terug  begin  verder
[p. 119]origineel

Het leerzaam kind in den zomer.

 
Hoe lief was de lente, zij tooide onzen boomgaard
 
Met geurvolle bloesems, toen scheen mij elk takje
 
Een lagchende bloemtuin, doch ras vloodt zij heen.
 
De bloesems verwelkten, maar smaaklijke vruchten
 
Versieren den boomgaard: hoe rijk is de Zomer?
 
O weldoende Schepper! U dank ik vol vreugd.
 
De lente, zegt Moeder, is 't beeld van mijn kindschheid,
 
Mijn jeugdige leeftijd snelt zorgloos en vrolijk.
[p. 120]origineel
 
Maar vlug als de dagen der lente voorbij.
 
Vertoont nu mijn kindschheid geen heilvolle bloesems
 
Van braafheid en kunde, versiert mij geen wijsheid,
 
Veradlen geen deugden mijn jeugdige ziel,
 
Dan, ach, dit verzekert mijn dierbare Moeder,
 
En 'k voel het ook duidlijk, dan wacht mij een leven,
 
Verachtlijk en treurig; maar wijd ik mijn jeugd
 
Aan oefning in kennis; aan oefning in deugden,
 
Dan pronkt reeds mijn kindschheid met heilvolle bloesems.
 
Dan wacht mij een leven vol blijdschap en roem.
terug  begin  verder