Eigennamen verwijzen inherent naar individuele en unieke objekten. Ook soortnamen kunnen individueel benoemen: de bakker (die bij iemand brood levert), het domein (dat van Bokrijk bijv.), het rijksarchief (een Limburger zal meestal het gebouw in de Bampslaan bedoelen), het kadaster, de stad, de zon enz. De individuele toepasselijkheid van soortnamen is echter toevallig en niet essentieel zoals bij eigennamen, en varieert van geval tot geval, bijv.:
| - | De ommegang trekt door de stad (op bepaalde tijden en plaatsen weet men of Hasselt, Tongeren of een andere stad bedoeld wordt). |
| - | Hij zit op de stoel (bij een bepaalde kwis). |
| - | Hij gaat elke dag naar het archief (een bepaald stadsarchief, een provinciaal archief, een rijksarchief...). |
| - | Zijn auto staat altijd op de straat (vóór zijn huis). |
Uniek bepalende beschrijvingen zijn, zoals uit de voorbeelden blijkt, slechts uniek op buitentalige (extra-linguïstische) gronden (van tijd en ruimte), d.i. in de situatie.
Dat personen of plaatsen dezelfde naam dragen (Jan/Jansen, Pieter/Pieters, Hasselt, Ophoven enz.) doet niets af aan het individueel karakter van de eigennaam. In zulke gevallen hebben we niet te maken met het zoveel keer toepassen van één betekenis van eenzelfde woord, wel met verschillende, toevallig gelijkluidende woorden; het betreft dus homonymie of gelijkluidendheid zoals in bank (1) (zitbank) en bank (2) (geldbank).
Wezenlijk is dat eigennamen geen begrip inhouden: het oude appellativische begrip is eruitgegaan. Vandaar dat de eigennaam slechts dient als verwijzer naar een unieke persoon, plaats of voorwerp, bijv.:
| - | Wie Desmet heet is geen smid (of hoeft het niet meer te zijn); de naam noemt louter de unieke persoon X. |
| - | Berg duidt bijv. de unieke woonplaatsen bij Tongeren en te Neeroeteren aan (ook nog wel elders), zonder dat daarbij aan hoog gelegen plaatsen dient gedacht te worden. |
Dit impliceert ook, dat een nummer of een letter voldoende kunnen zijn om als eigennaam te fungeren. Wegens hun oneindig aantal en de eventuele kombineerbaarheid met letters zijn nummers zeer efficiënt (cfr. infra).
De meeste EN vertonen ook de enkelvoudsvorm. Sommige kunnen formeel in de meervoudsvorm staan (doorgaans restant uit het appellativisch voorstadium): de Alpen, de Pyreneeën; In Limburg bijv. de volgende gehuchtnamen: Engsbergen (Tessenderlo), Gelieren (Genk), Hoeven (Overpelt), Zevenhuizen (As) enz. Deze laatste worden evenwel niet meer als meervoudsvorm aangevoeld. Vandaar zegt men: Zevenhuizen is een oude nederzetting. Daarenboven lijken talrijke EN alleen in het meervoud te staan, zoals de Kempen (uit rom. campània ‘(hoog)vlakte’).
In wendingen als de twee Niels (bij As en Sint-Truiden) en de drie Willemsen hebben we te doen met telbare substantieven (die deelnemen aan de oppositie enk.-meerv.). Het zijn in dit geval geen eigenamen meer, maar telbare soortnamen, d.w.z. een optelling van de twee plaatsen die Niel en van de drie personen die Willems heten. Zo kan men ook spreken van de twee Pelten, een optelling van twee plaatsen Pelt (Neer en Overpelt) genoemd, de twee Brogels / Glabbeken / Itters enz. Een eigennaam als de Pelten te willen introduceren is weinig zinvol. Bij eventuele samenvoeging van gemeenten als Neer- en Overpelt, Neer- en Opoeteren, Grote en Kleine Spouwen, ligt het voor de hand de onderscheidende bestanddelen (neer/
over, groot/klein) weg te laten, die er trouwens in de loop van de geschiedenis - bij splitsing van territoria - aan toegevoegd zijn.
