[p. 14]
origineel
Gesprek van Mietje met hare Moeder, over de zon en de aarde.
Mietje
.
M
oeder! 'k heb de zon zoo lief,
Zie, zij doet zoo alles blinken.
'k Zag haar gisteravond ook,
Achter gindsche boomen zinken,
Maar, toen was zij schriklijk groot,
En als vuur zoo gloeijend rood.
[p. 15]
origineel
Moeder! slaapt de zon bij nacht?
Zal ik achter gindsche boomen,
Dezen avond, nu eens zien,
Hoe zij daar is neêrgekomen?
O! dat ik de lieve zon
Dan eens stil zien slapen kon!
Moeder
.
Luister,
Mietje
lief! de zon
Heeft haar plaats, heel ver van de aarde,
En van daar bestraalt zij ons;
Doch 't geen u verwondring baarde,
't Zinken naamlijk van haar licht,
Schijnt maar zoo, voor ons gezigt.
[p. 16]
origineel
De aarde wendt, gelijk een bol,
Om een spil, zich rustloos henen,
Zoo dat altijd de eene helft,
Door het zonlicht wordt beschenen.
En dat wenden, zoo gezwind,
Geeft ons nacht en dag, mijn kind!
Als de kaars van avond brandt,
Wil ik u dit duidlijk toonen.
Mietje
.
Maar 'k voel niets, hoe kunnen wij,
Op een draaijend' aardbol wonen?
Moeder lief! 'k heb geen geduld,
Zeg, wat gij mij toonen zult.
[p. 17]
origineel
Moeder
.
'k Zal een appel, of een bal,
Kijk, zoo aan mijn breinaald rijgen;
Houd ik die dan voor de kaars,
De eene helft kan 't licht maar krijgen;
Doch draait de appel om de naald,
Dan wordt de andre helft bestraald.
Zoo wendt zich ook de aardbol om,
Juist in vierentwintig uren;
Dus moet altijd de eene helft
Het gemis van 't licht verduren;
Daar intusschen duisternis
Rust verspreidt, die heilrijk is.
[p. 18]
origineel
Waar het licht nu regt op valt,
Daar is 't middag, en, door 't wenden,
Van den ronden wereld-bol,
Moet allengs de dag daar enden;
Denk dus, als de zon verdwijnt,
Dat ze op 't andre halfrond schijnt.
Mietje
lief! begrijpt gij 't nu?
Mietje
.
Ja, - maar zou het mooglijk wezen,
Dat onze aarde rustloos draait?
Moeder! hebt ge dat gelezen?
Lees het mij dan voor; misschien
Leer ik ook dat draaijen zien.
[p. 19]
origineel
Moeder
.
Hoor, wanneer uw jong verstand,
Meer en beter leert bevatten,
Dan blijkt u dit alles klaar.
Door ons vruchtloos aftematten,
Om 't u regt te doen verstaan,
Breng ik u geen voordeel aan.
Weet alleen, dat ook de lucht,
Waar gij wolken in ziet zweven,
Hoe onze aarde wenden moog',
Haar bestendig blijft omgeven.
Daar geen lucht nu weêrstand biedt,
Voelen wij het draaijen niet.
[p. 20]
origineel
Maar ons wonen op een' bol,
Dit kon u verwondring wekken;
Is 't niet waar? doch 't middelpunt
Blijft elk voorwerp naar zich trekken,
Schoon door zwaarte, een andre kracht,
Niets wordt uit zijn' stand gebragt.
't Midden trekt, doch zwaarte boeit,
Dit blijft 't evenwigt bewaren.
't Schoolboek over de Natuur
,
Zal dit nader u verklaren.
Lees en leer. 't Opmerkzaam kind
Wordt door God en mensch bemind.