[p. 6]
origineel
Bij den dood van het kleine Koosje.
K
oud, bleek, en met gesloten oogjes,
Lag kleine
Koosje
, op Moeders schoot,
Luid schreide Moeder, ook ik schreide,
Toen Vader lief al snikkend zeide:
Ons
Koosje
,
ons dierbaar kindje, is dood
.
Een stuip slechts, en zij was gestorven.
Zij leed wel kort, maar bittre smart,
Met pijnlijk afgedwongen lachjes,
En bange, half gesmoorde klagjes
Drong zij zich vast aan moeders hart.
[p. 7]
origineel
Riep Vader eens: ‘Mijn lieve
Koosje
!’
Dan zag zij hem door traantjes aan,
En bood hem 't zwakke handje, al vleijend,
Maar ach, de koorts dwong haar, om schreijend
De kwijnende oogjes neêr te slaan.
Hoe vrolijk, hoe gezond was
Koosje
,
Nog maandag, toen wij hier, zoo blij,
Haar eersten jaardag, spelend vierden,
Ach, toen wij haar met bloemen sierden,
Toen streelde 't lagchend kindje mij.
Wij hadden tasel, stoel en wiegje,
Met palm en rozen opgeschikt,
Hoe kraaide zij van vreugd, hoe netjes,
Had
Naatje
, een krans van violetjes,
Ons
Koosje
om 't krullend haar gestrikt.
[p. 8]
origineel
Ginds hing nog dat verwelkend kransje,
Maar 't schonk ons nu geen blijdschap meer.
Neen, 't kon de droefheid slechts vergrooten,
Doch, eer de doodkist werd gesloten,
Lag Moeder 't bij haar
Koosje
neêr.
'k Heb
Koosje
, ook in haar kleine doodkist,
Hoe koud zij was, nog eens gestreeld.
Haar ledig wiegje doet mij schreijen,
Nooit zal zij weêr zoo vriendlijk vleijen
Hoe lagcht ginds nog haar schaduwbeeld.
Dat schaduwbeeldje maakte Vader
Op
Koosjes
jaardag, voor ons af,
't Hangt aan een rozenkleurig lintje,
Vraagt iemand nu,
waar is dat kindje?
Dan zeg ik:
Ach, dat slaapt in 't graf!