EN hebben ook geen lidwoord nodig, omdat ze uit zichzelf uniek bepalend zijn. Wel kan het lidwoord uit het appellativische voorstadium bewaard zijn (cfr. ook de meervoudsvorm!), wat o.m. het geval is bij de groep van de natuurnamen teg. de nederzettingsnamen. In Limburg heeft geen enkele gemeentenaam een lidwoord; de gehuchtnamen vallen in twee groepen uiteen: een kleine groep heeft geen lidwoord, een tweede groep wel; in dit geval betreft het natuurnamen die nederzettingsnamen zijn geworden. In talrijke gevallen is het lidwoord, resp. het gen-arikel versteend en vervult geen enkele funktie meer, bijv. in namen als Genenbos (Lummen), Geenrode (Meldert), Geenhout (Paal), Tenhout (Houthalen), Terboekt (Genk), Tervant (Paal). Het lidwoord kan ook een klasserende funktie vervullen, bijv. de Beek (waterloop) teg. Beek (nederzettingsnaam): Bij de overdracht van een waternaam (+ lidwoord) op een nederzetting, gebeurt een eventuele formele differentiatie door eliminatie van het lidwoord.
Zoals reeds gezegd, hebben de meeste EN een appellativisch voorstadium, d.w.z. komen historisch uit een soortnaam:
| 1) | In talrijke gevallen is de gelijkluidendheid S (soortnaam) - EN
(eigennaam) bewaard: berg - Berg, de molenaar -
Molenaar(s). Vooral bij de omvangrijke groep van de veldnamen is de homofonie bewaard gebleven: akker, beemd, broek, heide, veld enz. Te verklaren door het feit, dat deze veldnamen doorgaans jonger zijn dan bijv. water- en nederzettingsnamen. |
| 2) | De gelijkluidendheid S - EN kan ook sekundair tot stand komen door onderlinge aanpassingen, meestal in de richting van EN naar S, bijv. Essenhoek wordt Nestjeshoek (Neerpelt), Olaarts (psn.) Kamp wordt Oorlogskamp (As), Kloterstraat wordt Kloosterstraat (Sint-Huibrechts-Lille), Wijdeven |
| wordt Witven (Zonhoven). Zulks wijst op een streven om de EN doorzichtig te
maken of te houden, wat men gewoonlijk volksetymologie noemt. Eén van de
meest geciteerde voorbeelden is Zonhoven. Omdat sonuwe, de thans nog onder de autochtone Zonhovenaars
levende naam, niet meer doorzichtig was, heeft men de papieren vorm Zonhoven gecreeerd, waarbij het eerste lid in verband
met de zon (soleil) werd gebracht; vandaar ook de afbeelding met de zon
op de voorgevel van het oude gemeentehuis. Soms ontstaan in dit verband ook naamverklarende verhalen of sagen: 1) Zo wordt de plaatsnaam Donderslag (Meeuwen), die teruggaat op donners-lo (vgl. Winterslag - Winters-lo), wel eens in verband gebracht met het bekende natuurverschijnsel donder; 2) namen met het bestanddeel zwart (Zwart Ven, Zwart Veld), dat diverse betekenissen kan hebben, worden vaak als onder de Franse tijd gekocht zwart goed geïnterpreteerd. |
|
| 3) | De EN kan ten opzichte van de S ook gedifferentieerd worden. Talrijk zijn de voorbeelden van overgang van samenstelling of syntagma tot wat genoemd kan worden eigennaamsfossielen (verholen samenstellingen). Enkele voorbeelden: Bennevoort (Overpelt) evolueert tot Bemmert, Heesakker (Overpelt) tot Heserken, Houthuizen (Dilsen) tot Houtissen, Kinrooi tot Kinder, Paanhuis tot Panis en Sonhees (Helchteren) tot Sonnis. |
Zoals vermeld is het verlies van de appellativische betekenisinhoud essentieel voor de EN. Aangezien de diachronische betekenis niet meer van belang is voor de huidige funktie, verstaan we de EN meestal niet meer. Wie denkt er bij het uitspreken van As aan waterloop, bij Bocholt aan beukenbos en bij Waterschei aan waterscheiding? Zelfs bij zeer doorzichtige namen denken we niet aan de oorspronkelijke betekenis: plaatsnamen als Beek, Broek, Veld; persoonsnamen van het type Rademakers, Schoenmakers en Wevers. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat men in brieven naar de betekenisverklaring van familienamen als Kusters, Smeets en Jorissen vraagt.
