Peter Joannes Craeghs(1), één van de twee regerende burgemeesters van het gehucht Opsolt(2), richt op 11 maart 1791 een schrijven tot landcommandeur Frans Johan von Reischach (1784-1807)(3). Craeghs stelt hierin dat de grondbelasting in Opsolt wordt geïnd op basis van de mondelinge aangiften van de goederen door de ingezetenen. Deze schatheffing is niet correct, daar een groot aantal ingezetenen minder aangeven dan zij werkelijk bezitten. De schatheffing heeft daarbij niet enkel betrekking op de gronden in Opsolt, maar tevens op een aantal landerijen die Opsoltenaren in de buurdorpen Opitter, Tongerlo, Neersolt en Neeroeteren bezitten. Als gevolg van de metingen in Opitter en Tongerlo heeft Opsolt al een deel van haar inkomsten verloren, wat nog zal toenemen, daar ook Neersolt en Neeroeteren tot een meting willen overgaan. Burgemeester Craeghs, hiertoe door zeven ingezetenen geconstitueerd(4), verzoekt de landcommandeur om tot een meting van de belastbare gronden te mogen overgaan.
De financiële implicaties zijn gering, daar de pastoor van Tongerlo,
Karel Theodoor Peters(5), bereid is hiervoor gedurende twee à drie jaar 200 gulden rentenloos ter beschikking te stellen.
Na inzage van de suppliek van burgemeester Peter Joannes Craeghs in naam van een minderheid van Opsoltenaren, vraagt landcommandeur von Reischach op 18 maart 1791 hieromtrent het advies van de schepenbank van Gruitrode(6).
Tussen 18 en 30 maart 1791 maakt burgemeester Craeghs een nieuw verzoekschrift aan de landcommandeur over. Hoewel hij Theodoor Esser, griffier van de Gruitroder schepenbank, dadelijk op de hoogte van het door de lancommandeur gevraagde advies gebracht heeft, schuift de schepenbank, aldus Craeghs, de kwestie op de lange baan. Wel heeft griffier Esser een vergadering belegd (une espèce d'assemblée), waarop enkel diegenen aanwezig waren van wie de voorouders of voorgangers nooit de juiste grootte van hun goederen gedeclareerd hebben; zij wensen daarom ook geen meting en alles bij het oude te laten. Burgemeester Craeghs besluit zijn schrijven als volgt: C'est pour arrêter une vexation, aussi indécente qu'injuste, que le très humble soussigné ose avec confiance porter aux pieds de Votre Excellence sa présente exposition, la suppliant en très profond respect de daigner ordonner ou accorder l'arpentage que l'équité semble prescrire - j'ose dire - exiger.(7)
Schout J.F.F. de Borman(8) en de schepenen maken op 30 maart 1791 het gevraagde advies aan de lancommandeur over(9). Zij stellen dat een gebeurlijke meting van alle belastbare gronden tot een rechtvaardiger schatzetting en -heffing in Opsolt kan leiden, maar een meting leidt naar hun mening meestal ook tot processen. De te meten gronden zijn van goede, middelmatige en slechte kwaliteit; de laatste soort betreft de vele heidegronden. Indien de landcommandeur een meting toestaat, dienen ook grondklassen gesteld te worden, zodat een bunder heidegrond minder belast wordt dan een bunder akker- of
weiland; bij het niet stellen van grondklassen ontstaan krakeel en processen. Schout en schepenen voegen bij hun advies ook een akte van protest, ondertekend door 13 ingezetenen(10), onder wie burgemeester Jan Mathijs Vlemelings. Zij verklaren Peter Joannes Craeghs nooit geconstitueerd te hebben om in hun naam om een meting te verzoeken, die zij verwerpen, in de hoop dat de landcommandeur deze nooit zal toestaan.
Op 13 mei 1791 maakt burgemeester Peter Joannes Craeghs een nieuw verzoekschrift aan landcommandeur von Reischach over, waarin hij nogmaals stelt dat alleen een meting tot een rechtvaardige inning van de grondbelasting kan leiden(11). De grondheer reageert evenwel niet. Op 30 augustus 1791 volgt een nieuw verzoekschrift, in een nog duidelijker taal(12). Burgemeester Craeghs geeft toe niet door alle gezinshoofden geconstitueerd te zijn, maar alleszins door de meerderheid, nl. een twintigtal. Op de bijeenkomst van de tegenstanders van de meting(13) op 26 maart 1791 waren enkel ingezetenen aanwezig van wie de voorouders altijd de juiste grootte van hun gronden bij de mondelinge aangiften verzwegen hebben; hun protestakte verdient dan ook geen aandacht, daar zij door hebzuchtig eigenbelang ingegeven is. Twintig oprechte medeburgers, aldus Craeghs, zijn het slachtoffer van

Ill. 1a
Goederenaandracht door de ingezetenen van het
gehucht Solt, 20 januari 1596. (R.A.H., gemeentearchief Gruitrode
nr. 21)

Ill. 1b
Schatcedule voor het gehucht Solt, met een
bundersgewijze taxering verdubbeld en verhoogd met 30 gulden per
gezin, s.d. (17de e.). (R.A.H., gemeentearchief Gruitrode nr.
62)
een willekeurig en onrechtvaardig belastingssysteem. Zij betalen al geruime tijd belasting boven hun effectief grondbezit, terwijl een minderheid, die minder aangeeft dan zij bezit, op nauwelijks de helft van haar bezit wordt getaxeerd. Het gaat zelfs zover, dat de perceelsgrenzen van de kleinere geërfden niet gerespecteerd worden; de schepenbank gaat hierbij niet vrijuit. Een meting van alle private gronden door een beëdigd landmeter kan ieders grondbezit aan het licht brengen, en enkel op basis hiervan kan een juiste belastingsrol opgesteld worden.
Burgemeester Craeghs is ervan overtuigd dat de plaatselijke schepenbank of althans sommige leden ervan - hij viseert in de eerste plaats griffier Theodoor Esser - de tegenstanders van de meting in bescherming neemt. Hij is tevens op de hoogte van de Luikse reglementen van 26 april en 20 augustus 1762, waarin de prins-bisschop alle gemeenten van het prinsbisdom ordonneert een meting van de belastbare gronden uit te laten voeren(14).
De jongste suppliek van burgemeester Peter Joannes Craeghs heeft indruk op landcommandeur von Reischach gemaakt. Zijn resolutie d.d. 1 november 1791 is positief: Gezien deese requeste accordeeren wij deese permissie, ordonneerende aan onze justitie van Gruijtrode ende respectievelijk aan alle onderdaanen van Opsolt, van deese generaele meetinge voor te neemen ende sigh ten dien eijnde te conformeeren naar de ordonnantien existeerende in het Land van Luijck de datis 26den april ende 20 august 1762. Binnen drie maanden moet een rapport over de uitvoering van deze resolutie aan de landcommandeur overgemaakt worden(15).
Al is bovengenoemde resolutie op de jongste suppliek van burgemeester Craeghs d.d. 30 augustus 1791 positief, ze komt evenwel vrij laat, ruim drie maanden na het verzoekschrift. Vermoedelijk had Craeghs nog weinig vertrouwen in de plaatselijke grondheer en richtte zich - einde oktober of begin november 1791 - over het hoofd van de landcommandeur van Aldenbiesen rechtstreeks tot de prins-bisschop in zijn Geheime Raad, de competente rechter inzake belastingen(16). Daar Gruitrode een ondergeschikte heerlijkheid was, kon zulks juridisch ook. Hij zet de bekende argumenten nogmaals op een rij, waarbij het opvalt dat personen en zaken concreter genoemd worden. Burgemeester Vle-
melings en zijn aanhangers, tegenstanders van de meermaals gevraagde meting, hebben enkel persoonlijke belangen op het oog. Zij weten immers dat hun contributie tot de grondbelasting niet in verhouding staat tot hun onroerend goed en dat zij na een algemene meting veel meer zouden dienen te betalen. Deze frauduleuze toestand sleept al jaren aan, tot nadeel van de gemeente en van de overbelaste supplianten in wier naam Craeghs spreekt.
