. Het woord stofzuiger wordt door vrijwel 100% van de informanten als eigen gebruik beoordeeld.

 

Bij de informanten uit L4 is het woord aspirateur ook nog vrij populair. Vijf informanten zeiden dit woord te gebruiken. De informanten uit L1 en L2 rekenen dit woord niet meer tot het eigen gebruik, wat erop wijst dat dit woord uit het dialect verdwijnt.

 

Het woord aspirateur werd door 25 informanten ook nog als onbruikbaar verworpen. 24 informanten waren van oordeel dat het een oud woord is.

Aansteker

Voor dit begrip werden drie benanmingen opgegeven: brikè (69×), aenstieëker (11×) en allumeur (10×).

[p. 9]

Bij de mondelinge enquête was brikè duidelijk het overheersende woord in alle leeftijdscategorieën. Allumeur werd vooral door L4 opgegeven en aenstieëker werd sporadisch door alle leeftijdscategorieën opgegeven.

 

Bij de schriftelijke enquête werd brikè 79 maal als eigen gebruik beoordeeld. In L1, L2 en L3 wordt het voor zelfs 100% als eigen gebruik beschouwd. Tien informanten, op één na allen uit L3 en L4 ervaren dit woord als oud, wat tegenstrijdig is met de spontane opgaven zelf, waar vooral L1 en L2 brikè gebruikten.

 

De benaming allumeur vertoont vergelijkbare resultaten met de eerste fase. Bij de informanten uit L4 is dit woord vrij populair, maar in de andere leeftijdsgroepen wordt het nauwelijks tot het eigen gebruik gerekend. 29 informanten ervaren dit woord als oud.

 

De benaming aenstieëker wordt slechts sporadisch als eigen gebruik beschouwd. 26 informanten ervaren dit woord als jong.

Conclusie in verband met onbruikbare oude woorden

Dit is natuurlijk voornamelijk gebaseerd op de tweede fase, waarin de inforamnten de benamingen uit de eerste ronde hebben beoordeeld. Om als onbruikbaar of oud te worden beoordeeld, moest minimum 10% van de informanten deze woorden als oud en als onbruikbaar hebben beoordeeld.

Voor de ‘onbruikbare oude woorden’ kan worden gezegd, dat L4 ze het frequentst opgeeft, L3 iets minder vaak, L2 nog minder, terwijl L1 ze duidelijk het minst opgeeft. Vooral in L4 zijn deze woorden nog populair en in iets mindere mate ook nog in L3. In L1 en L2 kennen deze woorden bij het gerapporteerd gebruik nog weinig succes.

Wat de bruikbaarheid van deze woorden betreft, beoordelen L2, L3 en L4 deze woorden ongeveer even vaak als bruikbaar. L1 daarentegen staat erg weigerachtig tegenover deze woorden.

 

Enkele voorbeelden van ‘onbruikbare oude woorden’ zijn:

aspirateur voor stofzuiger 25 × OB, 24 × oud (OB: onbruikbaar)

portrettentrekker voor fototoestel 13 × OB, 23 × oud

pjarsel voor perzik 13 × OB, 52 × oud

fraise voor aardbeien 10 × OB, 28 × oud

artis voor veearts 16 × OB, 40 × oud

[p. 10]

Conclusie in verband met onbruikbare jonge woorden

Deze onbruikbare jonge woorden worden vooral door L1 opgegeven (169 maal). L1 geeft ze zelfs vaker op dan L2, L3 en L4 samen.

 

Bij het gerapporteerd gebruik is er in L1 een te verwaarlozen stijging (176 aanduidingen als eigen gebruik).

 

Wat de oordelen in verband met de bruikbaarheid betreft, valt het op dat de informanten uit L1 het tolerantst zijn, gevolgd door de informanten uit L3 en dan L2. Vooral L4 staat weigerachtig tegenover deze woorden.