Enkele gevolgen van het verlies van de appellativische betekenisinhoud van de EN zijn:
| 1) | EN worden soms vertaald: Anvers, Tongres zijn
typisch propriale vertalingen; Bergen is een
appellativische vertaling van Mons, die steunt op het
historische begrip berg. In bepaalde periodes werden familienamen in het Frans vertaald: 1) In de Boergondische tijd (Decoster tot Lecoutere); 2) onder het Frans bewind (Dedecker werd Couvreur). Bij vertalingen uit de jongste tijd komt men dikwijls tot wat appellativische nonsens kan genoemd worden, maar vanuit propriaal standpunt te verklaren is: zo werd Bruidstraat te Brussel vertaald in Rue des Fiancées, het Minnewater te Brugge in Eau d'Amour. Bruid is historisch mnl. bruud ‘drek, moeras’ en minne ‘waterloop’. |
||||||||||
| 2) | EN zijn versteende vormen (fossielen) en bewaren reeds lang verdwenen
woorden en vormen, bijv.:
|
||||||||||
| 3) | De huidige naamgeving strookt ook niet meer met de oorspronkelijke werkelijkheid. Eén voorbeeld: De talrijke bos-, hout- en lo-namen in de Kempen (type Kattenbos, Houthalen en Lille) hebben sinds lang geen betrekking meer op loofbos, waarop de namen nochtans duiden. |
| 4) | Namen worden overgedragen:
|
Voor de primitieve mens is de naam een deel van zijn persoon, zelfs geheel gelijk aan zijn persoon; hij bezit de emotieve neiging om dingen samen te brengen die niet samen horen, die wij verstandelijk als gescheiden beschouwen. Vandaar is er bij de primitief weinig of geen scheiding tussen het ik en het niet-ik; het deel wordt gelijk aan het geheel (wie een voorwerp van een persoon bezit, bezit die persoon; wie iets van de vijand verbrandt, verbrandt de vijand enz.).
Dit verklaart ook, dat er bij de primitieve mens een fusie van naam en persoon is. Talrijk zijn de voorbeelden waaruit blijkt, dat naam en persoon voor hem identiek zijn:
| - | Grieks onoma: naam of persoon (eveneens in het Nieuw-Grieks). |
| - | Latijn nomen: naam of persoon (haec sunt nomina (= lichamen) martyrum...). |
| - | Onze Vader, geheiligd zij Uw naam... |
| - | Iets doen in de naam van = voor de persoon van... |
| - | De drang van de mens dat zijn naam voortleeft, is de drang om zijn persoon onsterfelijk te maken. |
Het gevolg hiervan is, dat de naam een magische kracht op de persoon uitoefent - we kunnen in dit verband spreken van naammagie -; enkele uitingen hiervan zijn:
| 1) | Het wenskarakter van de namen:
|
||||
| 2) | Een tweede uiting van naammagie is het taboe der
namen (naamverzwijging): indien een persoon machtig of
gevaarlijk is, wordt zijn naam verzwegen, omdat beide identiek
gewaand worden:
In plaats van verzwegen kan een naam ook mooier gemaakt worden. Vandaar bijv. de epiteta ornantia bij de klassieken: de Erinyen (furiën, wraakgodinnen) noemt men de Eumeniden = welwillenden, welgezinden. |
||||
| 3) | Een derde aspekt is de naamverandering, vooral met het doel de oude persoonlijkheid af te leggen: |
|
|||||||||||
| 4) | Omdat naam en persoon geïdentificeerd worden, ontstaat er tevens
een rechtsverhouding omtrent de naam. Wie geen
naam heeft, is rechtloos = niet bestaande.