In Opsolt zijn er 300 à 400 belastbare bunders, met een jaarlijkse heffing van 4 gulden per bunder, een zware last voor de ingezetenen. Veel erger is nog dat één vierde van de belastbare gronden niet aangegeven en derhalve niet belast zijn, zodat de eerlijke belastingbetaler de dupe van dit onrechtvaardig systeem is. Daar hij bij de plaatselijke grondheer, de landcommandeur van Alden Biesen, geen gehoor vindt, hoopt burgemeester Craeghs dat de landsheer aan de onrechtvaardige toestand in Opsolt een einde maakt door een meting van alle schatbare gronden te ordonneren en op basis hiervan een nieuwe repartitie voor de inning van de grondbelasting op te stellen. De aan de meting verbonden kosten zijn miniem, gezien de kleine oppervlakte van het gehucht en het genereus aanbod van pastoor Peeters uit Tongerlo. Als na de meting blijkt dat zijn klachten ongegrond zijn, dan wil burgemeester Craeghs alle gemaakte kosten voor zijn rekening nemen.
De prins-bisschop ordonneert burgemeesters en schepenen op 12 november 1791 binnen de 15 dagen over te gaan tot een mondelinge aandracht (denombrement) van de schatbare gronden door de ingezetenen en de landcommandeur van Alden Biesen hiervan in kennis te stellen(17):
Sijne Hoogheijd, gesien hebbende het tegenwoordigh oetmoedig requete, het welck gecommuniceert sal worden aen den seigneur ofte heer der plaetse, ordonneert nogmaels ende sereiselijck dat de mandaten van den 26 april en van den 20 augusti 1762, aenbelangende de generaele benoeminge der gronden of erven, instantelijck geexecuteert worden in de gemeijnte van het Opsolt ende selfs in alle andere plaetsen van ons priensdom, ende dat diensvolgens alle eijgenaers ofte besitters van de voorgenoemde gemeijnte sullen hebben te declareren in handen der borgemeesters en justitieren het exact getal van hunne gronden - cijnsale, feodale oft allodiale - binnen de 15 daegen naer de publicatie deses peremloerelijck,
Ill. 2
Advertentie dat de ingezetenen van Solt op vrijdag 13 januari 1792 hun goederen onder eed voor de plaatselijke schepenen dienen op te geven, in opvolging van de ordonnanties van de prins-bisschop (12 november 1791) en van landcommandeur von Reischach (1 november 1791), 4 januari 1792. (R.A.H. gemeentearchief Gruitrode nr. 60)
en eijndelijck op pijn gestatueert door de twee voornoemde mandaten, van welck uijt onse cancelarij exemplairs sullen gegeven worden aen de verthoonende borgemeesters, op dat sij sigh promptelijck naer confirmeeren, mede om te produceren in desen Raet eene autentique copie van de geseijde benoemige of metinge, als de selve sal geijndight sijn.
Al ordonneert de prins-bisschop een mondelinge aandracht, eigenlijk bedoelt hij een meting (cf. benoemige of metinge).
Drossaard en schout J.F.F. de Borman is met de gang van zaken duidelijk verveeld, vooral met het feit dat burgemeester Craeghs zich zonder zijn medeweten en dit van de landcommandeur rechtstreeks tot de prins-bisschop gewend heeft, hoewel de landcommandeur op 1 november 1791 het licht op groen zette voor een meting. Op 16 december 1791 deelt drossaard de Borman landcommandeur von Reischach mee met enkele voorstanders van de meting gesproken te hebben en hen aan het verstand heeft willen brengen, hoe haetelijck sij hun sullen maecken met de meetinge van het solt te beginnen met d'orders die sij becoemen hebben uijt den Conseil Privé, sonder het consent en toestemminge te hebben van Sijne Hooghweerde Excellentie. Hij heeft hen daarom aangeraden hun eerste suppliek van 11 maart 1791 opnieuw aan hun grondheer over te maken. Om alle eventuele moeilijkheden te voorkomen verzoekt de Borman de landcommandeur de meting dadelijk te ordonneren evenals het stellen van grondklassen, en dat hij en twee schepenen de meting bijwonen mits betaling van hun verplaatsingen(18). Op 21 december 1791 maakt drossaard de Borman de prins-bisschoppelijke resolutie van 12 november 1791 die burgemeester Craeghs hem ter hand gesteld heeft, over, alsmede kopies van de twee landelijke reglementen uit 1762 die bij de prins-bisschoppelijke apostille gevoegd waren(19).
Burgemeester Peter Joannes Craeghs heeft zijn slag thuisgehaald. De meting kan uitgevoerd worden.
Op 4 januari 1792 ordonneert landcommandeur von Reischach dat alle gezinshoofden van Opsolt op vrijdag 13 januari 1792 om 10 uur hun goederen onder eed voor de plaatselijke schepenen aanbrengen, met vermelding van hun grootte(20). Deze optelling of enumeratie, overigens overbodig, is niet bewaard.
Ten huize van Dionijs Vaesen wordt de uit te voeren meting op 18 januari 1792 aan de minstbiedende landmeter uitbesteed, onder de volgende voorwaarden(21):
| (1) | De landmeter dient alle schatbare landerijen te meten. |
| (2) | Hij moet een stokregister (= meetboek) opstellen waarin alle gemeten erven beschreven worden met grootte, ligging, reengenoten en aard van de grond. |
| (3) | De meting van de cultuurlanden moet vóór dinsdag eerstkomend beginnen en binnen drie maanden voltooid zijn; daarna volgt de meting van hagen en heidegronden. |
| (4) | Bij de aanvang van de meting ontvangt de landmeter één derde van zijn loon(22), één derde na de voltooiing ervan en één derde na overhandiging van meetboek en figuratieve kaarten aan de burgemeesters. De hele operatie dient binnen zes maanden na de ondertekening van het contract voltooid te zijn. |
| (5) | Eventuele fouten in de meting en het meetboek vallen ten laste van de landmeter. |
| (6) | De landmeter krijgt assistentie van Peter Meijlers alias Hagels uit Opsolt. Hij zal in de eed gesteld worden en krijgt een vergoeding van 5 stuivers per dag om de eigenaars van de meting op de hoogte te brengen en de gronden aan te wijzen. |
| (7) | De figuratieve kaart zal geexamineert en ter proeve gesteld worden. |
De meting wordt toegewezen tegen een vergoeding van 15 stuivers per bunder aan Andries opt Eijndt(23) uit Maaseik. Hij laat zich assisteren door zijn stadsgenoot J.L. Leclercq(24) eveneens een ‘gezworen’ landmeter.
Landmeter opt Eijndt die aanvaardde de cultuurlanden binnen drie maanden te voltooien, heeft er wellicht geen rekening mee gehouden dat het weder hem parten kon spelen. Drossaard J.F.F. de Borman

Ill. 3
Kwitantie waarin landmeters A. Opt Eijndt en J.L.
Leclercq verklaren 75 gulden ontvangen te hebben van burgemeester
Peter Jan Craeghs, overeenkomstig het tussen de landmeters en de
gemeente Solt gesloten akkoord van 18 januari 1792, 11 februari
1792. (R.A.H., gemeentearchief Gruitrode nr. 60)
verzoekt burgemeester Peter Uleners(25) midden april om een verklaring van de landmeters over
de stand van zaken, waaruit blijkt dat een deel van de akkerlanden en
driesen nog dient gemeten te worden en dat de landmeters de beemden en
weilanden wegens de overvloedige regenval nog niet hebben kunnen betreden.
Op 27 april attesteren beide landmeters de gemelde meetinge te
hebben begonnen, zoo haest wij de zelve ten minstenbiedende hadden
aengenoemen, en de zelve tot hiertoe vervolgt, wanneer het saison en
lijdelijk weeder zulks heeft toegelaeten, maert ter oorzaeke des winter
tijd, onstuijmig weeder en geduerige regen

Ill. 4
Handtekeningen van een aantal gezinshoofden uit
Solt die de besluiten van een gemeentevergadering 11 september 1792
ondertekenen.
de gemelde meetinge tot hieraen niet te hebben konnen voltrecken, zullende die der ackerlanden en dreezen eerstdaegs voltrocken worden, en die der wijdens en bemdens zoo haest het waeter zal gezonken zijn.(26)
Op 26 april 1792 brengt drossaard J.F.F. de Borman de landcommandeur op de hoogte over de stand van de meting, tevens verwijzend naar het rapport van beide landmeters(27).