 

Voorbeelden:

fototoestel voor fototoestel 26 × J, 23 × OB (OB: onbruikbaar)

zaklamp voor zaklamp 24 × J, 25 × OB

slaagroem voor slagroom 26 × J, 15 × OB

perzik voor perzik 21 × J, 32 × OB

aardbeie voor aardbeien 26 × J, 22 × OB

kikker voor kikker 34 × J, 14 × OB

dierenars voor veearts 22 × J, 20 × OB

 

In deze groep zitten opvallend veel AN-woorden. Heel wat mensen staan dus toch erg weigerachtig ten opzichte van deze woorden.

Conclusie in verband met bruikbare oude woorden!

Bij de spontane opgaven geeft L4 deze oude woorden veel vaker op dan L3. L3 geeft ze vaker op dan L2 en L2 geeft ze weer vaker op dan L1. De verschillen bij de spontane opgaven zijn erg groot. L4 geeft deze benamingen tot driemaal zo vaak op als L1, wat wijst op de sterke achteruitgang van deze oude woorden.

 

Bij het gerapporteerd gebruik vertonen deze woorden wel een reusachtige populariteit in alle leeftijdsgroepen. Die populariteit is het grootst in L4. Ook in L2 stijgen deze woorden enorm in populariteit, terwijl in L1 en vooral in L3 die woorden iets minder spectaculair stijgen dan in de twee andere leeftijdscategorieen.

 

De tendens dat L4 deze woorden dus vaker opgeeft, wordt bij het gerapporteerd gebruik dus nog geaccentueerd. L2 bereikt nu vrij dicht het resultaat van L3. Ook de informanten uit L1 hebben nog ten minste een passieve kennis van deze oude woorden.

[p. 11]

Voorbeelden:

ascenseur voor lift 42 × 0 (0: oud)

Dit woord is nog overheersend in L4, krijgt in L3 serieuze concurrentie van lift, in L2 is lift zelfs licht overheersend, terwijl in L1 de benaming lift het gehaald heeft.

brikè 10 × 0

Dit is in tegenstelling met de spontane opgaven (20, 19, 17, 13).

allumeur voor aansteker 29 × 0

tasjlamp voor zaklamp 29 × 0

jaesbeere voor aardbeien 12 × 0 (16, 18, 19, 20)

kwaakvos voor kikker 17 × 0 (14, 20, 19, 20)

brasselet voor armband 20 × 0

vitternèr voor veearts 20 × 0

Conclusie in verband met bruikbare jonge woorden

Wat de spontane opgaven betreft, geeft L1 deze woorden het vaakst op. L2 en L3 gebruiken die woorden af en toe ook, maar L4 geeft ze zeer zelden op. L1 geeft deze woorden zelfs meer dan dubbel zo vaak op als 14.

 

Bij het gerapporteerd gebruik valt de populariteit van deze woorden op in L1 en L2. In L3 is de populariteit van deze woorden al een flink stuk kleiner, en in L4 is het succes van deze woorden zeer miniem.

 

Bij het gerapporteerd gebruik valt de populariteit van deze woorden op in L1 en L2. In L3 is de populariteit van deze woorden al een flink stuk kleiner, en in L4 is het succes van deze woorden zeer miniem.

 

Wat de bruikbaarheid van de jonge woorden betreft, staan L1, L2 en L3 even tolerant ten opzichte van deze woorden, terwijl L4 ze toch iets vaker verwerpt dan de jongere leeftijdsgroepen.

 

Voorbeelden:

lif(t) voor lift 23 × J

ermband voor armband 16 × J

aenstieëker voor aansteker 26 × J in tegenstelling tot de spontane

[p. 12]

opgaven (1, 1, 5, 4)

 

Opvallend is nog dat woorden die door minimum 10% van de informanten als J werden beoordeeld, meestal ook als OB werden beoordeeld!!! Dus de bruikbare jonge woorden waren niet zo erg talrijk.