|
De hierboven geciteerde voorbeelden hebben alle betrekking op persoonsnamen; de identifikatie van naam en persoon kunnen we ook illustreren met toponymische voorbeelden, met name nederzettings- en veldnamen:
| 1) | Uit de Frankische landnametijd (4e - 8e eeuw) stammen
nederzettingsnamen van de volgende types:
|
|
In de Kempen komen ze vrij sporadisch voor (het gros van de
nederzettingsnamen zijn daar natuurnamen), terwijl ze in Haspengouw
en de Maasvallei zeer talrijk zijn. We wijzen er hier tevens op, dat er een duidelijke korrelatie bestaat tussen de verspreiding van de Merovingisch-Karolingische nederzettingsnamen, de vruchtbare gronden en de kulturele uitstraling (Maaslandse kultuur, spreiding van kastelen enz.). |
|||||
| 2) | Bij de sub 1 vermelde nederzettingsnamentypes worden van
persoonsnamen afleidingen en samenstellingen gevormd. Dit patroon is
in recentere tijd vervangen door een eenvormiger systeem, waarbij
persoonsnamen rechtstreeks op erf- en veldnamen worden overgedragen:
|
Erf- en veldnamen als de Jansen en de Smeets konden enkel ontstaan wegens het inherente verband tussen het goed en de naam van de eigenaar of bezitter. Ze zijn, evenals de Frankische nederzettingsnamen, een uiting van bezit - een konstante naamgevingsfaktor naast bijv. het benoemen naar geografische kenmerken -, maar in een eenvoudiger systeem zonder suffigering.
Erfnamen van het type de Jansen kunnen overal aangetroffen worden, maar niet in dezelfde kwantiteit. Onderzocht zou dienen te worden, waar dit naamgevingspatroon een systeem is geworden, waar het okkasioneel voorkomt en waar het onbekend is. In Belgisch-Limburg blijken de van persoons-
namen afgeleide erfnamen massaal voor te komen in het Oosten. Dit kan erop wijzen, dat dit naamtype het gemakkelijkst kon ontstaan en ook intakt blijven in gebieden die zuiver agrarisch gericht bleven, en niet bijv. in West-Limburg, waar de gronden van zodanig slechte kwaliteit waren, dat een deel van de bevolking zich noodgedwongen op de handel moest toeleggen - we denken hier aan het ontstaan van de teutenhandel in de 16e eeuw -, of verplicht was uit te wijken, zodat de bevolking er minder honkvast was.
In dit verband kan het ook interessant zijn de van-namen type Vanmol, Van Summeren), die grotendeels op inwijking wijzen, onder de loep te nemen. Het grootste percentage van de van-namen wordt aangetroffen in grensgebieden en in streken die een niet-zuiver agrarisch karakter vertonen. Vandaar treffen we zulke familienamen in belangrijke mate aan te (Neer-, Over-) Pelt, St.-Huibrechts-Lille en omstreken - het teutengebied -, terwijl ze in de streek As-Gruitrode onbekend zijn.
Vanuit psychologisch standpunt is de EN dus helemaal geen nummer. Wel stellen we vast, dat nummeraanduiding i.p.v. namen, of de inkadering van de EN in (reeksen) nummers voorkomen in samenlevingen die sterk rationeel georganiseerd waren of worden:
| 1) | Bekend is bijv. de vrij rekenkundige persoons- en plaatsnaamgeving bij de Romeinen: primus, secundus, tertius; geografische namen als belgica (gallia, aquitania) prima et secunda. |
| 2) | In onze streken werden de openbare besturen voor het eerst in
sterke mate gerationaliseerd onder Napoleon door o.m. het invoeren
van bevolkingsregisters, kadaster, leggers van wegen en waterlopen
enz. Een gemeentelijke legger van onroerende goederen uit de Franse tijd, waarvan er talrijke eksemplaren bewaard zijn, is principieel gebaseerd op nummering; nochtans worden van elk onroerend goed ook nog de naam en een gedetail- |
| leerde beschrijving van de ligging vermeld. Het huidige kadaster, dat hierop verder uitgebouwd werd, kent nagenoeg alleen nummers. | |||||||||||||||
| 3) | De vervanging van namen door nummers en vooral de inkadering van
namen in nummers en evtl. letters - waarbij deze laatste voor de
administratie belangrijker zijn dan de namen zelf -, is vooral in
deze eeuw toegenomen:
|
|
Bepaalde onomastische onderzoeksprojekten zijn ook vanuit socio-linguïstisch (taalsociologisch) standpunt belangrijk.