Het nagelaten register wordt op de titelpagina omschreven als Meedt-boeck ende stockregister voor de gemeente van Opsoldt, jurisdictie der heerlijckheijt Gruijtroede, gedateerd 8 november 1792 en door beide landmeters ondertekend(28). Zoals de titel aangeeft telt het register twee componenten:
| - | Het eigenlijke meetboek beschrijft in numerieke volgorde (610 nummers) huizen en landerijen in privaat bezit. Per perceel worden wij geïnformeerd over de naam van de eigenaar(s), de aard van de grond, de eigennaam of het toponiem, de reengenoten en de grootte in bunders, roeden en voeten. |
| - | Het stokregister is het schatboek waarin de goederen per eigenaar bijeengebracht zijn, met per perceel het nummer dat naar het meetboek en de figuratieve kaart verwijst en een beknopte perceelsbeschrijving met aanduiding van de grootte. |
De twee bijhorende figuratieve kaarten, vermeld in een inventaris uit 1811(29), worden weldra gerestaureerd. Beide kaarten in kleur op textiel, met een hoogte van 126 cm en een breedte van 101 cm, zijn gedateerd 26 juni 1792 en ondertekend door landmeter Andries opt Eijndt. Kaart 1 omvat de nummers 1-393, kaart 2, voornamelijk hooien weilanden, de nummers 394-610.
Voor de geïnteresseerden geven wij een overzicht van alle boerderijen of erven, met de naam van de eigenaar(s), eventueel met aanvullende gegevens uit de parochieregisters, de naam van het goed (gecursiveerd), de grootte in bunders, roeden en voeten (één bunder = 87, 1884 aren) en de kadastrale nummer(s) van het woonhuis volgens de primitieve legger uit 1844.


| 1a. | Jan Mathijs Poelmans, 31 j., zn. v. Hendrik en Maria Bloemen × Sophia Kuppens, 32 j.: Groot Bloemen, 6 b. 215 r. 5 v. (A 463). |
| 1b. | Gertrudis Poelmans, 41 j., weduwe Jacob Stijners († 1776): Kleine Bloemen, 4 b. 202 r. 5 v. (A 460). |
| 2. | Willem Ke(u)nen: Degens, 6 b. 374 r. 6 v. (A 227). |
| 3. | Hendrik Stals, ° Opitter 16.04.1744, zn. v. Renier en Anna Krekelberghs, × 09.11.1777 Maria Smeets ex Neeroeteren: Groot Driel (Dreel), 6 b. 204 r. 3 v. |
| 3b. | Philip Stals, ° Opitter 18.09.1730, zn. v. Renier en Anna Krekelberghs, † 14.01.1812, × 19.08.1783 Christina Lemmens ex Beek (1796:40 j.): Klein Driel (Dreel), 1 b. 364 r. |
| 4. | Andries Heymans, 35 j. × Elisabeth Jansen, 30 j.: Dresen, 12 b. 14 r. 5 v. (A 493). |
| 5. | N.A. Vander Borch (Maaseik): Fluitjens, 15 b. 168 r. 1 v. (A 251). |
| 6. | Jan Verheyen, 41 j., † 20.06.1827, × Opitter
23.05.1741 Catharina Vanderwerdt ×× Anna Maria Verheyen, 23 j.: Gijsen (A 494, 501). |
| 7. | Agnes Housen weduwe Jan Leurs: Hagels, 10 b. 383 r. 7 v. (A 574). |
| 8. | Jacob Stienaers: Henkens, 6 b. 89 r. 5 v. (A 512, 514). |
| 9a. | Jan Donné, 46 j. (ex Reppel?), × Tongerlo 1759 Aldegond Corstiens ex Bree: Groot Hubens, 11 b. 139 r. (A 126). |
| 9b. | Peter Joannes Craeghs, ° Tongerlo 26.05.1753, zn. v. Corneel en Maria Neyens, † 04.10.1828, × Tongerlo 18.01.1783 Anna Elisabeth Lipskens, ° Beek 11.09.1758, dr. v. Hendrik en Maria Helena Jaeken, † 20.10.1828.: Klein Hubens, 10 b. 87 r. 2 v. |
| 10. | Gemeente Tongerlo: Keiaard, 16 b. 293 r. 4 v. (A 119). |
| 11. | Mathijs Verheyen, 36 j. × Helena Janssen, 20 j.: Kijven, 7 b. 349 r. 5 v. (A 213). |
| 12. | Jan Mathijs Vlemelinx, 40 j. × 09.09.1778 Maria Elisabeth Hendrix, 30 j.: Laumen, 14 b. 90 r. 7 v. (A 454). |
| 13. | Commanderij Gruitrode: Lenen, 14 b. 159 r. 7 v. |
| 14. | Gerard Nijsen (alias Heler) × 13.06.1769 Catharina Liemerkens: Liemerkens, 12 b. 329 r. 4 v. |
| 15. | Erfgen. Leonard Sijpers: Meilaarts, 5 b. 358 r. 6 v. (A 407). |
| 16. | Erfgen. Gerit Nijsen: Nijs, 13 b. 63 r. 3 v. (A 568). |
| 17. | Agnes Noukens, 54 j., wed. Peter Gosens: Noukens, 19 b. 64 r. 8 v. (A 224). |
| 18. | Erfgen. Leonard Sijpers: Roemens, 9 b. 392 r. 3 v. (? A 501). |
| 19. | Thewis Jansen, 50 j., × Aldegond Verheyen: Schimmels, 4 b. 43 r. 2 v. (A 408). |
| 20. | Peter Jan Swennen, 42 j., × Elisabeth Rijkers, 35 j.: Smeets, 1 b. 246 r. 5 v. (A 505). |
| 21. | Peter Keenen, 45 j., × Catharina Simons, 34 j.: Smeiers, 13 b. 270 r. (A 571). |
| 22. | Lambert Goijens, 55 j., × Margaretha Degens, 35 j.: Straterhof, 5 b. 368 r. 2 v. (A 411). |
| 23a. | Dionijs Swennen, 48 j., × Anna Jacobs, 55 j.: Nieuw Vasen, 3 b. 199 r. 9 v. (A 450). |
| 23b. | Erfgen. Leonard Vasen: Oud Vasen, 13 b. 348 r. |
| 24. | Leonard Jansen, 30 j., × Maria Goesens, 25 j.: Witten, 15 b. 50 r. 6 v. (A 487). |
Op het jaargeding van 14 maart 1792 worden Jan Jansen(30) en Laurens Paredis(31) tot regerende burgemeesters van Gruitrode aangesteld(32). Op 18 juli 1792 - de meting van het gehucht Solt is dan beëindigd - richten zij zich in naam van de gemeentenaren tot de landcommandeur. Zoals de Opsoltenaren eerder geven de burgemeesters van Gruitrode te kennen hoe bewaerlijk, ongeregtelijk en quaalijk toegepast de algemeijne schatbeuringe (= inning van de schat of grondbelasting) is van de respective vermogens Uwer Hoogwaarde Excellentie trouwe onderdaanen. Daar er nooit een meting door een beëdigd landmeter plaatsgehad heeft, blijkt uit de schatcedule niet hoeveel bunders ieder geërfde bezit(33).
Vanwege de landcommandeur komt er evenwel niet de minste reactie, zodat beide burgemeesters het verzoek tot een meting op 10 september 1792 herhalen, maar met nog meer aandrang. Zij beklemtonen dat

Ill. 6
Fragment van een 17de-eeuwse schatcedule voor
Gruitrode, met links de namen van de gezinshoofden met de enkele
schat of omslag die in dat jaar eenenzestigmaal werd
geïnd (tabel rechts). (R.A.H., gemeentearchief Gruitrode
nr. 24)

Ill. 7
Tweede verzoek van de burgemeesters Jan Jansen en
Laurens Paredis van Gruitrode tot landcommandeur von Reischach om
tot een meting van de belastbare gronden van Gruitrode te mogen
overgaan, 10 september 1792. (R.A.H., Fonds Alden Biesen nr.
