terug  begin  verder
[p. 34]origineel

Het deugdzaam kind.

 
Katootje zag een mand vol appels,
 
Die regt bekoorlijk bloosden, staan.
 
‘Neen!’ - sprak ze ‘neen, ik mag niets nemen.’
 
Toch zag zij de appels lagchend aan.
 
‘Wat zijn ze schoon, hoe groot, hoe blozend.
 
Al proefde ik eens, wie ziet mij hier?
 
Doch Moeder heeft het mij verboden,
 
Zij gaf 'er gistren mij wel vier -
[p. t.o. 34]origineel
 


illustratie
Pl. II.
'k Heb daar 'er één, wat heerlijke appel.


[p. 35]origineel
 
Maar 'k at die op, die smaakten kostlijk.
 
Zie, dat ik nu maar zeker wist,
 
Hoe dezen, die zoo blozen smaken,
 
Kom, ééntje toch word nooit gemist.
 
'k Heb daar 'er één, wat heerlijke appel,
 
Die zal eerst lekker zijn. Maar neen!
 
Hoe klopt mijn hart. Foei! 'k word ondeugend.
 
Ik voel 't, ik ben hier niet alleen.
 
God ziet mij; God is tegenwoordig.
 
Dat weet ik, neen, 'k gehoorzaam Hem.
 
Dit kloppen van mijn hart bij 't kwaaddoen,
 
Zegt Moeder, is Gods eigen stem.
 
Die stem beveelt mij niet te stelen,
 
Daar, lig daar, appel! o hoe vrij,
 
Hoe vrolijk haal ik nu weêr adem,
 
'k Heb niets misdaan, o 'k ben zoo blij.’
[p. 36]origineel
 
De Godheid zag met welgevallen
 
Dien strijd, die zegepraal, die vreugd -
 
En eenmaal wacht deez' edele poging
 
Het schoone zegeloon der Deugd.
terug  begin  verder