De gewone taal wordt aan het individu opgedrongen. De taalgebruiker moet daarbij het traditionele kodesysteem respekteren via de groene woordenlijst, Van Dale of Galle, anders wordt de primaire kommunikatieve funktie van de taal verstoord. Een stoel mag men enkel tafel noemen om zichzelf plezier te doen, anders wordt men niet begrepen ofwel voor abnormaal gehouden. De taalgebruiker zit dus vast in een ‘talig keurslijf’ en van enige kreativiteit bij het benoemen van de reeds bestaande dingen kan geen of minder sprake zijn dan bij de eigennaam, behalve wanneer de spreker en (eerder) de schrijver stilistische effekten beogen.
Voor nieuwe, pas ontdekte en nog naamloze voorwerpen ligt de toestand enigszins anders. Hiervoor worden eventueel nieuwe taalvormen gecreëerd ofwel bestaande taalvormen met een betekenisnuance geladen. Maar ook hier treden wezenlijke beperkingen op, zowel van intellektuele als sociale aard: enkel geprivilegieerde groepen - technici, ekonomisten, gespecialiseerde instanties - komen in direkt kontakt met de nieuwe voorwerpen en participeren aan de benaming ervan, waarover taalpuristen al dan niet hun zegen geven.
De toestand ligt ten dele anders bij de EN, inzonderheid bij de antroponymica. Op dit vlak kan ieder van ons in meer of mindere mate kreatief zijn. We geven namen (voornamen, bijnamen, vleinamen, verkorte namen enz.) aan kinderen, huisdieren, gebouwen, firma's, verenigingen, voorwerpen uit de onmiddellijke omgeving enz. Deze kreativiteitsdimensie verleent de onomastiek een bijzondere een bevoorrechte positie op socio-linguïstisch vlak.
De naamgever kiest in de meeste gevallen uit een bestaand namenpakket; de keuze van de naam is voor de onderzoeker van belang: door zijn specifieke, welbewuste voorkeur voor een naam verraadt de naamgever iets van zijn innerlijkheid en van zijn psychische gesteldheid t.o.v. religie, familieverbondenheid, ideologie, beroep, stand enz. M.a.w. de keuze van de EN verschaft heel wat informatie over de zelfidentifikatie of zelfevaluatie van de naamgever. Anderzijds kan een onderzoek over bijv. de bijnamen ons veel leren over de evaluatie van anderen met betrekking tot een individu. Sociale differentiatie in het naamgevingspatroon ken er juist door zulke keuze ontstaan.
Aan de K.U. Leuven zijn de laatste jaren enkele licentiaatsverhandelingen voorgedragen betreffende de voornaamgeving in socio-linguïstisch perspektief. J. DRIESEN onderzocht de voornaamgeving in Bocholt tussen 1962 en 1971. Op het gemeentehuis tekende hij alle namen op van de in die periode geboren kinderen, terwijl voor 1970 een uitgebreider onderzoek werd gehouden door middel van een vragenlijst, die uit drie delen was opgebouwd: 1) Zakelijke informatie om een beroepsstratifikatie te kunnen doorvoeren; 2) een reeks vragen naar de inspiratiebron: naar wie of wat werd het kind genoemd; 3) vragen naar de motivatie van de naamgeving: waarom werd voor het kind die bepaalde naam of namen gekozen. De gezinshoofden van 1970 worden in drie sociale lagen ingedeeld op basis van het genoten onderwijs (tot 14 jaar, tot 18 jaar, hoger onderwijs). Enkele konklusies van zijn onderzoek lichten we hier beknopt toe:
| 1) | Het blijkt dat nieuwe namen - namen die plots opduiken bij een
tussentijd van 4, 6 of 8 jaar - voor nagenoeg 70% geïntroduceerd
worden bij de bevolkingsgroep die vrijwel alleen lager onderwijs
heeft genoten, de groep die wellicht het minst intellektuele
weerstand biedt en dan ook het gemakkelijkst beïnvloedbaar is. De
voorkeur gaat daarbij uit naar vreemde, eksotische namen, die hen
via media als radio, film en vooral T.V. bereiken (namen van
