[p. t.o. 20]
origineel
Pl. I.
Zie, wat is het lief en kleen.
[p. 21]
origineel
Bij mijn pas geboren zusje.
'k
B
en zoo blij, ik heb een zusje,
O, ik dans om 't wiegje heen.
Daar zit Baker, och, zij neemt het,
Zie, wat is het lief, en kleen.
Welk een mondje, och zie wat oogjes!
't Kent mij zeker nu nog niet.
Gistren is 't ook pas geboren.
Maar, als 't eens mijn speelgoed ziet,
Als 't mijn zweepje eens aan kan vatten,
Ja, dan heeft het mij regt lief;
Want ik geef dan, al wat mooi is,
Aan dien kleinen hartedief.
[p. 22]
origineel
Welke zwakke handjes, Baker!
Zie het schreit. Zeg, heeft het dorst?
Ja, de Baker geeft het Moeder.
Ha! het drinkt uit Moeders borst.
Lieve Moeder! ook ik dronk zoo
Uit uw borst eens, is 't niet waar?
'k Heb u daarom vast zoo lief ook.
Ja mijn Zusje! drink gij maar.
Zuig en groei: wanneer wij groot zijn,
O! dan doen wij niets dan goed.
Zoo verheugt zich onze Moeder,
Aan wier borst wij zijn gevoed.