begin  verderprepost
[p. 5]

I
Desember, 1919.
Aan Dr. A.J.

Ik beweeg mij over 9 m2 tichelvloer. Zo is de begrenzing des vleses! Maar de geest blijft vrij. Als ik mijn 9 m2 tichelvloer aan 't boenen ben, stel ik mij voor dat ik al het onrecht weg-was van het aanschijn der wereld.

Daar is veel onrecht gepleegd; en het aanschijn der aarde is geworden, als een sneeuwveld na hekse-sabbat! De temperatuur is hier laag, als in het hart van de oude wereld waar het vuur uitdoofde, de liefdebrand. Prometheus werd gezien, dwalend tussen de rotsen, waaraan verroest de oude kluisters hangen. De gieren hebben bloedige snavels.

[p. 6]

Mijn hart is wel een vaste klomp van harde verbittering. Maar als daarbuiten, op een tak die ik niet zien kan, een wintervogel (sneeuwwit, op een stekeldorentje - het oude lied!) zijn din-don-deine slaat, och als daar maar één druppeltje klare vogelzang op mijn hart valt, smelt de klomp, als was dat brandt op Mei-altaren!

Dragen alle eerlike lui uniformen met blinkende knopen en kepi's met zilverband? Ik weet niet of de bozen een ander gelaat hebben als de goeden. Kwaaddoeners dragen een kap over hun hoofd. Ik zag nooit het gelaat van een booswicht. Ook mijn eigen gelaat kan ik niet zien. Misschien is dat goed. Ik kon anders razend worden.

Komt het nu weer? Als ik aanhoudend staar, op de witte wand staar, komt het altijd. De verschijning. Zij komt uit de witte wand: het is als een licht dat plots in een

[p. 7]

nis wordt gesteld. De hele gestalte is licht, alleen het gelaat is donker; daar hangt rouw over de oogleden. Het is een zeer fijn gelaat, zacht als het aanschijn Christi.

Zo was mijn laatste droom. Een jonge Romein, in knapedracht. Hij stond: dat wil zeggen, staan was het enige wat hij deed. Onder zijn arm hield hij een speer. De schacht van de speer was zwart, en de punt naar de grond gekeerd. Het was of de jonge Romein eeuwig zô staan zou. Aan zijn voeten lag een meisje. Zij lag er als Magdalena aan de voet van het Kruis en hield zijn knieën omklemd. Toen zij haar gelaat ophief, zag ik dat het nat was van tranen. Maar niet zodra hadden haar ogen die van de jongeling gevonden, of daar lichtte over haar aangezicht al de glans van de eerste morgen die straalde van Gods gelaat! Ik geloof dat het jongelingsbeeld toen plots levend geworden is. Ik ben wakker

[p. 8]

geschoten. Mijn strozak was hard gelegen.

Eens heb ik met drie woorden - lamp, olie en aartsengel - een lied gezongen dat Boodschap konden zou. Zo de herder, die uit drie tonen op zijn schalmei lokt de ziel der dingen en aller dingen één-zijn. Mijn woorden waren volle levenskelken, zij maakten mij en anderen rijk genoeg. Wie draagt nu de Boodschap daarbuiten en zingt zijn volle levenslied? O, het leven, het leven, de God-verwerkelikende Daad! Gods aanschijn naar voor te beitelen uit de harde dag! ‘Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang’ - aldus begon het gebed dat werd geboren op Kersavend in een gevangeniscel.

Eens was een avond zo, daarbuiten, mistig en koud. Ik slenterde door de stad. Bedelaars raakten mij in het gedrang, spraken mij aan met stotterende stem. In mijn ogen (ik droeg mijn ogen zo licht en klaar!)

[p. 9]

zochten vrouwen begeerte naar zonde. Het licht boven de stad was als één grote, rode mond. In ‘Merry Grill’ dansten meisjes met roze vlees - bloesem van de appelaar - waaruit kinderen nooit worden geboren. Gelukkig de wandelaar die Liefde droeg op dit uur, gesloten in het warme schrijn van zijn hart: God schreed in hem, langs de lanen waar in 't slijk de dorre blaan vergaarden!

Soms vraag ik me af, of ‘ik’ wel ‘ik’ ben. En of deze gevangeniscel geen droom is. Maar dat zijn wel degelik koude, witte muren. En die blauwe vlek, met het ronde ruitoog erin, is wel een ongenadige deur! Dus ‘ik’ ben ‘ik’, en ‘ik’ zit in een gevangeniscel. Maar waarom? Ik heb veel lust om met het stomste gezicht van de wereld het ‘Hep ik ooit fa me leve!’ van een Amsterdamse komenijsvrouw na te bauwen! Maar het is toch klaar, jongen!

[p. 10]

Waarom was je nu ook zo dwaas ‘Vlaming’ te zijn?

Alles is hier oudbakken! Niet alleen het brood, maar ook de lucht, en het licht. Het lijkt wel of de lucht, waarin ik hier adem en leef, uit konserveblikjes kwam. En het licht dat door de matte ruitjes binnendringt, is niet het licht van vandaag, het lijkt veeleer het licht van vôôr een maand, glansloos en versleten. Van de hemel zie ik alleen een spie, een grauwe lap, gevat tussen hoge muren en de kruinen van drie bomen die als Geloof, Hoop en Liefde zijn.

Dit is nu een wonder idee. De wereld draait, en leeft, en loopt naar haar einde (zij loopt wellicht naar haar begin!) en ik ben er niet bij. Het wil me haast onmogelik voorkomen dat de wereld haar gang gaat zonder mij. Ik moet wel een nulliteit van belang geweest zijn! De doden zijn er ook niet meer, en

[p. 11]

de wereld doet het zonder ze. Het lijkt altans zo. Maar de doden leven ôver de wereld. Hun adem is door Gods adem geweven. Het is deze adem die de planeten in leven houdt. De glans van hun leven-dat-wàs valt in ons, en wij worden doorvonkt en doorbrand met het heilige vuur van alle heldhaftigheid!

Als mijn gazvlam bibbert (zij bibbert van de kou!) vier ik mijn uren van opstanding. Ik sla mij heen door het licht, en sta in de dag, te midden van mijn volk! Arm volk, dat schuchter uit uw donkere stulpen kruipt. Daar is geen trots in de ogen van uw mannen, uw vrouwen kennen maar de weelde van het baren. Waarom lopen uw kinderen als boetelingen over het land? En toch is uw rogge goed, en de room van uw melk is goed. En gezegend uw zweet: de gouden bevruchting der aarde die u verzadigt! Volk, mijn volk, wie brengt mij de mare

[p. 12]

dat gele banieren klaroenen van alle torens? Wie zag de zwarte blommen klauwen naar de hemel?

In de dorpen worden de metten geluid, de wekkende morgenmetten. Daar werden tekens gezien aan de hemel: als het zwaaien van zonnemolens door donkere maartluchten.

prepost  begin  verder