zangers/zangeressen, sportfiguren, filmsterren e.d.). De zogenaamde bovenlaag van de samenleving vernieuwt eveneens - zij het in mindere mate -, maar zij distantieert zich van de sociaal laagst geklassificeerde bevolkingskategorie door een voorkeur voor een bewust autochtone (Vlaamse) naamkeuze (namen als Jan, Tom, Piet, Karel, Veerle, Goedele enz.). Opvallend is ook, dat de drang naar vernieuwing bij de voornaamgeving veel sterker is bij de naamkeuze voor meisjes dan voor jongens, terwijl het ook bekend is dat ouders meer aandacht besteden aan de naamkeuze voor meisjes dan voor jongens. De vraag kan gesteld worden of vrouwen die het sekseverschil man-vrouw op alle gebieden wensen op te ruimen, ook een gelijkschakeling op naamkundig vlak wensen. Een zeer belangrijke gevolgtrekking is ook, dat de beïnvloedbaarheid van de intellektuele onderlaag zich ook wel op andere terreinen zal manifesteren, bijv. op informatief en politiek gebied. |
||||
| 2) | Wat de motivatie van de eerste, tweede en derde voornaam betreft -
het onderzoek dat voor 1970 werd doorgevoerd -, blijkt het volgende:
|
|
|||||
| 3) | Het naamgevingssysteem te Bocholt is nog enigszins konservatief, vooral in vergelijking met bijv. steden en fabriekswijken; de verklaring ligt wellicht in het nog vrij landelijk karakter van Bocholt. Op andere plaatsen werd nagenoeg volledig gebroken met het traditionele systeem dat eeuwenlang gedomineerd heeft en tot ca. 1950 vrij intakt was: een drie-, resp. tweenamensysteem met als belangrijkste motieven familie- en geloofsbanden. |
Plaatsnamen bieden thans meestal minder mogelijkheden tot kreatief optreden voor de individuele naamgever.
De plaatsnamen liggen nu over het algemeen vast in een gestandardiseerde vorm. Voor de meesten van ons houdt de plaatsnamenkennis ook op bij de namen van gemeenten, gehuchten, pleinen en straten, waterlopen.
Daarnaast is er de kwantitief belangrijkste groep van de veldnamen - in uitgestrekte gemeenten soms meer dan 1000 -, die door onze voorouders in het verre of nabije verleden gegeven werden met als twee dominante motieven: landschapskenmerken en bezitsuiting. De studie van de plaatsnamen kan dus relevant zijn voor de landschapsbeschrijving en -ontwikkeling, maar leert ons ook de psychologie van de naamgever kennen, waarbij
- zoals gezegd - de bezitsaffirmatie sterk op de voorgrond treedt; op dit aspekt hebben we reeds eerder gewezen (cfr. 3.2); hierbij kunnen dan ook de reeksen namen van het type Jansen Akker geplaatst worden.
In een gemeente zijn er maar een beperkt aantal mensen - vooral oudere landbouwers -, die de historisch overgeleverde veldnamen kennen en gebruiken. Jongere landbouwers substitueren de oudere namen door die van het type het Stuk, het Veld, de Wei van/bij/aan Jan(sen).
Het invoeren van bepaalde kategorieën van plaatsnamen is aan sommige besturen voorbehouden.
| 1) | We denken hierbij in de eerste plaats aan de invoering van nieuwe straatnamen. Het is het werk van
de gemeentebesturen, meestal evenwel van de gemeentesekretaris,
al dan niet geadviseerd door enkele heemkundigen. De besturen
worden dan verzocht de nieuwe namen o.m. ter beoordeling voor te
leggen aan de Commissie voor Toponymie en Dialectologie; vermits
ze enkel verzocht en niet verplicht worden, wordt heel dikwijls
geen advies gevraagd, hoewel de laatste jaren een kentering ten
goede vast te stellen is. Vast staat evenwel, dat ons
straatnamenpakket er globaal beschouwd heel wat beter had kunnen
uitzien als thans het geval is, en dit had niets gekost! Door de enorme verbetering en uitbreiding van het wegennet sinds 1945 moesten in de Limburgse Kempen alleen reeds honderden nieuwe straatnamen ingevoerd worden. Voor zeer ekspansieve gemeenten zoals Genk en Lommel konden na een tijd wel problemen rijzen. Omdat het invoeren van historisch verantwoorde namen niet steeds mogelijk bleek - de meeste nieuwe wegen ontstonden immers op de vroegere heidegronden -, was men genoodzaakt moderne namen in te voeren, d.w.z. namen genoemd naar verdienstelijke burgemeesters en schepenen, oorlogshelden enz. Uit de straatnamenvoorraad zouden we kunnen afleiden, dat vooral politieke en militaire figuren belangrijk geacht |