1180)
enkel een meting ieders schattingen en lasten naar
evengelijckheijdt der gronden kan bepalen, zodat klachten van
ingezetenen die zich al jaren benadeeld voelen achterwege blijven. De
heffing van de grondbelasting gebeurt thans niet in verhouding tot het
precieze bundergetal der ingezeten, dat onbekend is; de tot dusver gehouden
goederenaandrachten bieden geen enkel houvast, omdat de meeste
Gruitrodenaren minder gronden aangeven dan zij werkelijk bezitten(34).
Deze tweede suppliek vindt wel gehoor bij de landcommandeur. Vooraleer evenwel een beslissing te treffen, verklaart hij op 12 septem-
ber 1792 het advies van drossaard(35) en schepenen in te winnen; zij dienen eveneens te onderzoeken of beide burgemeesters door de gemeentenaren geconstitueerd zijn(36).
Het door de landcommandeur gevraagde advies aan drossaard en schepenen van de vrijheerlijkheid Gruitrode volgt op 18 september 1792(37). Zij attesteren dat de inhoud van het verzoekschrift van de burgemeesters van 10 september 1792 waar is. Ook hebben zij gehoord dat op het jongste jaargeding van 14 maart 1792 een aantal gemeentenaren geroepen hebben geen grondbelasting meer te zullen betalen, als er geen meting komt (in cas er geene metinge en komt, soo willen wij geene schattingen meer betalen). Drossaard en schepenen zijn er niet van op de hoogte of beide burgemeesters in het bezit van een schriftelijke constitutie of volmacht zijn, wel dat ingezetenen hen mondeling verzocht hebben om zich met een door de gemeenteschrijver opgesteld verzoekschrift naar de landcommandeur te begeven en om een meting van hun gemeente te verzoeken in overeenstemming met de landelijke mandaten. Dit advies is ondertekend door Theodoor Esser, griffier van de bank.
Op 9 oktober 1792 om 10 uur heeft de gemeentelijke constitutie plaats(38). Zevenentwintig ingezetenen die de meerderheid vormen en van wie er tien niet kunnen schrijven, geven tevens in naam van de afwezigen (d'overige medestemmende), aan Jan Jansen en Jan Haels(39) volmacht, met de belofte alles goed te keuren wat beide geconstitueerden betreffende de meting beslissen, weliswaar steeds onder approbatie van de landcommandeur. De constitutie is ondertekend door gemeentesecretaris P.G. Pendris.
Na inzage van het verzoek van de Gruitrodenaren en het daarop gevolgd advies door drossaard en schepenen, vaardigt de landcomman-

Ill. 8
Attest van drossaard en schepenen van Gruitrode in
verband met de door de burgemeesters van Gruitrode gevraagde meting,
18 september 1792. (R.A.H., Fonds Alden Biesen nr. 1180)
deur op 11 oktober 1792 een ordonnantie uit, weliswaar niet tot een meting, wel tot een optelling(40) of aandracht van de gronden door alle geërfden evenals de afgezetenen of afforainen(41). Deze aandracht onder eed dient, conform aan de landelijke reglementen van 26 april en 20 augustus 1762(42), voor schepenen en geconstitueerde burgemeesters te gebeuren. De operatie dient binnen drie maanden plaats te hebben, waarvan het uitvoeringsbesluit alsmede een kopie van de aangiften aan de landcommandeur moeten overgemaakt worden.
Het is niet bekend of de landcommandeur door deze beslissing de meting op de lange baan wilde schuiven. G.C. Beurskens(43), secretaris van de schepenbank in opvolging van Theodoor Esser(44), maakt het dossier van de denombrering, gedateerd 29 mei 1793, op 19 juni 1793 aan landcommandeur von Reischach over(45). Beurskens vermeldt dat elk gezinshoofd zijn opgave verricht heeft naar vermijninge, soo als ider inwoonder dogt (= dacht) te besitten. De opgave blijft telkens algemeen, bijv.: Eodem compareerde Nicolaes Ulenaers, woonende in het Ophoven, gehugt van Gruijtrode, alwelcken heeft opgegeven omtrent de twintig boender acker bouwlant, ontrent de drij boender wijde en ontrent de twee boenders heij hage. In een begeleidende brief stelt Beurskens voor een gedetailleerdere opgave te laten maken, als de landcommandeur de aangifte niet gespecificeerd genoeg acht. Beurkens relativeert de bruikbaarheid van zulke algemene aandrachten, waarbij het globale bunder-
getal in plaats van een perceelsgewijze aanduiding wordt vermeld. Zoals uit de latere meting blijkt, geven de meeste eigenaars aanzienlijk minder aan dan zij bezitten; daarbij kwam de neiging tot frauderen meer bij eigenaars van grote boerderijen voor dan bij keuterboeren.
Op 26 februari 1794 zou een nieuwe aandracht van de goederen volgen, waarvan wij de betrouwbaarheid zullen nagaan.
Opvallend is wel dat de pachthoven van de commanderij in Gruitrode niet in de denombrementen van 1792 en 1794 voorkomen. Op 12 april 1687 vaardigde landcommandeur Godfried van Bocholtz een ordonnantie uit, waarbij hij alle rentmeesters het bevel gaf(46) niet in te gaan op landelijke reglementen in verband met de aangifte van goederen. Wij citeren:
Alsoo van wegen de Heeren Staten des Landt van Luijck ende der Graffschape van Loon eene ordonnantie is vuijt gegaen, dat een ijghelijck sijne goederen daerin gelegen soude hebben aen te brengen, met de quantiteijt ende qualiteijt der selver, soo gebieden ende bevelen wij hiermede aen alle ende ijghelijcke rentmeesters van ons landt commanderije tot Alden Biesen, Tongeren ende St. Truijden, gelijck oock aen de rentmeesters van de commanderijen Bernshem, Gruijtrode ende Ordingen, dat sij geenssints en sullen gedoogen, permitteren oft toelaeten aen onse ordens winnen ende pachters van denselven ordens goederen eenige specificatie over te geven aen de justitien alwaer sij sijn gelegen oft aen ijmandt anders, dan dat sij sullen de selve alleenlijck stellen in onse handen om daer mede te konnen doen naer behooren.
Dit bevelschrift is gericht tegen het door prins-bisschop Maximiliaan van Beieren op 12 maart 1686 uitgevaardigd landelijk reglement betreffende de fiscaliteit, in casu tegen artikel 11 waarin werd geordonneerd dat alle ingezetenen van het prinsbisdom hun goederen voor de lokale schepenbanken moesten declaren, om daardoor tot een betere schatzetting en -heffing te kunnen overgaan, gezien de vele klachten hieromtrent(47).
