[p. 54]
origineel
Lotje in de lente.
Lotje
.
M
oeder! is het nu geen lente?
Zie eens, die verdorde boomen
Leven weêr.
Deze bloemen zag ik sterven;
Zie nu groeit een jeugdig spruitje
Uit deez' tronk.
Alles is weêr groen en bloeijend.
O, die lieve schoone Lente,
[p. 55]
origineel
Niets toch sterft.
Maar de menschen, ja die sterven.
Ach, nooit komen ze in de lente
Uit hun graf.
Toen broêr
Heintje
was gestorven,
Toen zeide oom: Dat bloeijend roosje
Viel in 't stof.
Ach, was
Heintje
maar een roosje:
Zeker bloeide hij dan weder,
Maar nu niet.
Menschen zijn toch meêr dan roosjes,
Menschen kunnen gaan en spreken
Hooren, zien.
Waarom moeten zij dan sterven,
Om voor altijd dood te blijven?
Moeder lief!
Moeder
.
Om voor altijd dood te blijven
[p. 56]
origineel
O, mijn
Lotje
! dat was vreeslijk -
Neen, de mensch
Is veel meer dan boom of bloemen,
Daarom ook herleeft hij schooner -
Maar niet hier.
Wie herkende in deezen bloembol,
Dien gij bragt, om hier te planten,
Deze tulp?
Zoo herkent gij in den mensch ook
Zijn veel schooner edler wezen
Nu nog niet.
Ook ons vroeg gestorven
Heintje
,
Blijft niet dood, maar bloeit veel schooner
Voor Gods oog.