| worden om straten naar hen te noemen, zo belangrijk zelfs dat eeuwenoude namen vaak de plaats dienden te ruimen. Aan sommigen heeft men ook het genoegen verschaft om ‘hun’ straat te kunnen bewandelen. | |
| 2) | Een tijd geleden mocht de goegemeente ook voorstellen formuleren over de namen van de toekomstige fusiegemeenten. Het kon voorzien worden, dat men vaak de fantasie - of moeten we het kreativiteit noemen? - niet meer kon intomen, en dat om een naam te behouden of weg te werken de gekste dingen gebeurden. |
Voor het individu ten slotte bestaat de mogelijkheid tot naamgeving bij het benoemen van huizen, herbergen, buitenverblijven, appartementsgebouwen, rekreatieoorden enz. Enkele algemene konstateringen:
| 1) | Appartementsgebouwen - gewoonlijk residenties genoemd - krijgen bij voorkeur namen van kunstenaars, gewoonlijk plastische kunstenaars: Residentie Rubens, Van Dyck, Van Eyck e.a.. Benoeming naar schrijvers bijv. komt bij mijn weten niet voor, hoewel er anderzijds zovele Rodenbach-, Gezelle- en Streuvelsstraten zijn. Ook frekwent zijn namen van (meestal zuiderse) vakantieoorden, die de zon figuurlijk in de donkere huizenblokken doen schijnen: Azzano, Mallorca, Teneriffe enz. |
| 2) | Er is een toenemende trend om huizen en villa's een naam te
geven. Het zijn namen van allerlei slag, maar in recente tijd
vrij dikwijls de kadastrale benaming van het perceel waarop het
huis gebouwd werd. Verder is er ook de tendens tot het herbenoemen van bijv. herbergnamen in de stad en op het platteland. In de stad worden zo mogelijk de oude, verdwenen huisnamen weer opgediept, wat kadert in de hernieuwde belangstelling voor het verleden, zoals men ook meer en meer oude huizen koopt en restaureert i.p.v. zich te moeten neerleggen bij de moderne nieuwbouw in staal, beton en glas. Ook op het plat- |
| teland ruimen banale herbergnamen meer en meer de plaats voor pittoreske namen, die soms van originaliteit getuigen. | |
| 3) | Te vermelden is ook het ontstaan van naamvelden bij bijv. huis- of weekendverblijven, vooral waar zulks kwantitatief gezien mogelijk is, bijv. aan de kust, op grote rekreatieoorden. Indien eenmaal een naam als de Lelie, Chopin of Granada dominant wordt, volgt dikwijls een hele trits van bloem-, kunstenaars- of plaatsnamen (meestal van eksotische aard); hierachter steekt dan duidelijk de imitatiedrang van de mens. |
J. MOLEMANS
| J. DRIESEN. De persoonsnaamgeving te Bocholt. Een studie van de voornaamgeving in socio-linguïstisch perspektief. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling. Leuven, 1975. |
| J.J. FAHRENFORT, De betekenis van de namen bij natuurvolken. Anthroponymica VIII. Leuven-Brussel, 1958. |
| S.J. FOCKEMA ANDREAE, Namen en nummers. Mededelingen van het Instituut vaar Naamkunde te Leuven 39 (1963), 61-68. |
| B.H.D. HERMESDORFF en S.J. FOCKEMA ANDREAE, Naam en recht. Nomina Geographica Flandrica (studiën VIII). Brussel, 1956. |
| O. LEYS, Socio-linguistic aspects of namegiving patterns. Onoma 18 (1974), 448-455. |
| H. NAUMANN, Nummer und Name. Namenkundlichte Informationen 27 (Leipzig, 1975), 6-16. |
| J. SCHNETZ, Psychologie und Ortsnamenkunde. Zeitschrift für Ortsnamenforschung 8 (München. 1932), 105-110. |
| W. VAN LANGENDONCK, Zur Semantischen Syntax des Eigennamens. Namenkundliche Informationen 23 (Leipzig, 1973), 14-24. |
| ID., Ueber das Wesen des Eigennamens. Onoma 18 (1974), 337-361. |