Al heeft landcommandeur von Reischach nog altijd niet expliciet een meting geordonneerd, obstructie pleegt hij evenmin. Onder de ingezetenen is intussen onenigheid ontstaan: terwijl de meerderheid tegen de invoering van grondklassen is - na de nog uit te voeren meting - zijn zes ingezetenen overtuigd van de noodzaak hiervan. Om uit de impasse

Ill. 9
Fragment van de goederenaandracht door de
gezinshoofden van Gruitrode voor de plaatselijke schepenbank, 29 mei
1793. (R.A.H., Fonds Alden Biesen nr. 1181)
te geraken vragen zij hierover advies aan N.A. Vander Borch, advokaat en schepen in Maaseik en eigenaar van het goed het Fluitjens in Opsolt. Op 19 oktover 1792 stelt hij zijn advies op papier(48):
| (1) | Op de gemeentevergadering van 6 november 1792 moeten één of meer ingezetenen geconstitueerd worden om de landmeter bij de meting te assisteren. | ||||||
| (2) | Door middel van affichering en bekendmaking dienen alle inwoners ervan op de hoogte gebracht te worden, dat zij binnen een door de gemeente vastgestelde termijn hun gronden met de juiste situering dienen aan te brengen, waarvan zij een nauwkeurige lijst aan schepenen of burgemeesters moeten overhandigen. | ||||||
| (3) | Alle gronden, zowel van inheemsen (ingezetenen) als uitheemsen (afforainen), gelegen binnen en schatbaar aan de gemeente Gruitrode, dienen gemeten te worden. | ||||||
| (4) | Een klasseonderscheid, aldus Vander Borch, is niet nodig, omdat alle
gronden in Gruitrode en naburige plaatsen van dezelfde kwaliteit zijn
(van eenen en den zelven aerd en natuer). - Zijn
simplistiche opvatting vertrekt van het idee, dat in principe alle
gronden even rendabel zijn, als de boeren hun werk goed doen:
|
De voorziene gemeentevergadering heeft op 6 november 1792 in de school plaats, in aanwezigheid van notaris L.J. Van der Maesen(49). De meeste geërfden zijn hierbij aanwezig(50). Joannes Haels en Joseph
Wevers(51) dienen de landmeters te assisteren en hen de gronden aan te wijzen, waarvoor zij per dag vacatie elk drie schellingen ontvangen. Zij worden tevens geconstitueerd om met een beëdigd landmeter een contract af te sluiten, waarbij de namen genoemd worden van Mathijs op het Eijndt uit Maaseik en Peter Jan Aerts uit Beek.
Er verloopt ruim een jaar vooraleer er schot in de zaak komt. Het grote breekpunt onder de Rooienaren blijkt de taxering van de gronden te zijn: het grootste deel van de ingezetenen wenst een egale taxering van de gronden waarbij alleen de grootte van het perceel een invloed op de grondbelasting heeft, een minderheid anderzijds wenst een klassenonderscheid in verhouding tot de rentabiliteit en produktiviteit van de gronden.
Op 19 december 1793 heeft, na een voorgaandelijke bekendmaking door gerechtsdienaar Laurens Janssen, in de gemeenteschool een gemeentevergadering plaats waarop de aanwezigen zich moeten uitspreken over het stellen der classen en taxaet der gronden (na de gebeurlijke meting). De regerende burgemeesters Joannes Haels en Joannes Janssen, samen met 28 gezinshoofden(52), de grote meerderheid binnen de gemeente, verzetten zich tegen een invoering van grondklassen, willende ende begerende als dat alle gronden van Gruijtroede tot profijt des gemeente egael in de schattingen jaarlijckx sullen betaalen. Deze akte is geregistreerd door J.D. Vrancken, commissaris van de stad en het district van Bree(53). Op dezelfde dag stelt commissaris Vrancken, op
verzoek van zes andere Gruitrodenaren(54), een tweede notariële akte op. Deze zes ingezetenen staan er wel op, dat de gronden in klassen gesteld worden, zoals ook in Bree, Opitter en Neerglabbeek gebeurd is, dewijl den quaeden grondt niet en kan betaelen en opbrengen gelijck den goeden(55).
De zes voorstanders van een klassendifferentiatie waren eigenaar van grote winningen en bezaten in verhouding ook een grote hoeveelheid vage gronden, zodat hun oppositie tegen een mogelijke gelijkstelling van alle gronden in één klasse begrijpelijk is. Ter illustratie volgen hier hun namen (tussen haakjes de naam van het goed) en de grootte van het erf:
| Joseph Nijsen (Heler) | 50 bunders | 392 3/4 roeden |
| Willem Drees (Lipkens) | 33 | 231 |
| Jan Gielen (Smeunters) | 40 | 275 3/4 |
| Jan Vrancken (Caubergs) | 45 | 236 |
| Mathijs Schouteden (Sondervorst) | 10 | 260 1/2 |
| Mathijs Beckers (Soors) | 13 | 250 2/3 |
Hierbij volgt nog een andere specificering van hun gronden volgens de meting van 1794:
| Heler | huis, hof, dries en aangelegen beemden | 5 bunders | 291 roeden |
| huisveld en aangelegen heide | 27 | 266 1/2 | |
| bos en hagen | 13 | 332 | |
| land en bos | 3 | 303 1/4 | |
| Caubergs | huis, hof, land, heide en hagen | 26 | 297 1/2 |
| hagen en wijerke | 8 | 245 3/4 | |
| haag | 2 | 18 | |
| land | 4 | 47 | |
| beemden | 4 | 28 1/2 | |
| Lipkens | land en bos | 2 | 215 |
| bos | 356 | ||
| beemd | 390 1/4 |
| beemd | 256 1/2 | ||
| beemd | 173 | ||
| beemd | 121 1/4 | ||
| dennebos | 346 | ||
| huis, hof, dries, land, heide en bos | 26 | 340 | |
| Smeunters | land | 308 | |
| beemd | 31 | ||
| land | 2 | 201 | |
| beemd | 174 1/2 | ||
| huis, hof, dries, land en schaarbos | 12 | 168 1/2 | |
| land en heide | 3 | 40 | |
| beemd | 302 | ||
| beemd | 67 | ||
| haag | 1 | 197 1/2 | |
| land | 2 | 329 1/2 | |
| haag | 4 | 308 | |
| land | 1 | 305 | |
| land | 2 | 250 | |
| land | 280 | ||
| haag | 1 | ||
| haag | 4 | 50 | |
| beemd | 110 3/4 | ||
| Soors (56) | huis, hof, land en heide | 9 | 293 |
| dennenbos | 268 | ||
| goede beemd | 189 | ||
| kwade beemd | 61 2/3 | ||
| veld | 2 | 239 | |
| Sondervorst (57) | huis, hof en land | 2 | 275 |
| haag | 3 | 162 1/2 | |
| land | 3 | 277 | |
| land | 52 | ||
| land | 81 | ||
| beemd | 49 | ||
| beemd | 60 | ||
| beemd | 104 |
De burgemeesters Joannes Haels en Joseph Vaesen informeren landcommandeur von Reischach op 3 januari 1794 uitvoerig over de stand van zaken(58). In alle onderdanigheid verklaren zij vooreerst dat zij als gedeputeerden van de gemeente zich altijd onderdanig en gehoorzaam ten opzichte van de landcommandeur opgesteld hebben, en dat zij bij de aanvaarding van het burgemeestersambt gezworen hebben het selve te bedienen tot voordeel van alle gemeentenaeren. Ingevolge vele klachten van ingezetenen over de ongelijkheid in het grondbelastingssysteem hebben hun voorgangers, Jan Jansen en Laurens Paredis, op 18 juli 1792 een suppliek tot hun grondheer gericht om alle belastbare gronden in hun heerlijkheid door een beëdigd landmeter te laten meten en bundersgewijs te taxeren, wat rechtvaardiger is dan het tot dusver geldende heffingssysteem in blokvorm. Vervolgens komen beide burgemeesters terug op de jongste gemeentevergadering van 19 december 1793 waarbij over het al dan niet stellen van grondklassen werd gedelibereerd. De visie van de meerderheid, dertig van de zesendertig gezinshoofden, die na de meting een egale heffing per bunder zonder klassenonderscheid wenst, achten zij het best voor de gemeente. De burgemeesters beloven verder het tussen de commanderij en gemeente gesloten akkoord van 1609 na te zullen komen, enckelijck geloovende dat deeze post geacquireerde commenderije goederen oock egalelijck sullen konnen betaelen. De goederen die de commanderij vóór het akkoord van 1609 in Gruitrode bezat, zullen volgens dit akkoord getaxeerd worden; wij komen hierop later nog terug. De burgemeesters verzoeken landcommandeur von Reischach hen een lijst over te maken van alle na 1609 door Alden Biesen in Gruitrode verworven goederen.
Uiteindelijk verklaren zij een overeenkomst bereikt te hebben met de landmeters J.L. Schrijvers(59) en P.J. Aerts uit Beek(60), die de gron-
den tegen een vergoeding van 15 stuivers per bunder zullen meten en daarbij een figuratieve kaart leveren. Zij durven dan ook hopen dat de landcommandeur deze overeenkomst ratificeert.