Conclusie in verband met wat gebeurt er met het Hasselts dialect

Er is duidelijk een vernieuwing aan de gang in het Hasselts dialect. Die vernieuwing van de woordenschat gebeurt vooral naar het S.T. toe. Vooral bij de informanten uit L1 heeft de AN-invloed zich zeer sterk doorgedrukt. Vaak werd het AN-woord reeds door L3 opgegeven (soms slechts 2 ×) en zette het zijn opmars verder in L2 en L1, zodat het AN-woord in L1 bij heel wat begrippen dominant geworden is.

 

Het aanwenden van de S.T. door L1 bij het benoemen van begrippen is ondermeer te verklaren door het feit dat deze begrippen geen belangrijk deel meer uitmaken van de ervaringswereld van deze jonge mensen en ze er nog enkel mee geconfronteerd worden op school of door de televisie, waarbij ze de AN-benaming te horen krijgen.

 

De kracht van deze vernieuwing is zeer sterk; dat bleek uit het gerapporteerd gebruik. Bij L1 en L2 waren deze woorden vaak populairder dan de spontane opgaven uitwezen. Dat wijst erop dat zelfs de oudste informanten deze woorden zijn gaan aanvaarden, ook al gebruiken ze deze woorden zelf heel wat minder.

 

In de meeste gevallen treedt er dus vernieuwing op naar de S.T. toe. Daardoor verdwijnen er een heleboel dialectwoorden en woorden van Franse oorsprong uit het Hasselts.

 

Voor de meeste Franse woorden geldt, dat L4 ze nog zeer frequent opgeeft, samen met L3 en in iets mindere mate ook nog L2. De jongste informanten geven deze woorden heel wat minder op. Ze hebben nog wel een passieve kennis van deze woorden zoals blijkt uit het gerapporteerd gebruik (vb. vitternèr).

 

Slechts bij een beperkt aantal begrippen heeft de Franse benaming weinig concurrentie te vrezen van het AN-woord. Hierbij denken wij aan krème fresj.

 

Wat de Franse woorden betreft, kan dus worden gesteld dat ze

[p. 13]

grotendeels op de terugweg zijn, op enkele uitzonderingen na. Zelfs bij de Franse woorden die nog in alle leeftijdsgroepen dominant zijn, werd het AN-woord toch al enkele malen opgegeven, maar het vormt hier nog geen concurrent voor de Franse benaming.

 

Ook de dialectwoorden zijn op de terugweg. Deze woorden kenden meestal reeds in L3 een sterke terugval. (ransel voor boekentas, poepjee voor paardenmolen).

 

Andere dialectwoorden zijn stilaan op de terugweg. L4 gebruikt ze nog frequent, L3 en L2 telkens wat minder, terwijl L1 ze nog zelden opgeeft. Voorbeelden hiervan zijn zwemdok voor zwembad, piepel(eer) voor vlinder.

 

Maar ook bij het verdwijnen van de dialectwoorden zijn enkele uitzonderingen te vermelden. Bij een aantal begrippen is de AN-invloed te verwaarlozen. Dit geldt voor ondermeer kwaakvos voor kikker, jaesbeere voor aardbeien, zjat voor kopje, pisbloeme voor paardebloemen.

 

In een aantal gevallen gebeurt de vernieuwing naar het dialect toe. Een oud dialectwoord wordt vervangen door een jonger dialectwoord. De AN-invloed speelt hier nauwelijks een rol.

 

Voorbeelden: pitslamp ipv tasjlamp.

 

De vernieuwing van de woordenschat in het Hasselts dialect gebeurt dus hoofdzakelijk naar de S.T. toe. Slechts bij een beperkt aantal begrippen blijft het dialectwoord of de Franse benaming dominant in de jongste leeftijdscategorie.

 

Wel moet worden opgemerkt, dat ondanks de kracht van de vernieuwing naar de S.T. toe, er heel weinig woorden zijn, die aan het klanksysteem van het Hasselts dialect ontsnappen. De meeste woorden die uit de S.T. worden overgenomen worden dus aangepast aan het Hasselts klanksysteem.

 

Stefan Minten