terug  begin  verder
[p. 23]origineel

Jan met zijn Vader in het dennen bosch.

 
De kleine Jan was met zijn Vader,
 
In 't statig dennenwoud, alleen;
 
't Gebloemte omwasemde hun' paden,
 
De zon blonk door bedauwde bladen,
 
En 't schuldloos morgenlied der vogels
 
Weêrgalmde door de takken heen.
 
 
[p. 24]origineel
 
‘Hier,’ sprak nu 't zevenjarig knaapje,
 
‘Hier Vaderlief! beloofdet gij
 
Uw Jan, zoo veel van 't hoogste Wezen,
 
Dat alles voortbragt, te doen lezen.
 
Waar is nu 't boek? Zeg, is 't met prenten?
 
'k Zie die zoo graag, o geef het mij.’
 
Vader.
 
Jan lief! 't Boek ligt voor u open,
 
Elk voorwerp, dat gij hoort of ziet,
 
Kan hier iets heerlijks op doen merken,
 
Hier kunt gij duidlijk in Gods werken,
 
Zijn wijsheid, liefde en almagt lezen.
 
Dit alles vormde God uit niet.
[p. 25]origineel
 
Jan.
 
Uit niet? Ik speelde onlangs met eikels,
 
Daar zegt ge komen boomen van.
 
'k Zie gras en bloem uit de aarde groeijen,
 
De lente-zon doet alles bloeijen.
 
Vader.
 
Maar wie heeft eerst de zon doen schijnen?
 
Wie vormde de aarde? lieve Jan!
 
 
 
Van waar zijn de allereerste zaden?
 
Wie plantte eerst boom en bloem en kruid,
 
Die in 't vervolg hun zaden schonken?
 
Wie deed het eerste vuur ontvonken?
 
Wie schiep de lucht; Wie stortte 't water,
 
In zee en bron en beken uit?
[p. 26]origineel
 
Jan.
 
Vast zal dat God zijn, lieve Vader!
 
Gij zegt toch, dat hij alles geeft,
 
En dat ik biddend, alle dagen,
 
Om vreugd en leven Hem moet vragen.
 
Vader.
 
Ja, Jan! 't is God die aarde en hemel,
 
Zoo schoon, uit niet geschapen heeft.
 
 
 
De kunstnaar vormt, uit hout of steenen,
 
Of uit metaal; elk roemt zijn werk;
 
Doch, waar geen stof bestaat, vol orden
 
Een schoone wereld te doen worden,
 
Dat is geen vormen, dat is scheppen,
 
Want zulk een Almagt kent geen perk.
 
 
[p. 27]origineel
 
Zie, zoo schiep God vol wijze liefde,
 
Al wat aanwezig is, mijn kind!
 
De bosschen, bergen en rivieren,
 
Het vuur, de lucht, de mensch, de dieren;
 
Voor al wat leefde schonk Hij voedsel,
 
Daar Hij der schepslen vreugd bemint.
 
 
 
Die zelfde Magt beschermt nog alles,
 
Nog schenkt God groeikracht aan elk zaad.
 
Wij zaaijen, maar wie kan 't doen groeijen?
 
Wie kan den grond met dauw besproeijen?
 
Wij kunnen wolk nog zon bevelen.
 
God regelt alles, wat bestaat.
 
 
[p. 28]origineel
 
Jan.
 
O Vader! 'k wil dien God beminnen,
 
Hoe gaarn wenschte ik Hem te zien!
 
Vader.
 
Wij zien God niet met stoflijke oogen,
 
Maar liefde, trouw en mededoogen
 
Zijn trekken van Gods beeld. Door weldoen
 
Kunt gij Hem dankbaar hulde biên.
terug  begin  verder