In zijn resolutie van 15 januari 1794(61) op het voorgaand rekwest van de Gruitroder burgemeesters verzoekt landcommandeur von Reischach hen een akte van constitutie door de gemeente over te maken, ofwel hun verzoek van 3 januari 1794 door de vergaderde gemeente, in aanwezigheid van de plaatselijke schepenen of een notaris, te laten ratificeren. Ook moeten zij aantonen dat de goederenaandracht van 29 mei 1793 in opvolging van de resolutie van 11 oktober 1792 en van de Luikse voorschriften van 26 april en 20 augustus 1762 plaatsgehad heeft. Als aan beide voorwaarden voldaan is, zal von Reischach hun verzoek gunstig adviseren.
In antwoord hierop maken Jan Haels en Joseph Vaesen op 21 januari 1794 een kopie van hun constitutie door de vergaderde gemeentenaren de dato 6 november 1792 over. Op de tweede vraag van de landcommandeur stellen zij, dat de jongste goederenaandracht van 29 mei 1793 ten overstaan van griffier G.C. Beurskens plaatsgehad heeft; door een gebrekkige informatie (bij faut van onderwijsinge) evenwel hebben de ingezetenen hun gronden niet onder eed gedeclareerd, zoals de reglementen voorschrijven. Zij verzoeken hun grondheer daarom om vóór het eerstkomende jaargeding een behoorlijke aandracht te organiseren(62).
Een delikaat punt betrof de taxering van de goederen van de landcommanderij van Aldenbiesen in Gruitrode. Vooreerst dienen wij in te gaan op een tussen de landcommanderij en de gemeente gesloten overeenkomst van 2 januari 1609(63), waarvan wij de inhoud eerst in extenso weergeven:
Allen den geenen die deese onse opene brieven sullen sien offt hoeren leesen, saluyt.
Doen te weeten alsoe sich bij regeeringe des Eerwerdigen Edelen ende
Ill. 10
Eed van trouw van burgemeesters, kerkmeesters en ingezetenen van Gruitrode aan landcommandeur Ferdinand von Sickingen (1743-1749), s.d. (R.A.H., gemeentearchief Gruitrode nr. 9)
Gestrengen Heeren Frambach Bock van Leichtenburg(64), landtcommandeur der Balleijen Biesen, loffelijcker memorien, tusschen des Ordens onderdaenen tot Gruytroede ende den commandeur aldaer, Heeren Willem van Cortenbach(65), seeckere differentien ende twist gereesen waeren nopende de heuwdiensten(66), schettingen(67) ende boedenschoeft(68), alsoe dat daerom tot Luijck in processen gekoomen sijn ende sommige jaeren geprocedeert hadden.
Ende soe dan nae afflijvicheijt des voorschreven Heeren Frambach Bock van Leichtenburch seeliger, der ouck Eerwerdiger Edler ende Gestrenger Heer, heer Emond Huijn van Amstenraedt(69), gekoomen sijnde tot huldinge der voorschreven ordens heerlicheijt Gruijtroede(70), sijn gecompareert die borgemeisters, geswoerens, heijlicheistmeisters, kerckmeisters, gemeinten ende geheele inwoenders der selviger, biddende om genaede ende opneeminge der processen ende questien, die wellike tusschen den Heeren ende onderdaenen als voerschreven gecoemen waeren.
Alsoe is aengaende de heuwdiensten, wellike die onderdaenen der commanderie te doen schuldich sijn, veraccordeert ende vergeleeken dat sij nu voort aan ten ewigen daegen, soe voer hun als hunne naecoemelingen, sullen heuwen ende inveuren(71) schuldich sijn dese naevolgende vier bampden, ende wijders nijt, inden eersten den Dorper Bampt, den Schob Bampt ende daer bij twee die voerste bemden bij Boussen geleegen, alwaer Art Trappen Bampt tusschen beijde light. Regenoten vanden eijnen Jan Beels, ten anderen Art Trappen, ter dorder die straete nae Van gaende, ter veerder die gemeijn beeck; ende vanden anderen Art Trappen ter eijnre, Tonis Kinremans ter anderen, die beeck ter dorder ende veerder die straet ende die beeck. Mits conditie offt geveel dat in toucoemende tijden die commendeuren die selve bempden eijnsdeils offt temael te pacht offt in heuringe uijtgeeven, soe en sullen die onderdaenen, soe lange die pachtinge offt heuringe is durende, geijn heuwdiensten in den selven bampt offt bemden, soe verpacht offt verbeurt is offt sijn, te doen schuldich sijn. Maer
als die commanderij deenen offt die bempden wederom sal coemen te gebruijcken, eijnsdeijl offt te mael is selver haldende offt vanden pachters wederom krigende, sullen die onderdaenen tot den heuwdiensten gehalden sijn als voerschreven is. Voerts sullen sich halden die onderdaenen nae alder gewoenten, ende doende dat selven sal der orden hun ouch wij van alders cost offt dranck behoerlick geeven.
Noepende die schille der schettingen is veraccordeert, dat alle die geuderen, eerffen ende landen, soe van commenderij selver offt met der selviger eijgene peerden ende beesten gewonnen ende gebouwdt werden, sullen vrij ende exempt sijn ende gehouden woerden van allen schettinghen, wij die ouch genoempt mochten werden ten ewigen daegen. Maer wat en pacht geijt offt verheurt woert, sal met den onderdanen mede geeven ende contribueeren van ellick hondert gulden Brabants soe veel hondert gulden op dat dorp coemen mochten, gelijck dat selvige sal inden alden schatcedulen bevonden werden van ider hondert gulden gegeeven te hebben, het welck bevonden is gegeeven te hebben 23 stuver Brabants, ende sal daermet volstaen ende voerder nijt te geeven schuldich sijn ten ewigen daegen. Mits conditie soe der Duytschen Oerden eijnighe meer eerffen alsoe bijcoocht offt golde, sullen hijrvan exempt ende excludeert sijn ende met den onderdaenen geuderen inder schettingen op ende aff gaen.
Ten dorden noepende den boeden schoeff hebben Sijne Gestrenge Heer landcommandeur verclaert te vreeden te sijn, dat die onderdaenen hun reguleeren gelijck andere omliggende dorperen die hunne boeden geeven, te weeten die lantwenningen hebben ider eijnen schoeff roggen, waer mede der boede sich ouck sal laeten contenteeren.
Ende hijr meede sullen allen twist ende processen opgeheeven ende te nijt sijn, die onderdaenen den heer behoerlike eer ende gehoorsaemheit bewijssen, ende daertegen der heer die selvige in sijne protectie ende alde gerechticheit manuteneeren ende soe veel moegelick schutten. Veraccordeert sijn dese voorschreven puncten bijde huldinge voergenoempt den 29 october anno 1607, ter presentien der Eerw. E. Heeren, Heeren Henrick van Holtrop, commandeur tot Gemert, Heeren Jan van Eynatten, commandeur tot Gruytroije, ende heer Johan Raets van Freens, alle Duyts Ordens, benevens noch der edler eerentfester joncker Caspar van Kever-bergh ende joncker Adolff van Eynatten totter Nouwerborch, ter bede ende verseuck der onderdaenen voerschreven, sonder fraude offt argelist.
Tot oerkonde der waerheit ende alles wes voerschreven is hebben wij, Henrick Houben, scholtus, Jan Kaldenberch, Jan Cloet, Jan Cleemen, Tielman Smeijers ende Art Hellinx, schepenen, ten bede ende verseuck der gedeputeerden ende gansse gemeinten der heerlicheijt Gruijtroede voerschreven, dit doer onsen secretaris ende meede schepen doen schreven ende onderschreven, ende tot meerder sekerheit en vasticheijt onsen gewoenliken scheepenampts segel in groenen wass hijr onder aengehangen, ende daer mede bevesticht op huijden den tweden dagh januarij anno 1609.
Doer bevel mijnder heeren voerschreven: Joannes Parisis, secretaris.

