Waarde.....,
‘Begin met het Leven lief te hebben, en de rest zal u worden toegeworpen!’ - Onder de vele heerlike waarheden die mij in de stilte van mijn cel werden geopenbaard, is deze mij dierbaar als de herinnering aan de vlekkeloze ziel van moeders stem, als de reine traan waardoor het licht van geliefde, gezoende ogen brandt.
In dagen van heimwee en snikkend verlangen, wanneer het eeuwige-zwijgen als een koude lijkwade over je hangt, en de sleutel van de cipier door het harde slot heen in je hart boort en knarst dat je hele lijf en ziel er van weeklagen, heb ik mij met wanhopig geloof aan deze waarheid vastgeklampt: en telkens heeft zij overwonnen. Na dergelike dagen
was het steeds dat ik schreef aan jou en de anderen: ‘Broer, ik ben onverwoestbaar. Ik wens je een leven als een vlag!’
Die met mij leven zijn wijs van ervaring en zeggen: ‘Hier is de rust. Het Leven daarbuiten heeft zijn kruisbergen en zijn grote desillusies’. Maar in het diepste van mijn hart weet ik het beter. Ik weet dat men daarbuiten niet ALLEEN is, maar met twee: wat hetzelfde betekent als almachtig. En ik weet dat het de roeping is van allen die met twee zijn: niet de kruisberg te schuwen, niet te vluchten het gevaar en de desillusie, - maar te staan op de kruisberg met armen open van benedijding, met juichende kelen, en in het gevaar omstrengeld in Liefde die onoverwinnelik is! En zo verslaat mijn grote, stralende credo ook de gedegen wijsheid en de eerbiedwaardige ervaring.
Er is een tweede waarheid waarin
ik met onwankelbaar betrouwen heb leren geloven. Deze namelik: ‘dat het nieuwe heil komt van de gemeenschap’. Dit geloof is gebouwd op het Wonder. Want er gebeurt op dit ogenblik in de wereld een groot mirakel. Jonge mannen en jonge vrouwen uit alle landen, die nooit mekaar hebben gezien, nooit de klank hoorden van malkanders stem, zijn plots ontwaakt tot het besef van dezelfde noodzakelikheid en dezelfde mogelikheden. Lees wat zij schrijven, luister naar wat zij dichten, verneem de stem uit hun dromen, en je zal zien: daar is alree levend in een heel aankomend geslacht éénzelfde wil en éénzelfde drang. En de wind die over alle landen gaat, draagt boven de wereld de symphonie van de jonge, onstuimige harten die kloppen en bonzen voor éénzelfde ideaal: verzoening en Broederschap! Nieuwe grenzen worden getrokken tussen de naties. Maar van
mens tot mens worden de grenzen uitgevaagd.
Want boven alle machten die de mensen van mekaar rukken, is er een macht die de mensen in malkanders armen drijft. Deze macht is Liefde. Wie Liefde bezit, hij ontdekt in de simpelste en de meest-verachte zijner broeders dat mysterieuze licht dat lokt en aantrekt van ver als een glimworm, en een brandend braambos wordt wanneer men er dichtebij staat! Als ieder van ons in zijn evenmens dat licht ontdekt, zal de Gemeenschap der Levenden voltrokken worden en de aarde zal doorschijnend zijn van goedheid!
Zie naar ons levende één-zijn met het volk voor wiens verheffing wij het woord hebben gevoerd - waarom wij nu in de gevangenis boeten. Geloof mij: indien ik dat volk niet in mijn hart droeg, indien ik het hier niet bij me had, niet ten allen stonde kon oproepen hier rondom
mij in mijn cel, - kameraad, ik zou verdorren! - O, moederkens uit het volk, wier jongens aan de IJzer vochten of gemarteld werden in opgeëistekampen, en die naar mij toekwaamt, wanneer ik tot u gesproken had uit de volheid mijns harten: woorden die jong waren van Liefde en Geloof, jong als ik-zelf! Gij kwaamt naar mij toe, al wenende en lachende tegelijk en gij zeidet dat simpele woord, groots van eenvoudige erkentelikheid: ‘Meneer, gij zijt bedankt!’ Ik had toen aan jullie voeten kunnen neervallen en om vergiffenis smeken, om de schuld die wij allen dragen aan uw verworpenheid! En gij mannen uit de fabriek en van de akker, van wie gezegd wordt dat gij ruw zijt en hard, maar in wier ogen ik de breedste, stralendste tranen heb zien schitteren die hier op aarde gestort worden! Zij zijn hier rond mij.
Dikwels, wanneer ik niet slapen
kan van een of ander groot en onverwacht geluk dat mij binst de dag te beurt viel, sturen zij hun afgezanten. Langs de ene kant van mijn brits zit het sagen-vrouwke, Maurits de Meyer, bij wie wij samen ‘onuitgegeven’ volksvertelsels gingen afluisteren en optekenen. Ik vraag haar: ‘Hoe is het met de buurvrouw, die haar arm brak toen zij van de tafel viel waar zij, beladen met de last van haar ZEVENTIG jaren, nog opgeklauterd was om de klok af te stoffen?’ En ik verneem dat de arm genezen is, en dat de zeventigjarige buurvrouw weer als naar gewoonte haar stukje dageliks brood verdient met beuzelwerk VOOR DE FABRIEK! - Langs de andere kant zit een werkman. Ik herken hem aanstonds. Ik stond op een armzalige vliering aan zijn bed, waarin hij te zuchten en te dampen lag van de koorts. Ik hield zijn natte hand in de mijne, als een koude
druipende vis... ‘Joske’ zegt hij tans tot het sagen-vrouwke, ‘begin nu maar te vertellen’. En ik hoor Joske 's gebarsten stemmetje dat klotert als de boutjes op haar kantjekussen: ‘Do was ne kier e meiske, en da meiske was veruurdield om on 'nen buum opgehongen te weurren...’ En terwijl de goede, warme ziel van mijn volk over me zoemt als een bijenzwerm, val ik in slaap en droom als een gelukzalige...
... Nieuws van hier? Er is hier een kleine tragedie gebeurd. In de cel van een van de vrienden is een zwaluw komen... sterven! Er zijn hier 's avends altijd grote vluchten gierende zwaluwen over de tuin en langs de muren. Dikwels klim ik tot aan mijn tralievenster en wring een stuk van mijn gelaat door de handbrede opening van het raampje, om hun sierlike zwerftochten te bespieden. Door die hand-brede opening nu is de zwaluw in de cel geraakt, waar zij
zich al dadelik tegen de wanden lam gevlogen heeft. 's Anderdaags heeft onze vriend de glanzende, zieltogende vogel meegebracht naar het wandelhok. En daar is ie gestorven, midden de ridderspoor en de papaver. Heel in de verte speelde een grote koperen zonnebloem de doodsmarsj.
Adieu, Het wordt donker. En ik moet mijn strozak nog ‘bewerken’!