terug  begin  verder
[p. 29]origineel

Het goedhartige Santje.

 
Ach, hoe blij is 't arme Mietje,
 
Als ik met haar spelen wil,
 
Mietje is lam, aan beide voeten,
 
'k Moet haar bitter leed verzoeten,
 
Als wij woelen, loopen, springen,
 
Ach, dan zit zij daar zoo stil!
 
 
[p. 30]origineel
 
Dirk is ook een goede jongen,
 
Als hij Mietje eens treurig ziet,
 
Dan vermaakt hij haar door kuren;
 
Toen 't van middag twalef uren
 
Sloeg, riep Mietje vol verlangen:
 
't School is uit, komt Dirk nog niet?
 
 
 
Dirk is wild, maar toch met Mietje
 
Speelt hij altijd zoo bedaard.
 
Juichend kwam daar straks die jongen
 
Hier de kamer ingesprongen.
 
‘Dat's voor Mietje,’ riep hij, ‘Tante
 
Gaf me een stuk amandeltaart.’
 
 
[p. 31]origineel
 
Maar, wie zou haar ook niet geven?
 
't Lieve Meisje is toch beroofd
 
Van de vreugd, waar in wij deelen.
 
'k Zal, als wij op 't grasperk spelen,
 
Madeliefjes voor haar plukken,
 
'k Heb dit gistren haar beloofd.
 
 
 
Nog berouwt het mij, 'k was Vrijdag,
 
Ook zoo wel als Dirk, gevraagd
 
Op 't geboortefeest van Kaatje,
 
‘'k Heb voor u bedankt,’ sprak Maatje,
 
‘Reeds twee dagen, heeft uw zusje
 
Om 't alleen zijn zich beklaagd.
 
 
[p. 32]origineel
 
'k Moet noodzaaklijk uitgaan, Santje!
 
Ditmaal blijft gij bij uw zus.’
 
Maatje zag mijn spijt; ik schreide,
 
Ja, 'k was geemlijk; Mietje vleide
 
Toen ik bij haar kwam (foei! 'k bloos nog)
 
Zelfs vergeefs mij om een kus.
 
 
 
Santje!’ vraagde zij, wat scheelt u
 
‘Heb ik iets misdaan? gij schreit.’
 
Ach, nu was mijn hart bewogen,
 
'k Sloeg op haar mijn weenende oogen,
 
En ik zag haar vleijende armpjes
 
Vriendlijk naar mij uitgebreid.
 
 
[p. 33]origineel
 
'k Overlaadde haar met kusjes.
 
Hoe veel vreugde mist zij niet,
 
Zonder naauwlijks eens te klagen.
 
'k Leer van haar elk leed verdragen,
 
En geduldig zijn; hoe treurig
 
Zich mijn hoop verijdeld ziet.
terug  begin  verder