terug  begin  verder
[p. 41]origineel

Karel met zijn Vader.

 
Karel.
 
Vader! Woont God, in den hemel,
 
Hooger nog dan maan en zon?
 
O dat ik Hem zien en hooren
 
En mijn liefde toonen kon!
 
Hij is immers zoo weldadig?
 
Hij bewaart ons, waar wij zijn.
 
Alles komt van God, zegt Moeder,
 
Regen zelfs en zonneschijn.
[p. 42]origineel
 
Vader.
 
Ja, mijn kind! God geest ons alles.
 
Niets kan zonder Hem bestaan.
 
Zie, zijn Goedheid lagcht ons tegen,
 
Waar wij de oogen vrolijk slaan.
 
Plant en kruiden doet Hij groeijen,
 
Mensch en dieren geeft Hij brood,
 
Met het hoogste regt bemint gij
 
Zulk een God, zoo goed, zoo groot.
 
 
 
Toon Hem daaglijks toch uw liefde
 
Door te doen, wat Hij gebiedt.
 
Noem Gods naam nooit, dan eerbiedig,
 
Dank voor al, wat gij geniet.
[p. 43]origineel
 
Karel.
 
Ja, 'k maar moest God zien, dan kende,
 
Dan aanbad en dankte ik Hem.
 
Maar nu God zoo hoog woont, Vader!
 
Hoort Hij immers nooit mijn stem?
 
Vader.
 
Waar gij zijn moogt, gij bevindt u
 
In Gods tegenwoordigheid.
 
Hij beschouwt u, en heel de aarde,
 
Schoon zich duisternis verspreidt.
 
God woont niet, gelijk een Koning,
 
In een hof, met pracht omhuld.
 
Neen, omhoog en in den afgrond,
 
Woont Hij, die 't heelal vervult.
 
 
[p. 44]origineel
 
Lieve Karel! ja, God hoort u.
 
Hij verstaat zelfs, wat gij denkt.
 
Kunt gij Hem niet zien! Gevoel Hem
 
In al 't goede, dat Hij schenkt.
 
Hoe verstandig ook de mensch is,
 
Hij begrijpt Gods wezen niet.
 
God is eindloos meer, dan alles,
 
Wat gij met uwe oogen ziet.
 
 
 
Als de mensch in 't volgend leven
 
Meer naar God gelijkt mijn kind!
 
Ja, dan zal hij God aanschouwen
 
Die ons allen trouw bemint.
[p. 45]origineel
 
Karel.
 
Vaderlief! hoe dient men God toch?
 
Vader.
 
Door te doen, wat Hem behaagt.
 
Zijt opregt; spreek altijd waarheid,
 
Help elk, wie uw bijstand vraagt.
 
Eer, bemin, uw zorgende ouders;
 
Wreek u nooit, zijt trotsch, noch wreed,
 
Doe nooit heimlijk kwaad. Denk, Karel!
 
Dat God alles ziet en weet.
terug  begin  verder