Tussen de gemeente Gruitrode en de plaatselijke commandeur Willem van Cortenbach (1605-1607) waren moeilijkheden en processen gerezen betreffende de houwdiensten, schattingen en grondbelasting. Bij de plechtige inbezitneming van de heerlijkheid Gruitrode door landcommandeur Emond Huyn van Amstenraedt (1605-1636) op 28 maart 1607 compareerden burgemeesters, gezworenen, H.-Geestmeesters, kerkmeesters en ingezetenen van Gruitrode, biddende om genaede ende opneeminge der processen ende questien:
| (1) | Wat de houwdiensten betreft verplichten de Gruitrodenaren er zich ten eeuwigen dage toe vier beemden te houwen en in te varen, nl. den Dorper Bampt, den Schob Bampt en de twee voorste beemden bij Boussen gelegen. Verpacht de commanderij deze beemden, dan zijn de ingezetenen niet tot houwdiensten verplicht. | ||||
| (2) | Het tweede luik van de overeenkomst, het belangrijkste, is een
vergelijk over de door de commanderij te betalen grondbelasting voor
haar goederen in Gruitrode:
|
||||
| (3) | Zoals in de omliggende gemeenten krijgt de bode van ieder gezin jaarlijks een schoof rogge. |
Hoewel steeds over de overeenkomst van 2 januari 1609 wordt gesproken, werden deze punten aangenomen bij de inhuldiging van de nieuwe commandeur in 1607. Wel werd de overeenkomst eerst op 2 januari 1609 in de registers van de Gruitroder schepenbank ingeschreven.
Er is een lijst voorhanden van de vóór 1609 door de commanderie in Gruitrode verworven goederen(72). Vooraf dienen wij op te merken dat
het kasteel of de commanderie van Gruitrode met 189 bunders 376 1/4 roeden aangelegen gronden, vrij van grondbelasting was.
| (1) | Den hof van Onbescheijden (11 1/4 stuivers
grondbelasting in iedere honderd gulden). Op 2 januari 1561 oorkonden
schout en schepenen van Gruitrode dat Leijns Kindermans ×
Beele Obescheitz aan de commanderij van Gruitrode overdragen Obescheitz Hooff met zijn toebehoren, nademaal hij zijnen hoff und guet mit grooten uijtgelden und
verloopen renten besweert und belast bevonden heeft, und sold den
selvigen noch meer belasten und besweeren moeten tot sijnen grooten
schade und achterdeijl, uitgenomen een beemd in de
Neerhovenstraat tegenover Cauwbergshof, en dit in ruil voor een huis en
hof in het Dorp genaamd in den Helm(73). Dit laatste huis,
genaamd den Helm onder der Leijwe, met alle
aanhorigheden en brouwgetouw, reengenoten Lips Leenen, 2 ×
straat en de commanderij, verkopen Lens Kinremans × Beelen
Oebescheijns op 24 maart 1562 aan landcommandeur Jan van Ghoor voor 400
gulden Brabants(74). Item van het Kindermans en Houben
goet: in iedere honderd gulden 19 stuivers. Item van Noijen Bemptgen: 1 3/4 stuiver in iedere honderd gulden. De schrijver van het stuk voegt eraan toe, dat van deze goederen zoveel (genoemde) stuivers in elke honderd gulden gegeven wordt als er honderden guldens op de gemeente geheven worden. Dit geldt ook voor de volgende goederen. |
| (2) | Den hoff opt Venne: 1 gulden 2 1/2 stuivers per 100
gulden. Item van het Boussen, Mellen en Kinremans veldt daerbij aengecocht. |
| (3) | Den hoff opt Scharre: 1 gulden 2 1/2 stuivers in iedere honderd gulden. Item van een stuk land van Houben goet: 11 stuivers per 100 gulden. |
| (4) | Die molen van Duijselt: 1 gulden 2 1/2 stuivers in iedere honderd gulden. |
| (5) | Een beemd aangekocht van Houben en Kinremans goet: 1
gulden 3 3/4 stuivers in iedere honderd gulden. |
| Item een huijsken genamt die Leub: 1 1/2 stuiver in iedere honderd gulden. | |
| (6) | Den hoff te Leenen in Solt: 1 1/2 gulden in iedere honderd gulden. De commanderiegoederen in Gruitrode zijn, aldus de steller van de lijst, uit een gunst op het minst geschat. |
| (7) | De korenmolen in Opoeteren: 10 stuivers in iedere honderd gulden. |
| (8) | 5 bunders beemd in Opoeteren: 1 1/2 gulden in iedere honderd gulden. |
| (9) | De hof of landerijen in Rotem jaarlijks 60
gulden. In een nota staat onderaan: Wat bij dese exaltien de bouren sullen doen staet te ondersoecken. |
| (10) | In Lanaken circa 15 1/2 bunder land. Jaarlijkse grondbelasting onbekend. |
| (11) | De pastorie van Gruitrode voor land en weide: 19 3/4 stuivers in
iedere honderd gulden. Item van Toelen Kempken 1 1/4 stuiver. Item van Willekens goet 1 gulden 3 1/2 stuivers. Item van Schepers goet 10 1/2 stuivers. Item van Leissen haghe 1 1/2 stuiver. De verschuldigde grondbelasting aan de gemeente voor deze onder Gruitrode gelegen commanderijgoederen (Obenschijenhof, Vennerhof, Scharhof, Duiseltermolen, de Lieb, de pastorie en Lenenhof in Opsolt) bedroeg 8 gulden 12 3/4 stuivers per heffing van 100 gulden. Deze cedule werd in één jaar zo dikwijls omgeslagen als de gemeente nodig achtte om de lopende uitgaven te kunnen betalen. Behalve de pastorie werden al deze goederen verpacht(75). |


In de tweede plaats zijn er de goederen die de commanderij na 1609 in Gruitrode verwierf en waarvan een lijst d.d. 21 januari 1794 bestaat(76). In het document worden een aantal goederen vermeld die later weer verkocht werden; de landerijen werden veelal in de vóór 1609 verworven winhoven geïncorporeerd:
| (1) | Houben goed, aangekocht op 29.11.1656(77)
|
||||||||||||||
| (2) | Kindermansgoed, verworven op 12.10.1657 tegen een
ruiling van Lenaartshof in Ophoven, omvattende:
|
|
|||||||||||||||
| (3) | Bousengoed, op 18.10.1662 verkregen door een ruiling
met Neijengoed onder Gerdingen(80), bestaande in:
|
||||||||||||||
| (4) | Het Dusselter Broeck, in 1679 gekocht. | ||||||||||||||
| (5) | Beels Bampt, door een ruiling op 18.10.1662 verkregen(81). | ||||||||||||||
| (6) | Cops Roijen Velt, op 23.03.1745 aangekocht(82). | ||||||||||||||
| (7) | Kleen Cops, op 24.01.1742 aangekocht. | ||||||||||||||
| (8) | Boels huisgen, verworven in 1788. | ||||||||||||||
| (9) | Gielen goed, aangekocht in 1683. |
Volgens de steller van dit document is de grootte van deze verworven goederen in de registers niet gespecificeerd, maar hun gezamenlijke oppervlakte bedraagt circa 30 bunders.
Vraag is of de overeenkomst uit 1607 (1609) ook correct werd toegepast. Uit een ongedateerde 17de-eeuwse schatcedule blijkt, dat de commanderij voor al haar pachthoven en landerijen in Gruitrode 8 gulden 9 stuivers in een omslag van 100 gulden diende te betalen. Deze cedule werd in dat jaar 100 maal omgeslagen, wat neerkwam op een belasting van 515 gulden 9 stuivers voor de commanderij, zowel betreffende de vóór als na 1609 verworven goederen.
In de eerder besproken suppliek van de burgemeesters Jan Haels en Joseph Vaesen tot de landcommandeur d.d. 3 januari 1794 verklaren beide burgemeesters, dat de gemeente zich aan de overeenkomst van 1607 (1609) zal houden. Daar de uitvoering van de meting niet lang meer op zich zal laten wachten, dringt zich volgens de burgemeesters wel een oplossing op voor de taxering van de na 1609 door de commanderij verworven goederen. Hiervoor stellen zij een bundersgewijze schatting voor, die ook voor de goederen van de ingezetenen gelden zal, daar de meerderheid zich tegen een klassentelling verzet.
