[p. 101]
origineel
Het goede kind in den avond.
D
e dag is niet verloren,
Al zinkt hij ginds in 't westen,
Neen, 'k leerde, 'k was gehoorzaam,
En 'k heb niet woest gespeeld,
'k Had ook iets, om te geven.
Hoe vrolijk maakt ons 't weldoen!
'k Heb aan twee zieke kindren
Mijn druiven uitgedeeld.
[p. 102]
origineel
Ik kreeg een tros van Tante,
Nooit zag ik schooner druiven,
Zoo saprijk, zoo doorschijnend;
Ik proefde, o welk een smaak!
Zoo geurig, zoo verfrisschend,
Maar dacht aan de arme kinders
Van
Krijn
; hen te verkwikken
Geeft eindloos meêr vermaak.
Zoo dacht ik, en ik snelde,
Nu zonder meêr te proeven,
Naar de arme zieke kinders.
Hoe lagchten zij mij aan
Ach, vreugd blonk in hun oogjes,
Hoe koel, hoe frisch, hoe streelend
Was in hun smachtend mondje
Niet elke druif; ik weende.
[p. 103]
origineel
U dank ik God! mijn Schepper!
Uw liefde schonk mij ouders,
Die mij het weldoen leerden,
U dank ik, menschen-vriend!
Volmaakte
Jezus
! 'k dank u,
Gij, leerde aan mijne ouders,
Dat armen te vertroosten
Uw broeder-min verdient.
De dag is niet verloren
Al zinkt hij ginds in 't westen,
't Is waar, 'k heb al mijn pligten
Niet naar mijn' wensch betracht;
Maar
Jezus
! dat berouwt mij,
Ik bid u om vergeving,
'k Vertrouw mij aan uw liefde
Bij 't naadren van den nacht.