terug  begin  verderprepost

XI
22 Desember, 1920.

. . . . . .

Zorgemoederke had al een heerlik wintersprookje verzonnen. Toen de sneeuw zich op de stad kwam neerzetten ‘als een zilveren bijenzwerm’ (o, het mooie vers van Däubler!) zong zorgemoederke: ‘Nu komt-ie! Er viel sneeuw toen ie de éérste maal kwam. Nu komt ie. Hij is mijn winterkoning!’ - En zorgemoederke dichtte haar weelde-sprook je: het werd als een wonderbaar weefsel. En zij haalde maar altijd door de fijne gouddraden uit haar hart.

Dan... werd zorgemoederke d'r sprookjesdoek stuk gescheurd.

En zij kwam. Zij lachte. Zij

[p. 108]

weende niet meer, zij lachte. Als een kleine fee lachte zij om het ‘voorhistories’ geweld van de sprookjesvernielers, en dichtte al dadelik een lichtere droom: sprookje van springende botten en subtiel lentegeluk!

O lief, licht kind: waarom kan je nu niet aan ieder geven dat godsdeel van je: je hoge, triomferende hoop? Gister kwam vader. Er trilde doffe smart in zijn woord toen hij zei: ‘Dat is nu de derde Kersdag jongen, dat ik u niet thuis heb!’

De derde Kersdag!

Hoe was ook weer de eerste? Het was ijselik koud en geen vuur in de cel. 's Avends zat ik met een kruikje warm water onder mijn veston geborgen en kroop dicht bij de snikkende gaz-vlam. Schreiend van kou en geluk schreef ik de Boodschap! ‘Laat mij mijn ziel dragen’... Alle hemelen braken open

[p. 109]

en de sterren vielen in mijn hart!

En de tweede? - Er brandden veel flikkerende lichten rond het ruw-houten kruis in de gevangeniskapel. In een van de hokjes, achter me, werd een man onpasselik. Ik hoorde de zware bons toen ie in mekaar zakte, en dan: jammergekef als van een bezwijkende hond! Er was haastig getrappel van voeten. Korte cipiers-bevelen. Ten slotte: het lastig vooruitschuiven over de planken van mannen die een zwaar pak torsten. - Een pretentieuse stem zong: ‘Venite adoremus!’

En nu de derde Kersdag! Hier ook zullen wel veel lichten branden tussen de papieren bloemen op het outer. En de mooie kerkhymnen zullen geradbraakt worden, dat al mijn zenuwen er wee om schreien! - O, deze voorzanger gaat te werk als een verwoed ikonoklast: hij breekt de Schoonheid af, hij vermorzelt haar! - Maar ‘zij’ zal

[p. 110]

komen: zij zal de zang der engelen brengen, en het fluitspel van de herderkens; de warmte van het kribbeken, en de schittering van de ster! 's Avends zullen zachte violen van gedachtenis open-ruisen als wonderbronnen. Het zal zijn alsof de volle urne van ons geluk wordt uitgestort over allen, allen!

En allereerst over de hoofden van mijn lotgenoten en lijdensbroeders. Hoe gaan nu, zwaar van reddingsdrang, mijn gedachten van cel tot cel, waar ik hen weet, de stille dulders als levend begraven in vergetelheid! O, indien het waar is, dat mijn woord daarbuiten iets vermag: ik smeek u, gij allen die zingen kunt, gij allen die verzen weet voor te dragen, die proza kunt laten aanzwellen op uw stem dat het wordt als een tocht van witte zeilen, ik smeek u: doet in mijn plaats wat ik niet doen kan!

Want ik zou iets willen doen voor

[p. 111]

mijn gevangen broeders. Ik zou willen gaan als in mijn kindertijd van huis tot huis, zou willen gaan met de Boodschap-liederen, met de Tocht-gedichten; als Vachel Lindsay prediken ‘the Gospel of Beauty’. Niet echter om dageliks brood, als de Amerikaanse dichter-wandelaar, wou ik het woord dragen, maar om het brood van Barmhartigheid voor mijn geboeide kameraden! En niet één van allen die mij aanhoorden die weigeren zou!

Want is er nog één vader in Vlaanderen, die zijn zoon wou zien vallen onder browning-kogels, omdat hij de Blauwvoet liet vliegen?

Is er nog één moeder, die haar man wou laten bezwijken op een celle-brits omdat hij Recht hielp geschieden aan zijn volk?

Is er nog één zoon, nog één dochter, nog één kind, - die genadebrood wouën eten om wille van vaders Vlaming-zijn?

[p. 112]

En welke jonge man wou zijn meisje laten schreien aan gevangenispoorten? En welk meisje wou eens de verdoken pijn dragen van Zorgemoederke?

En wanneer de deuren der nederigen openstaan voor de Bedelaar-Dichter, waarom zouden de poorten der groten gesloten blijven? Hij laat zich niet weg-jagen. Hij vermurwt de lakeien, hij dringt door tot de Meester. Boven buigt de Meesteres wellicht over een kanten wiegje, en zij hoort hoe de dichter zegt: ‘Tal van roze kinder-armpjes reiken naar de zwarte gevangenispoort. Wie kan weigeren wat kinderhandjes vragen?’

. . . . . .

Is Vrede dan toch zo vèr-af?

Gij allen die dageliks mekaar verscheurt met lasterwoorden; gij allen die nog een mens onder de mensen ‘vijand’ noemt; gij strafpredikers voor anderen, die de balk

[p. 113]

niet ziet in uw eigen oog; gij die uw broeder geselt, omdat gij-zelf de zweep vreest; gij àllen die de witte Vrede verbannen houdt;

maar ik zeg u: ‘Ik haat niet. Ik herberg de witte Vrede hier in mijn cel. Laat haar komen tot u: haar vleugelen groeiden breed en sterk. Als zij langs u voorbijzweeft, zal de doode as allerwegen worden opgejaagd: en de blanke aarde zal zijn als een feestdis, waar wij allen aanzitten voor nieuwe agapen!’

. . . . . .

prepostterug  begin  verder