Lambrecht Lambrechts, van 1790 tot 1792 deservitor van de kerk van Gruitrode en tevens rentmeester van Alden Biesen in Gruitrode, maakt op 8 januari 1794 een commentariërend schrijven op het verzoekschrift van de Gruitroder burgemeesters d.d. 3 januari 1794 aan landcommandeur von Reischach over(83):
Dat het waer is, dat de Duijts Ordens Commanderie Gruijtrode anno 1609 eenen gerichtelijcken accoord noopende de schattingen beslooten heeft met de ingeseetenen van de vrije heerlijckheijd Gruijtroede, bij welcken vastgestelt is, dat alle die goederen, erven en landen, soo van de commanderie selve of met haere eijgenen peerden ende beesten gewonnen en bebouwt worden, vrij sullen zijn van alle schattingen, maer wat verpacht ofte verhuert word, sal met de onderdaenen meede geeven 23 stuijvers in iegelijcke hondert guldens, soo veele honderde guldens oock mochten op de gemeijnte koomen, mits conditie soo den Duijtsen Orden eenige meer erven alhier bijkocht, sullen de selve met de onderdaenen goederen in de schattingen op en afgaen.
Dat het blijckt uijt de registers van de commanderie Gruijtrode dat de drij pachthoven Obenscheijen, Venne ende Scharre alreeds voor de jaere 1609 aen de voorschreven commanderie in eijgendom toebehoort hebben. Dat alle commanderie goederen, voor den jaere 1609 bij deselve beseeten, volgens inhoud des voorschreven accoord maer moeten betaelen 23 stuivers in ieder hondert gulden schattinge. Dat nogtans bij verloop van jaeren verre afgeweecken is van den inhoud van voorschreven transactie: dat Venne Hof in ieder hondert guldens schattinge moet betaelen 2 gulden 3 stuivers 3 oorden, Scharre Hof 1 gulden 13 stuivers ende Obenscheijen Hof 1 gulden 12 stuivers. Dat also sienelijck is het groot praejudictie, het welck de commanderie leijdt tegens den inhoud van de voorbenoemde transactie, dan de schattinge genoomen ad 1400 guldens op de geheele gemeijnte, gelijck de selve geweest is pro anno 1792, en de commanderie betaelende volgens teneur der transactie in ieder hondert 23 stuivers, soude maer betaelen moeten 16 gulden 2 stuivers, en nu in contrarie moet van haere drij voorschreven pachthoven betaelen 72 guldens 2 3/4 stuivers.
Dat diensvolgens (de gedeputeerdens sig beroepende op den accoord en den selven ratificeerende in alle clausulen) een groot voordeel uijt dit supplijck voor de commanderie Gruijtrode voorhanden is, in het toeckoomende alsoo maer zullende betaelen volgens den teneur der voorschreven transactie.
Dat oock zeeckerlijck gelooven moet, dat bij aencoopinge eenige goederen naer den jaere 1609 in deese hoven konnen geincorporeert sijn.
Dat het oock wel mogelijck sal sijn eenen extract van naer den jaere 1609 geacquireerde goederen te konnen opmaecken uijt de commanderieregisters.
Volgens rentmeester Lambrechts is het het beste en voor de commanderij ook het voordeligst, als alle gronden na de meting in een egale klasse gesteld worden; bij een klassenstelling zullen de door de commanderij verworven akkerlanden en beemden ongetwijfeld in de eerste of beste klasse gesteld worden. Hij stelt landcommandeur von Reischach tevens voor dat de ingezetenen van Gruitrode op het eerstvolgend jaargeding voor drossaard en schepenen de aangifte van hun goederen ratificeren, evenals het verzoekschrift van de burgemeesters van 3 januari 1794 en de transactie tussen gemeente en commanderij de dato 2 januari 1609, waarvan de inhoud dient geverifieerd te worden aan de oorspronkelijke overeenkomst van 29 oktober 1607.
G.C. Beurskens, de kersverse griffier van de bank van Gruitrode, kan het niet laten geregeld uitvoerige berighten aan landcommandeur von Reischach over te maken, zoals bijv. op 28 februari 1794(84),

Ill. 14
Fragment van de goederenaandracht door de
gezinshoofden van Gruitrode voor de plaatselijke schepenbank, 26
februari 1794. (R.A.H., Fonds Alden Biesen nr. 1181)
uitvoerig ingaand op de commentaar van rentmeester Lambrecht Lambrechts, waaraan hij niets wezenlijks toevoegt. Op een vleiend-kruiperige wijze wil hij alles zo voordelig mogelijk voor de landcommanderij laten uitschijnen.
In opvolging van de resolutie van de landcommandeur van 15 januari 1794 verschijnen de gezinshoofden van Gruitrode op 26 februari 1794 een tweede maal voor de schepenbank om hun goederen te declareren, ditmaal onder eed, wat bij de aangifte van 29 mei 1793 over het hoofd gezien was. Tevens ratificeren zij het door hun gedeputeerden Jan Haels en Joseph Vaesen op 3 januari 1794 ingediende verzoekschrift, evenals de in 1607 (1609) gesloten overeenkomst tussen de gemeente en de commanderij. Tijdens een buitengewone zitting van de schepenbank op 26 februari 1794 wordt volgende verklaring opgesteld:
Sijn voor ons, schouth en schepenen deser justitie Gruijtroede, alhier persoonelijk in judicio verschenen alle de comparanten, soo als naementlijck in de opgave oft enumeratie aller goederen, gronden en erven binnen de jurisdictie en heerlijckhijt Gruijtrode gelegen, op heden dato voorschreven gepasseert, staen benoemt. En hebben alle en ider int besonder, soo als daer staet geenonceert, de requeste van den 3den januari jongstleden door de gedeputeerden Haels en Vaesen voor en naemens hun aen Sijne Excellentie gepresenteert, wie mede den contract anno 1609 tussen de gemijnte Gruijtrode voormelt ende den Hooghen Duijtschen Orden besloten, bijde in alle puncten en clausulen, naer bevorens door ons der gementioneerde stucken - signanter van den requeste van den 3den anni currentis en van den contract oft accoord anni 1609 - aen geseijde comparanten gedaene lecture en over dessens inhaldt aen hun duijdelijcke en precise gegevene explicatie, geaffirmeert en geratificeert onder behoorlijke daerover in schepenen handen gedaene stipulatie(85).
Griffier G.C. Beurskens maakt aan de landcommandeur het volledig dossier van de goederenaandracht van 26 februari 1794(86) over, evenals zijn commentaar hierop de dato 29 maart 1794(87).
Net zoals de eerste maal op 29 mei 1793 gebeurt de aangifte bundersgewijs - algemeen en niet gespecificeerd -, waarbij de comparanten telkens het verzoek van hun gedeputeerden van 3 januari 1794
evenals de overeenkomst tussen de gemeente en de commanderij uit 1607 (1609) ratificeren. Hierbij één voorbeeld ter illustratie:
Comparavit op den 26 februari 1794 ten geregte Gruijtrode Simon Meremans, wonende in t'Ophoven, gehugt van Gruijtrode, alwelcken onder eedt in judicio gepresteert, heeft verclaert en naer sijn beste vermijninge en wetenschap opgegeven te besitten 12 boender acker bouwland, 1 1/2 boender wijde en omtrent de 2 boender hijhaege. Item ratificavit onder eedt in judicio afgelegt de requeste van den 3den anni 1794, aen Sijne Excellentie gepresenteert, wie mede oock den contract anno 1609 tusschen den Hoogen Duijtschen Orden en de gemijnte besloten.
Wij hebben er al op gewezen, dat zulke aandrachten, die ook elders geregeld voorkwamen, niet ieders bezit precies weergeven, en dat de neiging om minder aan te geven dan men effectief bezat, zeker aanwezig was.
In onderstaand overzicht vermelden wij per erf het bundergetal volgens de aandracht van 26 februari 1794 en dit blijkens de meting die in hetzelfde jaar plaatshad. Vooraf ge